reltext

Chapter 1

1 In den beginne schiep God den hemel en de aarde.123

  1. beginne Van den tijd der schepping aller creaturen, die door de schepping in het wezen gekomen zijn; dewijl zij tevoren niet geweest waren, maar God alleen, die zonder begin is, Psa 90:2; Pro 8:22-23; Col 1:17. Verg. dit met Joh 1:1.
  2. schiep Scheppen, is in dit hoofdstuk en elders te zeggen, iets voortreffelijks te maken, hetwelk tevoren niet was, hetzij uit niet, als hier vs.1, of uit wat anders, dat uit niet geschapen was, als vs.21, 27. Van het Hebr. woord Elohim, dat is God, zie hoofdstuk Gen 20:13.
  3. hemel Door hemel, of (hemelen) [zijnde dit woord bij de Hebreën in het getal van één niet gebruikelijk] en aarde, mag men in dit eerste vers verstaan òf den hemel en de aarde, zoals ze op den eersten dag zijn geschapen, òf de ganse wereld, met alle hemelse en aardse schepselen daaronder begrepen. Verg. Gen 2:1.

2 De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond; en de Geest Gods zweefde op de wateren.123456

  1. aarde Versta hier door dit woord, de aarde die nu is, doch zoals ze in dat begin op den eersten dag geschapen is, en niet zoals ze door het volgende werk der schepping geworden is.
  2. woest In het Hebr. woestheid, of ongestaltheid en ledigheid, of ijdelheid, hetwelk van de aarde gezegd wordt, omdat ze was zonder zulk een gedaante, orde, onderscheid, sieraad, gebruik, en de inwoners, die naderhand daarin geschapen zijn. Met deze Hebr. woorden wordt elders in de Heilige Schrift uitgedrukt de uiterste woestheid, ongestaltheid, ijdelheid, nietigheid, of ledigheid, die ergens is. Zie Deu 32:10; 1Sa 12:21; Job 12:24; Psa 107:40; Isa 34:11; Isa 44:9; Jer 4:23.
  3. op den afgrond; Hebr. op het aangezicht des afgronds. Dat is, op het diepe en ondoorgrondelijke water, hetwelk de aarde bedekte als een kleed, en stond boven de bergen, Psa 104:6. Zie 2Pe 3:5.
  4. Geest Gods Versta hier door het woord Geest den Heiligen Geest, niet den wind, die nog niet geschapen was.
  5. zweefde Of, bewoog zich. Versta, om het eerste wezen en de gestalte der aarde en wateren, gelijk die toen waren, te onderhouden, opdat alzo de kracht des Geestes daaruit voortgebracht zouden worden. Het schijnt ene gelijkenis, genomen van de vogels, die de eieren broeden om de jongskens daaruit te doen voortkomen, en daarna met hare vleugels over dezelve zweven, omo die te koesteren en op te kweken. Zie Deu 32:11.
  6. op de wateren Hebr. op het aangezicht der wateren: Dat is op het opperste of bovenste der wateren, die de aarde bedekten.

3 En God zeide: Daar zij licht! en daar werd licht.12

  1. zeide Gods zeggen is zijn wil, zijn bevel en daad, Psa 33:9; Psa 148:5, welken Hij uitgevoerd heeft door zijn wezenlijk Woord, hetwelk van eeuwigheid af God en bij God geweest is, Joh 1:1-2; Psa 33:6.
  2. licht Een klaar, helder, luchtig wezen, verlichtende den duisteren klomp, en door zijn omloop makende dag en nacht.

4 En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis.123

  1. zag het Dat is menselijker wijze van God gesproken. De zin is, dat God zijn schepsel voor goed kende.
  2. goed was; Dàt wordt hier goed genoemd, hetwelk Gode aangenaam, in zichzelven schoon en lieflijk, en den schepselen, voornamelijk den mensen, nuttig en dienstig is.
  3. maakte scheiding Te weten, alzo dat het licht de duisternis, en de duisternis het licht achtervolgden, om nacht en dag te maken.

5 En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.12

  1. avond Dat is nacht en dag makende een natuurlijken dag, welke bij de Hebreën begon met den avond [gelijk de duisternis is voorgegaan] en eindigde met den volgenden avond, begrijpende 24 uren.
  2. eerste dag Hebr. een dag; maar het is zeer gebruikelijk bij de Hebreën, datzij één voor eerst zetten, gelijk Gen 8:5; Num 29:1; Mat 28:1; 1Co 16:2.

6 En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren!123

  1. uitspansel Of uitbreidsel. Het woord, dat in den Hebreeuwsen tekst staat, komt van een woord, hetwelk betekent uitspannen, uittrekken enz., en hier wordt er door bedoeld de gehele ruimte tussen de onderste en bovenste wateren.
  2. dat make Hebr. dat zij scheiding makende.
  3. wateren en wateren Die in het volgende vs.7. verklaard worden.

7 En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren, die onder het uitspansel zijn, en tussen de wateren, die boven het uitspansel zijn. En het was alzo.12

  1. die onder het uitspansel Te weten in en op de aarde. Hebr. die van onder, enz. alzo vs.9.
  2. wateren, die boven Hebr. de wateren, die van boven, enz. Versta de wolken, die boven het onderste deel van dit uitspansel drijven, of enige andere wateren die na de scheiding hunne plaats boven mochten hebben genomen.

8 En God noemde het uitspansel hemel. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de tweede dag.

9 En God zeide: Dat de wateren van onder den hemel in een plaats vergaderd worden, en dat het droge gezien worde! En het was alzo.1

  1. en dat het Hieruit blijkt dat tevoren de ganse aardbodem met water is bedekt geweest, ja zelfs de bergen, gelijk boven op vs.2 is aangetekend.

10 En God noemde het droge aarde, en de vergadering der wateren noemde Hij zeeën; en God zag, dat het goed was.1

  1. zeeën; Er staat niet: zee, maar: zeeën, omdat door dit woord bij de Hebreën niet alleen verstaan wordt de grote zee, gelijk Ecc 1:7, maar ook andere zeeën, poelen, meren en alle verzamelingen, der wateren. Zie Gen 14:3; Exo 14:23; Num 34:11; Mat 4:18; Joh 21:1, en elders.

11 En God zeide: Dat de aarde uitschiete grasscheutjes, kruid zaadzaaiende, vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijn aard, welks zaad daarin zij op de aarde! En het was alzo.12

  1. kruid Dat is, wat zaad van zich voortbrengt, draagt, geeft en uitwerpt; alzo onder vs.12, 29.
  2. vruchtbaar Hebr. geboomte der vrucht.

12 En de aarde bracht voort grasscheutjes, kruid zaadzaaiende naar zijn aard, en vruchtdragend geboomte, welks zaad daarin was, naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.

13 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de derde dag.

14 En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen den dag en tussen den nacht; en dat zij zijn tot tekenen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren!12

  1. lichten Zie Psa 74:16.
  2. dat zij zijn Dat is, om te dienen tot aftekening van verscheidene gelegenheden der tijden, als: lente, zomer, herft, winter, verlenging, verkorting en eveningen der dagen, eklipsen, enz., mitsgaders zekere dagen, weken, maanden en jaren waar te nemen en te onderhouden, zowel in kerkelijke, als in politieke en burgerlijke handelingen, dit leven aangaande.

15 En dat zij zijn tot lichten in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde! En het was alzo.

16 God dan maakte die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij des daags, en dat kleine licht tot heerschappij des nachts; ook de sterren.12

  1. die twee Te weten de zon en de maan, welke groot genoemd worden ten aanzien van haar uiterlijke gedaante, zoals die in onze ogen valt, en haar uitnemende werkingen.
  2. kleine licht Te weten in vergelijking met de zon.

17 En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde.1

  1. stelde ze Hebr. gaf ze.

18 En om te heersen op den dag, en in den nacht, en om scheiding te maken tussen het licht en tussen de duisternis. En God zag, dat het goed was.

19 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vierde dag.

20 En God zeide: Dat de wateren overvloediglijk voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel des hemels!123

  1. een gewemel Het Hebr. woord is hier genomen voor zodanig gedierte, dat in de zee en andere wateren door zwemmen zich beweegt; hoewel het ook gebruikt wordt van het vliegende gedierte in de lucht. Lev 11:20, en van het kruipende op de aarde; daar ook vs.44.
  2. zielen; Hebr. ziel. Versta daardoor de dieren, die leven en gevoelen, en door zulk een oorzaak zich bewegen.
  3. in het uitspansel Hebr. in [of naar] het aangezicht des enz.

21 En God schiep de grote walvissen, en alle levende wremelende ziel, welke de wateren overvloediglijk voortbrachten, naar haar aard; en alle gevleugeld gevogelte naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.123

  1. schiep Zie de aantekening op vs.1.
  2. wremelende ziel, Het Hebr. woord betekent niet alleen het zwemmende gedierte, gelijk hier en Lev 11:46 en Psa 69:35, maar ook wat kruipt op de aarde, of met verheffing der voeten daarop gaat en treedt, gelijk onder vs.24-26, vs.28, vs.30 en Gen 6:20, Gen 7:8 en Psa 104:20.
  3. gevleugeld Hebr. alle vogels des vleugels. Alzo ook Psa 78:27.

22 En God zegende ze, zeggende: Zijt vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de wateren in de zeeën; en het gevogelte vermenigvuldige op de aarde!1

  1. zegende ze, Dat is, God gaf hun kracht om hun geslacht door voortteling te onderhouden ten te vermenigvuldigen. Zie onder vs.28, en elders meer.

23 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vijfde dag.

24 En God zeide: De aarde brenge levende zielen voort, naar haar aard, vee, en kruipend, en wild gedierte der aarde, naar zijn aard! En het was alzo.123

  1. zielen Hebr. ziel. Zie boven vs.20.
  2. vee, Het Hebr. woord betekent hier alle tamme, viervoetige dieren, onder de mensen verkerende, en hun tot dienst, voedsel en kleding strekkende.
  3. kruipend Zie boven op vs.21.

25 En God maakte het wild gedierte der aarde naar zijn aard, en het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.

26 En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.123456

  1. Laat ons God spreekt in het getal van velen (meervoud) gelijk Hij ook terstond en verder doet, zeggende: (naar ons beeld, naar onze gelijkenis); en als zich beradende [menselijker wijze gesproken] om ons aan te wijzen de Goddelijke Drieënheid, en de waardigheid van dit laatste schepsel des mensen.
  2. mensen Dat is, man en vrouw, gelijk blijkt uit het volgende: dat zij heerschappij hebben, en uit vs.27, en hoofdst. Gen 5:2.
  3. naar ons Hebr. in ons beeld.
  4. beeld, Deze twee woorden schijnen ééne en dezelfde betekenis te hebben, omdat in deze materie somtijds een van beiden in de plaats van beiden gesteld wordt; zie het volgende vs.27, en hfdst..5:1. Door beeld en gelijkenis is voornamelijk te verstaan de ware kennis van God, Col 3:10, ware gerechtigheid en heiligheid, Eph 4:24.
  5. de vissen Hebr. (vis), dat is, vissen, alzo vs.28.
  6. het vee, Dit woord wordt hier breder genomen dan vs.24, daar het onderscheiden wordt van het wild gedierte, hetwelk hier onder het Hebr. woord behemah begrepen wordt.

27 En God schiep den mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze.1

  1. God schiep Dat is, niet naar des mensen evenbeeld, dat geschapen werd, gelijk de voorgaande woorden zouden kunnen genomen worden, maar naar het beeld van God, die hem geschapen heeft verg. onder Gen 5:1; Gen 9:6.

28 En God zegende hen, en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt!12

  1. zegende Zie de aantekening op vs.22; hoewel dit woord hier meer begrijpt naar uitwijzen van den tekst zelf.
  2. kruipt Zie boven op vs.21.

29 En God zeide: Ziet, Ik heb ulieden al het zaadzaaiende kruid gegeven, dat op de ganse aarde is, en alle geboomte, in hetwelk zaadzaaiende boomvrucht is; het zij u tot spijze!1

  1. op de Hebr. op het aangezicht der, enz.

30 Maar aan al het gedierte der aarde, en aan al het gevogelte des hemels, en aan al het kruipende gedierte op de aarde, waarin een levende ziel is, heb Ik al het groene kruid tot spijze gegeven. En het was alzo.12

  1. al het groene Hebr. Alle groenten of groensel des kruids.
  2. gegeven; Dit woord is hier ingevoegd uit het voorgaande vs.29.

31 En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de zesde dag.1

  1. ziet, het was zeer goed Deze woorden, ziet en zeer, zijn door Mozes hier bijgevoegd, om des te beter uit te drukken de grootheid en treffelijkheid van dit werk, alsook het uitnemend welgevallen van God, hetwelk Hij gehad heeft in al zijn werk, inzonderheid in het schepsel der mensen.

Chapter 2

1 Alzo zijn volbracht de hemel en de aarde, en al hun heir.12

  1. hemel Dat is, de lucht, de hemel, de zon, maan en sterren, mitsgaders de derde hemel met zijne inwoners, de heilige engelen, gelijk zij ook genaamd worden het heir des hemels, 1Ki 22:19, verg. boven Gen 1:1.
  2. al hun De schepselen, in hemel en aarde begrepen, worden een heir genaamd, niet alleen om hun grote menigte en verscheidenheid, welgestelde orde en zonderlinge sieraad; maar ook omdat zij van God als hun overste worden onderhouden en geregeerd, en Hem steeds ten dienste moeten staan. Alzo Psa 103:21; Isa 45:12.

2 Als nu God op den zevenden dag volbracht had Zijn werk, dat Hij gemaakt had, heeft Hij gerust op den zevenden dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had.1

  1. heeft Hij gerust Dat is menselijker wijze van God gesproken; want er wordt gezegd dat Hij rustte, niet omdat Hij moede was van het werken, maar omdat Hij opgehouden heeft enige nieuwe soorten van dingen te scheppen; hoewel Hij nog altijd werkt in het onderhouden en regeren van dezelve. Isa 40:28; Joh 5:17.

3 En God heeft den zevenden dag gezegend, en dien geheiligd; omdat Hij op denzelven gerust heeft van al Zijn werk, hetwelk God geschapen had, om te volmaken.12

  1. heeft den zevenden Dat is, God heeft hem verheven boven de andere dagen, en waardiger gemaakt dan dezen. Verg. het woord zegenen met Gen 24:31. De waardigheid is in het gebruik, hetwelk door het volgende woord heiligen te kennen gegeven wordt, betekenende iets, dat gemeen is, tot een heilig gebruik afzonderen. Alzo Exo 13:2; Lev 8:10; Num 7:1; 1Ki 8:64, enz.
  2. om te volmaken Dat is, om tot al zulke gebruiken en einden, als met Gods wijsheid overeenkomen, maar eens iegelijken aard op het sierlijkste en bekwaamste te schikken, zoals zij nu zijn. Anders, scheppende gemaakt had.

4 Dit zijn de geboorten des hemels en der aarde, als zij geschapen werden; ten dage als de Heere God de aarde en den hemel maakte.12

  1. geboorten Dat is, oorsprong of beginselen. Verg. Psa 90:2 met de aant.
  2. de HEERE God Na de voleinding van het werk der schepping, wordt hier allereerst God de naam van JHWH gegeven, betekenende den zelfstandige, den zelfwezende, van zichzelven zijnde van eeuwigheid tot eeuwigheid en de oorsprong of oorzaak van het wezen aller dingen, waarom ook deze naam den waren God alleen toekomt. Onthoud dit eens voor al: waar gij voortaan het woord HEERE met grote letters geschreven vindt, dat aldaar in het Hebr. het woord JHWH of korter JAH staat.

5 En allen struik des velds, eer hij in de aarde was, en al het kruid des velds, eer het uitsproot; want de Heere God had niet doen regenen op de aarde, en er was geen mens geweest, om den aardbodem te bouwen.12

  1. eer hij Te weten, vóór hunne schepping, toen zij nog niet waren.
  2. want de HEERE De zin is dat God de planten, als: kruiden, struiken, bomen, uit de aarde in de schepping op den derden dag had doen voortkomen, alleen door zijn alvermogend woord, zondere enige middelen, hetzij van den regen der lucht, hetzij van den arbeid der mensen, die toen nog niet waren.

6 Maar een damp was opgegaan uit de aarde, en bevochtigde den gansen aardbodem.123

  1. Maar Te weten, nu of daarna; want Mozes verhaalt nu hier het gewone middel van God in de natuur daargesteld, om kruiden, struiken en bomen uit de aarde voort te brengen, namelijk, den damp, die den regen veroorzaakt en het aardrijk bevochtigt.
  2. een damp Welke, door de hitte der zon uit het water en de aarde opgetrokken zijnde, stijgt tot in de middenlucht, waar hij door haar koude in wolken verandert, en daarna wederom ontsluit en regen wordt, waarmede het aardrijk dan bevochtigd wordt.
  3. den gansen Hebr. het ganse aangezicht des aardbodems.

7 En de Heere God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen den adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel.1234

  1. geformeerd Of, gebeeld, of gefatsoeneerd, te weten, gelijk een pottenbakker uit leem wat formeert, als: Isa 45:9; Rom 9:20-21. Versta dit ten aanzien van des mensen lichaam.
  2. uit het Hebr. stof uit het aardrijk.
  3. en in zijn Dit is menselijker wijze van God gesproken, en wijst ons aan dat de ziel des mensen niet is geschapen uit enige voorgaande materie, gelijk de ziel der beesten, Gen 1:20-21, Gen 1:24, maar uit niet, door Gods Geest, en van buiten den mensen ingestort.
  4. levende ziel Dat is, tot een schepsel, dat met leven begaafd is, bestaande uit een lichaam en een redelijke onsterflijke ziel, tezamen den mens uitmakende.

8 Ook had de Heere God een hof geplant in Eden, tegen het oosten, en Hij stelde aldaar den mens, dien Hij geformeerd had.1234

  1. hof Namelijk, het paradijs of lusthof, dat God voor den mens tot ene woning verordend had.
  2. geplant Te weten, op den derden dag der schepping, eer de mens geschapen was.
  3. Eden, Eden is de naam van een landschap in Thelassar, het opperdeel in Chaldea, gelijk te zien is 2Ki 19:12, en het is onderscheiden van een ander Eden, gelegen bij Damaskus, in Syrië, waarvan te zien is Amo 1:5. Het Hebr. woord Eden betekent wellust, geneugte, vermaking. Dit land wordt alzo genaamd, omdat het een schoon, lustig, edel land was, gelijk zulks te zien is uit het volgende vers van dit hoofdstuk, vs.9, alsook uit Isa 51:3; Eze 28:13, Eze 31:16, Eze 31:18.
  4. tegen het oosten, Hebr. van oosten, of uit oosten, dat is, in het oosteinde van Eden, of ten oosten van de plaats, waar Mozes was, dit schrijvende.

9 En de Heere God had alle geboomte uit het aardrijk doen spruiten, begeerlijk voor het gezicht, en goed tot spijze; en den boom des levens in het midden van den hof, en de boom der kennis des goeds en des kwaads.12

  1. goed Versta dit van de vruchten der bomen.
  2. des levens Dat is, een teken des levens, betekenende dat de mens het leven van God ontvangen had en behouden zou, zo hij in zijne gehoorzaamheid volhardde, totdat het God believen zou hem in zijn hemelse onsterflijkheid op te nemen.

10 En een rivier was voortgaande uit Eden, om dezen hof te bewateren; en werd van daar verdeeld, en werd tot vier hoofden.123

  1. een rivier Het gevoelen van enigen is dat dit te verstaan is van de rivier de Eufraat, die ontspringt in het gebergte van groot Armenië, en zich daarna met de rivier Hiddekel of Tigris verenigt, waaruit zich voorts de twee andere rivieren [Pison en Gihon] verdelen, enz.; doch de eigenlijke ligging dezer rivieren is nu onzeker, en wordt daarvan verscheidenlijk door de geleerden gevoeld.
  2. uit Eden, Zie boven de aant. op vs.8. Zij was vloeiende door Eden, tot, in en door den hof, in het land van Eden gelegen.
  3. tot vier Dat is, hoofdstromen, hoofdrivieren, hoofdwateren. Het woord hoofden betekent hier beginselen van deze vier rivieren.

11 De naam der eerste rivier is Pison; deze is het, die het ganse land van Havila omloopt, waar het goud is.123

  1. Pison; Hebr. Pischon. Deze naam wordt nergens elders in de Heilige Schrift gevonden dan hier. Zij is een arm van de rivier Eufraat, vallende, naar veler gevoelen, onder Apamea, in de Tigris, en daarna in de Perzische zee; dragende bij de inwoners den naam van (Pasitigris of Pisotigris.
  2. Havila Hebr. Cavilah. Dit is de naam van een landschap, anders [naar de mening van sommige geleerden] ook Suziana genaamd, naar de hoofdstad Suzan, waarvan te zien is Est 1:2; Dan 8:2. Zie ook van een ander Havila Gen 25:18; 1Sa 15:7.
  3. omloopt, Hebr. is omlopende.

12 En het goud van dit land is goed; daar is ook bedolah, en de steen sardonix.12

  1. bedólah, Dit is naar sommiger oordeel de naam van een boom; anderen menen dat het de naam is van een edelgesteente. Num 11:7 wordt de kleur van het manna vergeleken met de verf van bedólah.
  2. sardónix. Hebr. Scholam, de naam van een edelgesteente, waaromtrent verscheiden gevoelen is. Deze naam wordt ook gevonden Exo 25:7; Exo 28:9; Eze 28:13 enz.

13 En de naam der tweede rivier is Gihon; deze is het, die het ganse land Cusch omloopt.12

  1. Gihon; Hebr. Cichon, die door de inwoners des lands [zoals enigen schrijven] genoemd wordt Nahar_sares.
  2. Cusch Dit woord begrijpt wel in het algemeen Morenland, Arabië en de gehele landstreek tegen middag, maar hier in het bijzonder Woest-Arabië, hetwelk aan Chaldea grenst.

14 En de naam der derde rivier is Hiddekel; deze is gaande naar het oosten van Assur. En de vierde rivier is Frath.123

  1. Hiddékel; Hebr. Chiddekel. Deze is eigenlijk de rivier Tigris, Dan 10:4, hebbende alsnog de naam van Diglats of Tiglats, zoals enigen schrijven, maar het is hier een arm van de Eufraat, vloeiende in de rivier Tigris, en daarom ook Tigris genoemd.
  2. Assur Hebr. Aschschur; dat is Assyrië, Assur genaamd naar Assur, den zoon van Sem, Gen 10:22.
  3. Frath Versta hierdoor den voornaamsten arm van de rivier de Eufraat, welke, omdat hij zeer groot is, den naam van de gehele rivier draagt. Zie van deze rivier onder Gen 15:18; Deu 1:7; Jer 13:4.

15 Zo nam de Heere God den mens, en zette hem in den hof van Eden, om dien te bouwen, en dien te bewaren.

16 En de Heere God gebood den mens, zeggende: Van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten;123

  1. gebood Hebr. gebood aan, of over de mens.
  2. den mens, Te weten, beiden, den man en de vrouw. Zie Gen 3:1-3.
  3. zult gij vrijelijk Hebr. etende zult gij eten. Deze manier van spreken, waarbij het woord aldus verdubbeld wordt, vindt men dikwijls in de Heilige Schrift, en dient hier om aan hetgeen verhaald wordt, naar den eis der materie een bijzonder gewicht of opmerking te geven. Alzo ook in het volgende vers (17), alsmede Gen 3:4, Gen 3:16, en Gen 17:13, Gen 18:18; Jos 24:10; Jer 23:17, enz.

17 Maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven.1

  1. den dood sterven Hebr. stervende sterven. Versta hierdoor drieërlei dood: 1e de lichamelijke, met al zijn voorafgaande ellende; 2e de geestelijke dood, die tegelijk lichamelijk en geestelijk is.

18 Ook had de Heere God gesproken: Het is niet goed, dat de mens alleen zij; Ik zal hem een hulpe maken, die als tegen hem over zij.1

  1. als tegen hem Of, voor hem, dat is, die altijd zij als in zijne tegenwoordigheid, hem wel gelijkende, en bereid tot zijn hulp en dienst. Alzo ook onder vs.20.

19 Want als de Heere God uit de aarde al het gedierte des velds, en al het gevogelte des hemels gemaakt had, zo bracht Hij die tot Adam, om te zien, hoe hij ze noemen zou; en zo als Adam alle levende ziel noemen zoude, dat zou haar naam zijn.1234

  1. bracht Hij Of, deed hen komen.
  2. tot Adam, Anders, tot den mens; en zo in het volgende.
  3. levende ziel Zie boven Gen 1:20.
  4. dat zou haar naam zijn Of, dat werd, of is zijn naam.

20 Zo had Adam genoemd de namen van al het vee, en van het gevogelte des hemels, en van al het gedierte des velds; maar voor den mens vond hij geen hulpe, die als tegen hem over ware.1

  1. voor den mens Dat is voor zichzelven.

21 Toen deed de Heere God een diepen slaap op Adam vallen, en hij sliep; en Hij nam een van zijn ribben, en sloot derzelver plaats toe met vlees.1

  1. sloot Dat is, voor, of in de plaats van de rib, die Hij uit hem genomen had, maakte Hij vlees, en sloot daarmede de geopende plaats toe.

22 En de Heere God bouwde de ribbe, die Hij van Adam genomen had, tot een vrouw, en Hij bracht haar tot Adam.1

  1. bouwde Dit is ene gelijkenis genomen van een huis, dat door een kundig meester tot een waardig einde gebouwd wordt.

23 Toen zeide Adam: Deze is ditmaal been van mijn benen, en vlees van mijn vlees! Men zal haar Manninne heten, omdat zij uit den man genomen is.1

  1. Deze is ditmaal Of, ditmaal is er, dat is, ik heb nu eindelijk gekregen een gezelschap, mijns gelijke, hetwelk ik tevoren gezocht, doch niet gevonden had.

24 Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven; en zij zullen tot een vlees zijn.1

  1. verlaten, Dit neemt niet weg de liefde noch de eer, die men zijnen ouders verschuldigd is, maar het maakt onderscheid tussen de wijze der samenwoning en de grootheid der verbintenis.

25 En zij waren beiden naakt, Adam en zijn vrouw; en zij schaamden zich niet.1

  1. zij schaamden De reden was hunne volmaaktheid en onnozelheid, waardoor zij niets oneerlijks zagen aan hunne lichamen, noch iets onreins gevoelden aan hunne zielen.

Chapter 3

1 De slang nu was listiger dan al het gedierte des velds, hetwelk de Heere God gemaakt had; en zij zeide tot de vrouw: Is het ook, dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs?123

  1. slang Een dier, dat de duivel, omdat het zeer listig was, misbruikt heeft, om den mens van God zijnen Schepper [van wien hij tevoren met al zijn boze engelen was afgevallen, Joh 8:44; 2Pe 2:4; Jud 1:6 ] af te voeren, waarom hij ook en serpent of slang is geheten, 2Co 11:3; Rev 20:2.
  2. zij zeide Dat is, de duivel sprak door haar, met een arglistige, bedriegelijke reden: gelijk de woorden van dezen tekst en de navolgende klaarlijk uitwijzen.
  3. Is het ook De duivel speelt hier met Gods gebod, en poogt door dubbelzinnigheid hetzelve in twijfel te trekken, of te verduisteren, en zo te vernietigen.

2 En de vrouw zeide tot de slang: Van de vrucht der bomen dezes hofs zullen wij eten;1

  1. zullen wij Dat is, mogen wij wel vrijelijk eten.

3 Maar van de vrucht des booms, die in het midden des hofs is, heeft God gezegd: Gij zult van die niet eten, noch die aanroeren, opdat gij niet sterft.123

  1. booms, Of, des geboomtes.
  2. noch die Te weten, om daarvan te eten.
  3. opdat gij Anders, opdat gij niet misschien sterft; menende dat Eva hier begon te wankelen.

4 Toen zeide de slang tot de vrouw: Gijlieden zult den dood niet sterven;12

  1. Gijlieden Een stoute, onbeschaamde, openbare leugen des duivels; waarom hij terecht een leugenspreker en vader der leugens benoemd wordt, Joh 8:44.
  2. niet sterven Hebr. niet stervende sterven. Anders, niet zekerlijk sterven.

5 Maar God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad.12

  1. God wezen, Of, als goden.
  2. kennende Het woord kennen heeft tweeërlei zin, te weten, wijsheid vatten en begrijpen, die den mens heerlijk en gelukzalig maakt; of ellende gevoelen, die denzelven schandelijk en verdoemelijk maakt. Het eerste belooft de satan den mens bedriegelijk, wel wetende dat anders niet dan het tweede hem volgen zou.

6 En de vrouw zag, dat die boom goed was tot spijze, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar, en hij at.1234

  1. begeerlijk Anders, wenselijk, dat is, te begeren of te wensen.
  2. om verstandig Of, om verstand te bekomen.
  3. met haar, Of, met, of bij haar zijnde.
  4. hij at Te weten, door de vrouw overreed zijnde, gelijk te zien is vs.17.

7 Toen werden hun beider ogen geopend, en zij werden gewaar, dat zij naakt waren; en zij hechtten vijgeboombladeren samen, en maakten zich schorten.12

  1. ogen Versta, niet zozeer de ogen des lichaams, waardoor zij zagen hunne schaamte, als des geestes, waardoor zij gevoelden hunne zonde en de straf, die zij over zich en hunne nakomelingen gebracht hadden, zijnde daarvan in hunne conscientiën overtuigd.
  2. schorten Anders, voorschoten of deksels, om hunne schamelheid te bedekken.

8 En zij hoorden de stem van den Heere God, wandelende in den hof, aan den wind des daags. Toen verborg zich Adam en zijn vrouw voor het aangezicht van den Heere God, in het midden van het geboomte des hofs.12

  1. stem van den Of, geluid.
  2. aan den wind Dat is [zoals sommigen verklaren] aan de koelte of den wind van den morgen of avondtijd, of bij het waaien van enigen wind op zekeren tijd des daags, waardoor de stem des Heeren tot Adam is overgebracht geworden.

9 En de Heere God riep Adam, en zeide tot hem: Waar zijt gij?

10 En hij zeide: Ik hoorde Uw stem in den hof, en ik vreesde; want ik ben naakt; daarom verborg ik mij.

11 En Hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt? Hebt gij van dien boom gegeten, van welken Ik u gebood, dat gij daarvan niet eten zoudt?

12 Toen zeide Adam: De vrouw, die Gij bij mij gegeven hebt, die heeft mij van dien boom gegeven, en ik heb gegeten.12

  1. bij mij gegeven Anders, bij mij gesteld, dat is, gegeven of gesteld, om bij mij te zijn.
  2. van dien boom Dat is, van de vrucht des booms, gelijk ook boven vs.6.

13 En de Heere God zeide tot de vrouw: Wat is dit, dat gij gedaan hebt? En de vrouw zeide: De slang heeft mij bedrogen, en ik heb gegeten.1

  1. Wat is dit, Anders, Wat! hebt gij dat gedaan? of waarom hebt gij dat gedaan?

14 Toen zeide de Heere God tot die slang: Dewijl gij dit gedaan hebt, zo zijt gij vervloekt boven al het vee, en boven al het gedierte des velds! Op uw buik zult gij gaan, en stof zult gij eten, al de dagen uws levens.12

  1. tot die slang Als zijnde geweest des duivels werktuig; om welke oorzaak deze gehele vloek de slang lichamelijk en den duivel geestelijk raakt. Doch de slang wordt hier niet gevraagd [gelijk tevoren Adam en Heva], omdat de duivel geen excuus had.
  2. zijt gij Of, wees, alzo hoofdstuk Gen 4:11.

15 En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen.1234

  1. En Ik zal Dit vonnis is voornamelijk uitgesproken tegen den duivel, die de meeste oorzaak was van den val des mensen.
  2. uw zaad Versta hierdoor alle kinderen des duivels, Joh 8:44.
  3. haar zaad Dit zaad is eigenlijk alleen de Heere Christus, de eniggeboren Zoon Gods die uit de vrouw, ene maagd zijnde door de werking van Gods Geest, in de volheid des tijds moest geboren worden, om door de verdienste zijns doods en de kracht zijns Geestes den duivel al zijn geweld te benemen, en onder zijne en zijner gemeente voeten te vertreden. Zie Psa 110:1; Joh 12:31; Rom 16:20; Heb 2:14; 1Jo 3:8. Dit is de eerste Evangelische belofte des levens, gesteld tegen de eerst voorgaande aanzegging des doods.
  4. en gij zult het Dat is, de duivel en zijn zaad zullen Christus en zijne gemeente vervolgen, maar niet kunnen uitroeien en verderven.

16 Tot de vrouw zeide Hij: Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, namelijk uwer dracht; met smart zult gij kinderen baren; en tot uw man zal uw begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben.12345

  1. Hij Te weten, God.
  2. Ik zal zeer Hebr. ik zal vermenigvuldigende vermenigvuldigen.
  3. kinderen Hebr. zonen, welk woord in de Heilige Schrift veel gebruikt wordt voor kinderen, dat is, voor zonen en dochters ; alzo Exo 22:24; Psa 128:6.
  4. begeerte Dat is, gij zult gehouden zijn u naar uws mans wil te voegen, en zoeken onder hem te schuilen en door zijn beleid geregeerd te worden.
  5. hij zal over Dat is, hij zal macht hebben over u te gebieden, hetwelk uw vlees nu lastig zal zijn, daar het vóór den val niet dan lieflijk was.

17 En tot Adam zeide Hij: Dewijl gij geluisterd hebt naar de stem uwer vrouw, en van dien boom gegeten, waarvan Ik u gebood, zeggende: Gij zult daarvan niet eten; zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens.123

  1. Dewijl gij Zie de aantekening op vs.6.
  2. vervloekt Zie Rom 8:19-21.
  3. met smart Dat is, met kommerlijken en moeilijken arbeid zult gij u op aarde generen.

18 Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen, en gij zult het kruid des velds eten.1

  1. het kruid Of, het gewas des velds, hetwelk gij buiten dezen hof zult moeten vinden, zijnde voortaan van deze vruchten verstoten.

19 In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren.12

  1. brood eten, Dat is, uw voedsel en onderhoud krijgen. Alzo is het woord brood voor allerlei voedsel genomen, onder 18:5, 28:20.
  2. totdat gij tot Dat is, totdat gij sterft.

20 Voorts noemde Adam den naam zijner vrouw Heva, omdat zij een moeder aller levenden is.12

  1. Heva Hebr. Chavvah.
  2. aller levenden Hebr. alles levenden, dat is, aller mensen.

21 En de Heere God maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen, en toog ze hun aan.

22 Toen zeide de Heere God: Ziet, de mens is geworden als Onzer een, kennende het goed en het kwaad! Nu dan, dat hij zijn hand niet uitsteke, en neme ook van den boom des levens, en ete, en leve in eeuwigheid.12

  1. Ziet, de mens is geworden als onzer één God verwijt hier den mens zijn hoogmoed, waardoor hij meende Gode gelijk te zullen worden, en nu ter contrarie zichzelven en al zijne nakomelingen in de grootste ellende en versmaadheid gebracht had.
  2. dat hij zijn God heeft niet gewild dat de mens het teken des levens, hetwelk hij door zijne overtreding verloren had, gebruiken zou.

23 Zo verzond hem de Heere God uit den hof van Eden, om den aardbodem te bouwen, waaruit hij genomen was.

24 En Hij dreef den mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten des hofs van Eden, en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren den weg van den boom des levens.123

  1. cherubim Versta hierdoor, engelen, die alzo genoemd worden; en de Israëlieten waren met dien naam bekend, overmits de ark des verbonds in het heilige der heiligen met twee cherubim [in menselijke gedaante met uitgebreide vleugels] bedekt was, Exo 25:18; 1Ki 6:23; 2Ch 3:10.
  2. een vlammig Hetzij dat het inderdaad vurig geweest is, of de gedaante van een opgaande vlam gehad heeft.
  3. dat zich omkeerde, Of, omslingerde, en ginds en weder omdraaide.

Chapter 4

1 En Adam bekende Heva, zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde, Kaïn, en zeide: Ik heb een man van den Heere verkregen!1234

  1. bekende Versta hierdoor de gemeenschap die tussen man en vrouw is tot voortteling van kinderen; zie onder vs.17, 25; idem, hfdst.19:8, 24:16; 1Sa 1:19; Mat 1:25.
  2. Kaïn, Hebr. Kaïn, dat is, verkregen.
  3. man Dat is, een zoon.
  4. van den HEERE Dat het Hebr. woordje eth somtijds voor meëth, dat is van en uit, genomen wordt, zie daarvan Jer 51:59. Anders, met den Heere, dat is, door de genade en hulp des Heeren. Anders, den Heere, alsof Heva gemeend had den beloofden Messias gekregen te hebben.

2 En zij voer voort te baren zijn broeder Habel; en Habel werd een schaapherder, en Kaïn werd een landbouwer.12

  1. Habel Hebr. Hebel.
  2. schaapherder, Hebr. een herder van klein vee, als schapen en geiten. Want het Hebr. woord betekent dat gelijkelijk, alzo onder vs.4 en Gen 13:5, Gen 26:14, enz.

3 En het geschiedde ten einde van enige dagen, dat Kaïn van de vrucht des lands den Heere offer bracht.12

  1. ten einde Hebr. van het einde der dagen, dat is, na enigen tijd van dagen. Het woord dagen, alleen gesteld zijnde, betekent somtijds in de Heilige Schrift enige dagen; gelijk onder Gen 24:55, Gen 40:4; Jdg 14:8; Mar 2:1.
  2. offer Hebr. MINCHA, dat is, gave, geschenk of spijsoffer. Zie Lev 2:1.

4 En Habel bracht ook van de eerstgeborenen zijner schapen, en van hun vet. En de Heere zag Habel en zijn offer aan;12

  1. hun vet Hebr. hare vettigheden: versta hierdoor dat Habel geofferd heeft niet alleen het vet, maar ook het beste zijner kudde, en [zo het schijnt] een goed getal. Vet betekent dikwijls het beste in de Heilige Schrift, gelijk Num 18:12 enz.
  2. zag Habel Dat is, Habels persoon en offerande waren God aangenaam van wege zijn geloof, ziende op de offerande des beloofden Messias. Zie Heb 11:4.

5 Maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan. Toen ontstak Kaïn zeer, en zijn aangezicht verviel.123

  1. Maar Kaïn en zijn Dit verklaart de apostel Heb 11:4, sprekende van het getuigenis, hetwelk God gaf over Habels gaven, hetzij met woorden, met vuur van den hemel, of enig ander teken. Verg. Lev 9:24; Jdg 6:21; 1Ki 18:38; 1Ch 21:26; 2Ch 7:1.
  2. ontstak Kaïn Hebr. en Kaïn ontstak. Te weten, de toornigheid; alzo in het volgende vs., zie, in een gelijke manier van spreken, het woordje toorn daarbij gevoegd, onder 39:19; Exo 32:10-11.
  3. zijn aangezicht Dat is, het gelaat zijns aangezichts veranderde.

6 En de Heere zeide tot Kaïn: Waarom zijt gij ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen?

7 Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? en zo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de deur. Zijn begeerte is toch tot u, en gij zult over hem heersen.1234

  1. verhoging? Dat is, zult gij niet [als de eerstgeborene] verheven en verhoogd blijven boven uw broeder? Anders, zult gij uw hoofd of aangezicht niet vrijelijk opsteken, inplaats dat het nu nedergeslagen of zo ontvallen is? Sommigen hebben: Aanneming, aangenaamheid, of vergeving, overeenkomstig de verscheidene betekenissen des Hebr. woords.
  2. de zonde Dat is, de straf der zonde, alzo onder Gen 19:15; Lev 5:1; Num 18:1. Zie onder de aantekening op vs.13.
  3. ligt aan Dat is, is zeer nabij en als tegenwoordig, zodat aan haar zekere aankomst niet te twijfelen is, verg. Mat 24:33; Jam 5:9.
  4. zijn Dit is te verstaan van Habel, Kaïns broeder; alsof God zeide: Maar wat uw broeder aangaat, gij hebt geen reden om over hem te toornen, dewijl hij tot u genegen en weltevreden is, dat gij [als de eerstgeborene] over hem verheven blijft. Verg. Gen 3:16.

8 En Kaïn sprak met zijn broeder Habel; en het geschiedde, als zij in het veld waren, dat Kaïn tegen zijn broeder Habel opstond, en sloeg hem dood.1

  1. Kaïn sprak met Om [naar sommiger gevoelen] met lieflijk gelaat en vriendelijke woorden hem alleen in het veld te lokken, hebbende in zijn hart haat en doodslag verborgen. Hebr. zeide tot zijn broeder. Te weten, zoals enigen verstaan, hetgeen tussen God en hem was geschied, alzo dat het een afgebroken reden zou zijn.

9 En de Heere zeide tot Kaïn: Waar is Habel, uw broeder? En hij zeide: Ik weet het niet; ben ik mijns broeders hoeder?12

  1. Ik weet het niet Een onbeschaamde leugen.
  2. ben ik mijns broeders hoeder? Een vermeten hoogmoed.

10 En Hij zeide: Wat hebt gij gedaan? daar is een stem des bloeds van uw broeder, dat tot Mij roept van den aardbodem.123

  1. Hij zeide Te weten, de Heere.
  2. des bloeds Hebr. der bloeden, in het getal van velen meervoud. Zo spreekt de Heilige Schrift van moord en doodslag, omdat daarin veel bloed vergoten wordt.
  3. roept van Hebr. zijn roepende, in het getal van velen of meervoud. Moord is een van de wraakroepende zonden; zie daarvan ook onder Gen 18:20, Gen 19:13.

11 En nu zijt gij vervloekt van den aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan, om uws broeders bloed van uw hand te ontvangen.1

  1. van den aardbodem, Of, van wege. Zie Gen 5:29; alsof Hij zeggen wilde: De aarde, die geschapen was tot uw zegen en dienst, zal tegen u dezen vloek tot wraak uitvoeren, u niet gevende de vruchten, die zij u anders zou gegeven hebben, zoals vs.12 gezegd wordt.

12 Als gij den aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermogen niet meer geven; gij zult zwervende en dolende zijn op aarde.12

  1. meer geven; Hebr. hij zal niet voortgaan u zijn vermogen te geven.
  2. gij zult zwervende Om tweeërlei ongerustheid: een lichamelijke, omdat Kaïn van het ene land in het andere zou omlopen; de andere geestelijk, dewijl de conscientie, die overal mede gaat, hem niet met vrede laten, maar in gestadige vrees houden zou.

13 En Kaïn zeide tot den Heere: Mijn misdaad is groter, dan dat zij vergeven worde.1

  1. Mijn misdaad Anders is het woord misdaad of ongerechtigheid door velen genomen voor de straf derzelve, zie Lev 5:1; en in zulk een zin moest de overzetting aldus staan: Mijne straf is groter dan dat ik haar zou kunnen dragen; waarover Kaïn zich beklaagt, vs.14.

14 Zie, Gij hebt mij heden verdreven van den aardbodem, en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn; en ik zal zwervende en dolende zijn op de aarde, en het zal geschieden, dat al wie mij vindt, mij zal doodslaan.1234

  1. Gij hebt Te weten, door uw vonnis, hetwelk zo zeker en vast gaat, alsof het reeds uitgevoerd ware.
  2. aardbodem, Hebr. van het aangezicht des aardbodems.
  3. ik zal voor uw aangezicht Dit kan men verstaan van Kaïns uitbanning uit Gods gunst en genade, mitsgaders van het aangezicht of gezelschap zijner gemeente.
  4. al wie mij vindt Anders, al wat mij vindt.

15 Doch de Heere zeide tot hem: Daarom, al wie Kaïn doodslaat, zal zevenvoudig gewroken worden! En de Heere stelde een teken aan Kaïn; opdat hem niet versloeg al wie hem vond.123

  1. Daarom, Dat is, opdat gij, lang dwalende in andere landen, anderen tot een exempel moogt zijn, om hen van den doodslag af te schrikken, en gij tijd van berouw moogt hebben, daar gij vooralsnog u het meest ontstelt over de straf.
  2. zevenvoudig Dat is, veelvoudig, naar het gebruik der Heilige Schrift, Psa 12:7, Psa 79:12.
  3. een teken aan Kaïn Hoedanig dit teken geweest is, is onbekend; maar het betekende wie hij was, wat hij gedaan had, en dat niemand bestaan zou hem te doden.

16 En Kaïn ging uit van het aangezicht des Heeren; en hij woonde in het land Nod, ten oosten van Eden.1

  1. van het aangezicht des HEEREN Zie boven vs.14.

17 En Kaïn bekende zijn huisvrouw, en zij werd bevrucht en baarde Henoch; en hij bouwde een stad, en noemde den naam dier stad naar den naam zijns zoons, Henoch.123

  1. Nod, Dit land is alzo genaamd ten aanzien van de straf, die God Kaïn opgelegd had, vs.12, want het Hebr. woordje, aldaar en hier gebruikt, betekent omdolende.
  2. Henoch; Hebr. Chanoch.
  3. hij bouwde een stad, Hebr. hij was bouwende, dat is, hij was bezig om een stad te bouwen tot zijne verzekering, door vrees zijner conscientie. De vrome patriarchen woonden meest in hutten, niet in steden, Heb 11:9-10.

18 En aan Henoch werd Hirad geboren; en Hirad gewon Mechujael; en Mechujael gewon Methusael; en Methusael gewon Lamech.

19 En Lamech nam zich twee vrouwen; de naam van de eerste was Ada, en de naam van de andere Zilla.1

  1. Lamech Deze Lamech is de eerste van wien men leest, die twee vrouwen tegelijk gehad heeft, rechtstreeks tegen Gods ordinantie, boven Gen 2:24; Mal 2:15.

20 En Ada baarde Jabal; deze is geweest een vader dergenen, die tenten bewoonden, en vee hadden.12

  1. vader dergenen, Dat is, die eerst uitgevonden heeft het maken en het gebruik der hutten tot weiding en hoeding van het vee, gelijk het volgende woordje schijnt mede te delen.
  2. vee Het Hebr. woord betekent vee, en ook bezitting, have, goed.

21 En de naam zijns broeders was Jubal; deze was de vader van allen, die harpen en orgelen handelen.1

  1. harpen Of, citers, Hebr. Die harp en orgel handelt. Dat is, die daarmede omgaat. Hoedanig eertijds de muziekinstrumenten geweest zijn, is onzeker, maar hier is gevolgd het gevoelen van het merendeel der geleerden.

22 En Zilla baarde ook, Tubal-kaïn, een leermeester van allen werker in koper en ijzer; en de zuster van Tubal-kaïn was Naema.12

  1. leermeester Het Hebr. woord betekent eigenlijk een scherper, slijper, en voorts bij gelijkenis, onderwijzer, leraar.
  2. koper Hebr. van het koper en het ijzer.

23 En Lamech zeide tot zijn vrouwen Ada en Zilla: Hoort mijn stem, gij vrouwen van Lamech! neemt ter ore mijn rede! Voorwaar, ik sloeg wel een man dood, om mijn wonde, en een jongeling, om mijn buile!12

  1. Voorwaar, ik sloeg Lamech schijnt met dit vermeten snorken en pochen te zien op de kunst, die zijne zonen uitgevonden hadden, als kunnende zich door dit middel meer wreken, of zijne naasten beschadigen, dan iemand anders.
  2. om mijn wonde, Dat is, indien mij iemand slechts kwam te verwonden of een buil te slaan, dien zou ik onbeschroomd verderven, en kunnen doden.

24 Want Kaïn zal zevenvoudig gewroken worden, maar Lamech zeventigmaal zevenmaal.12

  1. Kaïn Zie boven de aantekeningen op vs.15.
  2. zeventigmaal zevenmaal Deze manier van spreken gebruikt ook Christus, Mat 18:22.

25 En Adam bekende wederom zijn huisvrouw, en zij baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Seth; want God heeft mij, sprak zij, een ander zaad gezet voor Habel; want Kaïn heeft hem doodgeslagen.123

  1. zij noemde zijn naam Te weten, met toestemming van haar man, zoals te zien is onder Gen 5:3, waar deze naamgeving Adam toegeschreven wordt.
  2. Seth Hebr. Scheth, dat is, Zetting.
  3. zaad gezet Dat is, een anderen zoon gegeven; alzo onder Gen 21:13, Gen 38:8; Mat 22:24-25.

26 En denzelven Seth werd ook een zoon geboren, en hij noemde zijn naam Enos. Toen begon men den Naam des Heeren aan te roepen.1

  1. Toen begon men den naam des HEEREN aan te roepen De manier van spreken in een Hebreeuwsen tekst hier gebruikt wordt in verscheidene plaatsen genomen voor de aanroeping van des Heeren naam, zoals 1Ki 18:24-26; 2Ki 5:11; Joe 2:32; Act 2:21; Rom 10:13. Zo is het ook hier genomen, doch daaronder begrepen zijnde, gelijk uit enige andere plaatsen blijkt, gelijk onder Gen 12:8, idem hoofdstuk Gen 26:25, de uitoefening van den gansen godsdienst, zodat de zin hier is: dat men begon openlijk en met meerder vergadering den godsdienst in te stellen, daar zij tevoren door Kaïn en de zijnen een tijdlang was bedorven en vervalst geweest. Anders, toen begon men naar den naam des HEEREN te noemen; dat is, toen begonnen de ware kinderen Gods zich van de andere af te zonderen, en noemden zich het volk of de kinderen Gods. Dezelfde manier van spreken betekent ook elders: den Heere bij naam uit te roepen, gelijk Exo 33:18, Exo 34:5.

Chapter 5

1 Dit is het boek van Adams geslacht. Ten dage als God den mens schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods.12

  1. boek van Of, verhaal, register, rekening, optelling der geboorten, of geslachten, dat is, dergenen die van Adam geboren zijn; versta niet van allen, maar degenen, uit wie de Heere Christus, naar het vlees, door Seths linie geboren is, Luk 3; en die voor het merendeel den waren godsdienst, tot den zondvloed toe, bewaard hebben.
  2. naar de gelijkenis Gods Dat is, naar zijne gelijkenis, zie boven Gen 1:26-27.

2 Man en vrouw schiep Hij hen, en zegende ze, en noemde hun naam Mens, ten dage als zij geschapen werden.1

  1. hun naam mens, Zowel van de vrouw als van den man: niettegenstaande de verscheidenheid van beider oorsprong; te weten, dat Adam uit de aarde, en Eva uit Adam geschapen was.

3 En Adam leefde honderd en dertig jaren, en gewon een zoon naar zijn gelijkenis, naar zijn evenbeeld, en noemde zijn naam Seth.1234

  1. leefde Dat is, toen hij zolang had geleefd, of zo oud was, kreeg hij een zoon. En zo moet men dit ook in het volgende verstaan.
  2. honderd en dertig jaren Hebr. dertig en honderd jaar; en alzo wordt hier en elders in de Hebr. spraak het kleinere getal meest voor en het meerdere achter gesteld.
  3. naar zijn gelijkenis Tegen Gods beeld en gelijkenis, naar hetwelk Adam geschapen was, wordt hier nu gesteld Adams beeld en gelijkenis, naar hetwelk Seth geboren is. Gods beeld was volmaakt, maar na den val was Adams beeld gans verdorven; waardoor nu alle mensen, die natuurlijk uit Adam geboren worden, zondig, ellendig en den dood onderworpen zijn. Zie Rom 5:12.
  4. noemde Te weten, uit occasie der woorden, die Heva sprak, toen zij dezen zoon kreeg, zie boven Gen 4:25.

4 En Adams dagen, nadat hij Seth gewonnen had, zijn geweest achthonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

5 Zo waren al de dagen van Adam, die hij leefde, negenhonderd jaren, en dertig jaren; en hij stierf.1

  1. Jaren, en dertig jaren; Het woordje jaar wordt hier tweemalen gesteld naar de Hebr. manier; maar hierna wordt het éénmaal, om de eigenschap onzer Nederduitse taal, nagelaten.

6 En Seth leefde honderd en vijf jaren, en hij gewon Enos.

7 En Seth leefde, nadat hij Enos gewonnen had, achthonderd en zeven jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

8 Zo waren al de dagen van Seth negenhonderd en twaalf jaren; en hij stierf.

9 En Enos leefde negentig jaren, en hij gewon Kenan.1

  1. Kenan Luk 3:37, genaamd Kainan.

10 En Enos leefde, nadat hij Kenan gewonnen had, achthonderd en vijftien jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

11 Zo waren al de dagen van Enos negenhonderd en vijf jaren; en hij stierf.

12 En Kenan leefde zeventig jaren, en hij gewon Mahalal-el.1

  1. Mahalal-el. Luk 3:37 staat in het Grieks Malaleël.

13 En Kenan leefde, nadat hij Mahalal-el gewonnen had, achthonderd en veertig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

14 Zo waren al de dagen van Kenan negenhonderd en tien jaren; en hij stierf.

15 En Mahalal-el leefde vijf en zestig jaren, en hij gewon Jered.

16 En Mahalal-el leefde, nadat hij Jered gewonnen had, achthonderd en dertig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

17 Zo waren al de dagen van Mahalal-el achthonderd vijf en negentig jaren; en hij stierf.

18 En Jered leefde honderd twee en zestig jaren, en hij gewon Henoch.12

  1. hij gewon Verg. den Zendbrief van Jud 1:14-15.
  2. Henoch Hebr. Chanoch.

19 En Jered leefde, nadat hij Henoch gewonnen had, achthonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

20 Zo waren al de dagen van Jered negenhonderd twee en zestig jaren; en hij stierf.

21 En Henoch leefde vijf en zestig jaren, en hij gewon Methusalach.1

  1. Methusalach. Hebr. Methuschalach.

22 En Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalach gewonnen had, driehonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.1

  1. wandelde met God, Dat is, hij leidde voor God een heilig leven met groten ijver en bijzondere gestadigheid, zich afzonderende van de goddeloosheid en boze zeden der wereld. Zie onder dezelfde manier van spreken, hfdst.6:9; Mic 6:8; en vergelijk Jer 12:3.

23 Zo waren al de dagen van Henoch driehonderd vijf en zestig jaren.

24 Henoch dan wandelde met God; en hij was niet meer; want God nam hem weg.1

  1. en hij was niet meer, Dit wordt verklaard, Heb 11:5, dat hij is weggenomen en overgezet in het eeuwige leven.

25 En Methusalach leefde honderd zeven en tachtig jaren, en hij gewon Lamech.

26 En Methusalach leefde, nadat hij Lamech gewonnen had, zevenhonderd twee en tachtig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.1

  1. Lamech Hebr. Lemech.

27 Zo waren al de dagen van Methusalach negenhonderd negen en zestig jaren; en hij stierf.1

  1. Methusalach Deze Methusalach is de oudste geweest van alle mensen, die op aarde geleefd hebben, waarvan de Heilige Schrift meldt.

28 En Lamech leefde honderd twee en tachtig jaren, en hij gewon een zoon.

29 En hij noemde zijn naam Noach, zeggende: Deze zal ons troosten over ons werk, en over de smart onzer handen, vanwege het aardrijk, dat de Heere vervloekt heeft!12

  1. Noach, In het Nieuwe Testament genaamd Noë, Luk 3:36; 1Pe 3:20; Heb 11:7. De twee Hebreeuwse woorden Noach en Nicham, die hier beiden gebruikt worden, hebben enige gelijkheid. Het ene betekent rusten, waarvan de naam Noach genomen is; het andere vertroosten, waarmede de reden der benaming aangewezen wordt, want Lamech, zonder twijfel door des Heeren Geest onderricht zijnde, heeft gezien dat Noach tot wat bijzonders zou gebruikt worden.
  2. vanwege het aardrijk, Zie boven hoofdstuk Gen 3:17-19, Gen 4:11.

30 En Lamech leefde, nadat hij Noach gewonnen had, vijfhonderd vijf en negentig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

31 Zo waren al de dagen van Lamech zevenhonderd zeven en zeventig jaren; en hij stierf.

32 En Noach was vijfhonderd jaren oud; en Noach gewon Sem, Cham en Jafeth.12

  1. vijfhonderd jaren Hebr. een zoon van vijf honderd jaar. Dat is, Noach was zoveel jaren oud, of ging in het vijf honderdste jaar. Deze manier van spreken vindt men zeer dikwijls in de Heilige Schrift. Zie onder Gen 7:6, Gen 11:10, Gen 17:17, enz.
  2. gewon Dat is hier te zeggen: hij begon te gewinnen, gelijk hoofdstuk 1Sa 1:26, want deze drie zonen zijn in één jaar niet geboren; maar eerst Jafeth, daarna Sem en ten laatste Cham. Zie hoofdstuk Gen 9:24, Gen 10:10; Sem wordt hier de eerste gesteld, als een godvruchtig voorvader van onzen Heere Jezus Christus naar het vlees, mitsgaders van alle Hebreën. Zie hoofdstuk Gen 10:21, enz.

Chapter 6

1 En het geschiedde, als de mensen op den aardbodem begonnen te vermenigvuldigen, en hun dochters geboren werden,1

  1. op den aardbodem Hebr. op het aangezicht des aardbodems, dat is op de vlakte des aardbodems.

2 Dat Gods zonen de dochteren der mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden.123

  1. Gods zonen Dat is, de nakomelingen der gelovige voorvaders, die de ware religie beleden, en met hunne huisgezinnen [als zijnde Gods Kerk] van het ongelovig en vleselijk geslacht der Kaïnieten waren afgescheiden. Gelijk daarentegen door de dochters der mensen meest verstaan worden de nakomelingen van Kaïn, plegende afgoderij, en levende naar het vlees. Zie Deu 14:1; Joh 1:12; Luk 17:27; Jud 1:19.
  2. schoon waren, Hebr. goed, dat is schoon, alzo onder Gen 24:16, Gen 41:22; Exo 2:2.
  3. uit allen, Alleenlijk ziende op de uiterlijke schoonheid en wereldse bevalligheid, niet op de ware religie en de vreze des HEEREN, of den wil van hun vrome ouders. Zie onder Gen 26:34-35; Gen 28:8.

3 Toen zeide de Heere: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mens, dewijl hij ook vlees is; doch zijn dagen zullen zijn honderd en twintig jaren.1234

  1. Mijn Geest zal niet Dat is, mijn Heilige Geest zal niet langer met deze hardnekkige mensen strijden; te weten, door den mond der overige vromen en bijzonder door Noach. Anders, mijn gemoed [dat is, Ik] zal niet langer beraadslagen [menselijker wijze gezegd] wat Ik met dit boze geslacht zal doen, daar zij zich door geen vermaning noch bestraffing willen verbeteren. Zie 2Pe 2:5.
  2. in eeuwigheid Dat is, altoos.
  3. vlees is; Dat is, bedorven; versta niet alleen de kinderen der mensen, maar ook de kinderen Gods. Alzo wordt het woord vlees voor de bedorven natuur des mensen genomen, Joh 3:6; Rom 7:18, Rom 8:7.
  4. doch zijn dagen Dat is, dezen tijd zal Ik hun nog toestaan tot verbetering, maar daarna mijne straf niet langer uitstellen. Zie 1Pe 3:20.

4 In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochteren der mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name.123456

  1. reuzen Dat is, mensen van langere statuur en meerdere sterkte dan anderen. Zie Num 13:33. Het Hebr. woord komt van vallen, omdat zij, van God afvallig zijnde, de mensen met allerlei wrevel en tirannie overvielen, God noch mensen vrezende; waardoor een ieder, die hen zag, het hart als ontviel. Dit wordt hier ook verhaald als een bijzondere oorzaak van Gods toorn.
  2. ingegaan Of, gekomen. Hiermede wordt heuselijk en eerbaarlijk bedoeld de bijslaap van man en vrouw. Alzo onder Gen 16:2, Gen 30:3, enz.
  3. en zich kinderen Of, zo hebben zij hun [te weten haren mannen] kinderen gebaard.
  4. de geweldigen, Of, machtigen.
  5. Van ouds Hebr. van eeuwigheid. Zie Jer 2:20.
  6. mannen van name Dat is, vermaarde, beroemde mannen, die naar het oordeel der wereld grote dingen hadden uitgericht; gelijk integendeel gesproken wordt van mensen van geen naam, Job 30:8.

5 En de Heere zag, dat de boosheid des mensen menigvuldig was op de aarde, en al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was.1

  1. En de HEERE In dit vs. is begrepen een zeer duidelijke en grondige beschrijving van de erfzonde en derzelver vruchten.

6 Toen berouwde het den Heere, dat Hij den mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart.12

  1. berouwde het den HEERE, Aldus wordt menselijker wijze in de Heilige Schrift van God gesproken, omdat Hij zijn werk of daden verandert, hoewel Hij in zichzelven onveranderlijk blijft; zie het volgende vs. en Num 23:19; 1Sa 15:11, 1Sa 15:29; 2Sa 24:16; Mal 3:6; Jam 1:17; Act 15:18.
  2. en het smartte Hem aan zijn hart Dit is ook menselijker wijze van God gesproken, om ons te tonen dat God een groot mishagen aan den mens, uit oorzaak zijner boosheid, had. Verg. Isa 63:10; zo wordt ook aan God droefheid toegeschreven, Eph 4:30.

7 En de Heere zeide: Ik zal den mens, dien Ik geschapen heb, verdelgen van den aardbodem, van den mens tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels toe; want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb.123

  1. van den aardbodem, Hebr. uitwissen van op het aangezicht des aardbodems.
  2. het vee, Het Hebr. woord betekent hier niet alleen het tam, maar ook het wild gedierte der aarde. Alzo onder vs.20. Zie boven 1:26.
  3. het kruipend gedierte, Te weten, wat op de aarde kruipt, en in het water niet leven kan. Zo wordt het Herb.woord genomen boven Gen 1:24-26, Gen 1:28, Gen 1:30.

8 Maar Noach vond genade in de ogen des Heeren.1

  1. vond genade Dat is, heeft hem uit genade behaagd, niet uit eigen waardigheid. Zie deze manier van spreken onder Gen 19:19; Exo 33:13, enz.

9 Dit zijn de geboorten van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijn geslachten. Noach wandelde met God.1234

  1. geboorten van Noach Dat is, geslacht en geschiedenissen, of hetgeen Noach in zijn geslacht wedervaren is; want het Hebr. woord betekent niet alleen afkomst en nakomelingen, maar ook hetgeen dezen bejegent; dat is, inderdaad ene historie of verhaal van iemands zaken. Verg. onder Gen 25:19, Gen 37:2; Num 3:1.
  2. oprecht Dat is, die in het ware geloof en in de vroomheid des levens, ongeveinsd en zonder valsheid was. Zie onder Gen 17:1, Gen 25:27; Job 1:1.
  3. geslachten Dat is, onder de mensen, die in zijne eeuw leefden. Alzo onder Gen 7:1.
  4. wandelde met God Zie boven Gen 5:22.

10 En Noach gewon drie zonen: Sem, Cham en Jafeth.1

  1. En Noach gewon Zie boven Gen 5:32.

11 Maar de aarde was verdorven voor Gods aangezicht; en de aarde was vervuld met wrevel.12

  1. de aarde was verdorven Versta de mensen, die op de aarde woonden. Zie onder Gen 41:57; 2Sa 15:23; 1Ki 10:24; Eze 14:13.
  2. voor Gods aangezicht; Dat is, openlijk, stoutelijk, vermetelijk zondigende niet alleen zonder schaamte voor de mensen, maar ook zonder vrees voor God. Zie onder Gen 10:9.

12 Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.12

  1. al het vlees Dat is, alle mensen; alzo moet men het woord vlees ook nemen, Isa 40:6; Psa 78:39, en elders.
  2. zijn weg Dat is, zijn voornemen, zeden, leven en wandel. Alzo Job 23:10; Psa 1:1; Pro 12:25, enz.

13 Daarom zeide God tot Noach: Het einde van alle vlees is voor Mijn aangezicht gekomen; want de aarde is door hen vervuld met wrevel; en zie, Ik zal hen met de aarde verderven.12

  1. Het einde Dat is, de tijd van hun ondergang is aanstaande, gelijk Eze 7:2-3, Eze 7:6; Amo 8:2.
  2. door hen Hebr. van hun aangezicht, en, met de aarde. Anders, van de aarde.

14 Maak u een ark van goferhout; met kameren zult gij deze ark maken; en gij zult die bepekken van binnen en van buiten met pek.1234

  1. een ark Een houten overdekt schip, bijna in de gedaante van een kist, bekwaam om te vlotten op het water.
  2. goferhout; Wat gofer voor een boom of hout geweest is, is onzeker.
  3. kameren Hebr. nesten.
  4. pek Het Hebr. woord betekent een zeer taaie, lijmachtige en vasthoudende materie, niet ongelijk aan ons pek.

15 En aldus is het, dat gij haar maken zult: driehonderd ellen zij de lengte der ark, vijftig ellen haar breedte, en dertig ellen haar hoogte.1

  1. ellen Of cubieten, of ellebogen. Veler gevoelen is, dat deze maat drieërlei onderscheiden was: De algemene, de heilige, en de geometrische; en dat de algemene zou geweest zijn vijf palmen, houdende elke palm de breedte van vier vingers. De heilige van zes, Eze 40:5 [hoewel enigen menen dat de algemene geweest is zes palmen, de heilige tweemalen zo lang, die gebruikt werd in de heilige gebouwen, als van den tabernakel en van den tempel; maar dat de geometrische zesmalen langer dan de algemene zou geweest zijn, en dat Noach in het timmeren van de ark [zoals enigen menen] de laatste zou gevolgd hebben.

16 Gij zult een venster aan de ark maken, en zult haar volmaken tot een elle van boven; en de deur der ark zult gij in haar zijde zetten; gij zult ze met onderste, tweede en derde verdiepingen maken.123

  1. venster Anders, klaar licht, hetwelk door een of meer vensters bekwamelijk in de ark verspreid werd.
  2. zult haar volmaken Te weten, de ark.
  3. tot een elle van boven; Sommigen verstaan dit van het deksel der ark, hetwelk aan beide zijden van boven af, op de hoogte van een el, zou afgaan, tot bekwamen afloop van het water.

17 Want Ik, zie, Ik breng een watervloed over de aarde, om alle vlees, waarin een geest des levens is, van onder den hemel te verderven; al wat op de aarde is, zal den geest geven.1234

  1. watervloed Hebr. mabbul, betekende een vallenden en nedervellenden vloed.
  2. vlees, Der mensen en dieren, uitgenomen de vissen, en al wat in de ark was, zoals volgt.
  3. geest des levens Anders, levende ziel. Zie boven Gen 1:20.
  4. den geest geven Hebr. uitademen.

18 Maar met u zal Ik Mijn verbond oprichten; en gij zult in de ark gaan, gij, en uw zonen, en uw huisvrouw, en de vrouwen uwer zonen met u.1

  1. mijn verbond Versta hierdoor, boven het algemene verbond, met alle gelovigen gemaakt, een bijzonder verbond, van Noach te zullen behouden in de ark, mits dat Noach op God zou vertrouwen en hem gehoorzamen.

19 En gij zult van al wat leeft, van alle vlees, twee van elk, doen in de ark komen, om met u in het leven te behouden: mannetje en wijfje zullen zij zijn;1

  1. van al wat leeft, Dat is, van allerlei, levende, aardse dieren.

20 Van het gevogelte naar zijn aard, en van het vee naar zijn aard, van al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijn aard, twee van elk zullen tot u komen, om die in het leven te behouden.12

  1. naar zijn aard Zie boven op vs.7.
  2. zullen tot u komen, Versta, door mijne aandrijving en beschikking, zonder uw moeite of bekommernis. Verg. dit met boven Gen 2:19.

21 En gij, neem voor u van alle spijze, die gegeten wordt, en verzamel ze tot u, opdat zij u en hun tot spijze zij.1

  1. alle spijze, Dat is, allerlei. Zie boven Gen 1:29-30.

22 En Noach deed het; naar al wat God hem geboden had, zo deed hij.1

  1. naar al wat God hem geboden had, Noach deed alles, en dat op zulk een wijze, als God bevolen had. Verg. Exo 40:16.

Chapter 7

1 Daarna zeide de Heere tot Noach: Ga gij, en uw ganse huis in de ark; want u heb Ik gezien rechtvaardig voor Mijn aangezicht in dit geslacht.123

  1. huis Dat is, huisgezin, alzo onder Gen 17:12, Gen 34:2, Gen 39:11; Exo 1:1; Pro 31:27; Act 16:16, enz.
  2. voor mijn Dat is, niet alleen uitwendig, in schijn en in den mond, maar ook inwendig, in waarheid en inderdaad, en dat door het geloof in het beloofde zaad en de heiligmaking des Geestes, alzo Luk 1:6.
  3. geslacht Zie boven Gen 6:9.

2 Van alle rein vee zult gij tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn wijfje; maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn wijfje.12

  1. rein vee Rein ten aanzien van Gods ordinantie, waardoor Hij deze beesten van anderen had afgezonderd tot offerande en spijs der mensen; waarvan Hij zijn wil den voorvaders wel geopenbaard had, maar naderhand door Mozes volkomen verklaard heeft. Zie Lev 11:2.
  2. zeven en zeven, Hebr. zeven zeven, gelijk ook in het volgende, dat is van iedere soort drie paren, en een overtollig ter offerande na den zondvloed. De Hebreën stellen dikwijls een woord, of meer, tweemalen, wanneer zij een verdeling willen maken. Zie onder Gen 32:16; Num 7:11, Num 29:10; Mar 6:39, enz.

3 Ook van het gevogelte des hemels zeven en zeven, het mannetje en het wijfje, om zaad levend te houden op de ganse aarde.12

  1. gevogelte Te weten, van het reine, gelijk vs.2.
  2. op de ganse aarde Hebr. op het aangezicht der ganse aarde, en zo in het volgende.

4 Want over nog zeven dagen zal Ik doen regenen op de aarde veertig dagen, en veertig nachten; en Ik zal van den aardbodem verdelgen al wat bestaat, dat Ik gemaakt heb.12

  1. over Dat is, na, of tegen den uitgang van zeven dagen.
  2. al wat bestaat, Alle levende wezens, te weten, dat om in het leven te blijven zich op de aarde ophouden moet, en zich door de kracht der ziel, die er in is, als overeind zet, gelijk integendeel een dood lichaam nederligt. Zie onder vs.23.

5 En Noach deed, naar al wat de Heere hem geboden had.

6 Noach nu was zeshonderd jaren oud, als de vloed der wateren op de aarde was.1

  1. zeshonderd jaren Hebr. een zoon van zeshonderd jaar; alzo boven Gen 5:32, enz.

7 Zo ging Noach, en zijn zonen, en zijn huisvrouw, en de vrouwen zijner zonen met hem in de ark, vanwege de wateren des vloeds.1

  1. vanwege Hebr. van het aangezicht der wateren, of, voor, enz. dat is, om de wateren des vloeds te ontgaan.

8 Van het reine vee, en van het vee, dat niet rein was, en van het gevogelte, en al wat op den aardbodem kruipt,

9 Kwamen er twee en twee tot Noach in de ark, het mannetje en het wijfje, gelijk als God Noach geboden had.12

  1. Kwamen er Zie Gen 1:20.
  2. twee en twee Zie boven op vs.2.

10 En het geschiedde na die zeven dagen, dat de wateren des vloeds op de aarde waren.12

  1. na Zie boven vs.4.
  2. waren Dat is kwamen of vielen.

11 In het zeshonderdste jaar des levens van Noach, in de tweede maand, op den zeventienden dag der maand, op dezen zelfden dag zijn alle fonteinen des groten afgronds opengebroken, en de sluizen des hemels geopend.1234

  1. In het zeshonderdste jaar Gelijk boven vs.6. Dit was 1656 jaren na de schepping der wereld.
  2. in de tweede maand, Welke deze geweest is, daarvan is tweeërlei gevoelen, omdat de Hebreën het jaar op tweeërlei wijze begonnen zijn: in heilige zaken met de maand Nisan, merendeels overeenkomende met onzen Maart, wanneer de dagen en nachten even lang zijn; in burgerlijke zaken met de maand Tisri, vallende meest in September, wanneer wederom de dagen en nachten even lang zijn. Van welk jaar deze tweede maand te verstaan is, laten wij aan het oordeel van den verstandigen lezer.
  3. groten afgronds Dat is, der diepe wateren, besloten in de holligheden der aarde, waaruit alle fonteinen, rivieren, stromen en watervloeden voortkomen.
  4. sluizen Of, vensters; aldus worden de regenwolken genoemd, hier en onder Gen 8:2; 2Ki 7:2, 2Ki 7:19; Isa 24:18; Mal 3:10.

12 En een plasregen was op de aarde veertig dagen en veertig nachten.1

  1. veertig dagen en veertig nachten Dit is de vervulling van de dreigement, uitgesproken vs.4.

13 Even op dienzelfden dag ging Noach, en Sem, en Cham, en Jafeth, Noachs zonen, desgelijks ook Noachs huisvrouw, en de drie vrouwen zijner zonen met hem in de ark;12

  1. op Hebr. in, of, op het been, of het wezen van dien dag, alzo onder 17:26. Zie Eze 2:3.
  2. Jafeth, Hebr. Jepheth.

14 Zij, en al het gedierte naar zijn aard, en al het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, naar zijn aard, en al het gevogelte naar zijn aard, alle vogeltjes van allerlei vleugel.123

  1. al het gedierte Dat is allerlei; gelijk ook in het volgende en elders meer. Versta dan niet elk bijzonder gedierte, maar van al de soorten der gedierten, hier vermeld, een zeker getal, tevoren uitgedrukt vs.2.
  2. het gevogelte naar zijn aard, Het Hebr. woord betekent in het algemeen allerlei vogels, maar hier eigenlijk grote en zware vogels, omdat het gesteld wordt bij een ander woord, hetwelk meest kleine vogels betekent. Verg. Lev 14:4.
  3. allerlei Hebr. allen.

15 En van alle vlees, waarin een geest des levens was, kwamen er twee en twee tot Noach in de ark.12

  1. een geest des levens Zie boven Gen 6:17.
  2. twee en twee Hebr. twee twee. Zie boven vs.2, vs.9.

16 En die er kwamen, die kwamen mannetje en wijfje, van alle vlees, gelijk als hem God bevolen had. En de Heere sloot achter hem toe.1

  1. En de HEERE sloot achter hem toe Hoewel Noach de ark van binnen mocht sluiten, nochtans beduidt dit een bijzondere toesluiting en verzekering der ark, gedaan door God, òf zonder middel, òf door der engelen dienst.

17 En die vloed was veertig dagen op de aarde, en de wateren vermeerderden, en hieven de ark op, zodat zij oprees boven de aarde.12

  1. vloed Versta dit niet van het geweld en de overhand der wateren, dat honderd vijftig dagen duurde, onder. vs.24, maar van den regen, waarvan gemeld is boven vs.4, 12.
  2. veertig dagen Te weten, natuurlijke dagen, bestaande uit vier-en-twintig uren, dat is uit een dag en nacht, boven vs.4, vs.12.

18 En de wateren namen de overhand, en vermeerderden zeer op de aarde; en de ark ging op de wateren.1

  1. op de wateren Hebr. op het aangezicht der wateren.

19 En de wateren namen gans zeer de overhand op de aarde, zodat alle hoge bergen, die onder den gansen hemel zijn, bedekt werden.1

  1. gans zeer Hebr. zeer zeer.

20 Vijftien ellen omhoog namen de wateren de overhand, en de bergen werden bedekt.1

  1. omhoog Boven de bergen.

21 En alle vlees, dat zich op de aarde roerde, gaf den geest, van het gevogelte, en van het vee, en van het wild gedierte, en van al het kruipend gedierte, dat op de aarde kroop, en alle mens.1

  1. gaf den geest, Volgens het voorgegaan dreigement van God, boven Gen 6:13, en van dit hoofdstuk vs.4.

22 Al wat een adem des geestes des levens in zijn neusgaten had, van alles wat op het droge was, is gestorven.12

  1. Al Verg. hiermede boven Gen 6:17, de aantekening.
  2. droge was, Aldus worden klaarlijk de vissen uitgesloten; verg. hiermede het voorgaande vs.21.

23 Alzo werd verdelgd al wat bestond, dat op den aardbodem was, van den mens aan tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels, en zij werden verdelgd van de aarde; doch Noach alleen bleef over, en wat met hem in de ark was.1

  1. den aardbodem Hebr. op het aangezicht des aardbodems.

24 En de wateren hadden de overhand boven de aarde, honderd en vijftig dagen.1

  1. honderd en vijftig dagen Hieronder zijn begrepen de dagen van den regen, welke waren veertig dagen, zie boven vs.17.

Chapter 8

1 En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil.1

  1. gedacht Menselijker wijze van God gesproken. God wordt gezegd te gedenken, als Hij na enig uitstel, òf zijne weldaden bewijst, onder Gen 19:29; Exo 32:13; Neh 13:14, Neh 13:22; Job 14:13; Hos 9:9; Rev 18:5.

2 Ook werden de fonteinen des afgronds, en de sluizen des hemels gesloten, en de plasregen van den hemel werd opgehouden.12

  1. gesloten, Die tevoren opengebarsten en opengebroken waren, om dit vreeslijk oordeel van God uit te voeren; boven Gen 7:11.
  2. plasregen Die veertig natuurlijke dagen geduurd had. Zie boven Gen 7:4, Gen 7:12

3 Daartoe keerden de wateren weder van boven de aarde, heen en weder vloeiende, en de wateren namen af ten einde van honderd en vijftig dagen.12

  1. heen en weder Hebr. gaande en wederkerende, dat is, al meer en meer wederkerende, afnemende, alzo in het volgende vs.5; verg. onder Gen 26:13, en zie Jon 1:11.
  2. ten einde Te rekenen van het begin van den zondvloed, zie hoofdstuk Gen 7:11; in welken gansen tijd de wateren op den aardbodem toegenomen zijn. Zie ook vs.24.

4 En de ark rustte in de zevende maand, op den zeventienden dag der maand, op de bergen van Ararat.1

  1. op de bergen van Ararát. Dat is, op een van de bergen van groot Armenië.

5 En de wateren waren gaande, en afnemende tot de tiende maand; in de tiende maand, op den eersten der maand, werden de toppen der bergen gezien.1

  1. toppen Hebr. hoofden, gelijk Deu 3:27; Jos 15:8; Jdg 9:7.

6 En het geschiedde, ten einde van veertig dagen, dat Noach het venster der ark, die hij gemaakt had, opendeed.12

  1. ten einde van veertig dagen, Te weten, na den eersten dag der tiende maand; waarvan in het voorgaande vs. gesproken wordt.
  2. venster Zie boven Gen 6:16.

7 En hij liet een raaf uit, die dikwijls heen en weder ging, totdat de wateren van boven de aarde verdroogd waren.12

  1. liet een raaf uit, Te weten, om te onderzoeken of de aarde van de wateren ontbloot was.
  2. die dikwijls heen en weder ging, Hebr. die uitging, uitgaande en kerende; dat is, zij vloog herwaarts en derwaarts, en bijzonder omtrent de ark, omdat de aarde nog meest met de wateren bedekt was.

8 Daarna liet hij een duif van zich uit, om te zien, of de wateren gelicht waren van boven den aardbodem.123

  1. liet hij Te weten, zeven dagen nadat de raaf uitgelaten was; zoals te zien is vs.10.
  2. duif van Die niet lichtelijk haar medepaar verlaat, en gewoon is tot hetzelve terug te keren.
  3. gelicht Dat is, verminderd, meer verlopen.

9 Maar de duif vond geen rust voor het hol van haar voet; zo keerde zij weder tot hem in de ark; want de wateren waren op de ganse aarde; en hij stak zijn hand uit, en nam haar, en bracht haar tot zich in de ark.1

  1. de ganse aarde; Op de vlakte der omliggende landstreek; want anders begonnen de toppen der bergen ontdekt te worden, boven vs.5.

10 En hij verbeidde nog zeven andere dagen; toen liet hij de duif wederom uit de ark.1

  1. liet hij Hebr. hij deed toe; of, hij voer voort uit te laten, of uit te zenden. Welke manier van spreken ook onder is vs.12, 21, en elders dikwijls, betekenende het herdoen en vernieuwen, of hervatten van enige zaak.

11 En de duif kwam tot hem tegen den avondtijd; en ziet, een afgebroken olijfblad was in haar bek; zo merkte Noach, dat de wateren van boven de aarde gelicht waren.123

  1. kwam tot hem Omdat zij geen voedsel voor zich vond, en zocht in haar gewoon nest te wezen.
  2. een afgebroken olijfblad Waarmede God Noach vertroost heeft, hem verzekerende dat zijn verlossing uit de ark nabij was.
  3. bek; Hebr. monder

12 Toen vertoefde hij nog zeven andere dagen; en hij liet de duif uit; maar zij keerde niet meer weder tot hem.1

  1. zij keerde niet meer weder Want zij had rust en voedsel op den aardbodem gevonden.

13 En het geschiedde in het zeshonderd en eerste jaar, in de eerste maand, op den eersten derzelver maand, dat de wateren droogden van boven de aarde; toen deed Noach het deksel der ark af, en zag toe, en ziet, de aardbodem was gedroogd.12

  1. in het zeshonderd en eerste jaar, Te weten, Noachs ouderdom, hetwelk was het jaar na de schepping der wereld 1657, verg. boven Gen 7:11, waar gezegd wordt, dat de zondvloed begonnen is in het zes honderdste jaar van Noachs ouderdom.
  2. de aardbodem Hebr. het aangezicht des aardbodems.

14 En in de tweede maand, op den zeven en twintigsten dag der maand, was de aarde opgedroogd.

15 Toen sprak God tot Noach, zeggende:

16 Ga uit de ark, gij, en uw huisvrouw, en uw zonen, en de vrouwen uwer zonen met u.1

  1. Ga uit Op dit bevel had Noach gewacht, gelijk hij ook op Gods bevel in de ark was gegaan; zijnde daarin geweest een jaar en tien dagen.

17 Al het gedierte, dat met u is, van alle vlees, aan gevogelte, en aan vee, en aan al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, doe met u uitgaan; en dat zij overvloediglijk voorttelen op de aarde, en vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen op de aarde.1

  1. vee, Zie boven Gen 6:7.

18 Toen ging Noach uit, en zijn zonen, en zijn huisvrouw, en de vrouwen zijner zonen met hem.

19 Al het gedierte, al het kruipende, en al het gevogelte, al wat zich op de aarde roert, naar hun geslachten, gingen uit de ark.1

  1. naar hun geslachten, Dat is, zij gingen fijn, ordelijk, elk gepaard naar zijn geslacht of soort.

20 En Noach bouwde den Heere een altaar; en hij nam van al het reine vee, en van al het rein gevogelte, en offerde brandofferen op dat altaar.12

  1. het reine vee, Zie boven Gen 7:2.
  2. brandofferen Aldus genaamd, omdat dit offer geheel verbrand werd, en alzo met den rook opwaarts steeg en verdween; in welk opzicht het ook een klimoffer zou mogen heten. Zie ook Lev 6:9.

21 En de Heere rook dien liefelijken, reuk, en de Heere zeide in Zijn hart: Ik zal voortaan den aardbodem niet meer vervloeken om des mensen wil; want het gedichtsel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.123456

  1. rook Menselijker wijze of bij gelijkenis van God gesproken. Want gelijk een lieflijke reuk den mens zeer vermaakt, alzo had God een welgevallen aan het geloof en de dankbaarheid van Noach.
  2. liefelijken reuk, Hebr. den reuk der rust, of, rustmakende, te weten, den mens met God verzoenende, en in rust of vrede stellende, niet door de eigen kracht van het offer, maar door de betekenende offerande onzes Heeren Jezus Christus, waardoor alleen een eeuwige verzoening verworven is, Heb 9:12-13.
  3. in zijn Of, tot, dat is, bij zichzelven; menselijk van God gesproken, om ons te verklaren dat Hij zijn raad, dien Hij bij zichzelven heeft, daarna aan zijn knechten naar zijn welgevallen openbaart.
  4. den aardbodem niet meer vervloeken Dat is, Ik zal den aardbodem niet meer aldus door een algemenen zondvloed verderven. Hebr. Ik zal niet toedoen te vervloeken, gelijk in het einde van dit vs. Zie boven op vs.10.
  5. want het Anders, alhoewel.
  6. slaan, Dat is, door een algemenen zondvloed ombrengen. Het woord slaan is onder andere betekenissen dikwijls genomen voor doden, of anders het leven enigszins beschadigen, door welk middel het een en het ander ook zou kunnen geschieden. Zie Exo 21:18; Num 14:12, Num 35:16; Deu 28:22-27; 1Sa 17:50, 1Sa 26:8; 2Sa 3:27; 1Ki 22:34; Amo 4:9, enz.

22 Voortaan al de dagen der aarde zullen zaaiing en oogst, en koude en hitte, en zomer en winter, en dag en nacht, niet ophouden.1

  1. al de dagen Dat is, zolang als de wereld staan zal.

Chapter 9

1 En God zegende Noach en zijn zonen, en Hij zeide tot hen: Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde!1

  1. zegende God vernieuwt den zegen, dien Hij boven Gen 1:28, over den mens had uitgesproken, om te tonen dat de onderhouding en vermenigvuldiging des menselijken geslachts, mitsgaders alle heerschappij en macht, die de mens na den val over de onvernuftige dieren behouden had, zowel na als voor den zondvloed, van zijn zegen afhing.

2 En uw vrees, en uw verschrikking zij over al het gedierte der aarde, en over al het gevogelte des hemels; in al wat zich op den aardbodem roert, en in alle vissen der zee; zij zijn in uw hand overgegeven.1

  1. roert, Of, kruipt en zich beweegt, als een onredelijk dier.

3 Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot spijze; Ik heb het u al gegeven, gelijk het groene kruid.123

  1. Al wat zich roert, Dat is, allerlei eetbaar gedierte, op de aarde, in de lucht en in de wateren.
  2. dat levend is, Want dat vanzelf, of op kwalijke wijze gestorven is, is door deze wet verboden.
  3. het groene kruid Hebr. het groensel, of de groente van het kruid, gelijk boven Gen 1:30. Dat is, [naar het algemeen bevoelen] boven het groene kruid en de vruchten, die Ik u tevoren tot spijs had verordend, geef Ik u nu ook allerlei levend, eetbaar gedierte.

4 Doch het vlees met zijn ziel, dat is zijn bloed, zult gij niet eten.1

  1. met zijn ziel, God verbiedt bloedig vlees te eten, om de mensen van alle wreedheid en genegenheid tot doden en moorden af te schrikken, verg. Lev 3:17, 1Sa 7:1; Deu 12:23.

5 En voorwaar, Ik zal uw bloed, het bloed uwer zielen eisen; van de hand van alle gedierte zal Ik het eisen; ook van de hand des mensen, van de hand eens iegelijken zijns broeders zal Ik de ziel des mensen eisen.1234

  1. uwer zielen Dat is, uwer personen of uw lichamelijk leven.
  2. eisen; Dat is, wreken, of op order van Mij ingesteld, of ook buiten dezelve.
  3. van alle gedierte Zie Exo 21:28.
  4. van de hand eens iegelijken Wie hij ook zou mogen zijn, van hogen of lagen staat, van rijk of arm, van man of vrouw, dewijl de mens zijn broeder of zuster en naaste is.

6 Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mens vergoten worden; want God heeft den mens naar Zijn beeld gemaakt.12

  1. door den mens Hier wordt het ambt der overheid bevestigd, en het zwaard haar gegeven tot straf der boosdoeners, Rom 13:1 enz.
  2. naar zijn beeld Zie boven Gen 1:27. En of wel Gods beeld door den val geschonden en verbroken is, zo heeft nochtans God enig overblijfsel daarvan, om verscheidene redenen, in de mensen gelaten; hetwelk Hij niet begeert geschonden te hebben, maar verordent hier de straf van zodanige schending.

7 Maar gijlieden, weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt; teelt overvloediglijk voort op de aarde, en vermenigvuldigt op dezelve.

8 Voorts zeide God tot Noach, en tot zijn zonen met hem, zeggende:

9 Maar Ik, ziet, Ik richt Mijn verbond op met u, en met uw zaad na u;12

  1. Maar Ik, Dat is, wat Mij aangaat, om u van mijnentwege te verzekeren, dat Ik alle mensen en dieren niet meer aldus zal verderven, zo verbind Ik Mij aan u met beloften, en geef u het navolgende teken.
  2. zaad na u Dat is, met uw nakomelingen, die uit u voortgeteeld en geboren zullen worden; aldus wordt het woord zaad dikwijls genomen. Zie onder Gen 12:7; Exo 28:43; Lev 22:4; Deu 4:37; 1Sa 24:22; 1Ki 2:33; Joh 8:33; Rom 1:3, Rom 11:1; 2Ti 2:8.

10 En met alle levende ziel, die met u is, van het gevogelte, van het vee, en van alle gedierte der aarde met u; van allen, die uit de ark gegaan zijn, tot al het gedierte der aarde toe.

11 En Ik richt Mijn verbond op met u, dat niet meer alle vlees door de wateren des vloeds zal worden uitgeroeid; en dat er geen vloed meer zal zijn, om de aarde te verderven.12

  1. alle vlees Dat is, alle mensen en wat levend, roerend en gevoelend is op de aarde.
  2. uitgeroeid; Zie boven Gen 8:21-22. Versta zulk een vloed, waardoor het ganse aardrijk met water bedekt zou worden, tot verderving van alle mensen en beesten, die hun woning op de aarde hebben. Derhalve zijn hier uitgesloten bijzondere watervloeden en overstromingen van landen.

12 En God zeide: Dit is het teken des verbonds, dat Ik geef tussen Mij en tussen ulieden, en tussen alle levende ziel, die met u is, tot eeuwige geslachten.1

  1. tot eeuwige geslachten Hebr. tot geslachten der eeuwigheid, dat is, zolang de wereld staan zal. Alzo ook onder vs.16.

13 Mijn boog heb Ik gegeven in de wolken; die zal zijn tot een teken des verbonds tussen Mij en tussen de aarde.1

  1. Mijn boog Versta, den regenboog, die volgens de natuur wel een teken is van regen, maar naar de ordonnantie Gods een zeker bewijs, dat de wereld door regen en een algemenen watervloed niet weder zal vergaan.

14 En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken;12

  1. als Ik wolken over de aarde brenge, Hebr. Als Ik een wolk over de aarde wolk; dat is, als Ik haar met wolken overdek.
  2. dat deze Of, en.

15 Dan zal Ik gedenken Mijn verbond, hetwelk is tussen Mij en tussen u, en tussen alle levende ziel van alle vlees; en de wateren zullen niet meer wezen tot een vloed, om alle vlees te verderven.1

  1. Ik gedenken Dat is, Ik zal doen wat Ik beloofd heb. Zie boven 8:1, idem, hier het volgende vs.16.

16 Als deze boog in de wolken zal zijn, zo zal Ik hem aanzien, om te gedenken aan het eeuwig verbond tussen God en tussen alle levende ziel, van alle vlees, dat op de aarde is.12

  1. het eeuwig verbond Zie boven Gen 8:21-22 en boven op vs.12.
  2. God Dat is, Mij.

17 Zo zeide dan God tot Noach: Dit is het teken des verbonds, dat Ik opgericht heb tussen Mij en tussen alle vlees, dat op de aarde is.

18 En de zonen van Noach, die uit de ark gingen, waren Sem, en Cham, en Jafeth; en Cham is de vader van Kanaän.1

  1. Kanaän. Van wien de Kanaänieten zijn voortgekomen, en het land Kanaän zijn naam heeft gekregen; welk land den Israëlieten, die van Sem afkomstig zijn, daarna tot een erfdeel geworden is.

19 Deze drie waren de zonen van Noach; en van dezen is de ganse aarde overspreid.1

  1. overspreid Te weten, met inwoners.

20 En Noach begon een akkerman te zijn, en hij plantte een wijngaard.12

  1. begon Of, een akkerman zijnde, begon te planten.
  2. akkerman Of, landman. Hebr. Een man van de aarde, of van het aardrijk, dat is, een akkerman of landbouwer, gelijk onder Gen 25:27, een man van het veld, dat is, die in het veld zich meer ophoudt dan tehuis. 1Sa 16:18, een man des oorlogs, dat is, een oorlogsman. Pro 6:11, een man van het schild, dat is, die schild en wapen in den oorlog gebruikt, enz.

21 En hij dronk van dien wijn, en werd dronken; en hij ontblootte zich in het midden zijner tent.1

  1. hij ontblootte Te weten, ontwetend, onverhoeds in den slaap der dronkenschap, en niet met een opzettelijk voornemen.

22 En Cham, Kanaäns vader, zag zijns vaders naaktheid, en hij gaf het zijn beiden broederen daar buiten te kennen.1

  1. Kanaäns vader, Dit wordt wederom verhaald tot groter straf van Cham en versterking der Israelieten, die God naar der Kanaänieten land door Mozes was leidende.

23 Toen namen Sem en Jafeth een kleed, en zij leiden het op hun beider schouderen, en gingen achterwaarts, en bedekten de naaktheid huns vaders; en hun aangezichten waren achterwaarts gekeerd, zodat zij de naaktheid huns vaders niet zagen.

24 En Noach ontwaakte van zijn wijn; en hij merkte wat zijn kleinste zoon hem gedaan had.12

  1. wijn; Dat is, van den slaap, waarin hij door het drinken van den wijn gevallen was.
  2. hij merkte Of door Gods ingeven; of door het verhaal zijner twee andere zonen; of ook door zijn eigen onderzoek.

25 En hij zeide: Vervloekt zij Kanaän; een knecht der knechten zij hij zijn broederen!1234

  1. hij zeide Niet als een zondig mens door vleselijken toorn of verbaasdheid, maar als een profeet, door het ingeven des Heiligen Geestes.
  2. Vervloekt Dat is, hatelijk voor God, verachtelijk bij de mensen, ongelukkig op de aarde, in zichzelven en de zijnen.
  3. Kanaän; Versta niet alleen den zoon, maar ook den vader Cham, en de nakomelingen van den zoon.
  4. knecht der knechten Dat is, de allerverachtste en snoodste slaaf. Alzo wordt ijdelheid der ijdelheden gezegd, Ecc 1:2; boosheid der boosheid, Hos 10:15, voor de allergrootste, enz. Verg. de aantekening op Lev 2:3.

26 Voorts zeide hij: Gezegend zij de Heere, de God van Sem; en Kanaän zij hem een knecht!1

  1. Sem; Sem wordt hier bijzonder genoemd, niet alleen omdat hij den eersten lof had in de eer aan zijn vader bewezen, boven vs.23, maar ook omdat uit zijn zaad de Messias en Gods volk zouden voortkomen. Zie onder Gen 10:21.

27 God breide Jafeth uit, en hij wone in Sems tenten! en Kanaän zij hem een knecht!12

  1. God breide Anders, God lokke, of, overrede Jafeth. Versta dit als een profetie van de roeping der heidenen. [Jafeths nakomelingen] die door de lieflijke predikatie des Heiligen Evangelies gescheiden zou.
  2. in Sems tenten Dat is, zijn nakomelingen zullen tot de gemeenschap van Gods kerk gebracht worden.

28 En Noach leefde na den vloed driehonderd en vijftig jaren.

29 Zo waren al de dagen van Noach negenhonderd en vijftig jaren; en hij stierf.

Chapter 10

1 Dit nu zijn de geboorten van Noachs zonen: Sem, Cham, en Jafeth; en hun werden zonen geboren na den vloed.12

  1. nu zijn Het oogmerk van dit verhaal is, voornamelijk om aan te wijzen, uit welke vaders de Messias naar het vlees gesproten, en onder welk volk intussen de gemeente Gods gevonden werd. Daarna om bekend te maken den oorsprong der volken, en de bedelingen der landen, die zij bewoond hebben; hetwelk alles ook zeer dienstig is tot verklaring van vele Schriftuurplaatsen, gelijk in het vervolg zal blijken.
  2. geboorten Of, geslachten.

2 De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras.12345678

  1. zonen Dezen hebben zich van de plaatsen hunner woningen het meest noord-en westwaarts verspreid; want zich eerst nedergezet hebbende in Klein-Azië, hebben zij langzamerhand de noordse landen en Europa het meest vervuld.
  2. Gomer, De nakomelingen van dezen hebben het noordelijke gedeelte van Klein-Azië bewoond; waarom zij onder de noordse volken worden geteld. Eze 38:6. En daar zij zich ook westwaarts uitgebreid hebben, zo houdt men het er voor dat zij de voorttelers mede zijn der volken in wier landen de Gallo-Grieken naderhand gewoond hebben.
  3. Magog, De stamvader der Scythen; zie van dezen Eze 38:2, Eze 39:6.
  4. Madái, Van wien zijn de Meden; zie 2Ki 17:6; Isa 13:17; Jer 25:25; Dan 5:6, Dan 5:8.
  5. Javan, De vader der Grieken; zie van dezen Isa 66:19; Dan 8:21; Joe 3:6; Eze 27:13, Eze 27:19.
  6. Tubal, Men houdt het er voor dat van dezen de Iberen en uit dezen de Spanjaarden voortgekomen zijn. Zie Eze 27:13, Eze 32:28, Eze 38:2-3.
  7. Mesech, Hebr. Meschech, welke van dezen afkomstig zijn, is onzeker. Sommigen menen die van Cappadocië; anderen, die van Mysië; enigen, de Moschen, of Moskovieten. Zie Eze 38:2-3.
  8. Thiras Van dezen is in de H.Schrift niets meer vermeld; doch het gevoelen van velen is dat de Thraciërs aan de oevers van den Dniester, naburen der Macedoniërs, van hem zijn voortgekomen.

3 En de zonen van Gomer zijn: Askenaz, en Rifath, en Togarma.123

  1. Askenaz, De vader der inwoners van Pontus en Bithynië, landschappen, gelegen in Klein-Azië. Sommigen houden het er voor dat van dezen de Duitsers afkomstig zijn. Zie Jer 51:27.
  2. Rifath, Anders, Difath, 1Ch 1:6. Hij was de stamvader der Paphlagoniërs, een volk van Klein-Azië, vroeger genaamd Rifatteën, of Rifeën, langs de kusten der Zwarte Zee.
  3. Togarma Deze wordt meest gehouden voor den oorsprong van het volk in Klein-Armenië; of [volgens het gevoelen van anderen] der Hoogduitsers. Zie Eze 27:14, Eze 38:6.

4 En de zonen van Javan zijn: Elisa, en Tarsis; de Chittieten en Dodanieten.1234

  1. Elisa, Van wien afkomstig zijn de Eolen, een volk in Griekenland. Verg. Eze 27:7.
  2. Tarsis; Naar dezen wordt genoemd de hoofdstad van Cilicië, het vaderland van Paulus, Act 23:3, zodat deze Tarsis geweest is de stamvader der Ciliciërs. Zie Eze 27:12; Jon 1:3.
  3. Chittim De vader der inwoners van Macedonië, of van Italië, of van Cyprus, of een deel van het land Cilicië: het gevoelen hierover is verschillend. Zie Num 24:24; Isa 23:1; Jer 2:10.
  4. Dodanim Anders, Rodanim, 1Ch 1:7. Men meent dat van deze afkomstig zijn de Rhodiërs en de Doriërs.

5 Van dezen zijn verdeeld de eilanden der volken in hun landschappen, elk naar zijn spraak, naar hun huisgezinnen, onder hun volken.12

  1. de eilanden Versta, de landen aan de zee westwaarts van Syrië tussen de Middellandse zee en den Oceaan gelegen; namelijk niet alleen die eigenlijk eilanden genoemd worden, maar ook de vaste landen, die door hun ligging eilanden schijnen te zijn.
  2. elk naar zijn spraak, De verdeling der spraken was wel in dien tijd nog niet geschied [zie onder hoofdstuk Gen 11] , maar Mozes spreekt volgens den tijd, waarin hij dit schreEf. Zie dergelijk exempel Gen 12:8, Gen 13:3, enz.

6 En de zonen van Cham zijn: Cusch en Mitsraim, en Put, en Kanaän.12345

  1. en de zonen van Cham De nakomelingen van dezen hebben zich van Babel meest zuidwaarts verdeeld in een deel van Azië en in Afrika, en voor een tijd in Palestina. Zie van dezen, 1Ch 4:40; Psa 105:27.
  2. Cusch Van dezen zijn afkomstig de Arabieren en de Moren. Zie boven de aant. hoofdstuk Gen 2:13; idem 2Ki 19:9; Job 28:19; Jer 13:23, Jer 46:9.
  3. Mitsraïm De vader der Egyptenaars. Den naam vindt men overal in de H. Schrift. En het is ook de naam van het landschap Egypte zelf en van de inwoners.
  4. Put, Men meent dat hij een gedeelte van Lybië, [waar de rivier Put is] bewoond heeft. Zie Jer 46:9; Eze 27:10, Eze 38:5.
  5. Kanaän. De stamvader der Kanaänieten, in de Schrift genoeg bekend. Zie boven Gen 9:25, en onder vs.18.

7 En de zonen van Cusch zijn: Seba en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha. En de zonen van Raema zijn: Scheba en Dedan.1234567

  1. Seba Van dezen komen de Sabeërs, in Woest-Arabië. Zie Psa 72:10, en Isa 43:3.
  2. Havila, De vaders der inwoners van een land aldus genaamd, boven Gen 2:11.
  3. Sabta, Het gevoelen der geleerden is dat de nakomelingen van dezen bewoond hebben het onderdeel van Gelukkig-Arabië.
  4. Raëma, Mede een voorvader der inwoners van het bovengenoemde Arabië. Zie Eze 27:22.
  5. Sábtecha. Men houdt het er voor dat deze ook een stamvader van dezelfde natie geweest is.
  6. Scheba Zuidwaarts wonende in Morenland; van waar men meent dat de koningin van Scheba gekomen is. Zie 1Ki 10:1, 1Ki 10:4; Eze 27:22; Mat 12:42; Act 8:27. Anderen plaatsen hem in Gelukkig-Arabië.
  7. Dedan Een inwoner mede van Gelukkig-Arabië, of volgens anderer gevoelen, van Morenland. Zie Eze 27:15, Eze 38:13.

8 En Cusch gewon Nimrod; deze begon geweldig te zijn op de aarde.1

  1. geweldig Zie boven Gen 6:4.

9 Hij was een geweldig jager voor het aangezicht des Heeren; daarom wordt gezegd: Gelijk Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht des Heeren.12

  1. jager Hebr. geweldig in jacht, namelijk, niet alleen der beesten, maar ook der mensen, met wie hij handelde gelijk de jagers met het wild, dat zij doden of bedwingen naar hun lust. Zie deze manier van spreken Jer 16:16; Lam 3:52.
  2. voor het Dat is, openlijk en stoutelijk, zonder vrees voor God en schaamte voor de mensen; verg. hoofdstuk Gen 6:11.

10 En het beginsel zijns rijks was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het land Sinear.12

  1. beginsel Nimrod wordt gehouden voor de stichter van de eerste monarchie, en hij heeft het eerst deze vier steden gebouwd; gelijk Kaïn de eerste stad bouwde, vóór den zondvloed.
  2. Sinear Hebr. Schinhar, het land van Mesopotamië en Chaldea, aldus genaamd naar een gebergte daaraan gelegen, zie omtrent dit Sinear ook onder, Gen 11:2, en Gen 14:1, en Jos 7:21.

11 Uit ditzelve land is Assur uitgegaan, en heeft gebouwd Nineve, en Rehoboth, Ir, en Kalach.123

  1. Uit ditzelve land Anders, uit dit land is hij, namel. Nimrod, uitgegaan naar Assyrië.
  2. Ninevé, De hoofdstad van Assyrië, Jon 1:2.
  3. Rehobóth, Anders, Rechoboth de stad, of, de straten der stad, te weten van Ninevé.

12 En Resen, tussen Nineve en tussen Kalach; deze is die grote stad.1

  1. die grote stad Te weten Ninevé. Zie Jon 3:3, Jon 4:11.

13 En Mitsraim gewon de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en de Naftuchieten,1234

  1. Ludim, De stamvader van het volk van Lydië in Mauritanië. Zie van dezen Isa 66:19.
  2. Anamim, Men houdt hem voor den stamvader der Cyreneërs.
  3. Lehabim, De vader der Lybiërs in Afrika.
  4. Naftuhim, Van wien men acht afkomstig te zijn de Moren van Numidië.

14 En de Pathrusieten, en de Casluchieten, van waar de Filistijnen uitgekomen zijn, en de Caftorieten.123456

  1. Pathrusim, Die omtrent de stad Pathros in Egypte gewoond hebben. Zie van dezen Isa 11:11.
  2. Kasluhim, De inwoners van Cassiotis.
  3. van waar Als ook van Caphthorim. Zie Deu 2:23; Jer 47:4; Amo 9:7. Het schijnt dat deze twee broeders uit hun woonplaats tezamen zijn opgetogen, en het land Palestina hebben ingenomen, waarom zij Filistijnen genaamd zijn.
  4. Filistijnen Dat is, inwoners van Palestina.
  5. uitgekomen Anders, afgekomen.
  6. Kaphtorim Afkomstig uit Caphtor; zie daarvan Deu 2:23.

15 En Kanaän gewon Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,12

  1. Sidon, Hebr. Tsidon, stichter der stad Tsidon, of Sidon in Phenicië; zie daarvan Jos 11:8, Jos 19:28; Jdg 1:31, enz.
  2. Heth, De vader der Hethieten, zie van dezen Jos 1:4, Jos 9:1, enz.

16 En den Jebusiet, en den Amoriet, en den Girgasiet,1234

  1. En den Dit zijn niet alleen eigennamen van personen, maar ook van ganse volken, die uit dezen gesproten zijn; en worden daarom ook overgezet, de Jebusieter, de Amorieter, enz.
  2. Jebusi, Van de nakomelingen van dezen zie men Jos 15:8, Jos 18:28; Jdg 1:21.
  3. Emori, Van de Emorieten, zie men Deu 2:24.
  4. Girgasi, Zie Mat 8:28.

17 En den Hivviet, en den Arkiet, en den Siniet,12

  1. Hivvi, Zie Jdg 3:3.
  2. Sini, Van dezen wordt gesproken Isa 49:12.

18 En den Arvadiet, en den Tsemariet, en den Hamathiet; en daarna zijn de huisgezinnen der Kanaänieten verspreid.1234

  1. Arvadi, Zie Eze 27:8, Eze 27:11.
  2. Zemari, Zie Jos 18:22, en 2Ch 13:4.
  3. Hamathi Zie Amo 6:2, Amo 6:14; Zec 9:2; van enigen dezer tezamen, zie men Gen 15:19-21.
  4. Kanaänieten Versta door dezen de Kanaänieten in het algemeen, vooral de nakomelingen of volken van Kanaän.

19 En de landpale der Kanaänieten was van Sidon, daar gij gaat naar Gerar tot Gaza toe; daar gij gaat naar Sodom en Gomorra, en Adama, en Zoboim, tot Lasa toe.1234567

  1. landpale De grenzen van het land Kanaän worden hier afgetekend; welke waren in de lengte aan de westzijde Sidon noordwaarts, en Gaza zuidwaarts; aan de oostzijde, Laza noordwaarts, en Sodom zuidwaarts; zijnde aldus de breedte aan de noordzijde Sidon en Laza; aan het zuideinde Gaza en Sodom.
  2. Gaza toe Hebr. Azza.
  3. Sodom Hebr. Sedom. Zie van deze stad en de drie volgende, onder Gen 13:10, Gen 14:2.
  4. Gomórra, Hebr. Amora.
  5. Adama, Hebr. Adma.
  6. Zebóïm, Hebr. Tseboïm.
  7. Lasa toe Hebr. Laschah.

20 Deze zijn zonen van Cham, naar hun huisgezinnen, naar hun spraken, in hun landschappen, in hun volken.

21 Voorts zijn Sem zonen geboren; dezelve is ook de vader aller zonen van Heber, broeder van Jafeth, den grootste.123456

  1. zijn Hebr. is geboren, gelijk vs.25.
  2. zonen Dezen hebben meest hun woonplaatsen verkozen, oostwaarts in groot Azië, waarin Syrië, Assyrië, Mesopotamië, Chaldea, enz. gelegen zijn.
  3. vader Dat is, niet alleen de stamvader naar het vlees, ten aanzien van de eerstgeboorte; maar ook een voorganger naar den geest, ten aanzien van de wedergeboorte.
  4. aller zonen Dat is, der Hebreën, [die daarom ook Heber genaamd worden, Num 24:24 ] bij wie de kerk Gods met de ware leer en den waren godsdienst langen tijd gebleven is. Anders, kinderen van de overvaart, van de rivier Eufraat, die Abraham overgevaren is, Jos 24:3. Zie voorts van Sem, boven Gen 6:10.
  5. Jafeth Deze wordt bijzonder genoemd, omdat hij mede deel had in de zegeningen over Sem, door God uitgesproken, waarvan Cham uitgesloten was, boven Gen 9:25-27.
  6. den grootste Dat is, de oudste.

22 Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram.123456

  1. Sems zonen Omtrent de woonplaats zijner nakomelingen zie men op het voorgaande vs.
  2. Elam, Van hem zijn afkomstig de Elamieten, dat is, de Perzen; zie van dezen onder Gen 14:1, Gen 14:9; Isa 21:2; Jer 49:34, enz. Dan 8:2; Act 2:9.
  3. Assur, De stamvader der Assyriërs, een volk genoeg bekend in de Heilige Schrift. Verg. boven vs.11.
  4. Arfachsad, Van dezen meent men dat de Chaldeërs voortkomen, genoemd Casdim of Chasdim.
  5. Lud, Van wie afkomstig zijn die van Lydië in Klein-Azië.
  6. Aram De stamvader der Syriërs; zie van een anderen Aram, onder Gen 22:21, van welke beiden men meent, dat het land Syrië en de Syriërs hun naam hebben.

23 En Arams zonen waren Uz, en Hul, en Gether, en Maz.1234

  1. Uz, Hebr. Uts. Men houdt het er voor dat deze de stamvader is van de bewoners van het land Trachonitis; volgens het gevoelen van anderen, van enigen die omtrent Idumea woonden. Zie van Utz (Uz,) Job 1:1; Lam 4:21.
  2. Hul, Van dezen meent men, dat zij het land der Palmyrenen in Syrië bewoond hebben, of Armenië.
  3. Gether Van dezen waren de Bactriërs, of die Apamene in Syrië bewoonden.
  4. Mas Anders, Mesech, 1Ch 1:17, die bewoond heeft [zoals men meent] het opperdeel van Syrië tussen Cilicië en Mesopotamië, aan een gedeelte van den berg Aman genaamd Masius; anderen plaatsen hen in Mysië.

24 En Arfachsad gewon Selah, en Selah gewon Heber.1

  1. Arfachsad Verg. onder Gen 11:13, Gen 11:15.

25 En Heber werden twee zonen geboren; des enen naam was Peleg; want in zijn dagen is de aarde verdeeld; en zijns broeders naam was Joktan.1

  1. want in zijn dagen Dat is, omtrent den tijd zijner geboorte zijn de bewoners der aarde van elkander gescheiden door de verdelingen der spraken hetwelk in het volgende hoofdstuk verhaald wordt.

26 En Joktan gewon Almodad, en Selef, en Hatsarmaveth, en Jarach,1

  1. Joktan Van de nakomelingen van dezen kan men niet veel bericht in de Heilige Schrift, noch bij andere schrijvers vinden.

27 En Hadoram, en Usal, en Dikla,

28 En Obal, en Abimaël, en Scheba,1

  1. Scheba, Deze is te onderscheiden van een anderen Scheba, den zoon van Cus, den zoon Chams. Zie boven vs.7.

29 En Ofir, en Havila, en Jobab; deze allen waren zonen van Joktan.12

  1. Ofir, Zie 1Ki 9:28, 1Ki 22:49; Psa 45:10; Isa 13:12.
  2. Havila, Deze is te onderscheiden van een Havila, afkomstig van Cus, den zoon Chams; zie van dezen boven vs.7. Sommigen menen dat het land der Ismaëlieten en Amalekieten naar hen aldus genoemd is, Gen 25:18; 1Sa 15:7.

30 En hun woning was van Mescha af, daar gij gaat naar Sefar, het gebergte van het oosten.1

  1. het oosten Dat is, van Chaldea. Zie Num 23:7.

31 Deze zijn zonen van Sem, naar hun huisgezinnen, naar hun spraken, in hun landschappen, naar hun volken.

32 Deze zijn de huisgezinnen der zonen van Noach, naar hun geboorten, in hun volken; en van dezen zijn de volken op de aarde verdeeld na den vloed.1

  1. geboorten, Zie boven Gen 5:1.

Chapter 11

1 En de ganse aarde was van enerlei spraak en enerlei woorden.123

  1. de ganse aarde Alle bewoners der aarde, vóór en na den zondvloed, totdat deze verdeling der spraken geschied is.
  2. van enerlei Het wordt er voor gehouden, dat dit de Hebreeuwse spraak [die haar naam heeft van Heber] geweest is; onder anderen daarom, omdat de eigennamen der eerste mensen van Hebreeuwsen oorsprong zijn, als Adam, Heva, Kaïn, Habel, enz.
  3. spraak, Hebr. lip, gelijk in het volgende.

2 Maar het geschiedde, als zij tegen het oosten togen, dat zij een laagte vonden in het land Sinear; en zij woonden aldaar.123

  1. zij tegen Dit is vooral te verstaan van Chams nakomelingen en hun hoofd Nimrod. Zie boven Gen 10:10.
  2. oosten Van de plaats waarheen zij eerst getogen waren, toen zij, om de grote menigte, zich wat moesten verspreiden van het gebergte Ararat, waar de ark rustte. Zie boven Gen 8:4.
  3. in het land Waarin Babel gelegen was. Zie boven Gen 10:10.

3 En zij zeiden een ieder tot zijn naaste: Kom aan, laat ons tichelen strijken, en wel doorbranden! En de tichel was hun voor steen, en het lijm was hun voor leem.123

  1. tichelen Of bakstenen maken, of bereiden.
  2. wel doorbranden Hebr. branden met, of, tot branding; dat is, door het branden hard bakken.
  3. het lijm Een taaie stof, vaster klevende dan pek, overvloedig in die landen; zie onder Gen 14:10. De geschiedschrijvers verhalen dat de muren van Babel hiervan gemetseld waren en zo hard geworden als ijzer.

4 En zij zeiden: Kom aan, laat ons voor ons een stad bouwen, en een toren, welks opperste in den hemel zij, en laat ons een naam voor ons maken, opdat wij niet misschien over de ganse aarde verstrooid worden!123

  1. opperste Hebr. Hoofd.
  2. in den hemel zij Een manier van spreken, dienende tot zonderlinge vergroting; zie Deu 1:28 en Deu 9:1; Psa 107:26; Mat 11:23. Dit is een gans goddeloos en stout voornemen, alsof zij God en alle mensen ten trots, zulk een werk wilden maken, waardoor zij zich tegen alle geweld mochten verzekeren.
  3. de ganse aarde Hebr. het aangezicht der ganse aarde; zo ook onder vs.8,9.

5 Toen kwam de Heere neder, om te bezien de stad en den toren, die de kinderen der mensen bouwden.12

  1. kwam de HEERE neder, Menselijk van den oneindigen en alwetenden God gesproken. De zin is: God wist en zag al hun vermetel en goddeloos bestaan, openbarende dat Hij zich bereidde ter straf.
  2. kinderen der mensen Zie boven Gen 6:2.

6 En de Heere zeide: Ziet, zij zijn enerlei volk, en hebben allen enerlei spraak; en dit is het, dat zij beginnen te maken; maar nu, zoude hun niet afgesneden worden al wat zij bedacht hebben te maken?12

  1. nu, Met deze manier van spreken wordt uitgedrukt Gods toorn, en zijn voornemen om dit werk te beletten.
  2. zou hun niet afgesneden worden Anders, hun zal niet afgesneden, of, belet worden, dat is, zij zullen met hun werk willen voortgaan.

7 Kom aan, laat Ons nedervaren, en laat Ons hun spraak aldaar verwarren, opdat iegelijk de spraak zijns naasten niet hore.12

  1. laat ons nedervaren, Verg. boven 1:26, de eerste aantekening op.
  2. hore Dat is, versta; alzo wordt het woord horen voor verstaan genomen, onder Gen 42:23; Deu 28:49; 1Ki 3:9; Jer 5:15; 1Co 14:2.

8 Alzo verstrooide hen de Heere van daar over de ganse aarde; en zij hielden op de stad te bouwen.1

  1. Alzo Wat zij meenden te voorkomen is hun door Gods rechtvaardig oordeel overkomen.

9 Daarom noemde men haar naam Babel; want aldaar verwarde de Heere de spraak der ganse aarde, en van daar verstrooide hen de Heere over de ganse aarde.12

  1. noemde Anders, noemde Hij, te weten God.
  2. Babel; Zie boven Gen 10:10. Het woord betekent verwarring, of vermenging, of de verwarring is gekomen, of daarin is verwarring.

10 Deze zijn de geboorten van Sem: Sem was honderd jaren oud, en gewon, Arfachsad, twee jaren na den vloed.1

  1. was honderd jaren Hebr. een zoon van honderd jaar. Dat is, Sem was honderd jaren oud. Zie Gen 7:6.

11 En Sem leefde, nadat hij Arfachsad gewonnen had, vijfhonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.1

  1. leefde, Dat is, hij had geleefd, of, hij was zo oud. Zie boven Gen 5:3.

12 En Arfachsad leefde vijf en dertig jaren, en hij gewon Selah.1

  1. Selah Hebr. Schelach.

13 En Arfachsad leefde, nadat hij, Selah gewonnen had, vierhonderd en drie jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

14 En Selah leefde dertig jaren, en hij gewon Heber.

15 En Selah leefde, nadat hij Heber gewonnen had, vierhonderd en drie jaren, en hij gewon zonen en dochteren.

16 En Heber leefde vier en dertig jaren, en gewon Peleg.

17 En Heber leefde, nadat hij Peleg gewonnen had, vierhonderd en dertig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

18 En Peleg leefde dertig jaren, en hij gewon Rehu.

19 En Peleg leefde, nadat hij Rehu gewonnen had, tweehonderd en negen jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

20 En Rehu leefde twee en dertig jaren, en hij gewon Serug.

21 En Rehu leefde, nadat hij Serug gewonnen had, tweehonderd en zeven jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

22 En Serug leefde dertig jaren, en gewon Nahor.1

  1. Nahor Hebr. Nachor.

23 En Serug leefde, nadat hij Nahor gewonnen had, tweehonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

24 En Nahor leefde negen en twintig jaren, en gewon Terah.1

  1. Terah Hebr. Thera, en Luk 3:34 Thara.

25 En Nahor leefde, nadat hij Terah gewonnen had, honderd en negentien jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

26 En Terah leefde zeventig jaren, en gewon Abram, Nahor en Haran.12

  1. gewon Dat is, hij begon te gewinnen. Zie boven Gen 5:32.
  2. Abram, Abram wordt eerst genoemd, niet omdat hij de oudste, maar de waardigste was; gelijk dit ook hier tevoren met Sem geschied is, boven Gen 5:32, en Gen 10:1.

27 En deze zijn de geboorten van Terah: Terah gewon Abram, Nahor en Haran; en Haran gewon Lot.

28 En Haran stierf voor het aangezicht zijns vaders Terah, in het land zijner geboorte, in Ur der Chaldeen.12

  1. voor het aangezicht zijns vaders Dat is, in het leven en de tegenwoordigheid zijns vaders.
  2. Ur Een stad in het land van Chaldeën. Zie Neh 9:7; Act 7:4.

29 En Abram en Nahor namen zich vrouwen; de naam van Abrams huisvrouw was Sarai, en de naam van Nahors huisvrouw was Milka, een dochter van Haran, vader van Milka, en vader van Jiska.1

  1. een dochter van Haran, Milka is getrouwd geweest met haar oom Nahor, welke huwelijken door de wetten van dien tijd nog niet uitdrukkelijk verboden waren. Jiska wordt door sommigen gehouden voor Sarai, de huisvrouw van Abram; anderen menen dat Sarai niet was de dochter van Haran, maar diens en Abrams en Nahors zuster, uit één vader Terah, maar niet uit één moeder geboren. Verg. onder Gen 20:12.

30 En Sarai was onvruchtbaar; zij had geen kind.

31 En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, Harans zoon, zijns zoons zoon, en Sarai, zijn schoondochter, de huisvrouw van zijn zoon Abram, en zij togen met hen uit Ur der Chaldeen, om te gaan naar het land Kanaän; en zij kwamen tot Haran, en woonden aldaar.1234

  1. Terah nam Abram Te weten, nadat hij door zijn zoon Abram verstaan had, dat God hem had geroepen om te gaan uit zijn vaderland, volgens het verhaal daarvan gedaan in het 12e hfdst..
  2. zij togen Namel. Terah en Abram.
  3. met henlieden Namelijk, met Lot en Sarai.
  4. Haran, Hebr. Charan, Act 7:4 leest men Charran, een stad in Mesopotamië, in de historiën bekend. Zie onder Gen 24:10, en Gen 28:10, en Gen 29:4.

32 En de dagen van Terah waren tweehonderd en vijf jaren, en Terah stierf te Haran.

Chapter 12

1 De Heere nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.123

  1. Abram Te weten, eer hij uit Chaldea vertrokken was, want dit bevel van God was de oorzaak zijner verhuizing uit Chaldea, eer hij nog wist waar hij heentrekken zou; hetwelk hem daarna is geopenbaard. Zie boven Gen 11:31. Verg. hiermede Act 7:3-4.
  2. Ga gij Hebr. Ga voor u, of ga u. Dat is, tot uw best; alzo onder Gen 22:2, idem, vlied voor u, onder Gen 27:43, onderken voor u, onder Gen 31:32, doch overigens is dit woordje u, dikwerf in de Hebr. taal als een overtollig bijvoegsel, zoals het sommigen hier ook verstaan.
  3. dat Ik u wijzen zal Hij noemt geen land, om aldus Abrams geloof, gehoorzaamheid en geduld door beproeving te oefenen en openbaar te maken.

2 En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen!123

  1. groot volk Niet alleen ten aanzien van de veelheid der mensen, wier vader gij zult wezen naar het vlees, maar ook ten aanzien van hun waardigheid, omdat zij mijn volk en eigendom zullen zijn, wier vader gij zult zijn naar den geest; Rom 4:11-12, Rom 4:16-17, Rom 9:6-8; Gal 3:7.
  2. zegenen, De zegening van God betekent allerlei weldaden, of in het algemeen lichamelijke en geestelijke, aardse en hemelse, tijdelijke en eeuwige, onder 2Sa 4:1; Deu 28:2-4, enz. of in het bijzonder enige derzelve; boven Gen 1:22, Gen 1:28; onder Gen 39:5; Deu 7:13; Eph 1:3.
  3. een zegen Zo gans zeer gezegend, dat gij niet alleen in uzelven mijn zegen bezitten zult, maar dat ook deze zegen door uw zaad over ontallijke anderen uitgespreid zal worden.

3 En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.1

  1. in u Dat is, in uw zaad, onder Gen 22:18, en Gen 26:4, en Gen 28:14; welk zaad is Christus, Gal 3:16; die uit Abrahams zaad naar het vlees moest voortkomen, Mat 1:1, om allen waren gelovigen, wier vader Abraham is, de eeuwige zegening te verwerven en mede te delen; Gal 3:28-29. Anders, met u, te weten door het geloof in Christus, gelijk Gal 3:8-9, in u, wordt uitgelegd, met Abraham. Zie ook Rom 4:11-12, Rom 4:16.

4 En Abram toog heen, gelijk de Heere tot hem gesproken had; en Lot toog met hem; en Abram was vijf en zeventig jaren oud, toen hij uit Haran ging.12

  1. vijf en zeventig jaren Hebr. een zoon van vijf jaren en zeventig jaar.
  2. Haran ging Vanwaar hij tevoren met zijn vader Terah uit Chaldea gekomen was, boven Gen 11:31.

5 En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijns broeders zoon, en al hun have, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.123

  1. have, Dit zijn als de eerstelingen van den beloofden zegen, die Abram en de zijnen ontvangen hebben in Haran. Het Hebr. woord begrijpt in zich allerlei goederen, hetzij vee, of geld en huisraad.
  2. zielen, Dat is, mensen van dienstbare conditie, die hij veroverd had, en die, welke uit dezen geboren waren; want Abraham had toen nog geen kinderen. Het Hebr. woord hier overgezet zielen, wordt aldus genomen voor mensen of personen, onder Gen 17:14; Exo 12:15; Lev 2:1; Num 23:10; Deu 24:7; Jdg 16:30; Mar 3:4, enz.
  3. Kanaän, Van de grenzen dezes lands [genaamd naderhand Palestina, het beloofde land, omdat dit Abrahams nakomelingen beloofd werd, onder vs.7] zie boven Gen 10:19 en de aantekening.

6 En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More; en de Kanaänieten waren toen ter tijd in dat land.1234

  1. Sichem, Hebr. Scechem, gelegen in het midden van het land Kanaän, in het gebergte Ephraïm, Jos 21:21; Jdg 8:31; 1Ch 6:67; Act 7:16; ook genaamd Sichar, Joh 4:5.
  2. eikenbos Anders, het effen veld. Zie Deu 11:30; want het Hebr. woord betekent dit beide.
  3. More; Dit kan zijn de naam van een man, naar wien deze plaats aldus genoemd wordt.
  4. de Kanaänieten Hebr. de Kanaänieter, een vervloekt, afgodisch en goddeloos volk, afkomstig van Kanaän, Chams zoon; zie Zec 14:21.

7 Zo verscheen de Heere aan Abram, en zeide: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij aldaar een altaar den Heere, Die hem verschenen was.12

  1. Zo verscheen de HEERE Abram Om door een nieuwe openbaring Abram in het geloof te versterken, die het land bewoond zag met Kanaänieten.
  2. Toen bouwde hij aldaar een altaar Te weten, om aldaar offeranden, gebeden en dankzeggingen te doen; en den gehelen uiterlijken godsdienst onder de zijnen tegen de afgoderij der Kanaänieten te oefenen; hetwelk geheten wordt den naam des Heeren aanroepen; zie vs.8, en boven Gen 4:26.

8 En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-el, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-el tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar den Heere een altaar, en riep den Naam des Heeren aan.1234

  1. Beth-el, Een stad, gelegen in het land, dat den stam van Benjamin daarna toegevallen is, en aldus eerst genoemd door Jakob, toen hij reisde naar Mesopotamië, maar vóór dien tijd geheten Luz; onder Gen 28:19.
  2. westen, Hebr. zee. Hierdoor wordt het westen verstaan, omdat de westzijde van Kanaän aan de zee gelegen was; zie onder Gen 13:14, en Gen 28:14; Num 3:23; Deu 3:27, enz.
  3. Ai Een stad in het land Kanaän, in den stam van Benjamin, oostwaarts van Bethel gelegen; zie Jos 7:2.
  4. riep den naam Zie boven Gen 4:26.

9 Daarna vertrok Abram, gaande en trekkende naar het zuiden.1

  1. gaande en trekkende Dat is, allengskens en geduriglijk voortreizende.

10 En er was honger in dat land; zo toog Abram af naar Egypte, om daar als een vreemdeling te verkeren, dewijl de honger zwaar was in dat land.1234

  1. honger in Hier wordt Abrams vertrouwen beproefd.
  2. dat land; Te weten, Kanaän, hetwelk wel vruchtbaar was, Deu 8:7-8, maar nu om de boosheid der inwoners, met onvruchtbaarheid gestraft; Psa 107:34.
  3. zo toog Verstaande dat hij, om God niet te verzoeken, wel voor enigen tijd mocht vertrekken, om dezen duren tijd te ontgaan.
  4. Egypte, Een land, in het Hebreeuws genaamd Mitsraïm, van Mitsraïm den zoon van Cham, gelegen in Afrika, grenzende oostwaarts aan de Rode zee en een deel van Arabië; zuidwaarts aan Ethiopië, westwaarts aan Libyë, en noordwaarts aan de Middellandse zee; zeer goed bekend in de Heilige Schrift; onder Gen 13:10, en Gen 39:1, enz.

11 En het geschiedde, als hij naderde, om in Egypte te komen, dat hij zeide tot Sarai, zijn huisvrouw: Zie toch, ik weet, dat gij een vrouw zijt, schoon van aangezicht.1

  1. ik weet dat gij een vrouw zijt schoon Hier valt Abram in vleselijke vrees, daar hij wel behoorde zijnen God vertrouwd te hebben.

12 En het zal geschieden, als u de Egyptenaars zullen zien, zo zullen zij zeggen: Dat is zijn huisvrouw; en zij zullen mij doden, en u in het leven behouden.

13 Zeg toch: Gij zijt mijn zuster; opdat het mij wel ga om u, en mijn ziel om uwentwil leve.1

  1. mijn ziel Dat is, mijn persoon; zie boven op vs.5.

14 En het geschiedde, als Abram in Egypte kwam, dat de Egyptenaars deze vrouw zagen, dat zij zeer schoon was.

15 Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.1234

  1. Faraö's vorsten, Dat is, de voornaamste heren, edellieden en officieren van Faraö's hof, die gemeenlijk met zulke diensten hun vorsten zoeken te behagen.
  2. Faraö; Een algemene titel van alle koningen van Egypte, dien zij behouden hebben, totdat zij naderhand den naam van Plolomaeus bekomen hebben.
  3. weggenomen Niet naar den koning, maar naar het koninklijke vrouwengetimmer, om aldaar naar de wijze van het land toebereid te worden voor de koning haar tot zijne huisvrouw zou nemen; zie Est 2:8-9; intussen droeg God zorg voor Abram en de kuisheid zijner huisvrouw.
  4. naar het huis Te weten, om geleid te worden naar Faraö's huis. De Hebreën begrijpen dikwijls onder één woord de betekenis van nog een ander, gelijk hier en elders geschiedt met het woord Lakach, nemen. Zie onder Gen 18:7; Psa 143:3; Eze 28:16.

16 En hij deed Abram goed, om harentwil; zodat hij had schapen, en runderen, en ezelen, en knechten, en maagden, en ezelinnen, en kemelen.12

  1. om harentwil; Omdat hij voorgenomen had haar te trouwen, en dat liever met Abrams vriendschap dan onwil.
  2. schapen, en runderen, Onder de woorden van schapen en runderen, wordt allerlei klein en groot vee begrepen, gelijk onder Gen 13:5, en Gen 20:14, en Gen 26:14, enz. Zie ook Lev 1:2.

17 Maar de Heere plaagde Farao met grote plagen, ook zijn huis, ter oorzake van Sarai, Abrams huisvrouw.1

  1. grote plagen, Wat dit voor plagen geweest zijn, is onzeker; het is zeker dat zij gediend hebben, zowel om de schending van Sarai te verhinderen, als om deze daad des konings en zijn huis te straffen.

18 Toen riep Farao Abram, en zeide: Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt? waarom hebt gij mij niet te kennen gegeven, dat zij uw huisvrouw is?1

  1. Waarom hebt gij Faraö wist dit nu zonder twijfel, eensdeels uit de hoedanigheid zijner plaag en de wroeging van zijn conscientie, anderdeels uit de ingeving en openbaring Gods, gelijk op een anderen tijd met Abimélech geschied is; onder Gen 20:3.

19 Waarom hebt gij gezegd: Zij is mijn zuster; zodat ik haar mij tot een vrouw zoude genomen hebben? en nu, zie, daar is uw huisvrouw; neem haar en ga henen!

20 En Farao gebood zijn mannen vanwege hem, en zij geleidden hem, en zijn huisvrouw, en alles wat hij had.1

  1. Faraö Hier staat niet dat Abram enige woorden van verontschuldiging gebruikt heeft, daar hij zonder twijfel zijn zwakheid en onbedachtzaamheid gevoelde en bekende; als ook een bijzondere genade des Heeren, die hij opmerkte in het Goddelijk beleid dezer zaak.

Chapter 13

1 Alzo toog Abram op uit Egypte naar het zuiden, hij en zijn huisvrouw, en al wat hij had, en Lot met hem.1

  1. zuiden, Dat is, naar het zuidelijke gedeelte van Kanaän.

2 En Abram was zeer rijk, in vee, in zilver, en in goud.1

  1. zeer rijk Hebr. zeer zwaar. Aldus gevoelde Abram de waarheid van de goddelijke belofte. Hij meende slechts den honger te ontgaan, en hij werd nog daarenboven zo verrijkt.

3 En hij ging, volgens zijn reizen, van het zuiden tot Beth-el toe, tot aan de plaats, waar zijn tent in het begin geweest was, tussen Beth-el, en tussen Ai;1234

  1. volgens zijn reizen, Dat is, volgende de wegen en plaatsen, door welke hij tevoren naar Egypte gereisd was; zie boven Gen 12:9, of, hij reisde zoals het vervoeren van zijn goederen en het voortgaan van zijn beesten dat lijden konden.
  2. Beth-el Zie boven Gen 12:8.
  3. in het begin Zie boven Gen 12:6, Gen 12:8.
  4. Ai Zie boven Gen 12:8.

4 Tot de plaats des altaars, dat hij in het eerst daar gemaakt had; en Abram heeft aldaar den Naam des Heeren aangeroepen.1

  1. den naam des HEEREN Verg. boven Gen 4:26.

5 En Lot, die met Abram toog, had ook schapen, en runderen, en tenten.

6 En dat land droeg hen niet, om samen te wonen; want hun have was vele, zodat zij samen niet konden wonen.1

  1. droeg Dat is, kon hen niet dragen.

7 En er was twist tussen de herders van Abrams vee, en tussen de herders van Lots vee. Ook woonden toen de Kanaänieten en Ferezieten in dat land.12

  1. En er was twist Zie hoofdstuk Gen 21:26, waar van gelijken twist gesproken wordt.
  2. woonden Dewijl de oude ingezetenen niet veel plaats in een gedeelte van het land voor de vreemden overlieten, zo konden Abram en Lot, die zeer machtig in vee waren, en daarom bij de inwoners buiten twijfel benijd waren, niet wel tezamen in één oord hun behoeften aan weiden vinden; waaruit niet alleen twist onder de herders van Abram en Lot gerezen is, maar ook zwarigheid van de Kanaänieten hun overkomen Kon. Zie onder Gen 21:25, en Gen 26:15, Gen 26:20-21.

8 En Abram zeide tot Lot: Laat toch geen twisting zijn tussen mij en tussen u, en tussen mijn herders en tussen uw herders; want wij zijn mannen broeders.1

  1. want wij zijn mannen broeders Wij zijn mannen broeders, niet alleen naar het vlees, want ik ben uw oom, en gij zijt mijn neef, maar ook naar den geest, want wij dienen één God, en zouden met onzen twist de ingezetenen ergeren en onzen godsdienst schande aandoen.

9 Is niet het ganse land voor uw aangezicht? Scheid u toch van mij; zo gij de linkerhand kiest, zo zal ik ter rechterhand gaan; en zo gij de rechterhand, zo zal ik ter linkerhand gaan.123

  1. Is niet het ganse land Zulk een manier van vragen betekent een grote verzekering; alzo onder Gen 20:5; Exo 14:12; Jdg 4:6.
  2. voor uw aangezicht? Dat is, voor u open, om door u gebruikt te mogen worden. Zie gelijke manier van spreken, onder Gen 20:15, en Gen 34:10, Gen 34:21, Gen 47:6.
  3. kiest, Dit woord is hier ingevoegd uit het volgende vs.11.

10 En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de ganse vlakte der Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer de Heere Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de hof des Heeren, als Egypteland, als gij komt te Zoar.1234

  1. Jordaan, Dit is de naam van een rivier, bevochtigende het land Kanaän, en spruitende uit twee fonteinen aan het gebergte Libanon, welke genaamd worden Jor en Dan.
  2. hof Hiermede wordt verstaan de hof Eden, dien God geplant had, of de hof des Heeren, dat is, een uitermate schone hof; gelijk het leger Gods, 1Ch 12:22. Gods bergen, Psa 36:7. De cederen Gods, Psa 80:11. De worstelingen Gods, onder Gen 30:8. Dat is, zeer grote. Het woord God /bt hier uitnemendheid.
  3. als Egypteland, Zie Eze 31, waar een vergelijking gemaakt wordt tussen de vruchtbaarheid van Egypte en Assyrië.
  4. Zoar Hebr. Tsohar, een stad gelegen omtrent Sodom en Gomórra, welke dezen naam heeft gekregen toen Lot daarin vluchtte; onder Gen 19:23; zijnde tevoren genaamd Bela; onder Gen 14:2.

11 Zo koos Lot voor zich de ganse vlakte der Jordaan, en Lot trok tegen het oosten; en zij werden gescheiden, de een van den ander.1

  1. de een van den ander Hebr. de man van zijn broeder.

12 Abram dan woonde in het land Kanaän; en Lot woonde in de steden der vlakte, en sloeg tenten tot aan Sodom toe.

13 En de mannen van Sodom waren boos, en grote zondaars tegen den Heere.1

  1. zondaars Hebr. Zondaars tegen den Heere zeer. Niettegenstaande de grote boosheid der Sodomieten en andere omliggende volken, verkoos Lot deze landstreek, vanwege haar schoonheid. Anders, voor den Heere. Verg. boven Gen 6:11, en Gen 10:9.

14 En de Heere zeide tot Abram, nadat Lot van hem gescheiden was: Hef uw ogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt noordwaarts en zuidwaarts, en oostwaarts en westwaarts.12

  1. En de HEERE zeide God troost Abram over het vertrek van zijn neef, en de verkiezing der schone landstreek.
  2. westwaarts Hebr. naar de zee, boven Gen 12:8.

15 Want al dit land, dat gij ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid.1234

  1. Al dit land, dat gij ziet, Niet wat hij toen gans zag, maar wat hem gans beloofd werd.
  2. zal Ik Wel tot een aardse herberg voor uw vleselijk zaad, maar ook tot een teken van het hemelse vaderland voor uw geestelijk zaad. Verg. Heb 11:9-10, 14-16.
  3. u geven, Te weten, u het recht tot het aardse Kanaän, en uw zaad naar het vlees te zijner tijd de dadelijke bezitting; daarna u en uw geestelijk zaad, hier het recht tot het hemelse Kanaän en hierna de eeuwige bezitting daarvan; alles uit genade.
  4. tot in eeuwigheid Dat is, een langen tijd, te weten, totdat de Messias, het zaad der zegening, uit uw vlees geboren zijnde, het werk der verlossing op aarde zal volbracht hebben. Het /hw wordt in andere betekenissen dikwijls genomen voor den gansen tijd der wet. Zie onder Gen 17:13, en Gen 48:4; Psa 132:4. Of, eigenlijk in eeuwigheid, ten aanzien van het geestelijke Kanaän en het geestelijke zaad.

16 En Ik zal uw zaad stellen als het stof der aarde, zodat, indien iemand het stof der aarde zal kunnen tellen, zal ook uw zaad geteld worden.1

  1. zaad Abrams zaad en het stof der aarde worden vergeleken met elkander, ten aanzien niet van een gelijk getal, maar van een grote menigte, die bij de mensen ontelbaar is; zie dergelijke manier van spreken, onder Gen 15:5, en Gen 22:17, en Gen 32:12.

17 Maak u op, wandel door dit land, in zijn lengte en in zijn breedte; want Ik zal het u geven.

18 En Abram sloeg tenten op, en kwam en woonde aan de eikenbossen van Mamre, die bij Hebron zijn; en hij bouwde aldaar den Heere een altaar.1234

  1. sloeg tenten op, Dat is, in het reizen en vertrekken sloeg hij hier en daar zijn tenten op.
  2. eikenbossen Anders, in de effen velden.
  3. Mamre, Deze Mamre was een Amorieter, wonende bij Hebron. Zie onder Gen 14:13, Gen 14:24, en hij is te onderscheiden van More, boven Gen 12:6.
  4. bij Hebron zijn; Of, die te Hebron is; welke stad in dezen tijd was genoemd Kiriath-Arba, of de stad Arba, maar naderhand Hebron. Zie onder Gen 23:2, en Gen 35:27; Num 13:22; Jos 14:15; 2Sa 5:5.

Chapter 14

1 En het geschiedde in de dagen van Amrafel, den koning van Sinear, van Arioch, den koning van Ellasar, van Kedor-laomer, den koning van Elam, en van Tideal, den koning der volken;12345

  1. den koning Versta onder dezen geen zo machtige of grote koningen en monarchen, als wel enigen naderhand geworden zijn; maar zulke regenten, die over enige landen of plaatsen en menigte van mensen regeerden; hetgeen blijkt daaruit, dat die vijf steden Sodom, Gomórra, enz. elk een koning gehad hebben, vs.2.
  2. Sinear, Zie boven Gen 10:10.
  3. Ellasar, Oppernoordelijk-Susan in Assyrië; verg. boven 2:11, de aantekening op den naam Havila.
  4. Elam, Een landschap in Perzië, genaamd Elymais, van Elam den zoon van Sem, boven Gen 10:22.
  5. der volken; Het schijnt dat de onderdanen en krijgslieden van dezen koning uit onderscheiden natiën bestonden. Eenigen menen dat het Hebr. woord Gojim hier een naam is van zekere plaats of landschap.

2 Dat zij krijg voerden met Bera, koning van Sodom, en met Birsa, koning van Gomorra, Sinab, koning van Adama, en Semeber, koning van Zeboim, en den koning van Bela, dat is Zoar.123

  1. Dat zij krijg voerden Dit is de eerste oorlog in de Heilige Schrift duidelijk vermeld. Men vindt in geen andere historiën der wereld van enigen oorlog gewag gemaakt, die zo oud is als deze.
  2. Sodom, Gomórra, Adama, Zebóïm, Zoar Deze vijf steden, die hier met oorlogen worden gestraft, zijn [ Zoar uitgenomen] niet lang daarna, van wege haar ondragelijke goddeloosheid, met vuur en sulfer uit den hemel verteerd.
  3. dat is Zoar Zie boven Gen 13:10.

3 Deze allen voegden zich samen in het dal Siddim, dat is de Zoutzee.12

  1. in Anders na, of tot. Dit was de laagte, waarin de voormelde steden gelegen waren.
  2. de Zoutzee Na den ondergang dezer steden aldus genoemd, omdat die landstreek [waarin veel zout- of brakke lijmputten waren, vs.10], geworden is tot een groten stinkenden poel, ook genoemd Lacus Asphaltites. Dat is, de Pek-, of Lijm-zee, als ook de Dode-zee, omdat daarin geen dier levend kon blijven.

4 Twaalf jaren hadden zij Kedor-laomer gediend; maar in het dertiende jaar vielen zij af.12

  1. gediend; Zijnde door hem door een voorgaanden krijg, zoals het schijnt, zover bemachtigd, dat zij hem tribuut moesten geven.
  2. in het Hebr. dertien jaren, dat is, dertiende jaar, en zo ook in het volgende vs. veertien, voor het veertiende.

5 Zo kwam Kedor-laomer in het veertiende jaar, en de koningen, die met hem waren, en sloegen de Refaieten in Asteroth-karnaim, en de Zuzieten in Ham, en de Emieten in Schave-kiriathaim;1234

  1. de Refaïm Een volk, afkomstig van Kanaän. Zie onder Gen 15:20. Anders, Reuzen; men meent dat dezen zo genoemd zijn, om hun gezonde kracht en sterkte.
  2. in Asteroth-Karnáïm, Een stad over de Jordaan, ook alleen Asteroth genaamd: Deu 1:4; Jos 9:10, en Jos 13:31; haar toenaam is Karnaïm, welke zij schijnt te hebben van wege haar gelegenheid.
  3. de Emim Zeker volk, hetwelk men meent dat reuzen geweest zijn.
  4. Schave-Kiriatháïm Een stad van de Rubenieten, naderhand in Gilead gebouwd, eerst, zoals het schijnt, genaamd Schave. Zie onder vs.17; Num 32:17; Jos 13:19. Anders, in het effen land.

6 En de Horieten op hun gebergte Seir, tot aan het effen veld van Paran, hetwelk aan de woestijn is.12

  1. de Horieten Hebr. Chorieten, een volk, dat in Seïr woonde, gelijk ook Ezau, onder Gen 32:3, totdat de Edomieten of Ezaus nakomelingen hen van daar verdreven hebben, onder Gen 36:20; Deu 2:12, Deu 2:22.
  2. Paran, Dit is de naam van een stad, het gebergte en het omliggende land. Zie Num 13:3; Deu 33:2; 1Sa 25:1; Hab 3:3. Hiervan heeft de woestijn Paran haar naam; onder Gen 21:21; Num 10:12.

7 Daarna keerden zij wederom, en kwamen tot En-mispat, dat is Kades, en sloegen al het land der Amalekieten, en ook den Amoriet, die te Hazezon-thamar woonde.12345

  1. En-Mispat, Ten tijde van Mozes genoemd Kades, gelegen in de woestijn Sin. Zie Num 20:1, Num 20:14, Num 20:16, Num 20:22, onderscheiden, naar eniger gevoelen, van Kades Barnea; waarvan te zien is Num 32:8; Deu 1:19.
  2. land der Dat is, de inwoners van het land.
  3. Amalekieten, Een volk, afkomstig van Ezau, die dit land daarna bewoond hebben. Zie onder Gen 36:12.
  4. Emorieter, Een der volken afkomstig van Kanaän; zie boven Gen 10:16.
  5. Hárezon-Thamar Hebr. Chatsatson, daarna genoemd Engedi; zie Jos 15:62; 1Sa 24:1; 2Ch 20:2.

8 Toen toog de koning van Sodom uit, en de koning van Gomorra, en de koning van Adama, en de koning van Zeboim, en de koning van Bela, dat is Zoar; en zij stelden tegen hen slagorden in het dal Siddim,

9 Tegen Kedor-laomer, den koning van Elam, en Tideal, den koning der volken, en Amrafel, den koning van Sinear, en Arioch, den koning van Ellasar; vier koningen tegen vijf.

10 Het dal nu van Siddim was vol lijmputten; en de koningen van Sodom en Gomorra vluchtten, en vielen aldaar; en de overgeblevenen vluchtten naar het gebergte.12

  1. vol lijmputten; Hebr. putten putten. Aldus wordt een woord bij de Hebreën tweemaal gesteld, om de veelheid van enig ding uit te drukken, 2Ki 3:16; Jer 2:13.
  2. en vielen Een manier van spreken omtrent degenen, die omkomen in den slag, of anderszins, zie Jos 8:24-25; Jdg 8:10; Jdg 12:6; 1Ch 21:14. De vallenden worden hier gesteld tegen de overgeblevenen. Anders, vielen daar in, of daar heen.

11 En zij namen al de have van Sodom en Gomorra, en al hun spijze, en trokken weg.1

  1. have Zie boven Gen 12:5, en onder vs.16, 21.

12 Ook namen zij Lot, den zoon van Abrams broeder, en zijn have, en trokken weg; want hij woonde in Sodom.1

  1. want hij Namel. Lot; zie boven Gen 13:12.

13 Toen kwam er een, die ontkomen was, en boodschapte het aan Abram, den Hebreër, die woonachtig was aan de eikenbossen van Mamre, den Amoriet, broeder van Eskol, en broeder van Aner, welke Abrams bondgenoten waren.12

  1. eikenbossen Zie boven Gen 13:18.
  2. bondgenoten Hebr. Heeren des verbonds. Het woord BAAL betekent in het algemeen dengene, die wat heeft, of ook gebruikt, of die tot iets genegen is, enz. gelijk onder Gen 37:19, Heer der dromen, die veel dromen heeft; en Gen 49:23, Heeren der pijlen, die veel pijlen gebruiken; 2Ki 1:8. Heer van het haar, die veel van haar heeft; Pro 29:22. Heer der vergrimming, die tot gramschap genegen is. Alhier, Heeren des verbonds; zijn degenen die een verbond met elkander hebben gesloten.

14 Als Abram hoorde, dat zijn broeder gevangen was, zo wapende hij zijn onderwezenen, de ingeborenen van zijn huis, driehonderd en achttien, en hij jaagde hen na tot Dan toe.123

  1. broeder Dat is, zijn neef, zijns broeders Harans zoon; zie boven Gen 11:27.
  2. onderwezenen, Of, leerlingen. Het Hebr. woord betekent een, die van jongsaf in enig ding onderwezen is, zij in religie, krijgszaken, of in iets anders. Anders toegeëigenden van zijn huis.
  3. Dan toe Een stad aan den voet van het gebergte Libanon en de noordelijke grens van het land Palestina, tevoren genoemd Leschem, Jos 19:47, of Lais, Jdg 18:27.

15 En hij verdeelde zich tegen hen des nachts, hij en zijn knechten, en sloeg ze; en hij jaagde hen na tot Hoba toe, hetwelk is ter linkerhand van Damaskus.12

  1. hij en zijn knechten, Mitsgaders het volk van Aner, Eskol en Mamre, die als bondgenoten met hem uitgetogen waren. Zie vs.24.
  2. Damaskus Dit is de wijdvermaarde hoofdstad in Syrië. Zie Isa 7:8, Isa 17:1; Jer 49:25; Act 9:2.

16 En hij bracht alle have weder, en ook Lot zijn broeder en deszelfs have bracht hij weder, als ook de vrouwen, en het volk.

17 En de koning van Sodom toog uit, hem tegemoet ( nadat hij wedergekeerd was van het slaan van Kedor-laomer, en van de koningen, die met hem waren), tot het dal Schave, dat is, het dal des konings.12

  1. Schave, Zie boven vs.5.
  2. het dal Aldus genoemd van wege deze geschiedenis. Zie ook van dit dal, 2Sa 18:18.

18 En Melchizedek, koning van Salem, bracht voort brood en wijn; en hij was een priester des allerhoogsten Gods.123

  1. Melchizédek, Hebr. Melchitsedek, die een voorbeeld was op Christus. Zie Psa 110:4; Heb 7:1.
  2. Salem, Hebr. Schalem, daarna genoemd Jeruzalem.
  3. bracht Om Abram te vereren en zijn vermoeid heir te verversen, en niet om God daarmede offerande te doen. Want het Hebr. woord, dat hier staat, wordt nergens in de Heilige Schrift voor offeren gebruikt.

19 En hij zegende hem, en zeide: Gezegend zij Abram Gode, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit!12

  1. zegende hem, Als een priester des Allerhoogsten. Zie Heb 7:7.
  2. Gezegend Dat is, van den Heere begenadigd, en met allerlei weldaden naar ziel en lichaam begaafd.

20 En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft! En hij gaf hem de tiende van alles.12

  1. gezegend Dat is, geloofd en gedankt; gelijk boven Gen 9:26, onder Gen 24:27.
  2. gaf hem Abram gaf aan Melchizedek tienden. Zie Heb 7:4 enz., en vergelijk dit met het volgende vs.23.

21 En de koning van Sodom zeide tot Abram: Geef mij de zielen; maar neem de have voor u.1

  1. zielen; Hebr. de ziel, dat is, de mensen, of personen, of lieden. Zie boven Gen 12:5.

22 Doch Abram zeide tot den koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven tot den Heere, den allerhoogsten God, Die hemel en aarde bezit;1

  1. Ik heb Dat is, Ik heb gezworen met opgeheven hand. Zie deze manier van zweren ook Exo 6:7; Num 14:30; Deu 32:40; Eze 20:5-6; Rev 10:5-6.

23 Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat gij niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!1

  1. Zo ik Dit is een afgebroken rede, bij de Hebreën zeer gebruikelijk, waardoor zij de straf, die zij verdienen, zo zij vals zweren, plegen te verzwijgen, tonende daarmede dat zij generlei straf uitnemen, maar die overlaten aan het rechtvaardig oordeel van God. Versta dan hier: Wee mij, of God doe mij dit of dat, zo ik, enz. Zie onder Gen 26:29.

24 Het zij buiten mij; alleen wat de jongelingen verteerd hebben, en het deel dezer mannen, die met mij getogen zijn, Aner, Eskol en Mamre, laat die hun deel nemen!12

  1. Het zij Of, zonder mij, daar ik niets van het uwe zal nemen. Anderen vertalen: behalve alleen wat, enz. Zie dergelijke manier van spreken, onder Gen 41:16.
  2. laat Laat volgen niet alleen den jongelingen, wat zij van den roof der vijanden verteerd hebben, maar ook aan de drie mannen, wat zij daarvan nog voor hun deel zouden mogen eisen.

Chapter 15

1 Na deze dingen geschiedde het woord des Heeren tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.12

  1. in een Een soort der goddelijke openbaring, waardoor den mens, als hij niet slaapt, òf uitwendig van God iets voorkomt, òf in zijn geest opgetrokken wordt, om door denzelven inwendig te zien, of te verstaan hetgeen de Heere hem wil bekendmaken, Num 12:6-8, Num 24:4; Isa 1:1; Act 10:10-11. Het schijnt dat God in dit gezicht Abram ook uitwendig op zichtbare wijze verschenen is; zie vs.5 enz.
  2. Ik ben Deze woorden begrijpen de volheid aller gelukzaligheid, die God zijn kinderen in den Messias belooft en geeft, bestaande in de bescherming tegen alle kwaad, en toevoeging van alles goeds, hier aanvankelijk en hierna volmaaktelijk.

2 Toen zeide Abram: Heere, Heere! wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen heenga en de bezorger van mijn huis is deze Damaskener Eliëzer?12345

  1. wat zult Dat is, welke gave zal mij vermaken, zolang ik niet zie de vervulling uwer belofte, aangaande mijn zaad, waaruit de Messias zal voortkomen?
  2. daar ik Anders, ik ga toch zonder kinderen.
  3. bezorger van Hebr. de zoon der beloping, of, besturing, of, der bezorging van mijn huis. Dat is, de verzorger van mijn huis. Aldus wordt een zoon der vroomheid gezegd, 1Ki 1:52, voor een vroom man; aldus zonen der gevangenis, Ezr 4:1, voor degenen, die gevangen geweest waren; zonen der verdrukking, Pro 31:5, voor verdrukten; en Jer 48:45, zonen der beroerte, voor degenen die beroerte maken.
  4. deze Damaskener Hebr. Dammeseck, dat is, van Damaskus, of Damaskener. Dit is een afgebroken rede, die Abram vervolgt en ten einde brengt in het volgende vs.3.
  5. Eliëzer De naam des verzorgers van Abrams huis.

3 Voorts zeide Abram: Zie, mij hebt Gij geen zaad gegeven, en zie, de zoon van mijn huis zal mijn erfgenaam zijn!123

  1. zaad gegeven, Dat is zoon. Zie boven Gen 4:25.
  2. de zoon Dat is, mijn knecht, die in mijn huis geboren is, vergelijk boven Gen 14:14. Met deze manier van spreken worden de ingeboren knechten onderscheiden van de zonen des lichaams, of eigen kinderen, zoals Job 19:17; Pro 31:2; Jer 2:14.
  3. zal mijn erfgenaam zijn Hebr. zal mij erven, zo ook vs.4.

4 En ziet, het woord des Heeren was tot hem, zeggende: Deze zal uw erfgenaam niet zijn; maar die uit uw lijf voortkomen zal, die zal uw erfgenaam zijn.12

  1. Deze zal Nam. Eliëzer de Damaskener.
  2. uit uw Hebr. uit uw ingewand. Zie 2Sa 7:12; verg. onder Gen 35:11, en 2Ch 6:9.

5 Toen leidde Hij hem uit naar buiten, en zeide: Zie nu op naar den hemel, en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw zaad zijn!1234

  1. Hij Te weten, God.
  2. hem Nam. Abram.
  3. uit naar Buiten de tent.
  4. Zo zal Verg. boven Gen 13:16; 1Ki 4:20.

6 En hij geloofde in den Heere; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.123

  1. hij geloofde Niet dat Abram hier eerst begon te geloven, maar dat hij sterker werd in het geloof, zijn vlees overwinnende, en de grote belofte, die hem God. vs.1, 4,5, van zijn zaad en voornamelijk van den Messias gedaan had, tot troost en zaligheid van zijn ziel langs zo meer aannemende.
  2. Hij rekende Dat is, God heeft uit loutere genade, hem, die geen gerechtigheid had in zichzelven, om voor zijn gericht te bestaan, voor rechtvaardig geacht, door het geloof aan zijn belofte en den beloofden Middelaar; Rom 4:2-3, enz.
  3. tot Het woordje tot, wordt hier bijgevoegd uit Psa 106:31; Rom 4:3; Gal 3:6; Jam 2:23.

7 Voorts zeide Hij tot hem: Ik ben de Heere, Die u uitgeleid heb uit Ur der Chaldeen, om u dit land te geven, om dat erfelijk te bezitten.1

  1. uit Ur Zie boven Gen 11:31.

8 En hij zeide: Heere, Heere! waarbij zal ik weten, dat ik het erfelijk bezitten zal?1

  1. dat ik Abram, hoewel gelovende, begeert nochtans van God nader bericht en versterking gelijk ook andere gelovigen eertijds gedaan hebben; Jdg 6:27; 2Ki 20:8.

9 En Hij zeide tot hem: Neem Mij een driejarige vaars, en een driejarige geit, en een driejarigen ram, en een tortelduif, en een jonge duif.1

  1. Neem mij Het is opmerkelijk dat hier zulke beesten genomen worden, als in de offeranden meest gebruikt werden.

10 En hij bracht Hem deze alle, en hij deelde ze middendoor, en hij leide elks deel tegen het andere over; maar het gevogelte deelde hij niet.123

  1. hem deze Aan God, die tevoren, vs.9, gezegd had: Neem Mij, dat is, om aan Mij toe te brengen.
  2. hij deelde Zonder twijfel door God onderwezen zijnde.
  3. elks deel Hebr. den man zijns deels tegen over zijn naaste, of vriend; dat is, de stukken die tezamen behoorden, legde hij tegen elkander over, zoals de rechterzijde van de vaars tegen de linkerzijde, enz.

11 En het wild gevogelte kwam neder op het aas; maar Abram joeg het weg.1

  1. joeg het Met geblaas, naar de eigenschap van het Hebr. woord.

12 En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem.1

  1. duisternis Duisternis betekent dikwijls in de Heilige Schrift droefheid, ellende, tegenspoed, Psa 35:14 Psa 38:7, enz.

13 Toen zeide Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hunne niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaren.1234

  1. Weet voorzeker, Hebr. wetende zult gij weten.
  2. dat het Versta het land Kanaän, maar voornamelijk Egypte.
  3. hen dienen, De landzaten.
  4. vierhonderd Het getal van deze vier honderd jaren [volgens het eenvoudigste gevoelen], wordt hier in het groot, en niet in het volkomen gesteld; zijnde het even getal genomen, en het oneven nagelaten, gelijk dit dikmaals in zulke gezegden voorkomt, zoals Jdg 11:26, Jdg 20:46; 2Sa 5:4-5; 1Ki 15:25. Het volle getal is 430 jaren, Exo 12:41; Gal 3:17, waarvan het begin is de tijd des verbonds, dat God hier met Abram heeft gemaakt tot bevestiging zijner voorgaande beloften, zoals dit blijkt uit de woorden van Paulus, Gal 3:17. Het einde van het genoemd aantal jaren is de uitgang der kinderen Israëls uit Egypte, of de wetgeving. Anderen beginnen deze jaren van den uitgang van Abram uit Ur der Chaldeën, of uit Haran, òf van de geboorte van Izak, òf van dien tijd af dat Ismaël Izak bespotte, welke bespotting door Paulus een vervolging genoemd wordt, Gal 4:29.

14 Doch Ik zal het volk ook rechten, hetwelk zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote have.1

  1. rechten, Rechten is dikwijls zoveel als iemands zaak te beoordelen en uit te wijzen, òf tot zijn nadeel om hem te straffen, zoals hier en Psa 51:6, òf tot zijn voordeel om hem te beschermen, zoals onder Gen 30:6; Psa 7:9; Jer 5:28, Jer 22:16.

15 En gij zult tot uw vaderen gaan met vrede; gij zult in goeden ouderdom begraven worden.12

  1. gij zult tot Dat is, gij zult sterven naar het lichaam, maar naar de ziel vergaderd worden tot den staat van het andere leven; verg. onder Gen 25:8, Gen 25:17.
  2. goeden Hebr. in goede grijsheid. Een goede ouderdom bestaat eigenlijk niet alleen in de langheid des levens en het tijdelijk geluk, maar in het voorgaande leven, doorgebracht in Godvruchtigheid voor God, rechtvaardigheid jegens de mensen, matigheid en gerustheid bij zichzelven. Alzo onder Gen 25:8; Jdg 8:32; 1Ch 29:28.

16 En het vierde geslacht zal herwaarts wederkeren; want de ongerechtigheid der Amorieten is tot nog toe niet volkomen.123

  1. het vierde Anders, in het vierde geslacht zullen zij wederkeren, dat is, na het einde van vier honderd jaren; het leven des mensen in dien tijd op omtrent honderd jaren gerekend zijnde.
  2. der Amorieten En van andere boze natiën, die hieronder genoemd worden, vs.19-21. Alzo onder Gen 48:22; 1Ki 21:2; 2Ki 21:11.
  3. is tot nog Dewijl God dit land den Amorieten gegeven, en besloten had hen daaruit niet te verdelgen, eer zij zulks ten hoogste zouden verdiend hebben, zo heeft Hij hun dien tijd willen laten vervullen, en intussen de zijnen beproeven en oefenen; Jer 51:13; Mat 23:32.

17 En het geschiedde, dat de zon onderging en het duister werd, en ziet, daar was een rokende oven en vurige fakkel, die tussen die stukken doorging.123

  1. rokende Hebr. oven des rooks. De verdrukking des Israelietischen volks in Egypte wordt vergeleken bij een ijzeren oven. Deu 4:20; 1Ki 8:51; Jer 11:14.
  2. vurige Hebr. fakkel des vuurs; betekenende Gods tegenwoordigheid en de toekomstige verlossing uit de verdrukking. Zie Jdg 6:21; Isa 62:1; Zec 12:6.
  3. doorging God maakt hier zijn verbond met Abram op een bijzonder solemnele doch zeer vriendelijke wijze, gelijk de ene mens, vriend en bondgenoot, in dien tijd met den ander gewoon was te doen, te weten, door het slachten van beesten, en de verdeling der stukken, waar de bondgenoten midden door gingen, tot een teken, dat de verbreker van het verbond waardig was aldus in stukken gehouwen te worden. Zie Jer 34:18-19.

18 Ten zelfden dage maakte de Heere een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:1234

  1. maakte de Hebr. sneed, of, hieuw. Een manier van spreken genomen van het slachten der beesten, en de verdeling der stukken, vermeld vs.17.
  2. gegeven, Te weten, door mijn besloten voornemen en verklaarde belofte; boven hoofdstuk Gen 13:15, hoewel de uitvoering nog tot den tijd voornoemd, vs.13, moet uitgesteld worden.
  3. van de Hierdoor wordt verstaan de rivier Sichor, welke Egypte van Kanaän scheidt; Num 34:5; Jos 13:3; 1Ch 13:5. Anderen verstaan hier de rivier Nilus (de Nijl.)
  4. Frath Zie boven Gen 2:14, en de vervulling hiervan 2Sa 8:3, en 1Ki 4:21, 1Ki 9:21; 1Ch 18:3; 2Ch 9:26.

19 Den Keniet, en den Keniziet, en den Kadmoniet,1

  1. Den Kenieter, De opsomming der volken, die het land Kanaän vóór de Israëlieten bezeten hebben. Vergelijk dezelve met boven, Gen 10:15-16, enz. en met de aantekeningen aldaar.

20 En den Hethiet, en den Fereziet, en de Refaieten,1

  1. Refaïm Zie van dezen boven Gen 14:15.

21 En den Amoriet, en den Kanaäniet, en den Girgaziet, en den Jebusiet.

Chapter 16

1 Doch Sarai, Abrams huisvrouw, baarde hem niet; en zij had een Egyptische dienstmaagd, welker naam was Hagar.

2 Zo zeide Sarai tot Abram: Zie toch, de Heere heeft mij toegesloten, dat ik niet bare; ga toch in tot mijn dienstmaagd, misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram hoorde naar de stem van Sarai.12345

  1. toegesloten, Dat is, onvruchtbaar gemaakt. Verg. onder, hoofdstuk Gen 20:18.
  2. ga toch Zie boven Gen 6:4; zo ook onder vs.4. Sarai aan eigen lijfsvrucht wanhopende, en nochtans naar het beloofde zaad hartelijk verlangende, vergeet zichzelve zover, dat zij, zonder God te vragen, haar man raadt door dit middel, dat wel in dien tijd algemeen, maar tegen de eerste instelling des huwelijks strijdig was, de vervulling van Gods belofte te verzoeken.
  3. misschien Zo deed dan Sarai dit om te beproeven of Abram uit Hagar een zoon zou bekomen, dien zij voor haar eigen mocht houden, als uit hare maagd in haar huis haar geboren. Zie onder Gen 30:3; Exo 21:4.
  4. gebouwd De manier van spreken, bouwen, of het huis bouwen, vindt men ook onder, Gen 30:3; Rth 4:11; Deu 25:9; zij betekent het geslacht onderhouden en uitbreiden.
  5. Abram hoord Abram, zonder God, wiens belofte dit aanging, eens te vragen, laat zich van Sarai, niet door onkuisen lust, maar om de redenen die zij voortbracht, en die hem mede ter harte gingen, overreden; te meer, omdat het hem nog verborgen was, of het beloofde zaad hem uit Sarai, of uit een andere zou geboren worden.

3 Zo nam Sarai, Abrams huisvrouw, de Egyptische Hagar, haar dienstmaagd, ten einde van tien jaren, welke Abram in het land Kanaän gewoond had, en zij gaf haar aan Abram, haar man, hem tot een vrouw.123

  1. ten einde Te weten, nadat hij uit Haran gescheiden, en in het land Kanaän gekomen was.
  2. zij gaf Misbruikende de macht [die zij overigens had] over haar dienstmaagd en het lichaam van haar man, 1Co 7:4.
  3. hem tot Versta, ene vrouw, zijnde van minder waardigheid dan de eerste, daar Hagar dienstmaagd en onder het gebied van haar vrouwe Sarai bleef, vs.4, 8,9. Zie voorts van dusdanige bijvrouwen onder Gen 25:6, en Gen 30:3, Gen 30:9. Omtrent de geestelijke beduiding van dit huwelijk, zie Gal 4:22, enz.

4 En hij ging in tot Hagar, en zij ontving. Als zij nu zag, dat zij ontvangen had, zo werd haar vrouw veracht in haar ogen.1

  1. veracht in Hebr. licht, dat is, klein geacht.

5 Toen zeide Sarai tot Abram: Mijn ongelijk is op u; ik heb mijn dienstmaagd in uw schoot gegeven; nu zij ziet, dat zij ontvangen heeft, zo ben ik veracht in haar ogen; de Heere rechte tussen mij en tussen u!123

  1. Mijn ongelijk Dat is, het ongelijk, dat mij wordt aangedaan. Dit heeft Sarai gesproken uit ongeduld.
  2. is op u; Of, om u, om uwentwille, het is u toe te rekenen, omdat gij wel merkt dat Hagar mij versmaadt, en gij haar daarover niet bestraft.
  3. HEERE Uit zwakheid beveelt zij de zaad aan Gods oordeel, mits Hij straffe dengene die ongelijk heeft, zo hij daarin niet voorziet. Vergelijk 1Sa 24:13, 1Sa 24:16.

6 En Abram zeide tot Sarai: Zie uw dienstmaagd is in uw hand; doe haar, wat goed is in uw ogen. En Sarai vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht.1

  1. in uw hand Dat is, in uw geweld, onder uw gebied of macht, gelijk ook, Gen 24:10, en hoofdstuk Gen 39:4, Gen 39:6, Gen 39:8; Num 31:49; Jos 9:25; 1Sa 14:48; 2Ki 8:20. Abram wil zeggen: Ofschoon ik haar tot een tweede vrouw genomen heb, zo heb ik haar nochtans aan uw gebied niet onttrokken; daarom, zo zij misdoet, gebruik uw recht, als over ene die onder u staat.

7 En de Engel des Heeren vond haar aan een waterfontein in de woestijn, aan de fontein op den weg van Sur.123

  1. de engel Dat is, het hoofd der engelen, de Heere Christus, die daarom ook HEERE genoemd wordt, vs.13, en Gen 18:26, Gen 18:33; Jdg 6:14, en Jdg 13:19, Jdg 13:22.
  2. vond haar Dit woordje drukt uit het wakende oog des Heeren over deze dwalende en bedroefde Hagar.
  3. Sur Hebr. Schur. Vanwaar men ging naar Egypte, waarvan zij was; zie onder Gen 25:18; Exo 15:22; en 1Sa 15:7.

8 En hij zeide: Hagar, gij, dienstmaagd van Sarai! van waar komt gij, en waar zult gij heengaan? En zij zeide: Ik ben vluchtende van het aangezicht mijner vrouw Sarai!

9 Toen zeide de Engel des Heeren tot haar: Keer weder tot uw vrouw, en verneder u onder haar handen.

10 Voorts zeide de Engel des Heeren tot haar: Ik zal uw zaad grotelijks vermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden.12

  1. Ik zal uw Hier wordt den engel een Goddelijk werk toegeschreven, waaruit men verstaan kan, dat hij niet een schepsel, maar de Schepper zelf is.
  2. grotelijks Hebr. vermenigvuldigende vermenigvuldigen. Deze lichamelijke zegen is te onderscheiden van den geestelijken, welke bleef bij het zaad der belofte.

11 Ook zeide des Heeren Engel tot haar: Zie, gij zijt zwanger, en zult een zoon baren, en gij zult zijn naam Ismaël noemen, omdat de Heere uw verdrukking aangehoord heeft.1

  1. uw verdrukking Hebr. naar uw ellende gehoord heeft.

12 En hij zal een woudezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem; en hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broederen.123

  1. woudezel Dat is een wild, woest mens, gelijk een wilde of woudezel, daaronder begrepen dat hij zou zijn een onversaagd en vreeslijk krijgsman. Zie onder, hoofdstuk Gen 21:20.
  2. zijn hand zal Dat is, tot vechten en oorlogen zal hij ieder tergen, en zal ook daarom door anderen getergd worden. Versta dit niet alleen van zijn persoon, maar ook van zijn nakomelingen.
  3. en hij zal wonen De zin is, dat hij de grenzen zijner woning wijd en breed zou uitspreiden, tot onder zijn maagschap, die hij niet zou vrezen, maar haar stoutelijk het aangezicht bieden. Zie onder, Gen 25:18.

13 En zij noemde den Naam des Heeren, Die tot haar sprak: Gij, God des aanziens! want zij zeide: Heb ik ook hier gezien naar Dien, Die mij aanziet?123

  1. naam des HEEREN, Hier wordt de voornoemde engel uitdrukkelijk JHWH, de HEERE, genoemd. Verg. boven vs.7.
  2. Gij God Dat is, die alle dingen ziet, en mij nu ook in deze mijn zware ellende ten goede aangezien hebt, mij op den rechten weg helpende en vertroostende.
  3. Heb ik ook Dat is, is het geen wonder, dat ik hier nu nog het licht aanschouw, en in het leven ben, nadat Hij mij verschenen is, die naar mij in dezen mijn bedrukten staat omgezien heeft? Zij meende dat zij sterven zou, omdat zij den Heere gezien had. Verg. onder Gen 32:30; Exo 24:11; Jdg 13:22.

14 Daarom noemde men dien put, den put Lachai-roi; ziet, hij is tussen Kades en tussen Bered.12

  1. Lachai-Róï; Dat is, des levenden die mij ziet. Zij noemde den put naar zichzelve, omdat zij in het leven gebleven was, nadat zij den Heere gezien had; en ook naar den Heere, omdat Hij haar gunstig aangezien had; doch anderen menen dat beide benamingen op God zien, die leeft en alles ziet.
  2. Kades Zie boven Gen 14:7, en de aant.

15 En Hagar baarde Abram een zoon; en Abram noemde den naam zijns zoons, die Hagar gebaard had, Ismaël.1

  1. Ismaël. Ontwijfelbaar door Hagar onderricht zijnde, dat God den naam van het kind aldus genoemd had; zie vs.11.

16 En Abram was zes en tachtig jaren oud, toen Hagar Ismaël aan Abram baarde.1

  1. was zes en tachtig Hebr. een zoon van tachtig jaren en zes jaren, alzo in het eerste Gen 17:1, van het volgende hoofdstuk.

Chapter 17

1 Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen de Heere aan Abram, en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht!1234

  1. negen en negentig Hebr. een zoon van negentig jaar en negen jaren. Dit was het vijf en twintigste jaar ndat hij de belofte van de vermenigvuldiging zijns zaads in Haran ontvangen had; boven Gen 12:2-4.
  2. God de Almachtige Dat is, die niet alleen sterk en vermogend ben, om u tegen alle kwaad te bewaren, maar ook genoegzaam, om u met alle goederen naar lichaam en ziel te verzorgen; als zijnde een God, die de genoegzaamheid in mijzelven eeuwiglijk en onveranderlijk tot mijn bondgenoot aanneem.
  3. voor mijn Zonder geveinsdheid en met een oprecht hart Mij vertrouwende, en Mij als in mijne tegenwoordigheid vrezende; alzo onder Gen 24:40; verg. boven Gen 5:22, Gen 5:24.
  4. oprecht Zie boven Gen 6:9.

2 En Ik zal Mijn verbond stellen tussen Mij en tussen u, en Ik zal u gans zeer vermenigvuldigen.12

  1. stellen Dat is, vernieuwen, en met een heilig sacrament bevestigen; zie vs.10.
  2. gans Hebr. in zeer zeer.

3 Toen viel Abram op zijn aangezicht, en God sprak met hem, zeggende:1

  1. viel Abram Betuigende daarmede niet alleen zijn nietigheid en onwaardigheid, maar ook zijn eerbiedig en dankbaar hart jegens den almachigen en genadigen God; alzo onder vs.17; Lev 9:24; Eze 43:3.

4 Mij aangaande, zie, Mijn verbond is met u; en gij zult tot een vader van menigte der volken worden!1

  1. vader van Niet alleen naar het vlees, als der Israëlieten, Ismaëlieten, Idumeërs, Kethureërs, maar inzonderheid naar den geest, als van alle ware gelovigen door de ganse wereld, van welk geslacht en welke natie zij ook mogen zijn; Rom 4:16-17; verg. boven Gen 12:2, en de aantekening daarop.

5 En uw naam zal niet meer genoemd worden Abram; maar uw naam zal wezen Abraham; want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte der volken.1

  1. Abraham In dezen naam Abraham is de letter h ingevoegd, zijnde de eerste van het woord, Hamon, dat God hier gebruikt, betekende menigte of veelheid. Dit is de eerste naam, dien God veranderd heeft; en hiervan is het gebruik gekomen, dat men de namen bij de besnijdenis heeft gegeven.

6 En Ik zal u gans zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen.1

  1. tot volken Zie boven op vs.4.

7 En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.123

  1. oprichten Of, bevestigen.
  2. eeuwig Eeuwig voor alle gelovigen in Christus, ten aanzien van het lichamelijke, mitsgaders de gevolgen daarvan, en in het bijzonder dit sacrament der besnijdenis.
  3. God, en Dat is, tot uw Zaligmaker, door den toekomstigen Messias. Deze manier van spreken begrijpt de goederen, die dit verbond der genade medebrengt. Zie Lev 26:12; Psa 33:12, en Psa 144:15; Jer 31:33.

8 En Ik zal u, en uw zaad na u, het land uwer vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn.12

  1. land uwer Waarin gij als vreemdeling gekomen zijt, gereisd hebt, en nog verkeert en verkeren zult. Zie onder, Gen 28:4, en Gen 36:7, en Gen 37:1. Het woord staat in het getal van velen, om aan te wijzen de gedurigheid en lengte van den tijd, waarin hij daar vreemdeling zou wezen.
  2. eeuwige Hebr. tot bezitting der eeuwigheid. Zie vs.7.

9 Voorts zeide God tot Abraham: Gij nu zult Mijn verbond houden, gij, en uw zaad na u, in hun geslachten.1

  1. Gij nu Dat is, wat u aangaat, of van uw zijde. Nadat God zijn beloften gegeven had, zo eist Hij ook den plicht van zijn volk, zijnde het andere deel des verbonds. Vergelijk dit met vs.4.

10 Dit is Mijn verbond, dat gijlieden houden zult tussen Mij, en tussen u, en tussen uw zaad na u: dat al wat mannelijk is, u besneden worde.12

  1. mijn verbond, Dat is, het teken en zegel mijns verbonds, gelijk vs.11 wordt verklaard; zie Rom 4:11. Deze manier van spreken, waardoor het teken den naam draagt van de betekenende zaak, wordt in de sacramenten menigmalen gebruikt, niet alleen om de geestelijke weldaden ons te beduiden en te verklaren, maar ook aan elken bondgenoot te verzegelen. Verg. hiermede Exo 12:11; Mat 26:17; Act 22:16; 1Co 10:6, 1Co 11:24-25; Tit 3:5.
  2. mannelijk is Gelijk de natuurlijke onreinheid der vrouwen met de mannen gemeen was, zo behoorde ook haar de belofte der genade; niettemin heeft God een sacrament ingesteld, hetwelk alleen aan het mannelijk geslacht kon bediend worden, omdat de mannen de voornaamste oorzaak zijn van de geboorte, en, door de voortplanting, ook der natuurlijke onreinheid. Dit was genoeg voor dien tijd, totdat de Messias komende, een ander teken voor beiderlei geslacht instellen zou. Dat evenwel de vrouwen mede onder het verbond begrepen zijn, blijkt onder Gen 34:14; Exo 12:3-4; Joe 2:15-16.

11 En gij zult het vlees uwer voorhuid besnijden; en dat zal tot een teken zijn van het verbond tussen Mij en tussen u.12

  1. vlees Van de manier der besnijdenis, zie Jos 5:2-3.
  2. teken Hier spreekt God van de besnijdenis eigenlijk; want zij was eigenlijk een teken des verbonds, en niet het verbond zelf, gelijk Hij ook aldus spreek van de andere sacramenten als van het pascha, Exo 13:9 : van den heiligen doop, Mat 3:11; van het heilige avondmaal, 1Co 11:28.

12 Een zoontje dan van acht dagen zal u besneden worden, al wat mannelijk is in uw geslachten: de ingeborene van het huis, en de gekochte met geld van allen vreemde, welke niet is van uw zaad;123

  1. de ingeborene Zie boven, Gen 14:14, en Gen 15:3.
  2. de gekochte Hebr. verkrijging of koping des gelds, dat is, met geld verkregen of gekocht.
  3. vreemden, Hebr. zoon des vreemden.

13 De ingeborene van uw huis, en de gekochte met uw geld zal zekerlijk besneden worden; en Mijn verbond zal zijn in ulieder vlees, tot een eeuwig verbond.12

  1. zekerlijk Hebr. besnijdende besneden worden.
  2. eeuwig Zie vs.7.

14 En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vlees niet zal besneden worden, dezelve ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden; hij heeft Mijn verbond gebroken.123

  1. wiens Welverstaande, desgenen, die, bejaard zijnde, de besnijdenis door ongeloof of verachting zou nalaten, of die de nalating van zijn ouders aan hem begaan, niet zou verbeteren, mits de besnijdenis te ontvangen. Anders, die het vlees der voorhuid niet zal besnijden.
  2. dezelve Dat is, de mens zal uit de gemeenschap van Gods volk gebannen zijn. Deze manier van spreken begrijpt ook, volgens sommiger gevoelen, een lijfstraf, door de overheid uit te voeren. Verg. Exo 31:14, en Lev 17:4.
  3. mijn verbond Zie 1Co 11:27, 1Co 11:29.

15 Nog zeide God tot Abraham: Gij zult den naam van uw huisvrouw Sarai, niet Sarai noemen; maar haar naam zal zijn Sara.1

  1. Sara Gelijk de naam Abram veranderd is in Abraham, door invoeging van de letter h, alzo wordt de naam Sarai veranderd door verwisseling van de letter i in h op het einde. Sarai betekent, naar sommiger gevoelen, mijne prinses, doch eigenlijk: mijne prinsen; Sarah Sara betekent absolutelijk een prinses, waarvan de reden in het volgende vs.16, wordt verhaald.

16 Want Ik zal haar zegenen, en u ook uit haar een zoon geven; ja, Ik zal haar zegenen, zodat zij tot volken worden zal: koningen der volken zullen uit haar worden!1

  1. zegenen, Zie boven Gen 1:28.

17 Toen viel Abraham op zijn aangezicht, en hij lachte; en hij zeide in zijn hart: Zal een, die honderd jaren oud is, een kind geboren worden; en zal Sara, die negentig jaren oud is, baren?1234

  1. viel Abraham Zie boven vs.3.
  2. lachte; Te weten, niet uit twijfeling, gelijk Sara, onder Gen 18:12, maar uit verwondering en blijdschap, sterk in het geloof zijnde, en ten volle vertrouwende, dat God, hetgeen Hij beloofd had, kon en zou volbrengen. Zie Rom 4:19-21.
  3. die honderd Hebr. een zoon van honderd jaar.
  4. die negentig Hebr. een dochter van negentig jaar.

18 En Abraham zeide tot God: Och, dat Ismaël mocht leven voor Uw aangezicht!1

  1. Och, Abraham wenste dat Ismaël niet geheel van God mocht verlaten worden, maar dat God zijn ogen over hem wilde houden, om hem te beschermen en te zegenen.

19 En God zeide: Voorwaar, Sara, uw huisvrouw, zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam noemen Izak; en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten, tot een eeuwig verbond zijn zade na hem.12

  1. Izak; Hebr. Jitschak. God geeft hem dezen naam van wege zijns vaders lachen. Zie vs.17.
  2. eeuwig verbond Zie boven vs.7.

20 En aangaande Ismaël heb Ik u verhoord; zie, Ik heb hem gezegend, en zal hem vruchtbaar maken, en hem gans zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij gewinnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen;1

  1. twaalf Zie de namen dezer vorsten onder Gen 25:13-14, Gen 25:16.

21 Maar Mijn verbond zal Ik met Izak oprichten, die u Sara op dezen gezetten tijd in het andere jaar baren zal.12

  1. mijn verbond Merk op dit onderscheid: aan Ismaël worden lichamelijke goederen beloofd, maar Izak het verbond, begrijpende niet alleen lichamelijken, maar ook geestelijken zegen.
  2. andere jaar Dat is, het naastvolgende.

22 En Hij eindigde met hem te spreken, en God voer op van Abraham.1

  1. voer op Te weten, naar den hemel, in zulk een gedaante gelijk Hij hem verschenen was; boven vs.1.

23 Toen nam Abraham zijn zoon Ismaël, en al de ingeborenen van zijn huis, en alle gekochten met zijn geld, al wat mannelijk was onder de lieden van het huis van Abraham, en hij besneed het vlees hunner voorhuid, even ten zelfden dage, gelijk als God met hem gesproken had.

24 En Abraham was oud negen en negentig jaren, als hem het vlees zijner voorhuid besneden werd.1

  1. oud negen Hebr. een zoon van negen en negentig jaar. Alzo in het volgende vs.

25 En Ismaël, zijn zoon, was dertien jaren oud, als hem het vlees zijner voorhuid besneden werd.

26 Even op dezen zelfden dag werd Abraham besneden, en Ismaël, zijn zoon.1

  1. op dezen Op welken God Abraham het bevel der besnijdenis heeft gegeven, zodat hij geen uitstel heeft genomen. Verg. boven vs.23.

27 En alle mannen van zijn huis, de ingeborenen des huizes, en de gekochten met geld, van den vreemde af, werden met hem besneden.1

  1. van den Hebr. van met den zoon des vreemden. De zin is, dat niet alleen de ingeborene van Abrahams huis en de gekochte besneden werden, maar ook de vreemden, die hem dienden, niet ingeboren noch gekocht zijnde. Anders, van den vreemden [te weten, zijnde] niet van Abrahams geslacht. Anders van den vreemden gekocht. Hebr. van den zoon, of kind eens vreemden, gelijk elders.

Chapter 18

1 Daarna verscheen hem de Heere aan de eikenbossen van Mamre, als hij in de deur der tent zat, toen de dag heet werd.12

  1. hem de HEERE Namel, Abraham.
  2. eikenbossen Zie boven, hoofdstuk. Gen 13:18. Hier had Abraham zijn woonstede gekozen, nadat Lot van hem gescheiden was; boven Gen 13:18.

2 En hij hief zijn ogen op en zag; en ziet, daar stonden drie mannen tegenover hem; als hij hen zag, zo liep hij hun tegemoet van de deur der tent, en boog zich ter aarde.12

  1. mannen In gedaante en naar de mening van Abraham; maar in waarheid twee engelen en de derde de HEERE zelf, die voor den tijd van dit gezantschap met menselijke lichamen zich vertoonden; met welke zij gingen, zaten, spraken en aten; zie Heb 13:2. Dat de een de HEERE God was, blijkt hier vs.1, en uit het vervolg van deze historie.
  2. boog zich Te weten, om politieke en burgerlijke eer te bewijzen. Alzo onder Gen 23:7, 12; 1Sa 25:24; 2Sa 14:4; 1Ki 1:23; Est 3:2.

3 En hij zeide: Heere! heb ik nu genade gevonden in Uw ogen, zo gaat toch niet aan Uw knecht voorbij.123

  1. Heere Anders, mijne heren.
  2. heb ik nu Dat is, zo gij mij waardig acht deze gunst, eer en vriendschap. Bij de mensen genade te vinden is hun gunst, toegenegenheid en vriendschap te bekomen. Zie onder Gen 32:5, en Gen 34:11, en Gen 39:4, enz.
  3. uw ogen, Abraham spreekt een van hen aan, die de aanzienlijkste was, en dien hij naderhand bevond de HEERE te zijn.

4 Dat toch een weinig waters gebracht worde, en wast Uw voeten, en leunt onder dezen boom.123

  1. gebracht worde, Hebr. genomen. Zie boven Gen 15:9-10.
  2. wast uw Naar het gebruik in die landen, om de voeten te wassen en te verfrissen, daar men om de hitte daar met aangebonden zolen of barvoets ging. Zie onder Gen 19:2, en Gen 24:32, en Gen 43:24; Joh 13:4-5.
  3. leunt onder Dat is, rust.

5 En ik zal een bete broods langen, dat Gij Uw hart sterkt; daarna zult Gij voortgaan, daarom omdat Gij tot Uw knecht overgekomen zijt. En zij zeiden: Doe zo als gij gesproken hebt.123

  1. broods langen, De Hebreën noemen brood allerlei spijs, 1Sa 14:24; Mat 6:11, Mat 15:2; Luk 14:1, Luk 14:15. Verg. boven Gen 3:19.
  2. hart sterkt; Zie deze manier van spreken, Jdg 19:5; Psa 104:15; 1Ki 13:7. Sterken, is hier verkwikken en voeden, wat het brood doet, Psa 104:15; niet uit zichzelf, maar door den zegen Gods; Deu 8:3; Mat 4:4.
  3. daarom Anders, want gij daarom, enz. Niet dat hij meende, dat dit hun voornemen geweest was, maar dat God hen door zijn voorzienigheid daarom derwaarts geleid had. Zie onder, Gen 33:10.

6 En Abraham haastte zich naar de tent tot Sara, en hij zeide: Haast u; kneed drie maten meelbloem, en maak koeken.12

  1. maten Hebr. Seïm. Een zekere maat van droge waren, houdende 144 henne-eierschalen , het derde deel van een efa. Zie van deze maat ook Exo 16:36.
  2. koeken Het Hebr. woord betekent koeken, die op een heten haard onder of op kolen of in hete as gebakken worden. Zie Exo 12:39; Num 11:8; 1Ki 17:3, 1Ki 19:6.

7 En Abraham liep tot de runderen, en hij nam een kalf, teder en goed, en hij gaf het aan den knecht, die haastte, om dat toe te maken.1

  1. kalf, Hebr. een zoon van een rund. Dat is, een kalf of een jong rund.

8 En hij nam boter en melk, en het kalf, dat hij toegemaakt had, en hij zette het hun voor, en stond bij hen onder dien boom, en zij aten.123

  1. voor, Hebr. voor hun aangezicht.
  2. stond bij Om hen te dienen.
  3. aten Zie boven vs.2.

9 Toen zeiden zij tot hem: Waar is Sara, uw huisvrouw? En hij zeide: Ziet, in de tent.12

  1. Waar is Niet alsof zij het niet wisten, maar om gelegenheid te nemen van te komen tot de volgende handeling.
  2. tent Abraham wijst op de tent van zijn huisvrouw, gelijk blijkt uit het volgende vs.10, want de huisvaders en de huismoeders hebben elk hun bijzondere tenten gehad; onder Gen 23:2, en Gen 24:67, en Gen 31:33.

10 En Hij zeide: Ik zal voorzeker weder tot u komen, omtrent dezen tijd des levens; en zie, Sara, uw huisvrouw, zal een zoon hebben! En Sara hoorde het aan de deur der tent, welke achter Hem was.1234

  1. hij zeide De HEERE.
  2. weder Hebr. wederkomende wederkomen. Deze wederkomst moet men niet juist verstaan van zulk een verschijning gelijk deze was, maar van de vervulling dezer belofte, genoemd een bezoeking, hoofdstuk Gen 21:1.
  3. omtrent dezen Dat is, in het volgende jaar, omtrent dezen tijd van het leven der mensen. Anders, als deze tijd zal leven, of levend zijn. Zie dezelfde manier van spreken in dit hoofdstuk vs.14; 2Ki 4:16.
  4. achter hem Achter dengene, die sprak; of achter Abraham, die daar stonder

11 Abraham nu en Sara waren oud, en wel bedaagd; het had Sara opgehouden te gaan naar de wijze der vrouwen.123

  1. wel bedaagd Hebr. gaande in dagen. Deze manier van spreken vindt men ook onder Gen 24:1; Jos 13:1, en Jos 23:1; 1Ki 1:1; Luk 1:7, Luk 1:18.
  2. te gaan Hebr. te zijn.
  3. naar de Of, naar de gewoonte. Hebr. naar den weg, gang, of pad. Zo is bij de Hebreën weg voor wijze of gewoonte gesteld. Alzo onder Gen 19:31, en Gen 31:35.

12 Zo lachte Sara bij zichzelve, zeggende: Zal ik wellust hebben, nadat ik oud geworden ben, en mijn heer oud is?12

  1. Zo lachte Niet uit geloof, gelijk tevoren Abraham, maar uit zwakheid, ziende meer op de natuur, dan op Gods macht.
  2. bij zichzelve, Hebr. in haar midden.

13 En de Heere zeide tot Abraham: Waarom heeft Sara gelachen, zeggende: Zou ik ook waarlijk baren, nu ik oud geworden ben?1

  1. de HEERE Merk op dat Hij, die tot nog toe het woord gevoerd heeft en vs.2 een man genoemd wordt, hier JHWH, de HEERE genoemd wordt.

14 Zou iets voor den Heere te wonderlijk zijn? Ter gezetter tijd zal Ik tot u wederkomen, omtrent dezen tijd des levens, en Sara zal een zoon hebben!12

  1. Zou iets Te weten, om te volbrengen wat Hij beloofd heeft? Anders, zou enig ding verborgen zijn voor den HEERE? Namelijk dat Hij niet zou weten?
  2. omtrent dezen Zie boven, vs.10.

15 En Sara loochende het, zeggende: Ik heb niet gelachen; want zij vreesde. En Hij zeide: Neen! maar gij hebt gelachen.1

  1. zij vreesde Van wege de ontdekte zonde tegen God, schande bij de gasten en ondank bij haar man.

16 Toen stonden die mannen op van daar, en zagen naar Sodom toe; en Abraham ging met hen, om hen te geleiden.1

  1. om hen Uit beleefdheid. Zie van zulke gedienstigheid, Act 20:38, en Act 21:5; Rom 15:24; 1Co 16:11; Tit 3:13.

17 En de Heere zeide: Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe?1

  1. Zal ik Dat is, Ik zal het Abraham geenszins verbergen. Zie dergelijke manier van vragen, die stijf loochenen, 2Sa 7:5, verg. met 1Ch 17:4; Mat 7:16. Verg. met Luk 6:44. Zie ook Amo 3:7.

18 Dewijl Abraham gewisselijk tot een groot en machtig volk worden zal, en alle volken der aarde in hem gezegend zullen worden?12

  1. worden zal, Hebr. zijnde zijn zal.
  2. in hem Dat is, in zijn zaad Christus Jezus. Zie boven Gen 12:3, en Gen 22:18.

19 Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zoude bevelen, en zij den weg des Heeren houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat de Heere over Abraham brenge hetgeen Hij over hem gesproken heeft.1234

  1. hem gekend, Dat is, Ik heb hem uitverkoren, bezind en verzorgd als mijn eigendom. Alzo wordt het woord kennen genomen in verscheidene plaatsen, als Psa 1:6; Jer 1:5, en Jer 24:5; Hos 13:5; Amo 3:2; Joh 10:27; 2Ti 2:19.
  2. opdat hij Aldus worden de Hebreeuwse woordjes, die hier gebruikt zijn, genomen Lev 17:5; Deu 20:18, en Deu 27:3, enz.
  3. den weg Dat is, het voorschrift van Gods Woord, ons onderwijzende in al hetgeen ons geloof en onzen wandel aangaat. Zie Psa 51:15, enz.
  4. om te Een manier van spreken dikwijls in de Heilige Schrift gebruikt, betekende al wat goed en recht is, begrepen in de eerste en tweede tafel der wet, tot het privaat of publiek leven behorende. Verg. Psa 119:121.

20 Voorts zeide de Heere: Dewijl het geroep van Sodom en Gomorra groot is, en dewijl haar zonde zeer zwaar is,1

  1. het geroep Zie boven 4, op vs.10.

21 Zal Ik nu afgaan en bezien, of zij naar hun geroep, dat tot Mij gekomen is, het uiterste gedaan hebben, en zo niet, Ik zal het weten.1234

  1. afgaan Zie boven Gen 11:5.
  2. of zij God weet alles volkomenlijk van zichzelven, maar Hij spreekt hier menselijker wijze, als een, die niet wil straffen zonder onderzoek en volle kennis der zaken.
  3. hun geroep, Namelijk, der stad Sodom, of, naar het geroep desgenen, tot dat, enz.
  4. het uiterste Hebr. de voleinding gedaan, of, gemaakt. Dat is, de maat van hun zonden vervuld hebben. Zie boven Gen 15:16; 1Sa 20:7, 1Sa 20:9. Anders, of zij de uiterste verwoesting met hunne werken verdiend hebben.

22 Toen keerden die mannen het aangezicht van daar, en gingen naar Sodom; maar Abraham bleef nog staande voor het aangezicht des Heeren.1

  1. die mannen Versta de twee engelen; zie hoofdstuk Gen 19:1, want de HEERE bleef spreken met Abraham.

23 En Abraham trad toe, en zeide: Zult Gij ook den rechtvaardige met den goddeloze ombrengen?

24 Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad; zult Gij hen ook ombrengen, en de plaats niet sparen, om de vijftig rechtvaardigen, die binnen haar zijn?

25 Het zij verre van U, zulk een ding te doen, te doden den rechtvaardige met den goddeloze! dat de rechtvaardige zij gelijk de goddeloze, verre zij het van U! zou de Rechter der ganse aarde geen recht doen?12

  1. Het zij Hebr. Het zij u verre van te doen naar deze zaak. Hieruit blijkt dat Abraham met de voorgaande vragen God geenszins heeft willen verdenken van onrechtvaardigheid of straf der onschuldigen, want hij wil God niet vermanen omtrent zijn officie, om hem aan te wijzen wat Hij doen moest, maar zichzelven verzekeren van Gods natuur, waardoor Hij niet anders dan recht doen Kon.
  2. de Rechter Hier kent Abraham dezen persoon, die met hem sprak, voor den Rechter der wereld, welke is de Heere Christus, Joh 5:22, Joh 5:27; Act 10:42, en Act 17:31.

26 Toen zeide de Heere: Zo Ik te Sodom binnen de stad vijftig rechtvaardigen zal vinden, zo zal Ik de ganse plaats sparen om hunnentwil.

27 En Abraham antwoordde en zeide: Zie toch; ik heb mij onderwonden te spreken tot den Heere, hoewel ik stof en as ben!1

  1. ik stof Te weten, naar het lichaam, ten aanzien van mijn oorsprong en einde in deze wereld. Zie boven Gen 3:19; Job 4:19; Ecc 12:7; 1Co 15:47-48; 2Co 5:1.

28 Misschien zullen aan de vijftig rechtvaardigen vijf ontbreken; zult Gij dan om vijf de ganse stad verderven? En Hij zeide: Ik zal haar niet verderven, zo Ik er vijf en veertig zal vinden.

29 En hij voer voort nog tot Hem te spreken, en zeide: Misschien zullen aldaar veertig gevonden worden! En Hij zeide: Ik zal het niet doen om der veertigen wil.1

  1. veertig gevonden Te weten, rechtvaardigen, en zo in het volgende vs.30.

30 Voorts zeide hij: Dat toch de Heere niet ontsteke, dat ik spreke; misschien zullen aldaar dertig gevonden worden! En Hij zeide: Ik zal het niet doen, zo Ik aldaar dertig zal vinden.1

  1. Dat toch Hebr. dat de Heere niet ontsteke. Te weten, zijn toornigheid. Zie boven Gen 4:5-6, en onder, vs.32, en Gen 31:36.

31 En hij zeide: Zie toch, ik heb mij onderwonden te spreken tot de Heere; misschien zullen er twintig gevonden worden! En Hij zeide: Ik zal haar niet verderven om der twintigen wil.

32 Nog zeide hij: Dat toch de Heere niet ontsteke, dat ik alleenlijk ditmaal spreke: misschien zullen er tien gevonden worden. En Hij zeide: Ik zal haar niet verderven om der tienen wil.1

  1. Nog zeide Merk in dit voorgaande gesprek eensdeels in Abraham een bijzondere vrijmoedigheid, vermengd met behoorlijke nederigheid en onderwerping in zijn ijverig voorbidden; anderdeels, in God een wonderlijke vriendelijkheid en verdraagzame goedertierenheid in het antwoorden; waardoor Hij Abraham volkomen bevredigd heeft aangaande de rechtvaardigheid van dit schrikkelijk oordeel, dat Hij over Sodom en Gomórra wilde laten gaan, omdat de maat van hun zonden geheel vol was.

33 Toen ging de Heere weg, als Hij geëindigd had tot Abraham te spreken; en Abraham keerde weder naar zijn plaats.

Chapter 19

1 En die twee engelen kwamen te Sodom in den avond; en Lot zat in de poort te Sodom; en als Lot hen zag, stond hij op hun tegemoet, en boog zich met het aangezicht ter aarde.12

  1. die twee Van welke boven Gen 18:22, gesproken wordt, waar zij mannen genoemd worden; gelijk onder, vs.5, enz. Het Hebr. woord betekent gezanten, of boden, gelijk ook het woord engelen, dat uit de Griekse taal genomen is.
  2. Lot zat Verg. boven Gen 18:1-2.

2 En hij zeide: Ziet nu, mijne heren! keert toch in ten huize van uw knecht, en vernacht, en wast uw voeten; en gij zult vroeg opstaan, en gaan uws weegs. En zij zeiden: Neen, maar wij zullen op de straat vernachten.12

  1. van uw Dat is, in mijn huis.
  2. op de straat Wel verstaande, ten ware Lot met hard aanhouden hen bewoog om bij hem te vernachten, gelijk geschied is. Verg. Luk 24:28-29.

3 En hij hield bij hen zeer aan, zodat zij tot hem inkeerden, en kwamen in zijn huis; en hij maakte hun een maaltijd, en bakte ongezuurde koeken, en zij aten.12

  1. ongezuurde Die eerder vaardig konden zijn, opdat zij zich te spoediger ter rust mochten begeven. Verg. boven Gen 13:2.
  2. zij aten Zie boven hoofdstuk Gen 18:2.

4 Eer zij zich te slapen leiden, zo hebben de mannen dier stad, de mannen van Sodom, van den jongste tot den oudste toe, dat huis omsingeld, het ganse volk, van het uiterste einde af.123

  1. te slapen Hebr. eer zij nederlagen, of, neder gelegen waren, te weten om te slapen; alzo onder Gen 28:13; Lev 14:47, en Lev 26:6, enz.
  2. van den Een overgegeven gruwzame moedwilligheid, waarin zij allen hebben samengespannen, jong en oud, van alle hoeken der stad, en dat wel in den nacht.
  3. van het uiterste Te weten, der stad. Versta, van het ene en het andere einde der stad.

5 En zij riepen Lot toe, en zeiden tot hem: Waar zijn die mannen, die deze nacht tot u gekomen zijn? breng hen uit tot ons, opdat wij ze bekennen.12

  1. riepen Zij schaamden zich niet hun eigen zonde en schande openbaar uit te roepen, en voor ieder man bekend te staan, Dezen Sodomietischen roem in het kwaad verwijt God den Israëlieten, Isa 3:9, waar Hij zegt: Hun zonden spreken zij vrijuit, gelijk Sodom, zij verbergen haar niet.
  2. opdat Wat gruwel zij door deze manier van spreken verstaan kan men uit het antwoord van Lot klaarlijk zien. Zie Lev 18:22, en Lev 20:13; Rom 1:26-27; 1Co 6:10; Jud 1:7.

6 Toen ging Lot uit tot hen aan de deur, en hij sloot de deur achter zich toe;

7 En hij zeide: Mijn broeders! doet toch geen kwaad!1

  1. broeders Aldus sprak Lot die boze mensen beleefdelijk aan, noemende hen broeders ten aanzien van de algemene broederschap der natuur; verg. boven Gen 9:5; onder Gen 29:4; Lev 19:17.

8 Ziet toch, ik heb twee dochters, die geen man bekend hebben; ik zal haar nu tot u uitbrengen, en doet haar, zoals het goed is in uw ogen; alleenlijk doet dezen mannen niets; want daarom zijn zij onder de schaduw mijns daks ingegaan.1234

  1. die geen Zie deze manier van spreken, onder Gen 24:16; Num 31:18; Jdg 11:39; Luk 1:34.
  2. doet haar Lot, een schrikkelijke zonde willende beletten, laat door menselijke verbaasdheid en radeloosheid een andere zonde toe, tegen zijn vaderlijken plicht en den regel; Rom 3:8.
  3. goed is Dat is, alzo het u wel gevalt en belieft. Zie deze manier van spreken onder Gen 20:15, en Gen 41:37; Num 24:1, enz.
  4. daarom Te weten, om vrij te zijn van alle schade en geweld. Onder iemands schaduw te komen, is zich onder zijn schut en scherm te begeven; verg. Jdg 9:15; Psa 36:8; Jer 48:45.

9 Toen zeiden zij: Kom verder aan! Voorts zeiden zij: Deze ene is gekomen, om als vreemdeling hier te wonen, en zoude hij alleszins rechter zijn? Nu zullen wij u meer kwaads doen, dan hun. En zij drongen zeer op den man, op Lot, en zij traden toe om de deur open te breken.12

  1. Kom verder Alsof zij hem bedreigden, zo zij hem in handen hadden kunnen krijgen.
  2. zou hij Hebr. zou hij rechten rechtende? of hij zou rechten rechtende. Zie de aant. boven, Gen 2:16. Verg. 2Pe 2:8.

10 Doch die mannen staken hun hand uit, en deden Lot tot zich inkomen in het huis, en sloten de deur toe.1

  1. die mannen Die twee engelen, Lots gasten.

11 En zij sloegen de mannen, die aan de deur van het huis waren, met verblindheden, van den kleinste tot aan den grootste, zodat zij moede werden, om de deur te vinden.12

  1. met verblindheden, Te weten, niet alleen des lichaams, maar ook des geestes. Deze mirakeleuze straf was niet zozeer in het gezicht der ogen, zodat zij gans niet konden zien, maar was meest in het oordeel des verstands, zodat zij niet konden onderscheiden hetgeen zij enigszins zagen. Zie iets dergelijks, 2Ki 6:18.
  2. zodat De deur met groten arbeid zoekende, en niet kunnende vinden, werden zij zo vermoeid, dat zij moesten ophouden en vertrekken.

12 Toen zeiden die mannen tot Lot: Wien hebt gij hier nog meer? een schoonzoon, of uw zonen, of uw dochteren, en allen, die gij hebt in deze stad, breng uit deze plaats;1

  1. die gij Anders, wat gij hebt, enz.

13 Want wij gaan deze plaats verderven, omdat haar geroep groot geworden is voor het aangezicht des Heeren, en de Heere ons uitgezonden heeft, om haar te verderven.123

  1. haar geroep Versta het geroep der inwoners van Sodom.
  2. groot Zie boven Gen 4:10, en Gen 18:20.
  3. voor het Alzo gekomen tot zijne kennis, dat Hij naar zijn gerechtigheid wraak daarover doen wilde. Want het aangezicht des Heeren is tegen degenen, die kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien, Psa 34:17.

14 Toen ging Lot uit, en sprak tot zijn schoonzonen, die zijn dochteren nemen zouden, en zeide: Maakt u op, gaat uit deze plaats; want de Heere gaat deze stad verderven. Maar hij was in de ogen zijner schoonzonen als jokkende.12

  1. nemen Dat is, trouwen. Alzo boven Gen 6:2, en onder Gen 24:3, en Gen 28:6, en Gen 34:9; Deu 7:3.
  2. als jokkende Een levend beeld van de zorgeloze en vleselijke mensen, ten tijde van nakende straffen. Zie Mat 24:38; Luk 17:28-29; 1Th 5:3.

15 En als de dageraad opging, drongen de engelen Lot aan, zeggende: Maak u op, neem uw huisvrouw, en uw twee dochteren, die voorhanden zijn, opdat gij in de ongerechtigheid dezer stad niet omkomt.12

  1. die voorhanden Hebr. die gevonden worden. Hieruit leiden enigen af, dat Lot meer dochters gehad heeft, die bij haar mannen in Sodom gebleven en vergaan zijn.
  2. in de Of, in de straf der ongerechtigheid. Zie boven Gen 4:13.

16 Maar hij vertoefde; zo grepen dan die mannen zijn hand, en de hand zijner vrouw, en de hand zijner twee dochteren, om de verschoning des Heeren over hem; en zij brachten hem uit, en stelden hem buiten de stad.12

  1. vertoefde; Zonder twijfel belet zijnde door menigerlei vleselijke gedachten en bekommeringen.
  2. verschoning Die Lot bekent, onder vs.19.

17 En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zeide Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze ganse vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat gij niet omkomt.123

  1. hij Te weten, de Heere, die bij Abraham was blijven staan; boven Gen 18:22, en later van hem weggegaan, vs.33. Hoewel enigen menen dat het een van de engelen geweest is, die Lot verschenen waren.
  2. Behoud Of, ontkomt, aldus in het volgende.
  3. levens Hebr. ziel, gelijk onder Gen 37:21; Deu 22:26; Jos 2:13; 1Ki 19:3; 2Ki 7:7; Mat 2:20. De zin is: dat hij zijn goederen moest vergeten, maar op zijn leven denken.

18 En Lot zeide tot hen: Neen toch, Heere!1

  1. tot hen Te weten tot de engelen; richtende nochtans zijn woorden in het vervolg tot den Heere, die nu bij de twee engelen schijnt tegenwoordig geweest te zijn, zoals in het voorgaande hoofdst. bij Abraham geschied was.

19 Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en Gij hebt Uw weldadigheid groot gemaakt, die Gij aan mij gedaan hebt, om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve!123

  1. genade Zie boven Gen 6:8.
  2. opdat mij Lot is bezorgd dat het gebergte te ver zal zijn, en dat hij onder weg door dat verderf zou mogen overvallen worden.
  3. kwaad Versta, het kwaad der straf, gelijk dit woord aldus dikwijls gebruikt wordt. Zie Deu 31:17; 1Ki 9:9, en 1Ki 14:10; Isa 45:7; Jer 6:19; Amo 3:6.

20 Ziet toch, deze stad is nabij, om derwaarts te vluchten, en zij is klein; laat mij toch derwaarts behouden worden (is zij niet klein?) opdat mijn ziel leve.12

  1. zij is Anders, het is toch wat kleind, of gerings; en zo in het volgende.
  2. (is zij niet And. Is dat niet een kleine zaak?

21 En Hij zeide tot hem: Zie, Ik heb uw aangezicht opgenomen ook in deze zaak, dat Ik deze stad niet omkere waarvan gij gesproken hebt.1

  1. Ik heb Dat is, Ik zal u goedertieren zijn, en deze bede uit genade vergunnen. Zie deze manier van spreken onder Gen 32:20, en vergelijk de aantekening.

22 Haast, behoud u derwaarts; want Ik zal niets kunnen doen, totdat gij daarhenen ingekomen zijt. Daarom noemde men den naam dezer stad Zoar.12

  1. want Ik Omdat mijn goddelijk besluit is, u genadiglijk te verschonen.
  2. Zoar Dat is, kleine, tevoren genoemd Bela boven Gen 14:2. Zie ook boven Gen 13:10.

23 De zon ging op boven de aarde, als Lot te Zoar inkwam.

24 Toen deed de Heere zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van den Heere uit den hemel.1234

  1. de HEERE Te weten, de Zoon van God, die van één wezen, macht en heerlijkheid is met den Vader, en hier tevoren in dit en het voorgaande hoofdstuk dikwijls JHWH of HEERE is genoemd geweest; aan wien de Vader alle oordeel heeft overgegeven; Joh 5:22.
  2. en vuur Tevoren heeft God een algemeen oordeel uitgevoerd door het water; hier gebruikt Hij een schrikkelijk en particulier oordeel door vuur, om daarmede te verteren de heilloze, verhitte Sodomieten. Een voorbeeld van de eeuwige straf; Rev 19:20. Dit is geschied [volgens sommiger berekening] in het jaar na de schepping 2048.
  3. Sodom Voeg hierbij Adama en Zebóïm uit Deu 29:23; Hos 11:8. Want al deze vier streden zijn tegelijk verbrand.
  4. van den Dat is, naar het gevoelen van vele treffelijke uitleggers, van den Vader, die door den Zoon werkt; Joh 5:19.

25 En Hij keerde deze steden om, en die ganse vlakte, en alle inwoners dezer steden, ook het gewas des lands.

26 En zijn huisvrouw zag om van achter hem; en zij werd een zoutpilaar.123

  1. om van Tegen het gebod, vs.17, in welke overtreding met ongeloof en ongehoorzaamheid vermengd geweest zijn gierigheid en ondankbaarheid.
  2. achter Dat is, van achter Lot, die de Leidsman en voorganger was, zich haastende om te komen ter plaatse, waar hij mocht behouden worden.
  3. een zoutpilaar Versta, haar lichaam, hetwelk veranderd is geworden in een zoutachtige materie zeer hard, om lang te duren en staande te blijven. Zie Luk 17:32. Josefus getuigt dat deze zoutpilaar nog tot zijn tijd gestaan heeft, lib.Ant. 1, c 12. Deze landstreek is naderhand genoemd de Zoutzee. Zie boven Gen 14:3.

27 En Abraham maakte zich deszelven morgens vroeg op, naar de plaats, waar hij voor het aangezicht des Heeren gestaan had.1

  1. waar hij Zie boven Gen 18:22.

28 En hij zag naar Sodom en Gomorra toe, en naar het ganse land van die vlakte; en hij zag, en ziet, er ging een rook van het land op, gelijk de rook eens ovens.

29 En het geschiedde, toen God de steden dezer vlakte verdierf, dat God aan Abraham gedacht, en Hij leidde Lot uit het midden dezer omkering, in het omkeren dier steden, in welke Lot gewoond had.12

  1. gedacht, Eensdeels aan Abrahams voorbede. Zie boven Gen 18:23-24. Anderdeels aan zijn beloften. Zie boven Gen 12:3.
  2. in welke Dat is, in welker ene. Zie dergelijke manier van spreken, boven Gen 18:9, en Gen 19:12; Jon 1:5; Mat 27:44.

30 En Lot toog op uit Zoar, en woonde op den berg, en zijn twee dochters met hem; want hij vreesde binnen Zoar te wonen. En hij woonde in een spelonk, hij en zijn twee dochters.1

  1. want Waar hij nochtans tevoren meende zich allerveiligst te zullen bergen. Zie vs.20; maar nu vreest hij dat God die stad mede zou mogen verderven, of dat hij aldaar enig geweld mocht lijden van de inwoners.

31 Toen zeide de eerstgeborene tot de jongste: Onze vader is oud, en er is geen man in dit land, om tot ons in te gaan, naar de wijze der ganse aarde.1234

  1. jongste Hebr. kleine, en alzo in de volgende vs.34,35, 38. Dat is, de jongste.
  2. in dit Zij wisten wel dat te Zoar mannen waren, maar vreesden dat die gelijk de anderen, mede vergaan zouden.
  3. om tot Zie deze manier van spreken, boven Gen 6:4, en Gen 16:2, Gen 16:4; Deu 25:5.
  4. naar de Hebr. naar den weg. Zie boven, Gen 18:11.

32 Kom, laat ons onze vader wijn te drinken geven, en hem hem liggen, opdat wij van onze vader zaad in het leven behouden.123

  1. wijn te Die zij tot voorraad op haar reis van Sodom of Zoar medegebracht hadden.
  2. bij hem Een schrikkelijke voorslag, en val in Lots huisgezin.
  3. zaad in Een zoon, of kind; aldus onder vs.34. Zie boven Gen 4:25.

33 En zij gaven dien nacht haar vader wijn te drinken; en de eerstgeborene kwam, en lag bij haar vader, en hij werd het niet gewaar in haar nederliggen, noch in haar opstaan.

34 En het geschiedde des anderen daags, dat de eerstgeborene zeide tot de jongste: Zie, ik heb gisteren nacht bij mijn vader gelegen; laat ons ook dezen nacht hem wijn te drinken geven; ga dan in, lig bij hem, opdat wij van onzen vader zaad in het leven behouden.

35 En zij gaven haar vader ook dien nacht wijn te drinken, en de jongste stond op, en lag bij hem. En hij werd het niet gewaar in haar nederliggen, noch in haar opstaan.

36 En de twee dochters van Lot werden bevrucht van haar vader.

37 En de eerstgeborene baarde een zoon, en noemde zijn naam Moab; deze is de vader der Moabieten, tot op dezen dag.1

  1. der Moabieten, Hebr. Moab. Een volk in de Heilige Schrift genoeg bekend, hebbende gewoond aan de oostzijde van de Jordaan en de Dode Zee, tussen de rivier Arnon en Jabbok.

38 En de jongste baarde ook een zoon, en noemde zijn naam Ben-ammi; deze is de vader der kinderen Ammons, tot op dezen dag.1

  1. der kinderen Dat is, der Ammonieten; een volk in de Heilige schrift mede genoeg bekend; hebbende mede gewoond oostwaarts van Palestina, doch noordwaarts van de Moabieten.

Chapter 20

1 En Abraham reisde van daar naar het land van het zuiden, en woonde tussen Kades en tussen Sur; en hij verkeerde als vreemdeling te Gerar.12345

  1. van daar Te weten, van de eikenbossen, Mamre, bij Hebron. Zie Gen 13:18, en Gen 14:13 en Gen 18:1.
  2. naar het Hebron en Mamre waren wel in het zuidelijk einde van Palestina gelegen, maar Abraham is nog meer zuidwaarts getrokken, om redenen die de Heilige Schrift niet meldt.
  3. Kades Zie boven Gen 14:7.
  4. Sur; Zie boven Gen 16:7.
  5. Gerar Een stad, gelegen in het zuiden van Kanaän, niet ver van Berseba en Ziklag; zie boven Gen 10:19, onder Gen 26:1, en 2Ch 14:13.

2 Als nu Abraham van Sara, zijn huisvrouw, gezegd had: Zij is mijn zuster, zo zond Abimelech, de koning van Gerar, en nam Sara weg.12

  1. gezegd Te weten, uit gelijke vrees, als hem ook tevoren toen hij naar Egypte reisde, overkomen was. Zie boven Gen 11:29, en Gen 12:13, en in dit hoofdst. vs.12.
  2. Abimélech, Men meent dat deze naam den koningen van dat land gemeen is geweest, gelijk de naam Faraö in Egypte. Zie boven Gen 12:15, verg. onder Gen 26:1; Psa 34:1.

3 Maar God kwam tot Abimelech in een droom des nachts, en Hij zeide tot hem: Zie, gij zijt dood om der vrouwe wil, die gij weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd.12

  1. in een God heeft in voorgaande tijden zich geopenbaard door dromen, niet alleen den zijnen, maar ook aan degenen, die vreemd van zijn volk waren, en dat ten beste van de zijnen. Zie onder Gen 28:12, en Gen 31:24, en Gen 40:8, en Gen 41:1; Dan 2:1, en Dan 4:5.
  2. gij zijt Anders, gij gaat sterven; dat is, gij zult straks sterven, zo gij deze vrouw niet terstond ongeschonden wedergeeft. Verg. onder vs.7, en zie deze manier van spreken onder Gen 30:1, en Gen 48:21, en Gen 50:24.

4 Doch Abimelech was tot haar niet genaderd; daarom zeide hij: Heere! zult Gij dan ook een rechtvaardig volk doden?123

  1. genaderd; Dat is, hij had haar niet beslapen. Deze manier van spreken komt overeen met een vrouw bekennen, boven Gen 4:1; tot een vrouw ingaan, boven Gen 6:4; of een vrouw aanroeren, Pro 6:29; 1Co 7:1, en onder vs.6. Versta, dat hij door God belet was door ziekte. Zie onder vs.6, 17.
  2. rechtvaardig Dat is, onschuldig en onnozel in deze zaak. Verg. 2Sa 4:11.
  3. volk Dat is, niet alleen mijn huisgezin, gelijk vs.17, maar ook de andere onderdanen, gelijk vs.9.

5 Heeft hij zelf mij niet gezegd: Zij is mijn zuster? en zij, ook zij heeft gezegd: Hij is mijn broeder. In oprechtheid mijns harten en in reinheid mijner handen, heb ik dit gedaan.12

  1. In Dat is, hierin is mijn hart zuiver van een overspelig voornemen, en mijn lichaam van onkuische daad. Zo wordt de inwendige en uitwendige onschuld en ongeveinsdheid, òf in het algemeen van den gehelen wandel der vromen, òf in het bijzonder van enige zaak en enig werk ook elder uitgedrukt, zo als 1Ki 9:4; 1Ch 29:17; Psa 24:4, en Psa 73:13, en Psa 78:72, en Psa 101:2.
  2. mijner Hebr. mijner palmen, of van het hol mijner handen. Zie Job 17:9.

6 En God zeide tot hem in den droom: Ik heb ook geweten, dat gij dit in oprechtheid uws harten gedaan hebt, en Ik heb u ook belet van tegen Mij te zondigen; daarom heb Ik u niet toegelaten, haar aan te roeren.123

  1. gij dit Hiermede wil God niet zeggen dat hij ten enenmale in het nemen van Sara onschuldig was, maar ten aanzien van het voornemen en de daad des overspels. Zelfs een enkel ongeveinsd voornemen, in een kwade daad, maar uit onbedachtzaamheid of onwetenden ijver spruitende, wordt aldus uitgedrukt, gelijk 2Sa 15:11; 1Ki 22:34, en 2Ch 18:33.
  2. van tegen De misdaad aan Sara en Abraham rekent God als hemzelven aangedaan; verg. Psa 51:6, en Psa 105:14-15, Act 9:5.
  3. toegelaten Hebr. gegeven.

7 Zo geef dan nu dezes mans huisvrouw weder; want hij is een profeet, en hij zal voor u bidden, opdat gij leeft; maar zo gij haar niet wedergeeft, weet, dat gij voorzeker sterven zult, gij, en al wat uwes is!123

  1. een profeet Dat is, een man Gods, van zonderlinge wetenschap en godvruchtigheid, aan wien Ik Mij zeer vrijelijk openbaar, en dien Ik zeer liefheb en die Mij waardig is.
  2. hij zal Of, laat hem voor u bidden.
  3. al wat uwes is Of, al wie de uwen zijn.

8 Toen stond Abimelech des morgens vroeg op, en riep al zijn knechten, en sprak al deze woorden voor hun oren. En die mannen vreesden zeer.1234

  1. knechten, Versta, raadsheren, officieren en voornaamste hovelingen. Alzo 1Ki 1:2, en 1Ki 10:5; 2Ki 6:8; 2Ch 24:25.
  2. woorden Of, zaken; te weten, die hem in den droom waren wedervaren. Alzo ook onder, vs.10, en Gen 24:66, enz.
  3. voor hun Dat is, dat zij die hoorden.
  4. vreesden Als hebbende ten dienste van hun koning het nemen van Sara gevorderd. Verg. boven Gen 12:15.

9 En Abimelech riep Abraham, en zeide tot hem: Wat hebt gij ons gedaan? en wat heb ik tegen u gezondigd, dat gij over mij en over mijn koninkrijk een grote zonde gebracht hebt? gij hebt daden met mij gedaan, die niet zouden gedaan worden.12

  1. een grote zonde Dat is, gij zoudt, door uw onbedachtzaamheid, de grote zonde des overspels en de straf daarvan over ons allen gebracht hebben. Het is opmerkelijk in dezen heidensen koning, dat hij het overspel, zelfs in den tijd [vóór de wet] gehouden heeft voor zulk een gruwelijke zonde, dat ook zijn ganse koninkrijk zijnenthalve daarom zou hebben moeten lijden. Zie onder Gen 38:24; Lev 20:10; Deu 22:22; 2Sa 12:5; 2Sa 12:10-11; Jer 29:22-23; Eze 16:38, Eze 16:40, en Eze 23:45, Eze 23:47; Joh 8:5.
  2. die niet Dat is, die ongeoorloofd en onbetamelijk zijn. Zie dezelfde manier van spreken onder Gen 34:7; Lev 4:2, Lev 4:13.

10 Voorts zeide Abimelech tot Abraham: Wat hebt gij gezien, dat gij deze zaak gedaan hebt?1

  1. Wat hebt Of, wat hebt gij ingezien, of opgemerkt, dat u bewogen heeft om dit te doen?

11 En Abraham zeide: Want ik dacht: alleen is de vreze Gods in deze plaats niet, zodat zij mij om mijner huisvrouw wil zullen doden.123

  1. ik dacht Hebr. ik zeide, dat is, ik dacht. Aldus wordt zeggen voor denken genomen; Exo 2:14; Jos 22:34; 1Ki 5:5; 2Ch 2:1; Isa 8:12; Act 7:28.
  2. alleen is Hij schijnt te willen zeggen: hier is wel een schone landstreek en alle overvloed, maar alleen ontbreekt de vreze Gods. And. zekerlijk is, enz.
  3. huisvrouw Hebr. om de zaak van mijn huisvrouw.

12 En ook is zij waarlijk mijn zuster; zij is mijns vaders dochter, maar niet mijner moeder dochter; en zij is mij ter vrouwe geworden.1

  1. zij is Zie boven Gen 11:29.

13 En het is geschied, als God mij uit mijns vaders huis deed dwalen, zo sprak ik tot haar: Dit zij uw weldadigheid, die gij bij mij doen zult; aan alle plaatsen waar wij komen zullen, zeg van mij: Hij is mijn broeder!12

  1. deed dwalen, Hoewel de naam Gods ELOHIM, die in het getal van velen staat, gewoonlijk gevoegd wordt bij een woord, dat in het eenvoudig staat, hetwelk betekent de enigheid des Goddelijken wezens, nochtans wordt het hier gevoegd bij een woord, dat ook in het getal van velen staat, om [zoals sommige geleerden oordelen] te betekenen de drievuldigheid der personen, Hebr. Als mij ELOHIM deden dwalen. Zie dergelijke manier van spreken, onder Gen 35:7; Jos 24:19; 2Sa 7:23; Psa 58:12; Jer 10:10.
  2. aan alle Hiermede schijnt Abraham te willen zeggen dat hij, uit zijns vaders huis trekkende, vermoedde dat hij geen vreze Gods vinden zou bij enige volken, tot welke hij zou komen; zodat die van Gerar dit zich in het bijzonder niet hadden aan te trekken.

14 Toen nam Abimelech schapen en runderen, ook dienstknechten en dienstmaagden, en gaf dezelve aan Abraham; en hij gaf hem Sara zijn huisvrouw weder.1

  1. Toen nam Dit, mitsgaders het vorafgaande en volgende, is een uitzonderlinge beleefdheid in een heidensen koning, voortgekomen uit Gods beleid en regering.

15 En Abimelech zeide: Zie, mijn land is voor uw aangezicht; woon, waar het goed is in uw ogen.1

  1. voor uw Dat is, voor u open en ten uwen beste. And. deed Faraö, boven Gen 12:19-20. Zie boven, Gen 12:13.

16 En tot Sara zeide hij: Zie, ik heb uw broeder duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel der ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd.12345

  1. uw broeder Hiermede geeft hij Sara bedektelijk te verstaan, dat zij gelegenheid gegeven had tot dit kwaad, zeggende dat Abraham haar broeder was.
  2. duizend Hebr. duizend zilvers. Dat is, naar het algemeen gevoelen, duizend zilveren sikkels, of zilverlingen. En alzo er tweeërlei sikkels waren, de burgerlijke sikkel, bedragende wat meer dan een oord (een vierde deel van een rijksdaalder); de ander, des heiligdoms, wegende dubbel zoveel; zo wordt gemeend dat hier gemeente of burgerlijke sikkels te verstaan zijn; makende deze duizend zilverlingen weinig meer dan de som van 250 rijksdaalders.
  3. zij u Dat is, beken na dezen vrijelijk dat hij uw echte man is, en dek uw aangezicht, tot een teken dat gij getrouwd zijt, en dat hij daarom een schut en scherm uwer kuisheid is. Zie van dit dekken des aangezichts van de vrouwen, onder Gen 24:65, en 1Co 11:10. Anders, het zij u tot een deksel, enz., te weten, het geld zij u gegeven om zulk een deksel te kopen.
  4. allen, Dat is, niet alleen, die bij u verkeren, maar ook bij de vreemden.
  5. en wees Dat is, wees geleerd en gewaarschuwd, om hierna voorzichtiger te zijn; of, en dit alles opdat gij geleerd zijt. Sommigen nemen dit, gelijk Mozes' woorden, aldus: zo werd zij bestraft.

17 En Abraham bad tot God; en God genas Abimelech, en zijn huisvrouw, en zijn dienstmaagden, zodat zij baarden.123

  1. Abraham Zie boven, vs.7.
  2. genas Zodat hij niet stierf aan de ziekte, gelijk God de HEERE hem bedreigd had, vs.3, 7.
  3. zodat Dat is, baren konden. Zie het volgende vers.

18 Want de Heere had al de baarmoeders van het huis van Abimelech ganselijk toegesloten, ter oorzake van Sara, Abrahams huisvrouw.12

  1. ganselijk Hebr. toesluitende toegesloten voor alle baarmoeder, dat is, Hij had haar onvruchtbaar gemaakt. Zie deze manier van spreken 1Sa 1:5-6; daarentegen betekent de opening der baarmoeder, de gave der vruchtbaarheid, ond Gen 29:31.
  2. ter oorzake Hebr. om de zaak van Sara.

Chapter 21

1 En de Heere bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en de Heere deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.1

  1. bezocht God bezoekt op tweeërlei wijze: òf met enige bijzondere weldaad en vervulling zijner belofte, als onder Gen 50:24; Exo 4:31; Rth 1:6; Psa 8:5, gelijk het woord hier ook genomen wordt; òf met uivoering van dreigementen en straffen, Exo 20:5; Deu 5:9; Psa 59:6; Isa 27:1.

2 En Sara werd bevrucht, en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, ter gezetter tijd, dien hem God gezegd had.12

  1. in zijn And. voor zijn ouderdom, en alzo ook vs.7.
  2. ter gezetter Zie boven, Gen 18:10, Gen 18:14.

3 En Abraham noemde den naam zijns zoons, die hem geboren was, dien hem Sara gebaard had, Izak.1

  1. noemde Maar het bevel des Heeren, boven Gen 17:19. Zie aldaar de aant.

4 En Abraham besneed zijn zoon Izak, zijnde acht dagen oud, gelijk als hem God geboden had.1

  1. zijnde Hebr. een zoon van acht dagen. Alzo in het volgende vs.

5 En Abraham was honderd jaren oud, als hem Izak zijn zoon geboren werd.

6 En Sara zeide: God heeft mij een lachen gemaakt; al die het hoort, zal met mij lachen.12

  1. lachen gemaakt Eensdeels der verwondering over de zeldzaamheid dezer zaak; anderdeels der vreugde, omdat velen zich over deze weldaad Gods verblijden zullen.
  2. zal met Dat is, zich met mij verblijden, Luk 1:58.

7 Voorts zeide zij: Wie zou Abraham gezegd hebben: Sara heeft zonen gezoogd? want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom.1

  1. zonen Dat is, een zoon, zijnde het getal van velen naar het gebruik der Heilige Schrift, voor het getal van een somtijds genomen; zoals onder Gen 46:7, Gen 46:23; Num 20:8.

8 En het kind werd groot, en werd gespeend; toen maakte Abraham een groten maaltijd op den dag, als Izak gespeend werd.

9 En Sara zag den zoon van Hagar, de Egyptische, dien zij Abraham gebaard had, spottende.1

  1. spottende Zonder twijfel den spot daarmede drijvende, dat men zoveel werk van Izak maakte, die lang na hem geboren was. Deze bespotting is uit zulke bitterheid gesproten, dat de apostel haar noemt vervolging, Gal 4:29.

10 En zij zeide tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit; want de zoon dezer dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak, niet erven.1

  1. niet erven Hieruit is af te nemen dat Ismael zonder twijfel door insteking van zijn moeder, mede gewag gemaakt heeft van het recht der eerstgeboorte en beërving der goederen. En hierom is Sara zozeer verstoord geweest, zowel tegen de moeder als tegen den zoon.

11 En dit woord was zeer kwaad in Abrahams ogen, ter oorzake van zijn zoon.1

  1. was zeer Dat is, misviel hem zeer, om de liefde, die bij zijn zoon Ismael toedroeg, en om de belofte, die hij van God voor hem gekregen had; boven Gen 17:18, Gen 17:20. Kwaad, wordt gezegd, in iemands ogen te zijn, wat hem mishaagt en onaangenaam is; alzo in het volgende vs. en onder Gen 28:8; Exo 21:8; Num 11:10.

12 Maar God zeide tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over den jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden.1234

  1. God Te weten, des nachts, vs.14
  2. al wat Aangaande deze zaak van Ismaël en Hagar.
  3. Izak Dat is, Gods volk, bij hetwelk het verbond Gods zal berusten, en inzonderheid de Messias, zullen niet voortkomen van Ismael, maar van Izak; mitsgaders die alleen zullen het ware geslacht van Abraham zijn; niet die naar de natuur vleselijk uit hem zullen voortkomen, gelijk Ismael; maar die door de genade en kracht der geestelijke belofte zijn kinderen zullen zijn, gelijk Izak; zie Rom 9:6-8.
  4. genoemd Anders, geroepen worden.

13 Doch Ik zal ook den zoon dezer dienstmaagd tot een volk stellen, omdat hij uw zaad is.12

  1. tot een Zie boven, Gen 16:10, en Gen 17:20
  2. omdat hij Dat is, omdat hij uw zoon is, en dat hij van u afkomstig is.

14 Toen stond Abraham des morgens vroeg op, en nam brood, en een fles water, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haar schouder; ook gaf hij haar het kind, en zond haar weg. En zij ging voort, en dwaalde in de woestijn Ber-seba.123

  1. brood, Versta door brood en water, alles wat tot deze reis nodig was.
  2. kind, Te weten, Ismaël, boven genoemd jongen, vs.12, en ond. vs.17. De geestelijke beduiding van deze gehele zaak, zie Gal 4:23-24, enz.
  3. in de Gelegen op de zuidelijke grens van Palestina, niet ver van Gerar, en op dezen tijd aldus nog niet genoemd, maar daarna, toen de koning Abimélech omtrent die plaats met Abraham een verbond heeft gemaakt. Zie onder, vs.31.

15 Als nu het water van de fles uit was, zo wierp zij het kind onder een van de struiken.12

  1. zo Als hij niet langer kunnende aan haar hand gaan, en te groot zijnde om door Hagar te kunnen gedragen worden; want hij was nu omtrent 17 jaren oud. Zie ond. vs.18.
  2. onder Te weten, om bevrijd te zijn tegen de hitte van de zon, opdat het in stilte onder de schaduw zijn geest, zoals zij meende, mocht geven.

16 En zij ging en zette zich tegenover, afgaande zo verre, als die met den boog schieten; want zij zeide: Dat ik het kind niet zie sterven; en zij zat tegenover, en hief haar stem op, en weende.12

  1. zo ver, Zover als een boogschutter afgaat van zijn perk; of omtrent een boogschot.
  2. Dat ik Hebr. dat ik niet zie, als het kind sterft, of het sterven des kinds.

17 En God hoorde de stem van den jongen; en de Engel Gods riep Hagar toe uit den hemel, en zeide tot haar: Wat is u, Hagar? Vrees niet; want God heeft naar des jongens stem gehoord, ter plaatse, waar hij is.12

  1. van den Die ontwijfelbaar niet minder dan de moeder, in dezen droevigen staat zijnde, geschreid heeft.
  2. ter plaatse Hebr. in hetwelk, of in hetgeen waar hij is.

18 Sta op, hef den jongen op, en houd hem vast met uwe hand; want Ik zal hem tot een groot volk stellen.

19 En God opende haar ogen, dat zij een waterput zag; en zij ging, en vulde de fles met water, en gaf den jongen te drinken.1

  1. God Niet dat zij tevoren niet zag, maar dat God haar ogen zo bestuurd en gehouden heeft, dat zij dien put niet bemerkte. Verg. Luk 24:31.

20 En God was met den jongen; en hij werd groot, en hij woonde in de woestijn, en werd een boogschutter.12

  1. God was God was hem gunstig, en zegende hem naar den inhoud zijner belofte, zoveel het tijdelijke betreft. Verg. ond. de aant. op vs.22
  2. een boogschutter Hebr. een schietende boogschutter. Dat is, een kloek jager en krijgsman. Zie boven, Gen 16:12.

21 En hij woonde in de woestijn Paran; en zijn moeder nam hem een vrouw uit Egypteland.12

  1. Paran; Zie bov. Gen 14:6.
  2. en zijn Merk hier op het recht der ouders over de kinderen in huwelijkszaken, ja zelfs der moeder alleen. Verg. ond. Gen 24:3-4, enz.

22 Voorts geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, mitsgaders Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat gij doet.123

  1. terzelfder Dat is, omtrent den tijd van den maaltijd, hier tevoren vermeld, en van de uitzetting van Hagar en haar zoon.
  2. Abimélech, Konint te Gerar, van wien boven Gen 20:2 gesproken wordt.
  3. God is God de Heere is met de zijnen niet alleen door lichamelijk, maar ook door geestelijke zegeningen, hoewel Abimélech en Pichol eigenlijk hun ogen op den lichamelijken en tijdelijken zegen geslagen hadden. Zie deze manier van spreken ond. Gen 39:3; Jos 3:7, en Jos 7:12; 2Ch 1:1.

23 Zo zweer mij nu hier bij God: Zo gij mij, of mijn zoon, of mijn neef liegen zult! naar de weldadigheid, die ik bij u gedaan heb, zult gij doen bij mij, en bij het land, waarin gij als vreemdeling verkeert.12

  1. Zo Versta hierdoor: dat u wee of straf wedervaren moet, of God doe u dit of dat. Zie bov. Gen 14:23.
  2. liegen Of bedriegelijk sprken, of handelen zult met mij.

24 En Abraham zeide: Ik zal zweren.

25 En Abraham berispte Abimelech ter oorzake van een waterput, die Abimelechs knechten met geweld genomen hadden.12

  1. Abraham Eer Abraham zweert, wil hij alle achterdocht wegnemen.
  2. ter oorzake Aangezien hij hem gegraven had, en door de dorheid des lands het water zeer moeilijk te bekomen, en daarom hoog nodig en van grote waarde was. Verg. onder, Gen 26:19-21, enz. Jdg 1:15.

26 Toen zeide Abimelech: Ik heb niet geweten, wie dit stuk gedaan heeft; en ook hebt gij het mij niet aangezegd, en ik heb er ook niet van gehoord, dan heden.1

  1. stuk Hebr. woord, zaak ding.

27 En Abraham nam schapen en runderen, en gaf die aan Abimelech; en die beiden maakten een verbond.12

  1. Abraham nam Te weten, tot een bewijs, 1, dat hij den koning dankbaar was voor de vriendschap van hem ontvangen; 2. dat hij des konings antwoord aannam, belangende den put; 3. dat hij hem en den zijnen beloofde getrouw te wezen.
  2. maakten Hebr. sneden, hieuwen. Zie boven Gen 15:18.

28 Doch Abraham stelde zeven ooilammeren der kudde bijzonder.1

  1. bijzonder Hebr. hier alleen; alzo vs.29.

29 Zo zeide Abimelech tot Abraham: Wat zullen hier deze zeven ooilammeren, die gij bijzonder gesteld hebt?

30 En hij zeide: Dat gij de zeven ooilammeren van mijn hand nemen zult, opdat het mij tot een getuigenis zij, dat ik dezen put gegraven heb.1

  1. gegraven En dat hij dienvolgens mij en den mijnen wettelijk toekomt. Abrahams zorg is niet tevergeefs geweest. Zie onder Gen 26:15.

31 Daarom noemde men die plaats Ber-seba, omdat die beiden daar gezworen hadden.1

  1. Ber-séba, Welke naam hier en boven, vs.14, aan deze plaats en het omliggende land toegeschreven wordt; maar onder, Gen 26:33, een stad in die landstreek gelegen, die daarna den stam van Juda toegeëigend is; Jos 15:28; 1Ki 19:3; doch door den stam van Simeon bewoond; Jos 19:2, en is geweest de zuidpale van het land Kanaän, gelijk Dan de noordpale; 2Sa 17:11, en 2Sa 24:2.

32 Alzo maakten zij een verbond te Ber-seba. Daarna stond Abimelech op, en Pichol, zijn krijgsoverste, en zij keerden wederom naar het land der Filistijnen.1

  1. naar der Versta naar Gerar, niet ver van deze plaats gelegen.

33 En hij plantte een bos in Ber-seba, en riep aldaar den Naam des Heeren, des eeuwigen Gods, aan.123

  1. hij plantte Te weten, Abraham.
  2. riep Ontvangen hebbende nieuwe oorzaak tot dankbaarheid, heeft hij den openbaren Godsdienst aldaar gepleegd, zie boven Gen 4:26.
  3. des eeuwigen Hebr. van den God der eeuwigheid.

34 En Abraham woonde als vreemdeling vele dagen in het land der Filistijnen.1

  1. vele dagen Dat is, langen tijd, aangezien hem de Heere hier zekerheid en rust verleende.

Chapter 22

1 En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zeide tot hem: Abraham! En hij zeide: Zie, hier ben ik!123

  1. het geschiedde Nadat Abraham zoveel beloften ontvangen had, ja zelfs van de geboorte van den Messias, van welke er geen konden vervuld worden, indien Izak zonder zaad ware gestorven, zo heeft de Heere Abraham aldus willen beproeven, alsof Hij al de voorgemelde beloften had willen vernietigen.
  2. verzocht God verzoekt de zijnen, als Hij een proef neemt van hun zwakheid of deugd, om door derzelver openbaring hen te vernederen of te verheerlijken. Zie Deu 8:2, en Deu 13:3; Jdg 2:22; 2Ch 32:21; Psa 139:23-24. Wat Abraham aangaat, God kende hem volkomen, maar wilde zijn sterk geloof en ongeveinsde gehoorzaamheid op een bijzondere wijze, tot zijn eer, mitsgaders van Abraham en van zijn ganse kerk, ten beste openbaren. Zie onder vs.16,17.
  3. Zie Hebr. Zie ik, te weten, ben hier. Een manier van spreken, dengenen eigen, die, geroepen zijnde, bereid zijn om aan te horen wat hun voorgehouden wordt. Zie onder vs.7, 11, en Gen 27:1; 1Sa 3:4, 1Sa 3:6, enz.

2 En Hij zeide: Neem nu uw zoon, uw enige, dien gij liefhebt, Izak, en ga heen naar het land Moria, en offer hem aldaar tot een brandoffer, op een van de bergen, dien Ik u zeggen zal.1234

  1. Neem Elk woord kon des vaders hart doorsnijden. Dit en hetgeen onder vs.6, 9,10, verhaald wordt, kan ons enigszins afbeelden het genadewerk Gods, die zijn eigen, welbeminden Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgeven heeft, om onze zonden te dragen op het hout; Rom 8:32; 1Pe 2:24.
  2. het land Alzo, naar het algemeen gevoelen genoemd naar de uitkomst dezer verzoeking. Zie onder, vs.14, met de aant. Dit is het land, waarin Jeruzalem gelegen en de tempel op den berg Moria gebouwd is, 1Ch 22:1; 2Ch 3:1, ter zijde van den berg Zion, omtrent drie dagreizen van Berseba. Zie onder, vs.4.
  3. offer hem Dat is, dood hem eerst met uw eigen hand, en verbrand daarna het dode lichaam tot as toe; gelijk men doet met de beesten, die ten brandoffer geëigend zijn; Lev 6:9-10, enz. Dit bevel was door geen natuurlijk vernuft, maar alleenlijk door het geloof, met Gods belofte en Abrahams vaderlijken plicht en genegenheid tot zijn enigen zoon overeen te brengen; maar van Gods verborgen raad en voornemen in dit bevel; zie op vs.1 en onder vs.12.
  4. brandoffer, Zie de aantekening boven Gen 8:20.

3 Toen stond Abraham des morgens vroeg op, en zadelde zijn ezel, en nam twee van zijn jongeren met zich, en Izak zijn zoon; en hij kloofde hout tot het brandoffer, en maakte zich op, en ging naar de plaats, die God hem gezegd had.12

  1. stond Abraham is terstond vaardig, overwinnende vlees en bloed, en vastelijk gelovende dat God, niettegenstaande dit alles, zijn beloften zou volbrengen, als machtig zijnde om hem Izak uit de doden weder te geven, hetwelk ook naar gelijkenis geschied is, gelijk de apostel betuigt, Heb 11:19.
  2. hout tot Hebr. houten des brandoffers.

4 Aan den derden dag, toen hief Abraham zijn ogen op, en zag die plaats van verre.1

  1. Aan den Deze verheid van plaats en reis van omtrent drie dagen, diende tot klaarder openbaring van Abrahams zonderlinge bestendigheid.

5 En Abraham zeide tot zijn jongeren: Blijft gij hier met den ezel, en ik en de jongen zullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u wederkeren.123

  1. jongen Dit woord wordt niet alleen op de kleine kinderen toegepast, maar ook op de volwassenen, gelijk Abrahams gewapende knechten, boven, Gen 14:14, Gen 14:24; idem, op den jonkman Sichem, die Dina verkrachtte, on. Gen 34:19; Jozef, toen hij Faraö's dromen uitlegde, ond. Gen 41:12; Jozua, toen hij Mozes diende, Exo 33:1; Absalom, toen hij zijn vader oorlog aandeed, 2Sa 18:29, en hier op Izak en Abrahams knechten; verg. het volgende vers (6).
  2. aangebeden Zie ond. Gen 24:26.
  3. dan zullen Hoewel het voornemen van Abraham was zijn zoon te offeren, en hem de uitkomst van dit werk specialijk onbekend was, nochtans geloofde hij dat God zijn zoon hem wedergeven kon; en alzo heeft hij onwetend wat toekomstig was voorzegd.

6 En Abraham nam het hout des brandoffers, en legde het op Izak, zijn zoon; en hij nam het vuur en het mes in zijn hand, en zij beiden gingen samen.1

  1. En Abraham Hoewel het onzeker is hoe oud Izak in dezen tijd was [enigen menen vijf en twintig jaren, anderen minder, anderen meer] nochtans is hieruit af te nemen dat hij tamelijk oud was, omdat hij het hout, waarmede de ezel was beladen geweest, heeft kunnen dragen op het gebergte. Zie boven vs.5

7 Toen sprak Izak tot Abraham, zijn vader, en zeide: Mijn vader! En hij zeide: Zie, hier ben ik, mijn zoon! En hij zeide: Zie het vuur en het hout; maar waar is het lam tot het brandoffer?1

  1. Mijn vader De liefelijke woorden van Izak zouden Abraham naar het vlees wel veel hebben kunnen hinderen, maar door des Heeren Geest verwekten zij in hem meerder vertrouwen van een goede uitkomst, gelijk zijn antwoord getuigt.

8 En Abraham zeide: God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon! Zo gingen zij beiden samen.1

  1. voorzien, Hebr. zien. Verg. onder vs.14.

9 En zij kwamen ter plaatse, die hem God gezegd had; en Abraham bouwde aldaar een altaar, en hij schikte het hout, en bond zijn zoon Izak, en leide hem op het altaar boven op het hout.1

  1. bond zijn Gelijk de beesten ter offerande aan hun vier voeten gebonden worden, alzo heeft Abraham zijn zoon Izak aan handen en voeten gebonden, zoals enigen menen, omdat het Hebreeuwse woord, van de offeranden gebruikt zijnde, zulks dikwijls betekent. Merk hier de bijzondere lijdzaamheid en gehoorzaamheid van Izak, die zonder twijfel door zijn vader daartoe tevoren was overreed.

10 En Abraham strekte zijn hand uit, en nam het mes om zijn zoon te slachten.1

  1. te slachten Anders, de keel af te snijden.

11 Maar de Engel des Heeren riep tot hem van den hemel, en zeide: Abraham, Abraham! En hij zeide: Zie, hier ben ik!12

  1. engel des Versta, den Zoon Gods, blijkende uit het einde van het 12 vs . en het ganse vervolg dezer historie. Verg. Gen 18:1, Gen 18:17, Gen 18:22, en Gen 19:18-19, Gen 19:21, Gen 19:24.
  2. Abraham, De naam wordt verdubbeld, omdat de zaak haast vereiste, dewijl Abraham bezig was om het mes aan de keel te brengen en de snede te geven.

12 Toen zeide Hij: Strek uw hand niet uit aan den jongen, en doe hem niets! want nu weet Ik, dat gij God vrezende zijt, en uw zoon, uw enige, van Mij niet hebt onthouden.123

  1. Strek uw Door dit bevel openbaart nu God zijn verborgen raad en voornemen in deze verzoeking, hetwelk Hij in het voorgaande bevel, vs.2, niet gedaan had.
  2. nu weet Menselijker wijze van God gesproken, gelijk vs.1, want Abrahams godvruchtigheid was God tevoren genoeg bekend, maar Hij wordt gezegd nu daarvan kennis te hebben, omdat Hij haar door deze verzoeking aan zijn ganse kerk ten volle bekend had gemaakt. Zo wordt het Hebreeuwse woord genomen Psa 139:23. Beproef mij en ken mijn gedachten. Want tevoren had hij gezegd vs.2: Gij verstaat mijn gedachten van verre.
  3. van Mij Hieruit blijkt dat het God zelf is, die hier spreekt.

13 Toen hief Abraham zijn ogen op, en zag om, en ziet, achter was een ram in de verwarde struiken vast met zijn hoornen; en Abraham ging, en nam dien ram, en offerde hem ten brandoffer in zijns zoons plaats.12

  1. achter Het schijnt dat de engel Abraham van achteren geroepen heeft, zodat hij, omziende, meteen den ram gezien heeft; verstaande terstond door Gods ingeven, dat hij dien in zijns zoons plaats zou slachten.
  2. in de Te weten, van een haag of doornbos.

14 En Abraham noemde den naam van die plaats: De Heere zal het voorzien! Waarom heden ten dage gezegd wordt: Op den berg des Heeren zal het voorzien worden!123

  1. Abraham Vergelijkende zijn vertrouwen vs.8, met deze uitkomst.
  2. HEERE Versta, dat de berg Moria den naam heeft van het antwoord, dat Abraham zijn zoon gaf, vs.8, gelijk ook het woord Moria schier hetzelfde betekent; dat is, het gezicht Gods.
  3. Op den Een spreekwoord, gebruikt van degenen, die in den uitersten nood zijnde, en geen menselijke uitkomst ziende, zich op de trouwe voorzienigheid Gods verlieten.

15 Toen riep de Engel des Heeren tot Abraham ten tweeden male van den hemel;

16 En zeide: Ik zweer bij Mijzelven, spreekt de Heere; daarom dat gij deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt;12

  1. bij Mijzelven, Want Hij had geen meerderen, om bij te zweren; Heb 6:13. Zie ook Jer 22:5. Elders zweert God bij zijn groten naam, Jer 44:26; ook bij zijn ziel, Jer 51:14; en bij zijn heiligheid, Amo 4:2. Dat is, bij zichzelven. In het volgende: spreekt. Hebr. Neüm. Zie van dit woord Jer 23:31.
  2. daarom Versta hierdoor geen verdienende oorzaak der volgende belofte, die ook tevoren Abraham gedaan was, maar de vrucht of het einde der gehoorzaamheid Abrahams, die God uit genade met de vernieuwing zijner belofte, en met dezen zijn eed heeft willen vereren en belonen, tot meerdere versterking van het geloof Abrahams en zijner ganse kerk; zie hiervan Heb 6:13-14, Heb 6:17-18.

17 Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en als het zand, dat aan den oever der zee is; en uw zaad zal de poort zijner vijanden erfelijk bezitten.123

  1. Voorzeker Hebr. zegenende zegenen, en vermenigvuldigende zal Ik vermenigvuldigen.
  2. aan den Hebr. aan de lip der zee; alzo onder, Gen 41:4; Jos 11:4, 1Sa 13:5.
  3. de poort Dat is, gebied, geweld, steden en landen, want bij de ouden is in de poort het gericht geweest, Deu 21:19; en Deu 22:15; Amo 5:12, Amo 5:15; Zec 8:16, idem, der steden sterkte. Zie Jdg 5:8; Psa 147:13; Isa 22:7; Eze 21:22. Hierom zijn ook poorten de steden zelf, Deu 22:15 en Deu 18:6, ja de steden van een geheel land, Jer 14:2. Dit is ten aanzien van het lichamelijke vervuld in Jozua, David, enz., maar voornamelijk en geestelijk in den Messias, Psa 2:8-9 en Psa 110:1-3; Col 2:15, die zijn kerk en dienstknechten ziujn overwinning deelachtig maakt; 1Co 15:57; 2Co 2:14 en 2Co 10:5-6.

18 En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, naardien gij Mijn stem gehoorzaam geweest zijt.1234

  1. in uw Dat is, in Christus, die uit uw zaad naar het vlees voortkomen zal. Zie boven Gen 12:3.
  2. zullen Zie Act 3:25; Gal 3:8, Gal 3:16.
  3. alle Niet alleen, die uit uw vlees zullen voortkomen, maar ook alle andere volken, die in uw zaad aan den Messias geloven zullen. Zie Gal 3:29.
  4. naardien Zie vs.16.

19 Toen keerde Abraham weder tot zijn jongeren, en zij maakten zich op, en zij gingen samen naar Ber-seba; en Abraham woonde te Ber-seba.1

  1. Ber-séba; Zie boven, Gen 21:31.

20 En het geschiedde na deze dingen, dat men Abraham boodschapte, zeggende: Zie, Milka heeft ook Nahor, uw broeder, zonen gebaard:1

  1. Milka die met Abraham uit Ur der Chaldeën niet was vertrokken naar het land Kanaän, maar had zich met ter woon begeven naar Mesopotamië. Zie boven, Gen 11:29, Gen 11:31, en Gen 24:10.

21 Uz, zijn eerstgeborene, en Buz, zijn broeder, en Kemuël, den vader van Aram,123

  1. Uz, Deze Uz, de zoon van Nahor, is van twee anderen van denzelfden naam te onderscheiden: de ene is geweest de zoon van Aram, Sems zoon, boven Gen 10:23, de andere, de zoon van Dischan, de zoon van Seïr den Horiet, ond. Gen 36:28.
  2. Buz, Van dezen menen sommigen dat Elihu de Buziet afkomstig is van welken men zie Job 32:2.
  3. Aram Zie van een anderen Aram, bov. Gen 10:22. Men meent dat van beiden, of een hunner, het landschap Syrië Aram geheten wordt.

22 En Chesed, en Hazo, en Pildas, en Jidlaf, en Bethuël;

23 (En Bethuël gewon Rebekka) deze acht baarde Milka aan Nahor, den broeder van Abraham.1

  1. Rebekka Hebr. Ribka, die naderhand aan Izak vertrouwd is; ond. Gen 24

24 En zijn bijwijf, welker naam was Reüma, diezelve baarde ook Tebah, en Gaham, en Tahas, en Maacha.12

  1. bijwijf, Versta een zodanige vrouw, die wel tot voortteling van kinderen getrouwd werd, naar het misbruik van dien tijd, maar evenwel werd genomen zonder bruidschat en huwelijkscontract, staande onder de wettelijke en principale huisvrouw; gelijk ook haar kinderen geen erfgenamen waren, maar werden met giften of legaten uitgezet; bov. Gen 21:14-15, en Gen 25:6. Het Hebreeuwse woord betekent een gedeelde of halve vrouw.
  2. Máächa. Dit schijnt hier de naam van een man te zijn; alsook 2Sa 10:6, de naam van zekeren koning. Aldus was ook genoemd de moeder van den koning Asa, 1Ki 15:13.

Chapter 23

1 En het leven van Sara was honderd zeven en twintig jaren; dit waren de jaren des levens van Sara.

2 En Sara stierf te Kiriath-arba, dat is Hebron, in het land Kanaän; en Abraham kwam om Sara te beklagen, en haar te bewenen.1234

  1. Kiriath-Arba, Anders, in de stad Arba. Sommigen houden dezen naam gekomen te zijn van een reus, bouwer dezer stad. Zie Jos 14:15 en Jos 15:13.
  2. Hebron, Een stad, die daarna in den stam van Juda geweest is, gelegen bij het eikenveld Mamre, waar Abraham langen tijd gewoond heeft. Zie voorts boven, Gen 13:18
  3. kwam om Te weten, in de tent zijner vrouw. Zie boven Gen 18:6, Gen 18:9.
  4. te beklagen Dit gebruik is bij de vromen vanouds af geweest, om hun droefenis te verklaren in het algemeen over de ellende aller mensen, en in het bijzonder over het tijdelijk verlies van hun vrienden, of enige uitnemende personen. Zie hiervan ond. Gen 50:3; Deu 34:8; 1Sa 25:1; 2Sa 3:32; Act 8:39, enz. Welk gebruik bijgelovig door de ongelovigen nagebootst is geweest. Zie Mar 5:38-39, enz.

3 Daarna stond Abraham op van het aangezicht van zijner dode, en hij sprak tot de zonen Heths, zeggende:12

  1. op van Als een gelovig patriarch, zijn droefenis en rouw over Sara matigende, willende haar nu een eerlijke begrafenis in een vreemd land bezorgen.
  2. zonen Anders, kinderen; alzo ook vs.5, 7, 10,11, 16, 18, 20. Dat is, tot de regenten, of voornaamsten der Hethieten, die Kanaänieten waren, afkomstig van Heth, Chams kindskind. Zie boven, Gen 10:15.

4 Ik ben een vreemdeling en inwoner bij u; geeft mij een erfbegrafenis bij u, opdat ik mijn dode van voor mijn aangezicht begrave.1

  1. opdat De begrafenis der dode lichamen is van oude tijden af bij de mensen gebruikelijk geweest, gelijk hier blijkt, en uit het volgende vers vs.5, omdat de natuur leert, dat men het ene deel des redelijken mensen niet behoort weg te werpen tot ontering en schending en de religie ons vermaant hetzelve te bewaren en op te sluiten tegen den dag der opstanding uit de doden. Zie onder Gen 50:5-6; Num 33:4; Deu 21:23; Job 5:26.

5 En de zonen Heths antwoordden, Abraham, zeggende tot hem:

6 Hoor ons, mijn heer! gij zijt een vorst Gods in het midden van ons; begraaf uw dode in de keure onzer graven; niemand van ons zal zijn graf voor u weren, dat gij uw dode niet zoudt begraven.12

  1. een vorst Dat is, met wien God is, gelijk bov. Gen 21:22, of een prins Gods, dat is, een voortreffelijk heer en vorst. Zie boven Gen 13:10.
  2. keur Dat is, in de beste, uitgelezenste der graven. Verg. Jer 22:7.

7 Toen stond Abraham op, en boog zich neder voor het volk des lands, voor de zonen Heths;

8 En hij sprak met hen, zeggende: Is het met uw wil, dat ik mijn dode begrave van voor mijn aangezicht; zo hoort mij, en spreekt voor mij bij Efron, den zoon van Zohar,12

  1. Is het Hebr. is het met uw ziel, of, zo het is met uw ziel. Het woord ziel betekent dikwijls wil, beliefte, goedvinden, gelijk Deu 21:14; 1Ki 19:3; 2Ki 9:15; Psa 27:12 en Psa 41:3, en Psa 105:22.
  2. Zohar Hebr. Tsochar, een Hethiet, en is te onderscheiden van een Zohar, die de zoon van Simeon was; onder Gen 46:10.

9 Dat hij mij geve de spelonk van Machpela, die hij heeft, die in het einde van zijn akker is, dat hij dezelve mij om het volle geld geve, tot een erfbegrafenis in het midden van u.12

  1. Machpéla, De eigennaam van dezen akker, gelijk blijkt vs.17, 19.
  2. volle Ten aanzien van den prijs des akkers, en van het gewicht des gelds.

10 Efron nu zat in het midden van de zonen Heths; en Efron de Hethiet antwoordde Abraham, voor de oren van de zonen Heths, van al degenen, die ter poorte zijner stad ingingen, zeggende:123

  1. Efron Hij was niet alleen een burger onder de Hethieten, maar een der voornaamsten onder hen, zittende in de vergadering voor welke Abraham verscheen. Aldus wordt het woord zitten genomen voor den staat der publieke raden of regeerders des volks; gelijk Psa 119:23.
  2. zijner Of, waar hij geboren was, gelijk Luk 2:3-4, of waar hij woonde, gelijk onder Gen 24:10; Mat 9:1.
  3. ingingen, Dat is, die burgers of inwoners der stad waren. Alzo onder, vs.18. Verg. Gen 34:24.

11 Neen, mijn heer! hoor mij; den akker geef ik u; ook de spelonk, die daarin is, die geef ik u; voor de ogen van de zonen mijns volks geef ik u die; begraaf uw dode.

12 Toen boog zich Abraham neder voor het aangezicht van het volk des lands;

13 En hij sprak tot Efron, voor de oren van het volk des lands, zeggende: Trouwens, zijt gij het? lieve, hoor mij; ik zal het geld des akkers geven; neem het van mij, zo zal ik mijn dode aldaar begraven.12

  1. zijt gij Anders, maar of [lieve] zo gij het zijt, enz. Te weten, den man van wien ik spreek, namelijk Efron. Het schijnt dat Abraham hem kende bij naam maar niet van aangezicht, en dat Abraham niet geweten heeft dat Efron daar zat.
  2. ik zal Hebr. ik heb gegeven, dat is, ik ben gereed om te geven.

14 En Efron antwoordde Abraham, zeggende tot hem:

15 Mijn heer! hoor mij; een land van vierhonderd sikkelen zilvers, wat is dat tussen mij en tussen u? begraaf slechts uw dode.1

  1. sikkelen De sikkel was een soort van munt, hebbende zijn naam van wegen; er waren tweeërlei, de algemene, wegende omtrent als een oord, of het vierde deel van een rijkdsdaalder; en de heilige, bedragende nog eens zoveel; zie boven Gen 20:16, waar van den zilverling [die van een prijs was] gesproken is. Aldus bedroeg deze som weinig meer dan 100 rijkdaalders, zijnde hier van den algemenen of burgerlijken sikkel gesproken.

16 En Abraham luisterde naar Efron; en Abraham woog Efron het geld, waarvan hij gesproken had voor de oren van de zonen Heths, vierhonderd sikkelen zilvers, onder den koopman gangbaar.1

  1. woog Eertijds woog men elkander het geld toe, in het kopen en verkopen, gelijk men het nu elkander toetelt.

17 Alzo werd de akker van Efron, die in Machpela was, dat tegenover Mamre lag, de akker en de spelonk, die daarin was, en al het geboomte, dat op den akker stond, dat rondom in zijn ganse landpale was gevestigd,1

  1. gevestigd, Hebr. stond, of stond op. Dat is, kwam en verbleef aan Abraham. Als ook ond. vs.20.

18 Aan Abraham tot een bezitting, voor de ogen van de zonen Heths, bij allen, die tot zijn stadspoort ingingen.1

  1. zijn stadspoort Zie bov. vs.10.

19 En daarna begroef Abraham zijn huisvrouw Sara in de spelonk des akkers van Machpela, tegenover Mamre, hetwelk is Hebron, in het land Kanaän.123

  1. tegenover Hebr. tegen het aangezicht Mamre.
  2. Hebron, Zie bov. vs.2.
  3. in het Hetwelk wel Abraham en zijn zaad door God gegeven was, om te zijner tijd erfelijk te bezitten, maar daar hij vooralsnog een vreemdeling daarin was, heeft hij [gelijk ook andere gelovige voorvaders] begeerd daarin begraven te worden, tot een teken dat zij geloofden de beloftenis Gods, van dit land te zullen bezitten, hetwelk hun een pand was van het hemelse Kanaän.

20 Alzo werd die akker, en de spelonk die daarin was, aan Abraham gevestigd tot een erfbegrafenis van de zonen Heths.

Chapter 24

1 Abraham nu was oud en wel bedaagd; en de Heere had Abraham in alles gezegend.123

  1. oud Zie boven Gen 18:11. Abraham was in dezen tijd omtrent 140 jaren oud; want hij was honderd jaren oud toen Izak geboren werd, boven, Gen 21:5; en Izak was 40 jaren oud, toen hij Rebekka trouwde; onder Gen 25:20.
  2. wel Hebr. gaande in dagen; Zie deze manier van spreken boven, Gen 18:11.
  3. gezegend Zie bov. Gen 12:2.

2 Zo sprak Abraham tot zijn knecht, den oudste van zijn huis, regerende over alles, wat hij had: Leg toch uw hand onder mijn heup,12

  1. den Hebr. den ouden. Versta den verzorger en opperknecht zijns huisgezins, genoemd Eliëzer van Damaskus. Zie boven, Gen 15:2.
  2. Leg Een manier van doen, gebruikelijk in het eedzweren, dat de huisheer van zijn huisvolk vorderde, tot een teken van onderwerping en trouw. Zie ook onder Gen 47:29. Anders heeft men ook in het zweren de handen opgeheven; boven, Gen 14:22; Rev 10:5.

3 Opdat ik u doe zweren bij den Heere, den God des hemels, en den God der aarde, dat gij voor mijn zoon geen vrouw nemen zult van de dochteren der Kanaänieten, in het midden van welke ik woon;1

  1. der Kanaänieten, Hebr. des Kanaänieters. Zie van dezen boven Gen 10:15-16, enz.; van dezen wilde Abraham voor zijn zoon een vrouw hebben, omdat zij gans afgodisch, grote zondaren en buiten het verbond Gods waren. Verg. onder Gen 28:1-2; Exo 34:16; Deu 7:3; Jos 23:12; Ezr 9:1-3; Neh 13:23, Neh 13:25, enz.; 2Co 6:14-15. Van dit recht der ouders in de huwelijken der kinderen in het algemeen, zie boven Gen 6:2 en Gen 21:21.

4 Maar dat gij naar mijn land, en naar mijn maagschap trekken, en voor mijn zoon Izak een vrouw nemen zult.12

  1. mijn land Abrahams vaderland was Ur der Chaldeën, zijnde een gedeelte des gehelen lands, gelegen tussen de rivieren Eufraat en Tigris, waarin Mesopotamië, alwaar Nahor woonde, mede begrepen was.
  2. mijn maagschap Van wie hij tijding ontvangen had, boven Gen 22:20. Deze waren wel door de bijwoning der afgodische ingezetenen ook met afgoderij besmet, gelijk blijkt ond. Gen 31:19, Gen 31:30, Gen 31:32, Gen 31:35, en Jos 24:2, maar niet zo gruwelijk vervallen in afgoderij en andere grove zonden, gelijk de verworpen Kanaänieten. Zie Deu 12:30-31.

5 En die knecht zeide tot hem: Misschien zal die vrouw mij niet willen volgen in dit land; zal ik dan uw zoon moeten wederbrengen in het land, waar gij uitgetogen zijt?1234

  1. En die Hier en in het vervolg blijkt de zonderlinge voorzichtigheid en godvruchtigheid van dezen dienstknecht, die vóór het zweren de mening van zijn heer volkomenlijk begeert te verstaan.
  2. vrouw Versta een jonge dochter, die Izaks vrouw zou worden.
  3. volgen Hebr. Achter mij gaan. Alzo ond. vs.8.
  4. moeten Hebr. wederbrengende wederbrengen. Dit wordt gezegd niet ten aanzien van Izak, die daar nimmer geweest was, maar ten aanzien van Abraham, in wiens lenden Izak in dien tijd besloten was.

6 En Abraham zeide tot hem: Wacht u, dat gij mijn zoon niet weder daarheen brengt!1

  1. Wacht u, Eensdeels, omdat God hem en zijn toekomstig zaad in dit land Kanaän, met belofte van dat te erven, uit Chaldeën geroepen had; anderdeels om het perijkel van afgoderij, waartoe Izak had mogen verleid worden. Hebr. wordt bewaard, of behoed voor u,

7 De Heere, de God des hemels, Die mij uit mijns vaders huis en uit het land mijner maagschap genomen heeft, en Die tot mij gesproken heeft, en Die mij gezworen heeft, zeggende: Aan uw zaad zal Ik dit land geven! Die Zelf zal Zijn Engel voor uw aangezicht zenden, dat gij voor mijn zoon van daar een vrouw neemt.

8 Maar indien de vrouw u niet volgen wil, zo zult gij rein zijn van dezen mijn eed; alleenlijk breng mijn zoon daar niet weder heen.1

  1. rein zijn Dat is, ontslagen en vrij of onschuldig zijn van den eed, dien ik u opleg.

9 Toen legde de knecht zijn hand onder de heup van Abraham, zijn heer, en hij zwoer hem over deze zaak.

10 En die knecht nam tien kemelen van zijns heren kemelen, en toog heen; en al het goed zijns heren was in zijn hand; en hij maakte zich op, en toog heen naar Mesopotamië, naar de stad van Nahor.123

  1. al het Dat is, allerlei nodig en kostbaar goed nam hij met goedvinden van zijn heer mede, zo tot de reis, als tot verering, daar het in deze zaak dienstig zou wezen. Zie vs.54.
  2. Mesopotámië, Hebr. Syrië der twee rivieren; zo genoemd, omdat het gelegen was tussen twee rivieren, Tigris aan het oosten, en Eufraat aan het westen. Zie dezen naam ook Deu 23:4; Jdg 3:8.
  3. stad van Dat is, waar Nahor woonde; zie boven Gen 23:10. Versta de stad Haran, gelijk afgenomen wordt uit Gen 28:10, en Gen 29:4.

11 En hij deed de kemelen nederknielen buiten de stad, bij een waterput, des avondtijds, ten tijde, als de putsters uitkwamen.1

  1. deed de Om te rusten, of te pleisteren, zoals de gewoonte is van beesten wanneer zij vermoeid zijn.

12 En hij zeide: Heere! God van mijn heer Abraham! doe haar mij toch heden ontmoeten, en doe weldadigheid bij Abraham, mijn heer.12

  1. doe haar Te weten, de jonge dochter, of ook, mijn begeerte
  2. mij toch Hebr. voor mijn aangezicht.

13 Zie, ik sta bij de waterfontein, en de dochteren der mannen dezer stad zijn uitgaande om water te putten;

14 Zo geschiede, dat die jonge dochter, tot welke ik zal zeggen: Neig toch uw kruik, dat ik drinke; en zij zal zeggen: Drink, en ik zal ook uw kemelen drenken; diezelve zij, die Gij Uw knecht Izak toegewezen hebt, en dat ik daaraan bekenne, dat Gij weldadigheid bij mijn heer gedaan hebt.12

  1. Zo Dit teken begeert hij niet uit mistrouwen of vermetelheid, maar uit een bijzonder vertrouwen, dat God in hem wrocht, die door zijn beleid dit alles zo geschikt had, gelijk de uitkomst zulks heeft bewezen, zoals in het volgende blijkt; zie dergelijke exempelen Jdg 6:17, 1Sa 14:9-10.
  2. toegewezen Anders, toegeschikt, of voorbereid.

15 En het geschiedde, eer hij geëindigd had te spreken, ziet, zo kwam Rebekka uit, welke aan Bethuël geboren was, de zoon van Milka, de huisvrouw van Nahor, de broeder van Abraham; en zij had haar kruik op haar schouder.

16 En die jonge dochter was zeer schoon van aangezicht, een maagd, en geen man had haar bekend; en zij ging af naar de fontein, en vulde haar kruik, en ging op.12

  1. schoon Hebr. goed; zie boven, Gen 6:2.
  2. geen man Zie deze manier van spreken boven, Gen 19:8.

17 Toen liep die knecht haar tegemoet, en hij zeide: Laat mij toch een weinig waters uit uw kruik drinken.

18 En zij zeide: Drink, mijn heer! en zij haastte zich en liet haar kruik neder op haar hand, en gaf hem te drinken.

19 Als zij nu voleindigd had van hem drinken te geven, zeide zij: Ik zal ook voor uw kemelen putten, totdat zij voleindigd hebben te drinken.

20 En zij haastte zich, en goot haar kruik uit in de drinkbak, en liep weder naar den put om te putten, en zij putte voor al zijn kemelen.

21 En de man ontzette zich over haar, stilzwijgende, om te merken, of de Heere zijn weg voorspoedig gemaakt had, of niet.12

  1. ontzette Te weten, door grote blijdschap en verwondering, ziende dat het teken, hetwelk hij van de Heere verzocht had, zo haastelijk hem voor ogen kwam.
  2. stilzwijgende, Bedenkende bij zichzelven hoe wonderlijk de genadige voorzienigheid Gods zich hier vertoonde, en willende voortaan wel waarnemen of het volgende met dit begin geheel overeenkomen zou.

22 En het geschiedde, als de kemelen voleindigd hadden te drinken, dat die man een gouden voorhoofdsiersel nam, welks gewicht was een halve sikkel, en twee armringen aan haar handen, welker gewicht was tien sikkelen gouds.12345

  1. voorhoofdsiersel Het Hebr. woord betekent hier voorhoofdsiersel, gelijk blijkt onder vs.47, Isa 3:21; Eze 16:12. Somtijds betekent het ook een oorring of oorsiersel, onder, Gen 35:4, en Exo 32:2-3.
  2. een halve Het Hebr. woord wordt verklaard een halven sikkel; Exo 38:26.
  3. sikkel, en Omtrent den zilveren sikkel, zie boven, Gen 20:16. De goudenen de zilveren sikkels hadden beiden een gewicht, de algemene wegende 160 gastkorrels, of een half lood; de heilige nog eens zoveel, namelijk 320 korrels, of een geheel lood. Een lood goud was tienmaal zoveel als een lood zilvers. Een lood zilvers deed een halven rijksdaalder, en bijgevolg een lood gouds vijf rijkdaalders, of twaalf en een halven gulden.
  4. armringen Die men nu gewoonlijk noemt braceletten.
  5. aan haar Versta hierbij, hij gaf die, of legde die aan haar handen, gelijk het woord nemen, in dit vs. gesteld, dikwijls gebruikt wordt, hebbende niet alleen zijn eigen betekenis, maar ook een andere daaronder begrijpende; zie boven, Gen 12:15.

23 Want hij had gezegd: Wiens dochter zijt gij? geef het mij toch te kennen; is er ook ten huize uws vaders plaats voor ons, om te vernachten?1

  1. Want hij Verg. ond. vs.47.

24 En zij had tot hem gezegd: Ik ben de dochter van Bethuël, den zoon van Milka, die zij Nahor gebaard heeft.1

  1. den zoon Dit wordt hier bijgevoegd, opdat de knecht van Abraham zou weten en verstaan, dat zij echt en recht geboren was, uit de wettelijke en principale vrouw, en niet uit het bijwijf Reüna; zie bov., Gen 22:23-24.

25 Voorts had zij tot hem gezegd: Ook is er stro en veel voeders bij ons, ook plaats om te vernachten.

26 Toen neigde die man zijn hoofd, en aanbad den Heere;12

  1. neigde Het Hebr. woord betekent eigenlijk met het hoofd nederwaarts bukken.
  2. aanbad Het Hebr. woord betekent het nederbukken en krommen des gehelen lichaams; hetwelk hierin zich sluit een religieusen en godsdienstigen eerbied tot God; verenigd met aanbidding; zie ook boven Gen 22:5; idem, Psa 66:4; Neh 9:3, enz.

27 En hij zeide: Geloofd zij de Heere, de God van mijn heer Abraham, Die Zijn weldadigheid en waarheid niet nagelaten heeft van mijn heer; aangaande mij, de Heere heeft mij op dezen weg geleid, ten huize van mijns heren broederen.12345

  1. Geloofd Zie boven Gen 14:20.
  2. waarheid De getrouwheid in het houden zijner beloften. Alzo ond. Gen 32:10; Psa 143:1; Isa 38:18-19.
  3. van mijn Hebr. van met, of van bij mijnen heer; versta te bewijzen, of te oefenen.
  4. aangaande Hebr. ik, dat is, wat mij aangaat; alzo wordt het genomen boven Gen 9:9, en Gen 17:4; 1Ch 28:2; Psa 35:13, en Psa 41:13, en elders.
  5. broederen Dat is, magen, bloedvrienden. Zie boven, Gen 13:8, en onder vs.48; Mar 3:31-32.

28 En die jonge dochter liep, en gaf ten huize harer moeder te kennen, gelijk deze zaken waren.

29 En Rebekka had een broeder, wiens naam was Laban; en Laban liep tot dien man naar buiten tot de fontein.

30 En het geschiedde, als hij dat voorhoofdsiersel gezien had, en de armringen aan de handen zijner zuster; en als hij gehoord had de woorden zijner zuster Rebekka, zeggende: Alzo heeft die man tot mij gesproken, zo kwam hij tot dien man, en ziet, hij stond bij de kemelen, bij de fontein.

31 En hij zeide: Kom in, gij, gezegende des Heeren! waarom zoudt gij buiten staan? want ik heb het huis bereid, en de plaats voor de kemelen.12

  1. gij gezegende Een voortreffelijke titel, dien de Israelieten aan Gods voortreffelijke vrienden plachten te geven, beduidende dat God hun welgedaan had, en nog met zijn genade en weldadigheid hun steeds nabij was; zie onder, Gen 26:29; Rth 3:10; Psa 115:15.
  2. bereid, Of, gezuiverd, gereinigd, uitgeruimd, en alles wat in den weg was, weggedaan. Alzo wordt het Hebreeuwse woord genomen Lev 14:36.

32 Toen kwam die man naar het huis toe, en men ontgordde de kemelen, en men gaf den kemelen stro en voeder; en water om zijn voeten te wassen, en de voeten der mannen, die bij hem waren.1

  1. om zijn Zie boven, Gen 18:4, en de aanteek.

33 Daarna werd hem te eten voorgezet ; maar hij zeide: Ik zal niet eten, totdat ik mijn woorden gesproken heb. En hij zeide: Spreek!12

  1. werd hem Hebr. voor zijn aangezicht werd gezet om te eten.
  2. hij zeide Te weten Laban.

34 Toen zeide hij: Ik ben een knecht van Abraham;1

  1. knecht; Zie boven, vs.2.

35 En de Heere heeft mijn heer zeer gezegend, zodat hij groot geworden is; en Hij heeft hem gegeven schapen, en runderen, en zilver, en goud, en knechten, en maagden, en kemelen, en ezelen.1

  1. groot Dat is, rijk en machtig; alzo onder Gen 26:13; 2Ki 4:8.

36 En Sara, de huisvrouw van mijn heer, heeft mijn heer een zoon gebaard, nadat zij oud geworden was; en hij heeft hem gegeven, alles, wat hij heeft.12

  1. nadat zij Hebr. na haar ouderdom; dat is, door een bovennatuurlijke werking des Heeren, waaruit een ongewone zegening, volgens zijn beloftenis, te verwachten is.
  2. hij heeft Dat is, hij heeft hem erfgenaam van alles gemaakt.

37 En mijn heer heeft mij doen zweren, zeggende: Gij zult voor mijn zoon geen vrouw nemen van de dochteren der Kanaänieten, in welker land ik wone;1

  1. Gij zult Zie boven, vs.3.

38 Maar gij zult trekken naar het huis mijns vaders, en naar mijn geslacht, en zult voor mijn zoon een vrouw nemen!1

  1. Maar gij Anders, zult gij niet trekken? of , zo gij niet trekt, enz; waarop dan verstaan moet worden: wee u of, zo doe u God dit of dat. Zie bov. Gen 14:22-23, en Gen 21:23.

39 Toen zeide ik tot mijn heer: Misschien zal mij de vrouw niet volgen.

40 En hij zeide tot mij: De Heere, voor Wiens aangezicht ik gewandeld heb, zal Zijn Engel met u zenden, en Hij zal uw weg voorspoedig maken, dat gij voor mijn zoon een vrouw neemt, uit mijn geslacht en uit mijns vaders huis.1

  1. ik gewandeld Zie boven Gen 17:1.

41 Dan zult gij van mijn eed rein zijn, wanneer gij tot mijn geslacht zult gegaan zijn; en indien zij haar u niet geven, zo zult gij rein zijn van mijn eed.1

  1. eed rein Anders, vloek, of eed van den vloek; dat is, van de straf die ieder, valselijk zwerende, op zich haald.

42 En ik kwam heden aan de fontein; en ik zeide: O, Heere! God van mijn heer Abraham! zo Gij nu mijn weg voorspoedig maken zult, op welke ik ga;

43 Zie, ik sta bij de waterfontein; zo geschiede, dat de maagd, die uitkomen zal om te putten, en tot welke ik zeggen zal: Geef mij toch een weinig waters te drinken uit uw kruik;

44 En zij tot mij zal zeggen: Drink gij ook, en ik zal ook uw kemelen putten; dat deze die vrouw zij, die de Heere aan den zoon van mijn heer heeft toegewezen.

45 Eer ik geëindigd had te spreken in mijn hart, ziet, zo kwam Rebekka uit, en had haar kruik op haar schouder, en zij kwam af tot de fontein en putte; en ik zeide tot haar: Geef mij toch te drinken!

46 Zo haastte zij zich en liet haar kruik van zich neder, en zeide: Drink gij, en ik zal ook uw kemelen drenken; en ik dronk, en zij drenkte ook de kemelen.

47 Toen vraagde ik haar, en zeide: Wiens dochter zijt gij? En zij zeide: De dochter van Bethuël, den zoon van Nahor, welken Milka hem gebaard heeft. Zo leide ik het voorhoofdsiersel op haar aangezicht, en de armringen aan haar handen;1

  1. op haar Of, op haar neus, zodat het van het voorhoofd nederwaarts hing op den neus.

48 En ik neigde mijn hoofd, en aanbad den Heere; en ik loofde den Heere, den God van mijn heer Abraham, Die mij op den rechten weg geleid had, om de dochter des broeders van mijn heer voor zijn zoon te nemen.12

  1. op den Hebr. den weg der waarheid; dat is, den waren of den rechten weg.
  2. broeder Dat is, bloedverwant, want Bethuël was de zoon van Nahor, Abrahams broeders. Zie bov. vs.27.

49 Nu dan, zo gijlieden weldadigheid en trouw aan mijn heer doen zult, geeft het mij te kennen; en zo niet, geeft het mij ook te kennen, opdat ik mij ter rechter hand of ter linkerhand wende.1234

  1. trouw Hebr. waarheid.
  2. doen zult, Hebr. zo gij zijt doende.
  3. opdat ik Dat is, opdat ik mij elders op den enen of op den anderen weg begeven mag, om mijns heren last uit te voeren.
  4. wende Of, omzie ter rechter-, of ter linkerhand.

50 Toen antwoordde Laban, en Bethuël, en zeiden: Van den Heere is deze zaak voortgekomen; wij kunnen kwaad noch goed tot u spreken.123

  1. Laban De zoon wordt hier vóór den vader gesteld, omdat hij, zoals men houdt, van den vader last had het woord te voeren, en het huisbestuur meest bij hem stond, zijnde zijn vader niet alleen dedaasd, maar ook misschien ziekelijk.
  2. Van den Hier blijkt dat bij deze lieden nog enige kennis en vreze van den waren God geweest is; zie hier en vs.51.
  3. kwaad Dat is, wij kunnen er niets in tegenspreken; verg. onder, Gen 31:24-25, Gen 31:29; en 2Sa 13:22.

51 Zie, Rebekka is voor uw aangezicht; neem haar en trek henen; zij zij de vrouw van den zoon uws heren, gelijk de Heere gesproken heeft!1

  1. neem haar Zie boven, vs.3.

52 En het geschiedde, als Abrahams knecht hun woorden hoorde, zo boog hij zich ter aarde voor den Heere.

53 En de knecht langde voort zilveren kleinoden, en gouden kleinoden, en klederen, en hij gaf die aan Rebekka; hij gaf ook aan haar broeder en haar moeder kostelijkheden.12

  1. kleinodiën, Hebr. vaten van zilver, en vaten van goud, dat is, zilverwerk en goudwerk.
  2. kostelijkheden Het Hebr. woord beduidt alles wat uitgelezen en kostelijk is, en in het bijzonder uitgelezen en kostelijke vruchten des lands. Zie Deu 33:13-15; en 2Ch 21:3, en 2Ch 32:23; Ezr 1:6.

54 Toen aten en dronken zij, hij en de mannen, die bij hem waren; en zij vernachtten, en zij stonden des morgens op, en hij zeide: Laat mij trekken tot mijn heer!

55 Toen zeide haar broeder, en haar moeder: Laat de jonge dochter enige dagen, of tien, bij ons blijven; daarna zult gij gaan.12

  1. enige Zie boven, Gen 4:3. Sommigen verstaan door dagen of tien, een vol jaar [hetwelk een jaar der dagen genoemd wordt] of tien maanden. Het woord of wordt ook wel eens verstaan als: immers.
  2. zult gij Anders, zal zij.

56 Maar hij zeide tot hen: Houdt mij niet op, dewijl de Heere mijn weg voorspoedig gemaakt heeft! laat mij trekken, dat ik tot mijn heer ga.

57 Toen zeiden zij: Laat ons de jonge dochter roepen, en haar mond vragen.1

  1. Laat ons Dat is, laat ons horen wat zij van dit haastig vertrek zal zeggen; want zij heeft toegestaan het huwelijk, om den wil van haar ouders en vrienden, en tot een teken daarvan de geschenken ontvangen.

58 En zij riepen Rebekka, en zeiden tot haar: Zult gij met dezen man trekken? En zij antwoordde: Ik zal trekken.

59 Toen lieten zij Rebekka, hun zuster, en haar voedster trekken, mitsgaders Abrahams knecht en zijn mannen.12

  1. hun Versta, hun bloedverwante; want niet alleen Laban haar broeder, maar ook de andere bloedvrienden hebben afscheid van haar genomen, en alzo in het volgende vs.
  2. haar voedster Genaamd Debora: onder, Gen 35:8.

60 En zij zegenden Rebekka, en zeiden tot haar: O, onze zuster! wordt gij tot duizenden millioenen, en uw zaad bezitte de poort zijner haters!1234

  1. zij zegenden Zie bov. Gen 14:19.
  2. word Zij wensen haar dat zij mag worden een moeder van ontelbare mensen; verg. Dan 7:10.
  3. millioenen, Dat is tienduizenden.
  4. uw zaad Zie bov., Gen 22:17.

61 En Rebekka maakte zich op met haar jonge dochteren, en zij reden op kemelen, en volgden den man; en die knecht nam Rebekka, en toog heen.12

  1. jonge Die de vrienden haar tot gezelschap en dienst medegaven.
  2. die knecht Te weten, Abrahams knecht.

62 Izak nu kwam, van daar men komt tot den put Lachai-roi; en hij woonde in het zuiderland.12

  1. den put Zie omtrent dezen put boven, Gen 16:14, en Gen 25:11.
  2. in het In het zuiden van het land Kanaän, omtrent Berseba en Gerar.

63 En Izak was uitgegaan om te bidden in het veld, tegen het naken van den avond; en hij hief zijn ogen op en zag toe, en ziet, de kemelen kwamen!12

  1. te bidden Of, om te denken, om te peinzen, dat is, om zijn zinnen met godzalige gedachten en aanbiddingen voor den Heere te oefenen.
  2. tegen Hebr. tegen, of met het aanzien van den avond, Alzo ook Exo 14:27, tegen, of met het aanzien van den morgenstond, dat is, tegen het naken, enz.

64 Rebekka hief ook haar ogen op, en zij zag Izak; en zij viel van den kemel af.1

  1. zij viel Dat is, zij is haastig afgeklommen, uit ontsteltenis en bedenking of die persoon Izak mocht zijn; tegelijk den knecht daarnaar vragende. Anderen menen dat zij niet afgeklommen is, voordat zij van den knecht verstaan had, dat het Izak was; en in dien zin wordt het volgende vers door sommigen overgezet; want zij had gezegd tot den knecht, enz.

65 En zij zeide tot den knecht: Wie is die man, die ons in het veld tegemoet wandelt? En de knecht zeide: Dat is mijn heer! Toen nam zij den sluier, en bedekte zich.1

  1. bedekte Tot een teken van schaamte en onderwerping.

66 En de knecht vertelde aan Izak al de zaken, die hij gedaan had.

67 En Izak bracht haar in de tent van zijn moeder Sara; en hij nam Rebekka, en zij werd hem ter vrouw, en hij had haar lief. Alzo werd Izak getroost na zijner moeders dood.12

  1. in de Zie bov. Gen 18:10, en Gen 23:2.
  2. na zijner Die nu drie jaren dood was. De langdurigheid van dezen rouw was een teken van zijn liefde jegens zijn moeder.

Chapter 25

1 En Abraham voer voort, en nam een vrouw, wier naam was Ketura.1

  1. voer De zin is, dat hij na den dood van zijn huisvrouw en het trouwen van zijn zoon niet weduwnaar gebleven is; maar is voortgevaren om weder te trouwen.

2 En zij baarde hem Zimran en Joksan, en Medan en Midian, en Jisbak en Suah.1234

  1. zij baarde Hoewel Abraham nu omtrent 140 jaren oud mocht zijn, en zijn lichaam al verstorven was, toen hij honderd jaren oud was, boven Gen 17:17; Rom 4:19; nochtans heeft hij kinderen van deze Ketura gekregen, niet omdat hij weder wonderbaarlijk gesterkt was, evenals toen hij Izak gewon, maar omdat hij de mirakeleuse sterkte behouden had.
  2. Zimran Dezen en de volgenden zijn meest inwoners geweest van Arabië en andere van Kanaän oostwaarts gelegen plaatsen.
  3. Midian, De vader en oorsprong der Midianieten; zie van dezen onder Gen 36:35; Jdg 6:2; Isa 10:26; zij waren naburen van de Moabieten, Num 22:4, en zijn haastig van het geloof van Abraham tot afgoderij vervallen; Num 25:16-18; hun land wordt ook Midian genoemd, Exo 2:16; 1Ki 11:18.
  4. Suah Hebr. Schuah. Van dezen schijnt Bildad, Jobs vriend, afkomstig te zijn geweest, Job 2:11.

3 En Joksan gewon Seba en Dedan; en de zonen van Dedan waren de Assurieten, en Letusieten, en Leummieten.1

  1. Joksan Hebr. Jokschan.

4 En de zonen van Midian waren Efa en Efer, en Henoch en Abida, en Eldaa. Deze allen waren zonen van Ketura.123

  1. Epha Van Epha zie Isa 60:6.
  2. Epher, Men meent dat van dezen Afrika den naam heeft.
  3. zonen Onder de zonen zijn hier mede begrepen de zonen van de zonen.

5 Doch Abraham gaf aan Izak al wat hij had.1

  1. gaf Zie boven, Gen 15:4 en Gen 24:26.

6 Maar aan de zonen der bijwijven, die Abraham had, gaf Abraham geschenken; en zond hen weg van zijn zoon Izak, terwijl hij nog leefde, oostwaarts naar het land van het Oosten.12

  1. bijwijven, Van het woord bijvrouwen, zie boven, Gen 22:24. Versta door deze bijwijven Hagar en Ketura, hoewel zij ook vrouwen genoemd worden.
  2. het land Versta, de landen oostwaarts van Kanaän gelegen, als Arabië en Groot-Azië, enz.

7 Dit nu zijn de dagen der jaren des levens van Abraham, welke hij geleefd heeft, honderd vijf en zeventig jaren.1

  1. honderd vijf en zeventig jaren Hebr. honderd jaar, en zeventig jaar, en vijf jaren. Alzo heeft Abraham, nadat hij van Ur vertrokken was, 105 jaren in vreemdelingenschap geleefd, en kindskinderen van vijftien jaren nagelaten: te weten, Jakob en Ezau, zoals af te nemen is uit vs.26. Intussen is Abraham nimmer bezweken in het geloof aan de beloften Gods, noch in geduld onder velerlei kruis, noch in de hoop der toekomende heerlijkheid, hoewel hij ook exempelen der menselijke zwakheid heeft nagelaten. Hij stierf [naar sommiger rekening] in het jaar na de schepping der wereld 2124, en na den dood zijner huisvrouw Sara 38.

8 En Abraham gaf den geest en stierf, in goeden ouderdom, oud en des levens zat, en hij werd tot zijn volken verzameld.123

  1. ouderdom, Hebr. grijsheid, of grauwheid gelijk God hem beloofd had; bov., Gen 15:15.
  2. zat, Dat is, moede zijnde van den arbeid dezes levens, en verlangende naar de rust des toekomenden.
  3. werd tot Verg. boven Gen 15:15.; idem, zie deze manier van spreken onder, vs.17, en Gen 49:29; Num 20:24, en Num 27:13; Jdg 2:10.

9 En Izak en Ismaël, zijn zonen, begroeven hem, in de spelonk van Machpela, in den akker van Efron, den zoon van Zohar, den Hethiet, welke tegenover Mamre is;1

  1. in den akker Zie boven, Gen 23:9, Gen 23:17, Gen 23:19-20.

10 In den akker, dien Abraham van de zonen Heths gekocht had, daar is Abraham begraven, en Sara, zijn huisvrouw.1

  1. daar is Ook zijn naderhand daar begraven Izak en Jakob, met hun vrouwen; onder, Gen 49:29, Gen 49:31.

11 En het geschiedde na Abrahams dood, dat God Izak, zijn zoon, zegende; en Izak woonde bij den put Lachai-roi.12

  1. zegende; Naar de beloften, die Hij Abraham tevoren gedaan had; boven, Gen 17:7, Gen 17:19.
  2. Lachai-Róï. Zie boven, Gen 16:14, en Gen 24:62.

12 Dit nu zijn de geboorten van Ismaël, den zoon van Abraham, dien Hagar, de Egyptische, dienstmaagd van Sara, Abraham gebaard heeft.1

  1. geboorten Dat is, nakomelingen uit hem geboren. Dit wordt hier verhaald om te bevestigen de waarheid der beloften Gods, gedaan boven, Gen 16:10 en Gen 17:20.

13 En dit zijn de namen der zonen van Ismaël, met hun namen naar hun geboorten. De eerstgeborene van Ismaël, Nabajoth; daarna Kedar, en Adbeel, en Mibsam,1234

  1. hun namen Dat is, zoals zij genaamd worden naar de orde hunner geboorten; men meent dat deze twaalf zonen van Ismael gewoond hebben in het land Nabathea, gelegen tussen de Eufraat en de Rode zee.
  2. Nebájoth; Zie Isa 60:7.
  3. Kedar, Zie Psa 120:5; Son 1:5; Isa 21:16; Jer 49:28; Eze 27:21.
  4. Mibsam, Van een anderen Mibsam, die de zoon van Simeon was, lezen wij 1Ch 4:25.

14 En Misma, en Duma, en Massa,12

  1. Duma, Zie Isa 21:11; het is ook de naam van een stad in den naam van Juda, Jos 15:52.
  2. Massa, Aldus heet ook de plaats aan den berg Horeb, waar het volk Israels met Mozes twistte.

15 Hadar en Thema, Jetur, Nafis en Kedma.1

  1. Thema, Zie Job 6:19; Jer 25:23.

16 Deze zijn de zonen van Ismaël, en dit zijn hun namen, in hun dorpen en paleizen, twaalf vorsten naar hun volken.1

  1. twaalf Dit is de vervulling der belofte, gegeven boven Gen 17:20.

17 En dit zijn de jaren des levens van Ismaël, honderd zeven en dertig jaren; en hij gaf den geest, en stierf, en hij werd verzameld tot zijn volken.1

  1. en hij Zie boven Gen 15:15, en boven, vs.8.

18 En zij woonden van Havila tot Sur toe, hetwelk tegenover Egypte is, daar gij gaat naar Assur; hij heeft zich nedergeslagen voor het aangezicht van al zijn broederen.1234

  1. Havila Zie boven, Gen 2:11, en de aantekening daarop.
  2. Sur Zie boven, Gen 16:7, en Gen 20:1.
  3. hij heeft Te weten, met ter woon. Zie Num 34:2; Jdg 7:12. Hebr. hij is gevallen, te weten, met zijn lot en erf, Jos 23:4; Psa 78:55.
  4. voor het Zie boven, Gen 16:12.

19 Dit nu zijn de geboorten van Izak, den zoon van Abraham: Abraham gewon Izak.1

  1. de geboorten Dat is, afkomst en nakomelingen.

20 En Izak was veertig jaren oud, als hij Rebekka, de dochter van Bethuël, den Syriër, uit Paddan-aram, de zuster van Laban, den Syriër, zich ter vrouw nam.12

  1. veertig jaren Hebr. zoon van veertig jaar.
  2. uit Of, het landschap Mesopotamië boven genoemd Syrië der twee rivieren, Gen 24:10, of een stad, of omtrek aldaar gelegen.

21 En Izak bad den Heere zeer in de tegenwoordigheid van zijn huisvrouw; want zij was onvruchtbaar; en de Heere liet zich van hem verbidden, zodat Rebekka, zijn huisvrouw, zwanger werd.12

  1. bad den Anders, hield aan met bidden. In deze oefening des gebeds schijnt Izak zeer lang geweest te zijn, dewijl hij zijn twee zonen eerst gekregen heeft zestig jaren oud zijnde, onder, vs.26, toen hij twintig jaren met Rebekka was getrouwd geweest, vs.20. Het schijnt een plechtig of bestemd gebed geweest te zijn, hetwelk zij beiden eendrachtiglijk samen gedaan hebben, om God den HEERE kinderen af te bidden. Anderen verstaan dus, dat Izak alleen gebeden heeft voor Rebekka, als hebbende haar voor zich in zijn gedachten.
  2. van hem Hebr. voor, of aan hem, dat is, de HEERE liet zich tot zijn best verbidden.

22 En de kinderen stieten zich samen in haar lichaam. Toen zeide zij: Is het zo? waarom ben ik dus? en zij ging om den Heere te vragen.12345

  1. de kinderen Hebr. zonen.
  2. stieten Te weten, op een ongewoon, zeldzame, smartelijke wijze, betekenende de scheiding en vijandschap dezer twee kinderen en hun nakomelingen.
  3. lichaam Hebr. in het binnenste van haar.
  4. waarom Hebr. waarom ik dus? of waartoe ik dit? Het zijn afgebroken woorden, voortkomende uit ongeduld en ontzetting over dit zeldzame werk. De zin schijnt te zijn: is het zo te doen! waarom mocht ik naar kinderen wensen? of waarom geeft die mij God? of waarom ben ik dragende geweest? of waartoe ben ik nog in het leven?
  5. ging om Te weten, in een eenzame plaats, om den HEERE in dezen nood vuriglijk te bidden; of om zijn mening te verstaan door enigen profeet, zoals Abraham zelf, of enigen anderen nog levenden godzaligen patriarch.

23 En de Heere zeide tot haar: Twee volken zijn in uw buik, en twee natiën zullen zich uit uw ingewand van een scheiden; en het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk; en de meerdere zal den mindere dienen.12345

  1. de HEERE Te weten, door enige tegenwoordige aanspraak, of door een gezicht, of in den droom, of door inwendige ingeving, geschied aan haarzelve, of aan enig profeet, die het haar van Gods wege heeft aangediend.
  2. Twee Dat is, vaders van twee volken, te weten: Edomieten en Israëlieten.
  3. vaneen Hetwelk vervuld is, niet alleen lichamelijk, ten aanzien van Jakob en Ezau, alsook de Israeliëten en Edomieten, maar ook geestelijk, ten aanzien van de ware kerk en het volk Gods en de vijanden derzelve.
  4. het ene De zin is, dat de ene broeder den anderen en het ene volk het andere in macht zouden te boven gaan.
  5. de meerdere Deze woorden verklaren de voorgaande. Versta door den meerderen Ezau, welke, ten aanzien van de eerstgeboorte, van de sterkte des lichaams en van het uiterlijk vermogen, de grootste geweest is; gelijk ook zijn nakomelingen lang het gebergte Seïr bezeten en daarin geregeerd hebben, toen de kinderen Israels vreemdelingen in Kanaän, slaven in Egypte, en arme reizigers in de woestijn waren. Niettemin zou deze meerdere den minderen onderworpen zijn en dienen; hetwelk vervuld is, eerst in Jakob, toen hij, het recht der eerstgeboorte verkregen hebbende, een heer zijns broeders geworden is; daarna in zijn nakomelingen, toen zij het land Kanaän geërf en de Edomieten aan zich cijnsbaar gemaakt hebben; zie 2Sa 8:14. Dit wordt ook vervuld in de ware kerk, welke, hoewel zij naar de uiterlijke heerlijkheid en macht veel geringer is dan de valse, is nochtans Christus door zijn woord en Geest in het midden van haar, over al zijne en hare vjianden heersende.

24 Als nu haar dagen vervuld waren om te baren, ziet, zo waren tweelingen in haar buik.

25 En de eerste kwam uit, ros; hij was geheel als een haren kleed; daarom noemden zij zijn naam Ezau.12

  1. kleed; Het Hebr. woord betekent een overkleed, bijv. een mantel, rok.
  2. Ezau Dat is, gemaakt, volmaakt, omdat hij haar had als een volwassen man.

26 En daarna kwam zijn broeder uit, wiens hand Ezau’s verzenen hield; daarom noemde men zijn naam Jakob. En Izak was zestig jaren oud, als hij hen gewon.123

  1. Jakob Hebr. Jacob. Deze naam betekent zoveel, alsof men zeide: hielhouder; zie onder, Gen 27:36.
  2. was zestig Hebr. een zoon van zestig jaar. Gelijk Abraham honderd jaren oud zijnde, 25 jaren gewacht had naar de vervulling der belofte Gods, boven Gen 12:4; alzo heeft Izak, nu oud zijnde zestig jaren, tevoren twintig jaren moeten wachten op de vervulling dezer belofte. Zo weet God de zijnen te beproeven en te oefenen.
  3. als hij Of, als zij hen baarde, want de tekst kan beide betekenen.

27 Als nu deze jongeren groot werden, werd Ezau een man, verstandig op de jacht, een veldman; maar Jakob werd een oprecht man, wonende in tenten.1234

  1. verstandig Hebr. verstaande de jacht, dat is, jager.
  2. een veldman; Dat is, die liever op het veld dan tehuis was; zie boven, Gen 9:20.
  3. oprecht Zie boven, Gen 6:9.
  4. wonende Dat is, hij leidde een stil leven, zijnde niet woest noch uithuizig, zoals zijn broeder; maar de huislijke zaken en het veewerk verzorgende. Tot beiden dienende de tenten en hutten; zie boven, Gen 4:20, en Heb 11:9.

28 En Izak had Ezau lief; want het wildbraad was naar zijn mond; maar Rebekka had Jakob lief.12

  1. het wildbraad Anders, wildvang, of jachtvang.
  2. was naar Dat is, was hem een aangename spijs, en mondde hem goed. Een menselijke zwakheid in dezen vromen patriarch, dat hij daarom dezen meer beminde, omtrent wien hij Gods mening tevoren klaar genoeg verstaan had.

29 En Jakob had een kooksel gekookt; en Ezau kwam uit het veld, en was moede.1

  1. een kooksel Het Hebreeuwse woord betekent allerlei kooksel, als moes, potaadje, enz., maar onder, vs.34, wordt het genoemd een linzenkooksel.

30 En Ezau zeide tot Jakob: Laat mij toch slorpen van dat rode, dat rode daar, want ik ben moede; daarom heeft men zijn naam genoemd Edom.12

  1. dat rode Het woord wordt verdubbeld, om te tonen zijn onmatige begeerte tot dit kooksel, dat hem zeer schoon en smakelijk toescheen; of omdat het zeer ros was; alzo goed, goed voor; zeer goed, Jdg 11:25; kwaad, kwaad, voor: zeer kwaad, Pro 20:14.
  2. Edom Dat is, rood, eensdeels omdat hij rood was van huid gelijk boven, vs.25, anderdeels, vanwege dit rode kooksel, waarop hij zo verzot was.

31 Toen zeide Jakob: Verkoop mij op dezen dag uw eerstgeboorte.1

  1. eerstgeboorte Dat is, het recht der eerstgeboorte, bestaande <i>I.</i> in de eer en heerschappij over zijn broeders; boven, Gen 4:7, en Gen 49:3; 2Ch 21:3, en Psa 89:28; <i>II.</i> in de dubbel portie van de goederen. Deu 21:17; <i>III.</i> in het recht tot het priesterschap na het overlijden van den huisvader, inzonderheid na het doden der eerstgeborenen in Egypte, totdat het priesterschap op en stam van Levi gekomen is; Num 8:16-19.

32 En Ezau zeide: Zie, ik ga sterven; en waartoe mij dan de eerstgeboorte?12

  1. ik ga Dat is, ik ben toch dagelijks op de jacht in perijkel van den een of den anderen tijd om het leven te geraken; of, ik moet toch eenmaal sterven; wat zal mij dan baten het recht der eerstgeboorte? Sommigen verstaan dat hij spreekt van zijn afgematheid en honger.
  2. waartoe Alzo verwerpt Ezau met een onheilig hart dit groot en treffelijk recht der eerstgeboorte. Zie Heb 12:16, en onder, vs.34.

33 Toen zeide Jakob: Zweer mij op dezen dag! en hij zwoer hem; en hij verkocht aan Jakob zijn eerstgeboorte.1

  1. op dezen Hebr. Als heden.

34 En Jakob gaf aan Ezau brood, en het linzenkooksel; en hij at en dronk, en hij stond op en ging heen; alzo verachtte Ezau de eerstgeboorte.

Chapter 26

1 En er was honger in dat land, behalve den eersten honger, die in de dagen van Abraham geweest was; daarom toog Izak tot Abimelech, de koning der Filistijnen, naar Gerar.1234

  1. in dat Te weten, in het land Kanaän, waar Izak destijds woonde.
  2. in de Zie boven, Gen 12:10.
  3. Abimélech, Zie boven, Gen 20:2. Het is onzeker of deze dezelfde geweest is van wien in het voorgaande hfdst. gesproken is, daar hij dan een zeer groten ouderdom zou moeten gehad hebben. Het schijnt dat hij zijn opvolger in de regering geweest is.
  4. Gerar Zie boven, Gen 10:19, en Gen 20:1.

2 En de Heere verscheen hem en zeide: Trek niet af naar Egypte; woon in het land, dat Ik u aanzeggen zal;12

  1. Trek niet Gelijk gij voorgenomen hebt te doen, naar het exempel uws vaders; boven, Gen 12:10.
  2. u aanzeggen Zie het volgende vers vs.3.

3 Woon als vreemdeling in dat land, en Ik zal met u zijn, en zal u zegenen; want aan u en uw zaad zal Ik al deze landen geven, en Ik zal den eed bevestigen, dien Ik Abraham uw vader gezworen heb.12

  1. al deze Die op het einde van het 15e hoofdstuk verhaald en genoemd worden ( Gen 15:18).
  2. dien Ik Zie boven, Gen 22:16-17.

4 En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde,1

  1. uw zaad Zie de aantekening boven, Gen 22:18.

5 Daarom dat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten.12

  1. Daarom Zie boven, Gen 22:16.
  2. mijn bevel, Hebr. onderhouding, bewaring, waarneming; dat is, wat Ik hem bevolen had te onderhouden; alzo Lev 18:30; Deu 11:1. Men houdt dat deze vier woorden aldus moeten onderscheiden worden: dat het eerste algemeen is, betekenende al hetgeen God bevolen en verordineerd heeft, en de andere drie in het bijzonder op enige dingen onderscheidenlijk betrekking hebben: als, de geboden op de wet der zeden; de inzettingen op de wet der ceremoniën; de wetten op de leer van hetgeen men schuldig is te geloven, enz. Elders worden hier bijgevoegd de rechten, waardoor verstaan worden de burgerlijke wetten; Deu 11:1.

6 Alzo woonde Izak te Gerar.

7 En als de mannen van die plaats hem vraagden van zijn huisvrouw, zeide hij: Zij is mijn zuster; want hij vreesde te zeggen, mijn huisvrouw; opdat mij misschien, zeide hij de mannen dezer plaats niet doden, om Rebekka; want zij was schoon van aangezicht.12

  1. als de Zie soortgelijke exempelen in Abraham; boven Gen 12:13, en Gen 20:2.
  2. zeide hij Dit wordt hier bijgevoegd uit het 9e vs .. Zie dergelijk bijvoegsel, 1Ki 20:34; 2Co 9:6.

8 En het geschiedde, als hij een langen tijd daar geweest was, dat Abimelech, de koning der Filistijnen, ten venster uitkeek, en hij zag, dat, ziet, Izak was jokkende met Rebekka zijn huisvrouw.12

  1. als hij Hebr. Als de dagen hem aldaar verlengd, of lang geworden waren.
  2. jokkende Versta, enige vrije, doch eerlijke gebaarden gebruikende, waaruit de koning kon afnemen, dat zij man en vrouw waren.

9 Toen riep Abimelech Izak, en zeide: Voorwaar, zie, zij is uw huisvrouw! hoe hebt gij dan gezegd: Zij is mijn zuster? En Izak zeide tot hem: Want ik zeide: Dat ik niet misschien om harentwil sterve.1

  1. ik zeide Te weten, bij mijzelven, dat is, ik dacht. Zie boven, Gen 20:11.

10 En Abimelech zeide: Wat is dit, dat gij ons gedaan hebt? Lichtelijk had een van dit volk bij uw huisvrouw gelegen, zodat gij een schuld over ons zoudt gebracht hebben.1

  1. schuld Dat is, een misdaad, die straf verdient. Zie boven Gen 20:9.

11 En Abimelech gebood het ganse volk, zeggende: Zo wie deze man of zijn huisvrouw aanroert, zal voorzeker gedood worden!12

  1. aanroert, Dat is, beschadigt, hetzij met woorden of werken, aan lijf, eer of goed. Aanroeren, voor: beschadigen, wordt ook gebruikt onder, vs.29; Jos 9:19; Rth 2:9; Job 1:11; Psa 105:15; Zec 2:8.
  2. zal voorzeker Hebr. stervende gedood worden, of met den dood gedood worden.

12 En Izak zaaide in datzelve land, en hij vond in datzelve jaar honderd maten; want de Heere zegende hem.12

  1. vond in Dat is, hij kreeg, ontving, bekwam.
  2. honderd Dat is, voor één maat, die hij gezaaid had, kreeg hij honderd maten in den oogst. Het Hebreeuwse woord betekent publieke bekende maten van droge waren.

13 En die man werd groot, ja, hij werd doorgaans groter, totdat hij zeer groot geworden was.12

  1. groot, Dat is, rijk en machtig, gelijk boven, Gen 24:35.
  2. ja hij Hebr. en hij ging gaande en groot wordende; zie zulke manier van spreken boven, Gen 8:3; 2Sa 3:1; Jon 1:11, in de aantekening.

14 En hij had bezitting van schapen, en bezitting van runderen, en groot gezin; zodat hem de Filistijnen benijdden.12

  1. schapen, Dat is, verscheidenheid van klein en groot vee; ze boven, Gen 12:16.
  2. groot Dat is, veel werkvolk en grote bouwerij van akkers, wijngaarden, hoven, boomgaarden. Zie Job 1:3.

15 En al de putten, die de knechten van zijn vader, in de dagen van zijn vader Abraham, gegraven hadden, die stopten de Filistijnen, en vulden dezelve met aarde.12

  1. die zijns Zie boven, Gen 21:25.
  2. met aarde Hebr. met stof.

16 Ook zeide Abimelech tot Izak: Trek van ons; want gij zijt veel machtiger geworden, dan wij.1

  1. van ons Hebr. van met ons.

17 Toen toog Izak van daar, en hij legerde zich in het dal van Gerar, en woonde aldaar.12

  1. legerde Zie gelijke manier van spreken onder, Gen 33:18, en elders.
  2. in het Dat is, in een laag land, een eindwegs van daar gelegen.

18 Als nu Izak wedergekeerd was, groef hij die waterputten op, die zij ten tijde van Abraham, zijn vader, gegraven, en die de Filistijnen na Abrahams dood toegestopt hadden; en hij noemde derzelver namen naar de namen, waarmede zijn vader die genoemd had.1

  1. Als nu Hebr. en Izak keerde weder en groefop. Anders, en Izak groef weder op.

19 De knechten van Izak dan groeven in dat dal, en zij vonden aldaar een put van levend water.1

  1. van levend Dat voortkwam uit verborgen aders, altijd klaar, vers en drinkbaar water opwellende. Verg. Lev 14:5, Lev 14:50, en Lev 15:13; Num 19:17; Son 4:15.

20 En de herders van Gerar twistten met Izaks herders, zeggende: Dit water hoort ons toe! Daarom noemde hij den naam van dien put Esek, omdat zij met hem gekeven hadden.12

  1. hij Te weten, Izak.
  2. Esek, Dat is, twist, gekijf.

21 Toen groeven zij een anderen put, en daar twistten zij ook over; daarom noemde hij deszelfs naam Sitna.1

  1. Sitna Dat is, vijandschap, haat, wederstand. Van hetzelfde Hebreeuwse woord wordt de duivel genoemd Satan, dat is, wederpartijder, hater.

22 En hij brak op van daar, en groef een anderen put, en zij twistten over dien niet; daarom noemde hij deszelfs naam Rehoboth, en zeide: Want nu heeft ons de Heere ruimte gemaakt, en wij zijn gewassen in dit land.12

  1. Rehobôth, Dat is, ruimten, uitbreidingen.
  2. en wij Anders, opdat wij wassen; of, wij zullen wassen.

23 Daarna toog hij van daar op naar Ber-seba.12

  1. vandaar Te weten, uit het dal van Gerar.
  2. Ber-séba. Waar zijn vader langen tijd gewoond had. Zie boven, Gen 21:31-33.

24 En de Heere verscheen hem in denzelven nacht, en zeide: Ik ben de God van Abraham, uw vader; vrees niet; want Ik ben met u; en Ik zal u zegenen, en uw zaad vermenigvuldigen, om Abrahams, Mijns knechts, wil.123456

  1. in dienzelfden Te weten, toen hij eerst te Berseba gekomen was. God de HEERE is niet lang met zijn troost uitgebleven.
  2. Ik ben de Zie boven, Gen 17:7.
  3. uw vader Wien Ik mijn woord en beloften gegeven heb, gelijk hij die ook heeft aangenomen. Zie onder, Gen 31:5, Gen 31:42.
  4. vrees niet Te weten, voor deze Filistijnen. Verg. boven, Gen 15:1.
  5. Ik ben met u; Zie Gen 21:22.
  6. om Abrahams Dat is, niet om zijn verdienste, maar om het verbond, dat Ik met hem gemaakt heb.

25 Toen bouwde hij daar een altaar, en riep den Naam des Heeren aan. En hij sloeg aldaar zijn tent op; en Izaks knechten groeven daar een put.12

  1. bouwde Om daarmee te tonen dat hij geen anderen God eren noch dienen wilde dan den God zijns vaders Abrahams.
  2. riep den Zie boven, Gen 4:26.

26 En Abimelech trok tot hem van Gerar, met Ahuzzat, zijn vriend, en Pichol, zijn krijgsoverste.1

  1. Pichol, Zie boven, Gen 21:22. Dit schijnt een ander geweest te zijn van denzelfden naam. Eenigen menen dat deze naam den krijgsoversten in dat land gemeen is geweest, gelijk de naam Abimélech den koningen.

27 En Izak zeide tot hen: Waarom zijt gij tot mij gekomen, daar gij mij haat, en hebt mij van u weggezonden?1

  1. en hebt Zie boven, vs.16.

28 En zij zeiden: Wij hebben merkelijk gezien, dat de Heere met u is; daarom hebben wij gezegd: Laat toch een eed tussen ons zijn, tussen ons en tussen u, en laat ons een verbond met u maken:123

  1. merkelijk Hebr. ziende gezien.
  2. eed Of, vloek, zie boven, Gen 14:23, en Gen 24:41.
  3. maken Zie boven, Gen 15:10, Gen 15:17-18.

29 Zo gij bij ons kwaad doet, gelijk als wij u niet aangeroerd hebben, en gelijk als wij bij u alleenlijk goed gedaan hebben, en hebben u in vrede laten trekken! Gij zijt nu de gezegende des Heeren!1234

  1. Zo gij Of, zo gij bij ons kwaad doet! naardien wij u niet, enz., naardien wij bij u, enz. Een vorm van eedzweren waarbij de straf verzwegen wordt; zie boven, Gen 14:23.
  2. niet aangeroerd Dat is, niet beschadigd. Zie boven, vs.11. Maar wat Izak integendeel wedervaren is; zie vs.14-16.
  3. in vrede Dat is, wij hebben noch uw persoon, noch uw huisgezin, noch uw goederen beschadigd.
  4. zijt nu Dit is een afgebroken reden. Het schijnt dat zij willen zeggen: dewijl gij zo opmerkelijk door God gezegend zijt, bedenk dan een klein leed niet, dat u wedervaren is.

30 Toen maakte hij hun een maaltijd, en zij aten en dronken.

31 En zij stonden des morgens vroeg op, en zwoeren de een den ander; daarna liet Izak hen gaan, en zij togen van hem in vrede.1

  1. de een Hebr. de man zijn broeder.

32 En het geschiedde ten zelfden dage, dat Izaks knechten kwamen, en boodschapten hem van de zaak des puts, dien zij gegraven hadden, en zij zeiden hem: Wij hebben water gevonden.1

  1. dien zij Zie vs.25.

33 En hij noemde denzelven Seba; daarom is de naam dier stad Ber-seba, tot op dezen dag.123

  1. hij noemde Zie boven, Gen 21:31.
  2. Seba Hebr. Schiba, dat is, eed.
  3. Ber-séba, Dat is, Eed-bron, of put van den eed. Boven, Gen 21:31, wordt gezegd dat het land Ber-séba heet, om den eed, dien Abraham en Abimélech daar elkander deden; maar hier wordt gesproken van een stad in dat land, die ook dezen naam verkregen heeft van den eed van Izak en Abimélech.

34 Als nu Ezau veertig jaren oud was, nam hij tot een vrouw Judith, de dochter van Beëri, den Hethiet, en Basmath, de dochter van Elon, den Hethiet.1234

  1. veertig Hebr. een zoon van veertig jaar; zo oud was ook zijn vader Izak, toen hij trouwde, boven Gen 25:20.
  2. Judith, Hebr. Jehudith. Eenigen menen dat deze dezelfde geweest is, die onder, Gen 36:2, Aholibama genoemd wordt. Zodat zij twee namen gehad zou hebben, gelijk ook haar vader, die hier Beëri, en Gen. 36 Ana geheten wordt. Maar zij kunnen wel onderscheiden vrouwen geweest zijn, daar het blijkt dat Ezau tot het misbruik van meer vrouwen tegelijk te hebben genegen was.
  3. den Hethiet, Ee van de Kanaänietische volken, zie boven, Gen 10:15. Deze huwelijken deed Ezau tegen den dank en den wil van zijn ouders; zie boven, Gen 24:3, en onder, Gen 27:24, en Gen 28:2.
  4. Basmath, Onder, Gen 36:2, genaamd, Ada.

35 En deze waren voor Izak en Rebekka een bitterheid des geestes.1

  1. een bitterheid Ten eerste, om haar gruwelijke afgoderij; ten tweede, om haar kwade, dartele, wereldse, trotse en wederspannige manieren; ten derde, omdat zij afkomstig waren uit een vervloekte natie, die God verderven en uitroeien wilde.

Chapter 27

1 En het geschiedde, als Izak oud geworden was, en zijn ogen donker geworden waren, en hij niet zien kon; toen riep hij Ezau, zijn grootsten zoon, en zeide tot hem: Mijn zoon! En hij zeide tot hem: Zie, hier ben ik!1234

  1. oud Eenigen berekenen dat hij honderd zeven en dertig jaren oud geweest is.
  2. zijn ogen Niet zonder de wonderbare voorzienigheid Gods, die door deze blindheid niet alleen zijn knecht Izak geoefend, maar ook het recht der eerstgeboorte aan Jakob gebracht heeft.
  3. grootsten Dat is, de eerstgeborene.
  4. Zie, Zie boven, Gen 22:1.

2 En hij zeide: Zie nu, ik ben oud geworden, ik weet den dag mijns doods niet.1

  1. ik weet Dat is, zo weinig tijds van leven is mij overig, dat ik niet weet hoe haast mij de dood zal overvallen, alle uur en ogenblik dien verwachtende.

3 Nu dan, neem toch uw gereedschap, uw pijlkoker en uw boog, en ga uit in het veld, en jaag mij een wildbraad;12

  1. pijlkoker Hebr. Hangkoker, of allerlei werktuigen, die omgehangen werden.
  2. jaag mij Hebr. jaag mij een jacht; dat is, vang met jagen enig wild, dat mij ter spijze zij. Alzo onder, vs.5.

4 En maak mij smakelijke spijzen, zo als ik die gaarne heb, en breng ze mij, dat ik ete; opdat mijn ziel u zegene, eer ik sterve.123

  1. smakelijke Of, wat smakelijks.
  2. mijn ziel Dat is, ik, met een oprecht voornemen des gemoeds.
  3. u zegene, Versta dit niet van een algemene zegening, die de ouders aan al hun kinderen bij elke gelegenheid geven kunnen, maar van een bijzondere, zeer uitnemende en statelijke profetische zegening in den vorm van testament ingesteld, om zijn zoon van de geestelijke en lichamelijke beloften, hem en zijn vader gedaan, erfgenaam te verklaren; alzo onder, Gen 28:1.

5 Rebekka nu hoorde toe, als Izak tot zijn zoon Ezau sprak; en Ezau ging in het veld, om een wildbraad te jagen, dat hij het inbracht.

6 Toen sprak Rebekka tot Jakob, haar zoon, zeggende: Zie, ik heb uw vader tot Ezau, uw broeder, horen spreken, zeggende:

7 Breng mij een wildbraad, en maak mij smakelijke spijzen toe, dat ik ete; en ik zal u zegenen voor het aangezicht des Heeren, voor mijn dood.1

  1. voor het Dat is, welke zegening in Gods naam, en als in zijn tegenwoordigheid uitgesproken, en door zijn bestuur bekrachtigd zal worden.

8 Nu dan, mijn zoon! hoor mijn stem in hetgeen ik u gebiede.1

  1. hoor mijn Hoewel Rebekka in dit werk middelen gebruikt, die niet geheel kunnen verontschuldigd worden, nochtans de zaak zelve, dat zij het recht der eerstgeboorte aan Jakob poogde te brengen, kwam met den wil en de verklaring van God overeen; zie boven, Gen 25:23.

9 Ga nu heen tot de kudde, en haal mij van daar twee goede geitenbokjes; en ik zal die voor uw vader maken tot smakelijke spijzen, gelijk als hij gaarne heeft.12

  1. haal mij Hebr. neem; maar het Hebr. woord bevat hier ook in zich het woord brengen, en die twee tezamen zijn zoveel als halen. Zie boven, Gen 12:15.
  2. goede Dat is, vette, wel aangekomen, en in groei toegenomen. Verg. onder, Gen 41:5.

10 En gij zult ze tot uw vader brengen, en hij zal eten, opdat hij u zegene voor zijn dood.

11 Toen zeide Jakob tot Rebekka, zijn moeder: Zie, mijn broeder Ezau is een harig man, en ik ben een glad man.12

  1. harig man, Dat is, ruw van huid.
  2. glad man Dat is, zacht van huid.

12 Misschien zal mij mijn vader betasten, en ik zal in zijn ogen zijn als een bedrieger; zo zoude ik een vloek over mij halen, en niet een zegen.12

  1. als een Hebr. verleider. Het woord als wordt somtijds gebruikt niet voor hetgeen wat schijnt, maar wat inderdaad is. Zie Neh 7:2; Joh 1:14, en 2Co 3:18.
  2. zo zou Verg. Deu 27:18.

13 En zijn moeder zeide tot hem: Uw vloek zij op mij, mijn zoon! hoor alleen naar mijn stem, en ga, haal ze mij.12

  1. Uw vloek Rebekka spreekt zo vrijmoedig, niet uit lichtvaardigheid, maar [zoals het schijnt] uit een zeker vertrouwen op een goede uitkomst, wel bedenkende niet alleen om de klare uitspraak van God, maar ook om het onheilig leven van Ezau, dat het recht der eerstgeboorte niet hem, maar zijn broeder Jakob toekwam.
  2. haal ze Hebr. neem mij, dat is, neem en breng mij, te weten, twee kleine bokjes, gelijk ik bevolen heb. Zie boven, vs.9.

14 Toen ging hij, en hij haalde ze, en bracht ze zijn moeder; en zijn moeder maakte smakelijke spijzen, gelijk als zijn vader gaarne had.

15 Daarna nam Rebekka de kostelijke klederen van Ezau, haar grootsten zoon, die zij bij zich in huis had, en zij trok ze Jakob, haar kleinsten zoon, aan.123

  1. de kostelijke Hebr. begeerlijke klederen, of klederen der begeerlijkheid, dat is, waar men lust en begeerte toe heeft; dat zijn schone en kostelijke klederen.
  2. die zij Dat is, die zij bewaarde in welriekende koffers, gelijk blijkt vs.27.
  3. en zij Dit en het volgende middel, vs.16, dat Rebekka gebruikt om tot haar voornemen te geraken, is wel een soort van bedrog, doch minder berispelijk, omdat het haar bedoeling was haar man uit zijn dwaling op den rechten weg te helpen, den wil van God te volbrengen, en haar zoon Jakob te stellen in de bezitting van hetgeen hem door Gods ordinantie toekwam.

16 En de vellen van de geitenbokjes trok zij over zijn handen, en over de gladdigheid van zijn hals.

17 En zij gaf de smakelijke spijzen, en het brood, welke zij toegemaakt had, in de hand van Jakob, haar zoon.

18 En hij kwam tot zijn vader, en zeide: Mijn vader! En hij zeide: Zie, hier ben ik; wie zijt gij, mijn zoon?

19 En Jakob zeide tot zijn vader: Ik ben Ezau uw eerstgeborene; ik heb gedaan, gelijk als gij tot mij gesproken hadt; sta toch op, zit, en eet van mijn wildbraad, opdat uw ziel mij zegene.12

  1. Ik ben Het is wel prijslijk in Jakob, dat hij het recht der eerstgeboorte in grote waarde houdt en met ernst begeert; maar te misprijzen is de weg, dien hij ingaat, zich met onwaardigheid behelpende. Het eerste was in hem van God, door het geloof aan zijn beloften; het andere van hemzelven, door de zwakheid der verdorven natuur.
  2. mij zegene Zie boven, vs.4.

20 Toen zeide Izak tot zijn zoon: Hoe is dit, dat gij het zo haast gevonden hebt, mijn zoon? En hij zeide: Omdat de Heere uw God dat heeft doen ontmoeten voor mijn aangezicht.1

  1. dat gij Hebr. [Dat] gij zo haast hebt te vinden. Deze woorden kunnen ook aldus vertaald worden; Wat is dit [dat] gij zo haast gevonden hebt? of, hoe hebt gij dat zo haast gevonden?

21 En Izak zeide tot Jakob: Nader toch, dat ik u betaste, mijn zoon! of gij mijn zoon Ezau zelf zijt, of niet.

22 Toen kwam Jakob bij, tot zijn vader Izak, die hem betastte; en hij zeide: De stem is Jakobs stem, maar de handen zijn Ezau’s handen.12

  1. De stem Dat is, zij luidt even alsof het Jakobs stem is.
  2. Ezau's Zo ruw alsof het Ezaus handen waren, zoals deze verklaring gedaan wordt vs.23. Hieruit blijkt dat Izak begon te twijfelen of deze zaak richtig toeging; niettemin is God beleid voortgegaan.

23 Doch hij kende hem niet, omdat zijn handen harig waren, gelijk zijns broeders Ezau’s handen; en hij zegende hem.1

  1. kende hem Merkelijk door een wonderbaar beleid der voorzienigheid Gods, die boven de blindheid der ogen hem laat overkomen een onwetendheid des verstands, waardoor hij voortvaart met de zegening, hoewel hij Jakobs stem kende, en daarom nog twijfelde, gelijk dit blijkt uit het volgende vers.

24 En hij zeide: Zijt gij mijn zoon Ezau zelf? En hij zeide: Ik ben het!

25 Toen zeide hij: Stel het nabij mij, dat ik van het wildbraad mijns zoons ete, opdat mijn ziel u zegene. En hij stelde het nabij hem, en hij at; hij bracht hem ook wijn, en hij dronk.1

  1. wildbraad Te weten, wat gij voor mij gevangen en toebereid hebt.

26 En zijn vader Izak zeide tot hem: Kom toch bij, en kus mij, mijn zoon!1

  1. kus mij, De kus is bij de ouden in zulke statelijke zegeningen gebruikelijk geweest, tot verering en bewijs van goedwilligheid. Zie onder, Gen 48:10.

27 En hij kwam bij, en hij kuste hem; toen rook hij de reuk zijner klederen, en zegende hem; en hij zeide: Zie, de reuk mijns zoons is als de reuk des velds, hetwelk de Heere gezegend heeft.123

  1. de reuk zijner klederen Waardoor hij zich nog meer verzekerde dat Jakob zijn zoon Ezau was; alsof hij zeide: zijn klederen rieken niet naar den stal der beesten, maar naar het lieflijke veld.
  2. de reuk mijns zoons Dat is, de reuk der klederen mijns zoons.
  3. als de reuk des velds Welke meest veroorzaakt wordt door de gematigheid der lucht, de goedheid van het land, en de kostelijken overvloed van allerlei gewas. De zin is: gelijk de goede reuk ener landstreek een teken is van haar schone gelegenheid, kostelijke vruchten en groten overvloed, alzo is de reuk van de klederen mijns zoons mij een teken van zijne en der zijnen toekomende gelukzaligheid, die bij een uitnemende landbouw zal te vergelijken zijn.

28 Zo geve u dan God van den dauw des hemels, en de vettigheid der aarde, en menigte van tarwe en most.123

  1. geve u Dit is niet alleen een wens, maar ook een profetie, die naar de letter niet zozeer in Jakob, als in zijn nakomelingen vervuld zou worden. Niettemin zijn de geestelijke weldaden, daardoor afgebeeld, hem met alle ware gelovigen gemeen geweest.
  2. dauw des Begrijp onder den naam dauw, die in het land Kanaän om de schaarsheid van den regen zeer nodig was, allerlei zegen, die door middel van de lucht en den hemel over het aardrijk komt. Verg. Deu 33:13-14.
  3. vettigheden Dat is, veel goed en kostelijk gewas, uit een goede en vruchtbare landstreek; verg. Deu 8:8, en Deu 32:13-14, en Deu 33:24.

29 Volken zullen u dienen, en natiën zullen zich voor u nederbuigen; wees heer over uw broederen, en de zonen uwer moeder zullen zich voor u nederbuigen! Vervloekt moet hij zijn, wie u vervloekt; en wie u zegent, zij gezegend!123

  1. Volken Deze wens of zegen is voornamelijk vervuld ten tijde van David, Salomo en de koningen van Juda, tot Joram toe. Zie boven, Gen 25:23.
  2. wees heer Gelijk het recht der eerstgeboorte medebrengt. Zie boven, Gen 25:31.
  3. en zo Zie boven, Gen 12:3.

30 En het geschiedde, als Izak voleindigd had Jakob te zegenen, zo geschiedde het, toen Jakob maar even van het aangezicht van zijn vader Izak uitgegaan was, dat Ezau, zijn broeder, van zijn jacht kwam.1

  1. even van Hebr. uitgaande was uitgegaan.

31 Hij nu maakte smakelijke spijzen toe, en bracht die tot zijn vader; en hij zeide tot zijn vader: Mijn vader sta op en ete van het wildbraad zijns zoons, opdat uw ziel mij zegene.

32 En Izak, zijn vader, zeide tot hem: Wie zijt gij? En hij zeide: Ik ben uw zoon, uw eerstgeborene, Ezau.

33 Toen verschrikte Izak met zeer grote verschrikking, gans zeer, en zeide: Wie is hij dan, die het wildbraad gejaagd en tot mij gebracht heeft? en ik heb van alles gegeten, eer gij kwaamt, en heb hem gezegend; ook zal hij gezegend wezen.1

  1. verschrikte Het Hebr. woord betekent zeer grote vrees en schrik, verenigd met sidderen en beven; gelijk onder, Gen 42:28; Exo 19:16, Exo 19:18. Dezen schrik liet God over hem vallen eensdeels om hem te wederhouden van toornigheid tegen Jakob, anderdeels om hem te doen bedenken dat de uitkomst der gegeven zegening was door zijn besluit en eeuwig voornemen. Zie boven, Gen 25:23.

34 Als Ezau de woorden zijns vaders hoorde, zo schreeuwde hij met een groten en bitteren schreeuw, gans zeer; en hij zeide tot zijn vader: Zegen mij, ook mij, mijn vader!1

  1. ook mij, Anders, ik ben ook mijns vaders, of, ik ben ook [uw zoon] mijn vader; alzo vs.38.

35 En hij zeide: Uw broeder is gekomen met bedrog, en heeft uw zegen weggenomen.12

  1. met bedrog, De daad van Jakob noemt Izak wel bedrog, gelijk zij in der waarheid was, maar nu verstond hij redelijk dat hij daarvan de oorzaak was, door zijn voorgaande onverstandigheid; gelijk dit blijkt omdat hij volhardde bij hetgeen, wat hij, bedrogen zijnde, gedaan had. Zie boven, vs.23.
  2. uw zegen Dat is, die u van nature toekwam, en dien ik u meende te geven.

36 Toen zeide hij: Is het niet omdat men zijn naam noemt Jakob, dat hij mij nu twee reizen heeft bedrogen? mijn eerstgeboorte heeft hij genomen, en zie, nu heeft hij mijn zegen genomen! Voorts zeide hij: Hebt gij dan geen zegen voor mij uitbehouden?123

  1. Is het Waarom hij Jakob genoemd is, is te zien boven, Gen 25:26, te weten, omdat hij zijn broeder Ezau bij de verzenen hield in de geboorte; maar Ezau duidt dezen naam, alsof hij hem den voet gezet of gelicht, dat is, verschalkt en bedrogen had, welke betekenis het Hebr. woord ook lijden kan; zie Jer 17:9.
  2. Mijn eerstgeboorte Dit is vals; want hij had deze hem goedsmoeds verkocht. Zie boven Gen 25:32-33.
  3. mijn zegen De zegen behoorde tot het recht der eerstgeboorte. Dewijl hij nu dit verkocht had, zo kwam de zegen hem niet toe.

37 Toen antwoordde Izak, en zeide tot Ezau: Zie, ik heb hem tot een heer over u gezet, en al zijn broeders heb ik hem tot knechten gegeven; en ik heb hem met koorn en most ondersteund; wat zal ik u dan nu doen, mijn zoon?12

  1. broeders Dat is, Ezaus geslacht en nakomelingen.
  2. ondersteund; Dat is, voorzien, gestoffeerd, verzorgd, opdat hij daarvan niet alleen de gemene nooddruft hebbe, maar ook wat hem dienen kan tot bijzondere versterking.

38 En Ezau zeide tot zijn vader: Hebt gij maar dezen enen zegen, mijn vader? Zegen mij, ook mij, mijn vader! En Ezau hief zijn stem op, en weende.1

  1. dezen enen Versta door dezen enen zegen, den voornaamsten, waardoor Jakob was verklaard een erfgenaam van het goddelijk verbond en van het land Kanaän.

39 Toen antwoordde zijn vader Izak en zeide tot hem: Zie, de vettigheden der aarde zullen uw woningen zijn, en van den dauw des hemels van boven af zult gij gezegend zijn.

40 En op uw zwaard zult gij leven, en zult uw broeder dienen; doch het zal geschieden, als gij heersen zult, dan zult gij zijn juk van uw hals afrukken.1234

  1. op uw Dat is, door geweld van wapenen zult gij uw volk, land en middelen moeten voorstaan, en daarom een ongerust leven leiden, in het midden van vele oorlogen.
  2. zult uw Zie boven, Gen 25:23.
  3. juk van Zie 2Sa 8:14.
  4. afrukken Zie de vervulling hiervan 2Ki 8:20-22.

41 En Ezau haatte Jakob om dien zegen, waarmede zijn vader hem gezegend had; en Ezau zeide in zijn hart: De dagen van den rouw mijns vaders naderen, en ik zal mijn broeder Jakob doden.12

  1. haatte Deze haat is overgeërfd op de kinderen en nakomelingen; Eze 35:5; Amo 1:11; Oba 1:10
  2. zeide in Te weten, bij zichzelven. Hoewel hij het niet alleen gedacht heeft, maar ook met woorden of gebaren geopenbaard, aldus dat het ter oren van zijn moeder gekomen is, gelijk blijkt vs.42.

42 Toen aan Rebekka deze woorden van Ezau, haar grootsten zoon, geboodschapt werden, zo zond zij heen, en ontbood Jakob, haar kleinsten zoon, en zeide tot hem: Zie, uw broeder Ezau troost zich over u, dat hij u doden zal.1

  1. Zie, uw Rebekka openbaart haar zoon wat zij verstaan had, aangaande het voornemen van Ezau, om hem tot de reis aan te sporen.

43 Nu dan, mijn zoon! hoor naar mijn stem, en maak u op, vlied gij naar Haran, tot Laban, mijn broeder.12

  1. vlied gij Hebr. vlied u, of voor u. Zie boven, Gen 12:1.
  2. Haran, Zie boven, Gen 11:31.

44 En blijf bij hem enige dagen, totdat de hittige gramschap uws broeders kere;12

  1. enige dagen, Dat is, enigen tijd. Hebr. ene dagen. Alzo ook onder, Gen 29:20.
  2. hittige Het Hebr. woord betekent een heten en brandenden toorn, zoals deze toorn van Ezau was.

45 Totdat de toorn uws broeders van u afkere, en hij vergeten hebbe, hetgeen gij hem gedaan hebt; dan zal ik zenden, en u van daar nemen; waarom zoude ik ook van u beiden beroofd worden op een dag?1

  1. beiden Dat is, van u, indien u Ezau kwam te vermoorden, en van Ezau, indien hij om zijn moord door de overheid gestraft werd, of door enig rechtvaardig oordeel Gods omkwam, of, gelijk Kaïn, van Gods aangezicht verdreven werd.

46 En Rebekka zeide tot Izak: Ik heb verdriet aan mijn leven vanwege de dochteren Heths! Indiën Jakob een vrouw neemt van de dochteren Heths, gelijk deze zijn, van de dochteren dezes lands, waartoe zal mij het leven zijn?1

  1. vanwege Hebr. van, of, voor het aangezicht der dochteren Heths, versta, Ezaus vrouwen. Zie boven, Gen 26:34.

Chapter 28

1 En Izak riep Jakob, en zegende hem; en gebood hem, en zeide tot hem: Neem geen vrouw van de dochteren van Kanaän.1

  1. zegende Dat is, den zegen, dien hij onwetend tevoren gegeven had, heeft hij nu wetens en willens, meer verlicht zijnde, bevestigd; wensende Jakob tevens geluk op zijn reis, gelijk Jos 22:7.

2 Maak u op, ga naar Paddan-aram, ten huize van Bethuël, den vader uwer moeder, en neem u van daar een vrouw, van de dochteren van Laban, uwer moeders broeder.12

  1. Paddan-Aram, Zie boven, Gen 25:20.
  2. Bethuël, Zie boven, Gen 25:22-23.

3 En God almachtig zegene u, en make u vruchtbaar, en vermenigvuldige u, dat gij tot een hoop volken wordt.1

  1. God Zie boven, Gen 17:1, en de aantekening.

4 En Hij geve u den zegen van Abraham; aan u, en uw zaad met u, opdat gij erfelijk bezit het land uwer vreemdelingschappen, hetwelk God aan Abraham gegeven heeft.12

  1. den zegen Dat is, die Abraham beloofd is, boven, Gen 12:3, Gen 12:7, en Gen 15:1, Gen 15:4-5, Gen 15:7 en Gen 17:5-6, Gen 17:8.
  2. uwer Zie boven, Gen 17:8.

5 Alzo zond Izak Jakob weg, dat hij toog naar Paddan-aram, tot Laban, den zoon van Bethuël, den Syriër, den broeder van Rebekka, Jakobs en Ezau’s moeder.1

  1. den Syriër, Hebr. Arameër, of Aramieter.

6 Als nu Ezau zag, dat Izak Jakob gezegend, en hem naar Paddan-aram weggezonden had om zich van daar een vrouw te nemen; en als hij hem zegende, dat hij hem geboden had, zeggende: Neem geen vrouw van de dochteren van Kanaän;

7 En dat Jakob zijn vader en zijn moeder gehoorzaam geweest was, en naar Paddan-aram getrokken was;

8 En dat Ezau zag, dat de dochteren van Kanaän kwaad waren in de ogen van Izak, zijn vader;1

  1. kwaad waren Dat is, onaangenaam of mishagelijk waren; zie boven, Gen 21:11.

9 Zo ging Ezau tot Ismaël, en nam zich tot een vrouw boven zijn vrouwen, Mahalath, de dochter van Ismaël, den zoon van Abraham, de zuster van Nebajoth.123

  1. tot Ismaël, Dat is, tot Ismaels geslacht of nakomelingen; daar Ismael in deze tijd reeds overleden was, zoals sommigen afleiden uit Gen 25:17.
  2. boven zijn Dat is, boven die vrouwen, welke hij tevoren had, die twee waren; boven, Gen 26:34. Deze Mahalath was de derde. Het schijnt dat Ezau dit gedaan heeft, menende zijn vader te behagen, met een vrouw te nemen uit zijn geslacht.
  3. Nebájoth. Ismaels eerstgeboren zoon. Zie boven, Gen 25:13.

10 Jakob dan toog uit van Ber-seba, en ging naar Haran.1

  1. Ber-séba, Zie boven, Gen 21:31.

11 En hij geraakte op een plaats, waar hij vernachtte; want de zon was ondergegaan; en hij nam van de stenen dier plaats, en maakte zijn hoofdpeluw, en leide zich te slapen te dierzelver plaats.12

  1. op een Zie onder, vs.18.
  2. van de Dat is, een van de stenen, gelijk af te nemen is uit vs.18.

12 En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, welker opperste aan den hemel raakte; en ziet, de engelen Gods klommen daarbij op en neder.123

  1. hij droomde; Te weten, een droom, dien God buiten order hem toezond, om hem enige verborgen en heilige zaken te openbaren. Zie ook van zodanige goddelijke openbaring, boven, Gen 20:3.
  2. opperste Hebr. hoofd.
  3. engelen Versta hier, de goede, heilige engelen.

13 En ziet, de Heere stond op dezelve en zeide: Ik ben de Heere, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop gij ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad.12

  1. Ik ben Zie boven, vs.3,4.
  2. uw vader Dat is, bestevaders of grootvaders.

14 En uw zaad zal wezen als het stof der aarde, en gij zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u, en in uw zaad zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.1234

  1. als het Zie boven, Gen 13:16.
  2. gij zult Dat is, krachtiglijk in korten tijd zeer vermenigvuldigd en uitgebreid worden. Alzo ook onder, Gen 30:30; Isa 54:3.
  3. westwaarts Hebr. zeewaarts, of naar de zee; zie boven, Gen 12:8.
  4. en in Zie boven, Gen 12:3, en Gen 22:18.

15 En zie, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal, waarheen gij trekken zult, en Ik zal u wederbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben, hetgeen Ik tot u gesproken heb.12

  1. Ik ben Zie boven, Gen 21:22, en Gen 26:24.
  2. totdat Ik Dat is, nimmermeer; zoals deze manier van spreken dikwijls gebruikt wordt; 2Sa 6:23; Mat 1:25, en Mat 18:34.

16 Toen nu Jakob van zijn slaap ontwaakte, zeide hij: Gewisselijk is de Heere aan deze plaats, en ik heb het niet geweten!12

  1. Gewisselijk Te weten, op een bijzondere wijze, ten aanzien van de voorgaande openbaring; anderszins is God overal.
  2. ik heb Dat is, ik dacht tevoren niet dat mij hier zulk een goddelijke openbaring zou wedervaren.

17 En hij vreesde, en zeide: Hoe vreselijk is deze plaats! Dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poort des hemels!12

  1. vreeslijk Ten aanzien van de heerlijkheid der majesteit Gods, die hier op een bijzondere wijze aan Jakob vertoond was.
  2. een huis Dat is, een plaats, waar God op een bijzondere manier woont, om de mensen door zijn openbaring aan te spreken, en om door hen aangesproken te worden, door hun gebeden en godsdiensten, die van hier, als door een poort, in den hemel opklimmen.

18 Toen stond Jakob des morgens vroeg op, en hij nam dien steen, dien hij tot zijn hoofdpeluw gelegd had, en zette hem tot een opgericht teken, en goot daar olie boven op.123

  1. goot daar Tot een teken dat hij dezen steen heiligde, om in het tegenwoordige zijn dankbaarheid jegens God te bewijzen, en in het toekomende een gedachtenis na te laten, dat God hem hier verschenen was.
  2. olie Deze olie had hij tot zijn eigen nooddruft op de reis medegenomen, om die te gebruiken tot spijs en zalving, naar de gewoonte in die landen. De olie werd ook gebruikt in de offeranden, en wanneer men God iets heiligde. Zie Exo. 29.
  3. boven op Hebr. op zijn hoofd.

19 En hij noemde den naam dier plaats Beth-el; daar toch de naam dier stad te voren was Luz.12

  1. Beth-El; Dat is, een huis Gods. Zie boven, Gen 12:8, en Gen 13:3.
  2. Luz Zie onder, Gen 35:6, en Gen 48:3.

20 En Jakob beloofde een gelofte, zeggende: Wanneer God met mij geweest zal zijn, en mij behoed zal hebben op dezen weg, dien ik reize, en mij gegeven zal hebben brood om te eten, en klederen om aan te trekken;12

  1. beloofde Te weten, begerende van God enige weldaden, waarvoor hij zich verbond tot dankbaarheid.
  2. brood om Zie boven, Gen 3:19.

21 En ik ten huize mijns vaders in vrede zal wedergekeerd zijn; zo zal de Heere mij tot een God zijn!12

  1. in vrede Verg. boven, Gen 26:29.
  2. tot een Dat is, ik zal hem geduriglijk voor den waren God en Zaligmaker erkennen en belijden; en tot dat einde den godsdienst instellen, gelijk volgt.

22 En deze steen, dien ik tot een opgericht teken gezet heb, zal een huis Gods wezen, en van alles, wat Gij mij geven zult, zal ik U voorzeker de tienden geven!12

  1. zal een Dat is, een plaats, welke ik heiligen zal tot den godsdienst voor mij en de mijnen. Verg. boven, vs.17, en zie de vervulling onder, Gen 35:1, Gen 35:3, Gen 35:7.
  2. voorzeker Hebr. ik zal tiendende tienen, dat is, zekerlijk de tienden geven; te weten, tot onderhouding van den godsdienst en tot oefening van alle weldadigheid aan de nooddruftigen. Verg. onder, Gen 35:3, Gen 35:7.

Chapter 29

1 Toen hief Jakob zijn voeten op, en ging naar het land der kinderen van het Oosten.12

  1. hief Door deze manier van spreken wordt te kennen gegeven dat Jakob, door de voorgaande goddelijke toespraak getroost en versterkt zijnde, met lust en vreugde zijn weg reisde.
  2. der kinderen Dat is, van het volk, dat tegen het oosten van Kanaän woonachtig is. Alzo Jdg 6:33; 1Ki 4:30; Job 1:3; Jer 49:28.

2 En hij zag toe, en ziet, er was een put in het veld; en ziet, er waren drie kudden schapen nevens dien nederliggende; want uit dien put drenkten zij de kudden; en er was een grote steen op den mond van dien put.

3 En derwaarts werden al de kudden verzameld, en zij wentelden den steen van den mond des puts, en drenkten de schapen, en legden den steen weder op den mond van dien put, op zijn plaats.

4 Toen zeide Jakob tot hen: Mijn broeders! van waar zijt gij? En zij zeiden: Wij zijn van Haran.1

  1. broeders Verg. boven, Gen 19:7.

5 En hij zeide tot hen: Kent gij Laban, den zoon van Nahor? En zij zeiden: Wij kennen hem.1

  1. zoon van Dat is, zoons zoon.

6 Voorts zeide hij tot hen: Is het wel met hem? En zij zeiden: Het is wel; en zie, Rachel, zijn dochter, komt met de schapen.1

  1. Is het Hebr. is hem vrede? of heeft hij vrede? alzo onder, Gen 43:27; 2Sa 18:32; 2Ki 4:26, enz. Zie van het woord vrede, onder Gen 37:14.

7 En hij zeide: Ziet, het is nog hoog dag, het is geen tijd, dat het vee verzameld worde; drenkt de schapen, en gaat heen, weidt dezelve.1

  1. het is Hebr. het is nog grootdag.

8 Toen zeiden zij: Wij kunnen niet, totdat al de kudden samen zullen vergaderd zijn, en dat men den steen van den mond des puts afwentele, opdat wij de schapen drenken.1

  1. Wij kunnen Hebr. wij zullen niet kunnen. Te weten, om de zwaarheid van den steen, dien wij met ons weinigen niet kunnen afnemen, en om de gewoonte die wij hebben, naar elkander te wachten.

9 Als hij nog met hen sprak, zo kwam Rachel met de schapen, die haar vader toebehoorden; want zij was een herderin.1

  1. zij was Zie dergelijke exempelen Exo 2:16; Son 1:7-8.

10 En het geschiedde, als Jakob Rachel zag, de dochter van Laban, zijner moeders broeder, en de schapen van Laban, zijner moeders broeder, dat Jakob toetrad, en wentelde den steen van den mond des puts, en drenkte de schapen van Laban, zijner moeders broeder.1

  1. wentelde Dat is, hij hielp de herders den steen afwentelen in Rachels plaats. Want alleen kon hij het niet doen. Zie vs.8.

11 En Jakob kuste Rachel; en hij hief zijn stem op en weende.12

  1. kuste Naar het gebruik van die landen, bij manier van groetenis; zo in het komen, gelijk hier vs.13, en onder Gen 33:4; Exo 4:27, en Exo 18:7; als in het scheiden, Rth 1:14; 1Sa 20:41; 1Ki 19:20.
  2. weende Te weten, van blijdschap, omdat hij daar zijn nicht zo bekwamelijk en tijdig ontmoette. Zie van dergelijk wenen ook onder, Gen 33:4.

12 En Jakob gaf Rachel te kennen, dat hij een broeder van haar vader, en dat hij de zoon van Rebekka was. Toen liep zij heen, en gaf het aan haar vader te kennen.1

  1. broeder was Zie boven, Gen 13:8.

13 En het geschiedde, als Laban die tijding hoorde van Jakob, zijner zusters zoon, zo liep hij hem tegemoet, en omhelsde hem, en kuste hem, en bracht hem tot zijn huis. En hij vertelde Laban al deze dingen.12

  1. als Laban Hebr. toen Laban de horing Jakobs hoorde.
  2. al deze Te weten, de oorzaak van zijn reis, en wat hem op den weg bejegend was, hetwelk alles Laban diende te weten, om voor te komen alle kwaad vermoeden van een zo schielijke en slechte aankomst, in vergelijking van Eliëzers aankomst; boven, Gen 24.

14 Toen zeide Laban tot hem: Voorwaar, gij zijt mijn gebeente en mijn vlees! En hij bleef bij hem een volle maand.12

  1. mijn gebeente Dat is, mijn verwant, mijn maagschap. Zie dergelijke manier van spreken boven, Gen 2:23, en Jdg 9:2; 2Sa 19:12-13, en 1Ch 11:1, als ook in het geestelijke, Eph 5:30.
  2. een volle Hebr. een maand der dagen, dat is, een volle maand, of, zoveel dagen als er in een maand gaan. Alzo is een jaar der dagen, onder Gen 41:1, te zeggen een geheel jaar.

15 Daarna zeide Laban tot Jakob: Omdat gij mijn broeder zijt, zoudt gij mij derhalve om niet dienen? verklaar mij, wat zal uw loon zijn?

16 En Laban had twee dochters: de naam der grootste was Lea; en de naam der kleinste was Rachel.12

  1. grootste Dat is, der oudste.
  2. kleinste Dat is, der jongste.

17 Doch Lea had tedere ogen; maar Rachel was schoon van gedaante, en schoon van aangezicht.1

  1. tedere Dat is, zwakke en gebrekkelijke.

18 En Jakob had Rachel lief; en hij zeide: Ik zal u zeven jaren dienen, om Rachel, uw kleinste dochter.1

  1. zeven Jakob biedt aan, een langen tijd te dienen, zowel omdat de gierigheid van zijn oom hem niet onbekend was; alsook omdat hij, Rachel zeer beminnende, begeerde aldus meteen den bruidsschat te betalen, dien de bruidegoms in dien tijd geven moesten; zoals blijkt uit Exo 22:17, en 1Sa 18:25.

19 Toen zeide Laban: Het is beter, dat ik haar aan u geve, dan dat ik haar aan een anderen man geve; blijf bij mij.1

  1. Het is Een twijfelachtig en listig antwoord, gelijk de uitkomst wel geleerd heeft.

20 Alzo diende Jakob om Rachel zeven jaren; en die waren in zijn ogen als enige dagen, omdat hij haar liefhad.1

  1. als enige Hebr. ene dagen. Zie deze manier van spreken ook boven, Gen 27:44. De zin dezer woorden is dat Jakob deze tijd zeer kort viel.

21 Toen zeide Jakob tot Laban: Geef mijn huisvrouw, want mijn dagen zijn vervuld, dat ik tot haar inga.123

  1. mijn huisvrouw, Dat is, mijn ondertrouwde vrouw, uit kracht van het verdrag des huwelijks. Zie dergelijke manier van spreken, Mat 1:18-19, en Luk 2:5.
  2. mijn Te weten, de besproken jaren van mijn dienst.
  3. dat ik Zie boven, Gen 6:4, en Gen 16:2.

22 Zo verzamelde Laban al de mannen dier plaats, en maakte een maaltijd.1

  1. al de Dat is, zeer velen; te weten, al zijn vrienden en goede bekenden, naburen en de aanzienlijksten der stad, volgens de gewoonte; zie Jdg 14:10-11; Joh 2:1-2, enz. en dezen noodde hij in des te meerder getal, opdat Jakob minder zou durven veranderen den snoden vond, dien hij bedacht had om hem te bedriegen.

23 En het geschiedde des avonds, dat hij zijn dochter Lea nam, en bracht haar tot hem; en hij ging tot haar in.1

  1. en bracht Het schijnt uit deze plaats dat het in die tijden gebruikelijk was, dat men de bruid tot den bruidegom in de slaapkamer bracht, bedekt zijnde met een doek of sluier, om haar beschaamdheid; doch onder dezen schijn is Jakob bedrogen.

24 En Laban gaf haar Zilpa, zijn dienstmaagd, aan Lea, zijn dochter, tot een dienstmaagd.1

  1. tot Dit woordje wordt hier ingevoegd uit het volgende vs. (29). Het was in die tijden een gebruik, dat de ouders, hun dochters ten huwelijk uitgevende, een dienstmaagd of andere vrouwelijke persoon medegaven. Zie boven, Gen 24:59.

25 En het geschiedde des morgens, en ziet, het was Lea. Daarom zeide hij tot Laban: Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt; heb ik niet bij u gediend om Rachel? waarom hebt gij mij dan bedrogen?

26 En Laban zeide: Men doet alzo niet te dezer onzer plaatse, dat men de kleinste uitgeve voor de eerstgeborene.12

  1. Men doet Indien dit zo was, zo behoorde Laban dit Jakob tevoren gezegd, en hem zo lelijk niet bedrogen of behandeld te hebben.
  2. de kleine Hebr. de kleine, dat is, de jongste.

27 Vervul de week van deze; dan zullen wij u ook die geven, voor den dienst, dien gij nog andere zeven jaren bij mij dienen zult.12

  1. Vervul Dat is, houd deze zeven dagen van het begonnen bruiloftsfeest met Lea uit; zie een dergelijk exempel van een zevendaagse bruiloft, Jdg 14:12, Jdg 14:15, Jdg 14:17. Sommigen nemen deze week voor een jaarweek.
  2. dan zullen Te weten, na het einde van deze week, zoals volgt, vs.28.

28 En Jakob deed alzo; en hij vervulde de week van deze. Toen gaf hij hem Rachel, zijn dochter, hem tot een vrouw.1

  1. gaf hij Hoewel het schijnt dat deze vrijheid van twee zusters aan één man uit te geven, door menselijke wetten nog niet verboden was; nochtans streed zij tegen de natuur en de wet, daarna door Mozes gegeven, Lev 18:18.

29 En Laban gaf aan zijn dochter Rachel zijn dienstmaagd Bilha, haar tot een dienstmaagd.

30 En hij ging ook in tot Rachel, en had ook Rachel liever dan Lea; en hij diende bij hem nog andere zeven jaren.1

  1. hij ging Jakob laat zich overreden twee vrouwen tegelijk te nemen, dat wel was naar het gebruik van dien tijd, maar niet naar de instelling Gods; boven, Gen 2:24; Mal 2:15. Zie ook de aantekening, Gen 4:19.

31 Toen nu de Heere zag, dat Lea gehaat was, opende Hij haar baarmoeder; maar Rachel was onvruchtbaar.12

  1. gehaat Dat is, dat zij haar man zo lief een aangenaam niet was als Rachel; zie boven, vs.20. Het woord haten wordt somtijds gebruikt voor minder liefhebben. Zie Deu 21:15; Mat 6:24, en Luk 14:26.
  2. opende Dat is, Hij maakte haar vruchtbaar. Zie boven, Gen 20:18.

32 En Lea werd bevrucht, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Ruben; want zij zeide: Omdat de Heere mijn verdrukking heeft aangezien, daarom zal mijn man mij nu liefhebben.12

  1. Ruben; Dat is, zie een zoon, of een zoon des aanziens, alsof zij zeide: zie hoe mij nu God een zoon gegeven heeft in mijn verdrukking, want haar man had haar zo lief niet als haar zuster.
  2. liefhebben Dat is, liever dan tevoren.

33 En zij werd wederom bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Dewijl de Heere gehoord heeft, dat ik gehaat was, zo heeft Hij mij ook dezen gegeven; en zij noemde zijn naam Simeon.1

  1. Simeon Hebr. Schimon. Deze naam komt van een woord, hetwelk betekent horen, of verhoren. Want God verhoorde haar gebed en haar zuchten.

34 En zij werd nog bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Nu zal zich ditmaal mijn man bij mij voegen, dewijl ik hem drie zonen gebaard heb; daarom noemde zij zijn naam Levi.12

  1. hij zijn Te weten, Jakob.
  2. Levi Dat is, toegevoegd of bijvoeging, of mijn bijvoeging. De oorzaak voor dezen naam staat in den tekst.

35 En zij werd wederom bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Ditmaal zal ik den Heere loven; daarom noemde zij zijn naam Juda. En zij hield op van baren.123

  1. loven; Hiervan komt de naam Jehudah, dat is, lof, dankzegging, belijdenis, bekentenis.
  2. Juda Hebr. Jehudah.
  3. hield op Hebr. zij stond van baren; alzo onder, Gen 30:9.

Chapter 30

1 Als nu Rachel zag, dat zij Jakob niet baarde, zo benijdde Rachel haar zuster; en zij zeide tot Jakob: Geef mij kinderen! of indien niet, zo ben ik dood.12

  1. benijdde Of, zij werd jaloers.
  2. zo ben Dat is, zo moet ik sterven van hartzeer. Woorden van menselijke zwakheid, gesproten uit ongeduld; zie deze manier van spreken boven, Gen 20:3.

2 Toen ontstak Jakobs toorn tegen Rachel, en hij zeide: Ben ik dan in plaats van God, Die de vrucht des buiks van u geweerd heeft?12

  1. Ben ik Dat is, ben ik dan almachtig, dat ik u vruchtbaar maken kan? Het is God alleen, die kinderen geven kan. Zie 1Sa 2:5; Psa 113:9, en Psa 127:3. Gelijke woorden spreekt Jozef, onder, Gen 50:19.
  2. vrucht des Dat is, kinderen; Deu 7:13, en Deu 28:4; Psa 132:11; Isa 13:18. Zo wordt ook Christus genoemd ten aanzien van zijn menselijke natuur, Luk 1:42.

3 En zij zeide: Zie, daar is mijn dienstmaagd Bilha, ga tot haar in; dat zij op mijn knieën bare, en ik ook uit haar gebouwd worde.123

  1. En zij Zij volgt liever het exempel van Sara, boven, Gen 16:2, dan het loffelijk exempel van Izak en Rebekka, boven, Gen 25:21.
  2. op mijn Dat is, opdat ik de kinderen, die zij van u krijgt, in mijn schoot ontvange, en voor de mijne houde. Zie gelijke manier van spreken onder, Gen 50:23.
  3. gebouwd Zie deze manier van spreken boven, Gen 16:2.

4 Zo gaf zij hem haar dienstmaagd Bilha tot een vrouw; en Jakob ging tot haar in.1

  1. tot een Zie boven, Gen 16:3.

5 En Bilha werd zwanger, en baarde Jakob een zoon.

6 Toen zeide Rachel: God heeft mij gericht, en ook mijn stem verhoord, en heeft mij een zoon gegeven; daarom noemde zij zijn naam Dan.12

  1. God Dat is, Hij heeft mijn zaak tot mijn voordeel uitgewezen. Zie boven, Gen 15:14.
  2. Dan Dat is, die een zaak uitvoert, terechtwijst of gericht oefent.

7 En Bilha, Rachels dienstmaagd, werd wederom bevrucht, en baarde Jakob den tweeden zoon.

8 Toen zeide Rachel: Ik heb worstelingen Gods met mijn zuster geworsteld; ook heb ik de overhand gehad; en zij noemde zijn naam Nafthali.12

  1. worstelingen Dat is, zeer grote, zware, uitnemende. Zie boven Gen 13:10. De zin is: Ik en mijn zuster hebben [om zo te zeggen] tegen elkander gekampt en gestreden, om kinderen te krijgen. En het is mij gegaan naar mijn wens, boven het vermoeden van mijn zuster; of worstelingen Gods, dat is, met gebeden tot God, waarmede ik tegen mijn zuster geworsteld, en door zijn genade overwonnen heb.
  2. Nafthali Dat is, mijn worsteling.

9 Toen nu Lea zag, dat zij ophield van baren, nam zij ook haar dienstmaagd Zilpa, en gaf die aan Jakob tot een vrouw.1

  1. nam zij Uit een menselijke ontevredenheid zich niet vergenoegende met den voorgaanden zegen.

10 En Zilpa, Lea’s dienstmaagd, baarde Jakob een zoon.

11 Toen zeide Lea: Er komt een hoop! en zij noemde zijn naam Gad.12

  1. er komt Of, daar is een hoop gekomen; dat is, deze zoon, gevoegd bij den voorgaanden, zal een hoop of bende volks uitmaken. In het Hebr. is het een woord, hetwelk uit twee woorden samengevoegd is, alsof men zeide: Hoop komt.
  2. Gad Dat is, hoop, schaar, bende.

12 Daarna baarde Zilpa, Lea’s dienstmaagd, Jakob een tweeden zoon.

13 Toen zeide Lea: Tot mijn geluk! want de dochters zullen mij gelukkig achten; en zij noemde zijn naam Aser.123

  1. Tot mijn Of, met mijn geluk; versta, wordt mij nog deze zoon geboren.
  2. dochters Versta, de vrouwen in het algemeen.
  3. Aser Dat is, gelukkig, of die gelukkig maakt, of geluk aanbrengt.

14 En Ruben ging in de dagen van de tarweoogst, en hij vond Dudaim in het veld, en hij bracht die tot zijn moeder Lea. Toen zeide Rachel tot Lea: Geef mij toch van uws zoons Dudaim.1

  1. dudaïm Dit woord betekent enige lieflijke vruchten of bloemen, zeer aangenaam van reuk, kleur en smaak; welke bij ons doorgaans genoemd worden minnebloemen, of liefdeappelen. Het woord wordt nergens gevonden dan hier, en Son 7:13.

15 En zij zeide tot haar: Is het weinig, dat gij mijn man genomen hebt, dat gij ook mijns zoons Dudaim nemen zult? Toen zeide Rachel: Daarom zal hij dezen nacht voor uws zoons Dudaim bij u liggen.

16 Als nu Jakob des avonds uit het veld kwam, ging Lea uit hem tegemoet, en zeide: Gij zult tot mij inkomen; want ik heb u om loon zekerlijk gehuurd voor mijns zoons Dudaim; en hij lag dien nacht bij haar.1

  1. om loon Hebr. Ik heb u om loon hurende, om loon gehuurd, dat is vastelijk, zekerlijk, uitdrukkelijk. Anders, om bedongen, of bestemd loon heb ik u gehuurd.

17 En God verhoorde Lea; en zij werd bevrucht, en baarde Jakob den vijfden zoon.1

  1. verhoorde Uit genade, niettegenstaande haar menselijke zwakheid en verkeerdheid.

18 Toen zeide Lea: God heeft mijn loon gegeven, nadat ik mijn dienstmaagd aan mijn man gegeven heb; en zij noemde zijn naam Issaschar.12

  1. heeft mijn Dat is, ik houd mij genoeg beloond voor mijns zoons dudaïm, dewijl mij God, nadat ik uit mijn dienstmaagd kinderen gekregen heb, nog daarenboven, buiten mijn verwachting, uit mijn eigen lichaam dezen zoon gegeven heeft. Voor de woorden nadat, hebben anderen omdat.
  2. Issaschar Hebr. Issaschar, dat is, daar is een loon.

19 En Lea werd wederom bevrucht, en zij baarde Jakob den zesden zoon.

20 En Lea zeide: God heeft mij, mij heeft Hij begiftigd met een goede gift; ditmaal zal mijn man mij bijwonen; want ik heb hem zes zonen gebaard; en zij noemde zijn naam Zebulon.12

  1. begiftigd Het Hebreeuwse woord met het volgende gift, wordt in de Heilige Schrift nergens dan hier gevonden. Het gevoelen van de meesten is, dat dit een bijzondere en voortreffelijke gift betekent.
  2. Zebulon Hebr. Zebulun, dat is, woning of bijwoning.

21 En zij baarde daarna een dochter; en zij noemde haar naam Dina.1

  1. Dina Dat is, rechtshandel of gericht.

22 God dacht ook aan Rachel; en God verhoorde haar, en opende haar baarmoeder.12

  1. God dacht Zie boven, Gen 8:1.
  2. opende Zie boven, Gen 20:18.

23 En zij werd bevrucht, en baarde een zoon; en zij zeide: God heeft mijn smaadheid weggenomen!12

  1. smaadheid Die in dien tijd bestond in de onvruchtbaarheid; 1Sa 1:6; Isa 4:1; Luk 1:25, en dat meest om twee redenen.<i>I.</i> Omdat de onvruchtbaren van de belofte aan Abraham gedaan, aangaande de vermenigvuldiging van zijn zaad, schenen uitgesloten te zijn.<i>II.</i> Omdat zij waren buiten de hoop, die zij anders hebben konden, dat de Messias, [die uit het zaad van Abraham voortkomen moest] van hun nakomelingen een zou worden.
  2. weggenomen Hebr. vergaderd, ingetrokken, teruggenomen.

24 En zij noemde zijn naam Jozef, zeggende: De Heere voege mij een anderen zoon daartoe.1

  1. Jozef, Deze naam schijnt te doelen op twee woorden, te weten, het voorgaande wegnemen, en wat hier staat, toevoegen.

25 En het geschiedde, dat Rachel Jozef gebaard had, dat Jakob tot Laban zeide: Laat mij vertrekken, dat ik ga tot mijn plaats, en naar mijn land.1

  1. Jakob Te weten, als de andere zeven jaren van zijn dienst om waren, en hij zijn schoonvader niets meer schuldig was.

26 Geef mijn vrouwen, en mijn kinderen, om welke ik u gediend heb, dat ik vertrek; want gij weet mijn dienst, dien ik u gediend heb.12

  1. om welken Versta dit eigenlijk ten aanzien van de vrouwen.
  2. dien ik Te weten, den tijd van veertien jaren, met groten arbeid en trouw.

27 Toen zeide Laban tot hem: Zo ik nu genade gevonden heb in uw ogen; ik heb waargenomen, dat de Heere mij om uwentwil gezegend heeft.1

  1. genade Zie over deze manier van spreken boven, Gen 18:3. Het is een afgebroken reden in zulke toespraken gebruikelijk, die men aanvullen kan met deze woorden: Zo blijf toch bij mij, en zeg maar het loon, dat gij van mij begeert.

28 Hij zeide dan: Noem mij uitdrukkelijk uw loon, dat ik geven zal.12

  1. mij Hebr. over, of op mij. Hij wil zeggen, leg mij op zulk een loon als gij wilt. Het Hebreeuwse woord betekent: doorsteken, doorboren, hechten, vastzetten, en dienvolgens uitdrukkelijk noemen.
  2. dien ik Of, en ik zal [hem] geven.

29 Toen zeide hij tot hem: Gij weet, hoe ik u gediend heb, en hoe uw vee bij mij geweest is.1

  1. hoe ik Of, welken dienst ik u gedaan heb: en wat uw verovering, of verkrijging door mij geweest is. Dat is, hoe wèl gij u bij mijn dienst bevonden hebt.

30 Want het weinige, dat gij voor mij gehad hebt, dat is tot een menigte uitgebroken; en de Heere heeft u gezegend bij mijn voet; nu dan, wanneer zal ik ook werken voor mijn huis?1234

  1. vóór mij Dat is, vóór mijn komst. Alzo onder, Gen 32:3.
  2. uitgebroken; Zie van de eigenschap van dit woord boven, Gen 28:14.
  3. bij mijn Dat is, nadat ik uw zaken beleid en belopen heb; of sinds ik mijn voet in uw huis gezet heb.
  4. werken Of, wat doen voor mijn huisgezin.

31 En hij zeide: Wat zal ik u geven? Toen zeide Jakob: Gij zult mij niet met al geven, indien gij mij deze zaak doen zult; ik zal wederom uw kudden weiden, en bewaren.12

  1. met al Te weten, geen door u gezet loon, maar wat Gods voorzienigheid mij gunnen en toeschikken zal.
  2. ik zal Ik zal wederkeren, ik zal weiden, enz.

32 Ik zal heden door uw ganse kudde gaan, daarvan afzonderende al het gespikkelde en geplekte vee, en al het bruine vee onder de lammeren, en het geplekte en gespikkelde onder de geiten; en zulks zal mijn loon zijn.12345

  1. gespikkelde Dat is, getekend met kleine stipJes.
  2. geplekte Dat is, met grotere plekken of vlekken.
  3. vee, en Versta, klein vee, als schapen, lammeren, geieten.
  4. bruine Of, brandkleurig. Het Hebreeuwse woord komt van brand, hitte, warmte.
  5. en zulks Dat is, welke uit de eenkleurige beesten, namelijk de geheel witte, die ik weiden zal, gesprenkeld, of geplekt, of bruin zullen geworpen worden, zullen mijn loon zijn.

33 Zo zal mijn gerechtigheid op den dag van morgen met mij betuigen, als gij komen zult over mijn loon, voor uw aangezicht; al wat niet gespikkeld en geplekt is onder de geiten en bruin onder de lammeren, dat zij bij mij gestolen.123

  1. Zo zal Dat is, wanneer gij heden of morgen eens zult komen bezichtigen, wat mij ter beloning toegevallen is, zo zal duidelijk en onwedersprekelijk blijken wat mijn rechtvaardig loon is, of het tegendeel.
  2. morgen Dat is, in den toekomenden tijd. Alzo is dit woord morgen dikwijls in de Heilige Schrift genomen; gelijk Exo 13:14; Deu 6:20; Jos 4:6; Mat 6:34.
  3. als gij Anders, als zij komen zal om mijn loon.

34 Toen zeide Laban: Zie, och ja, het zij naar uw woord!

35 En hij zonderde af ten zelfden dage de gesprenkelde en geplekte bokken en al de gespikkelde en geplekte geiten, al waar wit aan was, en al het bruine onder de lammeren; en hij gaf dezelve in de hand zijner zonen.12

  1. hij zonderde Te weten, Laban
  2. de gesprenkelde Te weten, aan de poten met een ronde streep in de gelijkenis van een band, naar de eigenschap van het woord.

36 En hij stelde een weg van drie dagen tussen hem, en tussen Jakob; en Jakob weidde de overige kudde van Laban.1

  1. een weg Of, drie dagreizen; dat is, de ruimte van drie dagreizen; versta, tussen de kudden van Labans zonen en de anderen, die Jakob weidde; opdat de witte toch niet met de gevlekte of bruine enigszins zouden vermengd worden.

37 Toen nam zich Jakob roeden van groen populierenhout, en van hazelaar, en van kastanje; en hij schilde daarin witte strepen, ontblotende het wit, hetwelk aan die roeden was.123

  1. Toen nam Dit heeft Jakob gedaan door ingeving en regering van God; zie onder, Gen 31:9. Aldus heeft God voor Jakob gezorgd, opdat Laban hem niet ledig naar huis zou laten gaan; zie onder, Gen 31:42.
  2. roeden Of, stokken, of roeden.
  3. groen Of, vers.

38 En hij leide deze roeden, die hij geschild had, in de goten, en in de drinkbakken van het water, waar de kudde kwam drinken, tegenover de kudde; en zij werden verhit, als zij kwamen om te drinken.1

  1. zij werden Dat is, verhit zijnde ontvingen zij.

39 Als dan de kudde verhit werd bij de roeden, zo lammerde de kudde gesprenkelde, gespikkelde, en geplekte.1

  1. gesprenkelde, Te weten, aan de poten, gelijk boven vs.35.

40 Toen scheidde Jakob de lammeren, en hij wendde het gezicht der kudde op het gesprenkelde, en al het bruine onder Labans kudde; en hij stelde zijn kudden alleen, en hij zette ze niet bij de kudde van Laban.12

  1. de lammeren Te weten, die veelkleurig of bruin waren. Dezen liet hij voorgaan; de anderen liet hij volgen, opdat dezen die zouden zien wanneer zij zich paarden.
  2. hij zette Te weten, opdat zij door het aanschouwen daarvan niet haars gelijken, dat is eenkleurigen, zouden voortbrengen.

41 En het geschiedde, telkens als de kudde der vroegelingen verhit werd, zo stelde Jakob de roeden voor de ogen der kudde in de goten, opdat zij hittig werden bij de roeden.1

  1. der vroegelingen Dat is, die in het voorjaar geworpen werden, zijnde, naar de eigenschap van het Hebr. woord, vast, sterk, gebonden van lichaam.

42 Maar als de kudde spade hittig werd, zo stelde hij ze niet, zodat de spadelingen Laban, en de vroegelingen Jakob toekwamen.1

  1. spade hittig Dat is, in het najaar; die zwak en onsterk van lichaam waren.

43 En die man brak gans zeer uit in menigte, en hij had vele kudden, en dienstmaagden, en dienstknechten, en kemelen, en ezelen.12

  1. brak Zie boven, Gen 28:14.
  2. gans zeer Hebr. zeer zeer.

Chapter 31

1 Toen hoorde hij de woorden der zonen van Laban, zeggende: Jakob heeft genomen alles, wat onzes vaders was, en van hetgeen, dat onzes vaders was, heeft hij al deze heerlijkheid gemaakt.1

  1. al deze Dat is, al dezen rijkdom, waaruit eer en heerlijkheid plachten te volgen.

2 Jakob zag ook het aangezicht van Laban aan, en ziet, het was jegens hem niet als gisteren en eergisteren.1

  1. als gisteren Dat is, gelijk te voren. Zo worden deze woorden ook genomen onder, vs.5; Exo 4:10 en Exo 5:7-8, en Exo 21:29; Jos 3:4, Jos 4:18, enz.

3 En de Heere zeide tot Jakob: Keer weder tot het land uwer vaderen, en tot uw maagschap, en Ik zal met u zijn.12

  1. tot het land Dat is, het land Kanaän, hetwelk Ik uw vader Izak en uw grootvader Abraham beloofd heb; hoewel zij in dezen tijd daar niet in hadden dan den akker en de spelonk, waarin Sara begraven was.
  2. Ik zal Zie boven Gen 21:22, en Gen 26:24; idem, onder, Gen 32:9 waar Jakob zelf deze woorden verklaart.

4 Toen zond Jakob heen, en riep Rachel en Lea, op het veld tot zijn kudde;1

  1. op het veld Om zonder verlet van zijn werk, en met meerdere vrijheid te spreken met zijn vrouwen.

5 En hij zeide tot haar: Ik zie het aangezicht uws vaders, dat het jegens mij niet is als gisteren en eergisteren; doch de God mijns vaders is bij mij geweest.12

  1. de God Zie boven, Gen 28:13.
  2. is bij mij Dat is, mij verschenen, en heeft mij bevolen naar mijn land te trekken. Zie onder, vs.13.

6 En gijlieden weet, dat ik met al mijn macht uw vader gediend heb.1

  1. macht uw Zowel des geestes met zorgen, als des lichaams met waken, lopen en slapen. Verg. onder, vs.40, 42.

7 Maar uw vader heeft bedriegelijk met mij gehandeld, en heeft mijn loon tien malen veranderd; doch God heeft hem niet toegelaten, om mij kwaad te doen.12

  1. heeft bedriegelijk Anders, met mij gespot.
  2. tien malen Dat is, dikwijls, alzo wordt het getal tien, voor dikwijls genomen; onder, vs.41; Lev 26:26; Num 14:22; 1Sa 1:8, en Job 19:3.

8 Wanneer hij aldus zeide: De gespikkelde zullen uw loon zijn, zo lammerden al de kudden gespikkelde; en wanneer hij alzo zeide: De gesprenkelde zullen uw loon zijn, zo lammerden al de kudden gesprenkelde.1

  1. Wanneer Merk op, dat het verdrag, hetwelk Jakob met Laban gemaakt had, boven Gen 30:32-33, enz., menigmalen is veranderd door Labans gierigheid; en de verandering verdragen door Jakobs lijdzaamheid.

9 Alzo heeft God uw vader het vee ontrukt, en aan mij gegeven.1

  1. mij gegeven Hieruit blijkt dat dit ganse werk niet gekomen is uit enig bedriegelijk beleid van Jakob, maar door Gods regering.

10 En het geschiedde ten tijde, als de kudde hittig werd, dat ik mijn ogen ophief, en ik zag in den droom; en ziet, de bokken, die de kudden beklommen, waren gesprenkeld, gespikkeld, en hagelvlakkig.123

  1. in den droom; Zie boven, vs.5.
  2. bokken, Anders, rammelaars; dat is, zowel rammen als bokken.
  3. hagelvlekkig Dat is, die plekken hadden naar de grootte en kleur van de gewone hagelstenen, onderscheiden van de geprikkelde, die zwarte stipjes hadden op de witte huid.

11 En de Engel Gods zeide tot mij in den droom: Jakob! En ik zeide: Zie, hier ben ik!1

  1. de engel Versta, den Heere Christus, gelijk blijkt boven, vs.5, en onder, vs.13.

12 En Hij zeide: Hef toch uw ogen op, en zie! alle bokken, die de kudde beklimmen, zijn gesprenkeld, gespikkeld, en hagelvlakkig; want Ik heb gezien alles, wat Laban u doet.

13 Ik ben die God van Beth-el, alwaar gij het opgerichte teken gezalfd hebt, waar gij Mij een gelofte beloofd hebt; nu, maak u op, vertrek uit dit land, en keer weder in het land uwer maagschap.12

  1. God van Dat is, die u te Bethel verschenen ben, en beloofd heb u bij te blijven, u te bewaren, en in Kanaän wederom te brengen.
  2. in het land Zie boven, vs.3, en onder, vs.18.

14 Toen antwoordden Rachel en Lea, en zeiden tot hem: Is er nog voor ons een deel of erfenis, in het huis onzes vaders?1

  1. Is er nog Zij willen zeggen, neen, want hij ook gunt ons het bedongen loon niet, maar heeft dit dikwijls veranderd.

15 Zijn wij niet vreemden van hem geacht? Want hij heeft ons verkocht, en hij heeft ook steeds ons geld verteerd.1234

  1. Zijn wij Hij heeft ons niet als dochters met eerlijke bruidsgift uitgezet, maar als dienstboden voor loon uitgestoten.
  2. hij heeft ons Te weten voor uw dienst van veertien jaren, hetwelk een manier van verkopen was.
  3. hij heeft ook steeds Hebr. gegeten etende; dat is, steeds of doorgaans gegeten.
  4. geld verteerd Zij verstaan door dit geld de vrucht en het gewin van Jakobs dienst, dat Laban haar niet alleen onthouden, maar ook voor zich verteerd heeft, zonder haar daarvan iets mede te delen. In het volgende, verteerd, Hebr. opgegeten.

16 Want al de rijkdom, welke God onzen vader heeft ontrukt, die is onze, en van onze zonen; nu dan, doe alles, wat God tot u gezegd heeft.12

  1. al de rijkdom, Zie boven, vs.9.
  2. zonen; Dat is, kinderen; gelijk elders dikwijls.

17 Toen maakte zich Jakob op, en laadde zijn zonen en zijn vrouwen op kemelen.1

  1. zonen en Of, kinderen.

18 En hij voerde al zijn vee weg, en al zijn have, die hij gewonnen had, het vee, dat hij bezat, hetwelk hij in Paddan-aram geworven had, om te komen tot Izak, zijn vader, naar het land Kanaän.12

  1. het vee Hebr. het vee zijner bezitting.
  2. te Paddan-Aram Zie boven, Gen 25:20.

19 Laban nu was gegaan, om zijn schapen te scheren; zo stal Rachel de terafim, die haar vader had.1

  1. de terafim, Terafim zijn geweest een soort van beelden naar figuur van een mens gemaakt; 1Sa 19:13, 1Sa 19:16, tot afgoden, vs.30, 32, om die van toekomende dingen te vragen; Eze 21:21, en waardoor zij van den duivel antwoord kregen, naar waarheid of naar leugen; Zec 10:2. Van de terafim wordt ook gesproken Jdg 17:5, en Jdg 18:14, Jdg 18:17, Jdg 18:18, Jdg 18:20; 1Sa 15:23; 2Ki 23:24, en Hos 3:4. Deze terafim heeft Laban [hoewel de ware God hem niet onbekend was, boven, Gen 30:27, en in dit hoofdst. vs.24, 29], godsdienstige eer bewezen, willende aldus tezamen God en de afgoden dienen, of de kennis van den waren God gans door afgoderij in ongerechtigheid tenonder houden. Dit is de eerste plaats waar de Heilige Schrift van de afgoden spreekt, alhoewel zij er tevoren lang geweest zijn.

20 En Jakob ontstal zich aan het hart van Laban, den Syriër, overmits hij hem niet te kennen gaf, dat hij vlood.1

  1. ontstal Dat is, hij ging heimelijk en steelsgewijze buiten Labans weten en kennis weg, gelijk de volgende woorden verklaren; ook vs.26,27. In zulk een zin wordt deze manier van spreken ook gebruikt, 2Sa 19:3, maar in een anderen zin wordt zij gevonden 2Sa 15:6. De reden van dit haastig en stil vertrek schijnt geweest te zijn Gods ingeven en uitdrukkelijk bevel, vs.13.

21 En hij vlood, en al wat het zijne was, en hij maakte zich op, en voer over de rivier, en hij zette zijn aangezicht naar het gebergte Gilead.123

  1. de rivier, Te weten, Frath of Eufraat, vloeiende tussen Chaldeën en Kanaän, boven, Gen 2:14, en Gen 15:18, zonder bijvoeging van den eigennaam wordt hij de Rivier genaamd, om zijn grootte en vermaardheid, hier en Exo 23:31; Jos 24:2-3, enz.
  2. zette zijn Of, richtte, of stelde, dat is, hij besloot vastelijk den weg daarheen te nemen; zie Jer 50:5, en Luk 9:51, Luk 9:53.
  3. Gileads Een gebergte, gelegen achter Fenicië over de Jordaan, en grenzende aan het gebergte Libanon. Beneden dezen berg lag een zeer goed land, ook Gilead, of Galaad, genaamd vruchtbaar, en weiland; onder, Gen 37:25; Deu 34:1; Jer 8:22, en Jer 22:6. Dit land werd naderhand den Amorieten afgenomen, en ten dele gegeven aan de stammen van Gad en Ruben, en den halven stam van Manasse. Zie Num 32:1, enz; Deu 3:12-13, Deu 3:15-16; Jos 13:8-11, enz.

22 En ten derden dage werd aan Laban geboodschapt, dat Jakob gevloden was.1

  1. En ten Labans kudde was drie dagreizen van Jakobs kudde gelegen; bov. Gen 30:36.

23 Toen nam hij zijn broeders met zich, en jaagde hem achterna, een weg van zeven dagen, en hij kreeg hem op het gebergte van Gilead.12

  1. broederen Dat is, bloedvrienden; en zo in het volgende.
  2. een weg Dat is, zeven dagreizen. Zie boven, Gen 30:36.

24 Doch God kwam tot Laban, den Syriër, in een droom des nachts, en Hij zeide tot hem: Wacht u, dat gij met Jakob spreekt, noch goed, noch kwaad.123

  1. God kwam Te weten, eer hij Jakob achterhaalde, of bij hem kwam.
  2. in een droom Zie boven, Gen 20:3.
  3. noch goed, Hebr. van het goede tot het kwade, dat is, noch met goede, noch met kwade woorden zult gij hem van zijn reis afbrengen, maar laten hem in zijn reis voortgaan. Verg. boven, Gen 24:50.

25 En Laban achterhaalde Jakob; Jakob nu had zijn tent geslagen op dat gebergte; ook sloeg Laban met zijn broederen de zijne op het gebergte van Gilead.1

  1. geslagen Hebr. vastgemaakt, gehecht.

26 Toen zeide Laban tot Jakob: Wat hebt gij gedaan, dat gij u aan mijn hart ontstolen hebt, en mijn dochteren ontvoerd hebt, als gevangenen met het zwaard?12

  1. u van mijn Zie boven, vs.20.
  2. als gevangenen Dat is, die met geweld en tegen haar wil weggevoerd worden; hetwelk Laban ten onrechte Jakob verwijt. Zie boven, vs.14-16.

27 Waarom zijt gij heimelijk gevloden, en hebt u aan mij ontstolen? en hebt het mij niet aangezegd, dat ik u geleid had met vreugde, en met gezangen, met trommel en met harp?1234

  1. Waarom zijt Hebr. waarom hebt gij u verborgen om te vluchten?
  2. hebt u Dat is, waarom zijt gij steelsgewijze, buiten mijn weten, van mij weggetrokken? Verg. dit met vs.20. Anders, aldus: hebt mij bestolen, of mij gestolen, dat is, het mijne gestolen.
  3. geleid had Zie boven, Gen 18:16.
  4. harp? Zie Gen 4:21.

28 Ook hebt gij mij niet toegelaten mijn zonen en mijn dochteren te kussen; nu, gij hebt dwaselijk gedaan zo doende.1

  1. te kussen; Zie boven, Gen 29:13.

29 Het ware in de macht mijner hand aan ulieden kwaad te doen; maar de God van ulieder vader heeft tot mij gisteren nacht gesproken, zeggende: Wacht u, van met Jakob te spreken, of goed, of kwaad.1

  1. of goed, Zie boven, vs.24.

30 En nu, gij hebt immers willen vertrekken, omdat gij zo zeer begerig waart naar uws vaders huis; waarom hebt gij mijn goden gestolen?123

  1. gij hebt Hebr. gij zijt gaande gegaan.
  2. zozeer Hebr. begerende begeert hebt.
  3. waarom hebt Een grote verblindheid in Laban, dat hij zijn beelden voor goden houdt, die men hem nochtans, naar zijn mening, kon ontstelen; verg. boven, vs.19.

31 Toen antwoordde Jakob, en zeide tot Laban: Omdat ik vreesde; want ik zeide: Opdat gij niet misschien uw dochteren mij ontweldigdet!12

  1. ik zeide Te weten, bij mijzelven, dat is, ik dacht. Zie boven, Gen 20:11. Anders, ik zeide tot mijn huisvrouwen, of tot mijn huisgezin.
  2. mij ontweldigdet Hebr. van met mij.

32 Bij wien gij uw goden vinden zult, laat hem niet leven! Onderken gij voor onze broederen, wat bij mij is, en neem het tot u. Want Jakob wist niet, dat Rachel dezelve gestolen had.12

  1. onderken Hebr. onderken voor u. Zie boven Gen 12:1.
  2. wat bij mij Te weten, van uw goederen.

33 Toen ging Laban in de tent van Jakob, en in de tent van Lea, en in de tent van de beide dienstmaagden, en hij vond niets; en als hij uit de tent van Lea gegaan was, kwam hij in de tent van Rachel.

34 Maar Rachel had de terafim genomen, en zij had die in een kemels zadeltuig gelegd, en zij zat op dezelve. En Laban betastte die ganse tent, en hij vond niets.1

  1. kemelszadeltuig Anders, strooisel.

35 En zij zeide tot haar vader: Dat de toorn niet ontsteke in mijns heren ogen, omdat ik voor uw aangezicht niet kan opstaan; want het gaat mij naar der vrouwen wijze; en hij doorzocht; maar hij vond de terafim niet.12

  1. Dat de toorn Dat is, dat mijn heer niet bevangen worde door gramschap; die zich in de ogen pleegt te openbaren.
  2. het gaat Hebr. mij is der vrouwen weg.

36 Toen ontstak Jakob, en twistte met Laban; en Jakob antwoordde en zeide tot Laban: Wat is mijn overtreding, wat is mijn zonde, dat gij mij zo hittiglijk hebt nagejaagd?1

  1. dat gij mij Hebr. dat gij gebrand hebt achter mij, het woord betekent dikwijls iemand met een brandend, heftig, grimmig en vijandig gemoed vervolgen, gelijk 1Sa 17:53; Psa 10:2, Lam 4:19.

37 Als gij al mijn huisraad betast hebt, wat hebt gij gevonden van al het huisraad uws huizes! Leg het hier voor mijn broederen en uw broederen, en laat hen richten tussen ons beiden.1

  1. al mijn Hebr. Al mijn vaten, en zo straks, van al de vaten van uw huis.

38 Deze twintig jaren ben ik bij u geweest; uw ooien en uw geiten hebben niet misdragen, en de rammen uwer kudde heb ik niet gegeten.

39 Het verscheurde heb ik tot u niet gebracht; ik heb het geboet; gij hebt het van mijn hand geëist, het ware des daags gestolen, of des nachts gestolen.1

  1. ik heb het Dat Jakob Laban heeft moeten vergoeden wat de wilde beesten verscheurd hadden, was onbillijk en tegen de wet; Exo 22:13.

40 Ik ben geweest, dat mij bij dag de hitte verteerde, en bij nacht de vorst, en dat mijn slaap van mijn ogen week.1

  1. week Anders, vluchtte, of vlood, dezelfde manier van spreken vindt men ook Est 6:1.

41 Ik ben nu twintig jaren in uw huis geweest; ik heb u veertien jaren gediend om uw beide dochteren, en zes jaren om uw kudde; en gij hebt mijn loon tien malen veranderd.123

  1. Ik ben nu Hebr. dit zijn mijn twintig jaren in uw huis.
  2. om uw kudde; Dat is, om zulk een gedeelte der kudde als mij, volgens ons verdrag, ten loon zou vallen.
  3. gij hebt Zie boven, vs.7.

42 Ten ware de God van mijn vader, de God van Abraham, en de Vreze van Izak, bij mij geweest was, zekerlijk, gij zoudt mij nu ledig weggezonden hebben! God heeft mijn ellende, en den arbeid mijner handen aangezien, en heeft u gisteren nacht bestraft.12

  1. de vreze Dat is, God, die mijn vader Izak met groten eerbied en godvruchtigheid dient. Alzo wordt God genoemd onze vreze, Isa 8:13, omdat Hij met een kinderlijke vreze door ons gevreesd moet zijn.
  2. aangezien, Het zien van God betekent zijn tegenwoordige weldaad, gelijk boven, Gen 16:13, en Gen 29:32; Exo 3:7, Exo 3:9; Psa 31:8, en hier; of zijn straf, boven, Gen 11:5; 1Ch 12:17, enz.

43 Toen antwoordde Laban en zeide tot Jakob: Deze dochters zijn mijn dochters, en deze zonen zijn mijn zonen, en deze kudde is mijn kudde, ja, al wat gij ziet, dat is mijn; en wat zoude ik aan deze mijn dochteren heden doen? of aan haar zonen, die zij gebaard hebben?12

  1. wat zou ik Dat is, hoe zou ik daartoe komen, dat ik haar kwaad zou doen, daar het mijn eigen vlees en bloed is; hij gelaat zich vriendschap te zoeken, ziende dat hij niet vermocht Jakob en de zijnen enig leed aan te doen. Dit was het beleid des Heeren, die Laban tot dat einde verschenen was.
  2. zonen, die zij Anders, kinderen.

44 Nu dan, kom, laat ons een verbond maken, ik en gij, dat het tot een getuigenis zij tussen mij en tussen u!1

  1. maken, ik Zie boven, Gen 15:18.

45 Toen nam Jakob een steen, en hij verhoogde dien tot een opgericht teken.1

  1. Toen nam Daarmede tonende dat hij alle klachten laat varen, en gewillig was het verbond aan te gaan.

46 En Jakob zeide tot zijn broederen: Vergadert stenen! En zij namen stenen, en maakten een hoop; en zij aten aldaar op dien hoop.12

  1. zijn broederen Dat is, bloedverwanten, vrienden. Zie boven, vs.32, 37, en onder, vs.54.
  2. zij aten aldaar Te weten, na het maken en bevestigen van het verbond.

47 En Laban noemde hem Jegar-sahadutha; maar Jakob noemde denzelven Gilead.12

  1. Jegar-Sahadutha; Dat is, in de Syrische taal, die Laban sprak, een hoop van getuigenis, betekenende het verbond, dat zij daar met elkander maakten.
  2. Gilead Hebr. Gales; deze naam betekent even hetzelfde in het Hebr. wat de voorgaande in het Syrisch betekent; want Jakob, die een Hebreër was, wilde ook in zijn spraak aan dezen steenhoop een naam geven.

48 Toen zeide Laban: Deze hoop zij heden een getuige tussen mij en tussen u! Daarom noemde men zijn naam Gilead,1

  1. Gilead Zodat deze naam, die Jakob in het Hebr. gegeven had, deze berg en het omliggende land bijgebleven is; gelijk hij ook tevoren door Mozes daarom aldus is genoemd; boven, vs.21, 23.

49 En Mizpa; omdat hij zeide: Dat de Heere opzicht neme tussen mij en tussen u, wanneer wij de een van den ander zullen verborgen zijn!12

  1. Mispa; Hebr. Mitspah, dat is, opzicht of toezichtplaats, of wachtplaats; omdat God [zoals volgt] de wacht en het toezicht zou hebben over het gemaakte verbond.
  2. de een van Hebr. de man van zijn naasten, of, vriend; dat is, wanneer wij nu zo ver van elkander zullen gescheiden zijn.

50 Zo gij mijn dochteren beledigt, en zo gij vrouwen neemt boven mijn dochteren, niemand is bij ons; zie toe, God zal getuige zijn tussen mij en tussen u!12

  1. beledigt, Of, verdrukt.
  2. niemand is Dat is, er is niemand vreemds bij ons, die getuige kan zijn, en den overtreder straffen. Anders, niemand zal bij ons zijn, te weten, als wij van elkander zullen gescheiden zijn, dan God, enz.

51 Laban zeide voorts tot Jakob: Zie, daar is deze zelfde hoop, en zie, daar is dit opgericht teken, hetwelk ik opgeworpen heb tussen mij en tussen u;

52 Deze zelfde hoop zij getuige, en dit opgericht teken zij getuige, dat ik tot u voorbij dezen hoop niet komen zal, en dat gij tot mij, voorbij dezen hoop en dit opgericht teken, niet komen zult ten kwade!1

  1. dat ik tot Anders, indien ik, te weten, mij verongelijkt mocht houden en voorbij passeren, dat ik het niet doen zal in vijandschap, maar in het vriendelijke; en gij insgelijks. Of anders aldus: indien ik het ben, die hier passeren zal na u, dat ik het niet ten kwade zal doen, noch gij van gelijken.

53 De God van Abraham, en de God van Nahor, de God huns vaders richte tussen ons! En Jakob zwoer bij de Vreze zijn vaders Izaks.12

  1. De God Abrahams, Hij vermengt den God Abrahams, die de enige ware God is, met de afgoden, die Terah, Nahor, en Abraham zelfs vóór zijn bekering, in Chaldea gediend hadden, Jos 24:2; niet alleen om zich wat naar Jakob te voegen, maar ook als een afgodisch huichelaar, aan beide zijden te hinken. Anderen verstaan dat Laban op afgodische wijze aldus gesproken heeft; de goden Abrahams, en de goden Nahors, en de goden huns vaders, enz., met welke woorden Laban aan Jakob verwijt dat hij van de religie zijner voorvaders was afgetreden; en dat hier tegen gesteld wordt Jakobs eed, dien hij doet bij den waren God alleen.
  2. bij de vreze Zie boven, vs.42.

54 Toen slachtte Jakob een slachting op dat gebergte, en hij nodigde zijn broederen, om brood te eten; en zij aten brood, en vernachtten op dat gebergte.12

  1. slachtte Jakob Te weten, slachtbeesten tot een vrolijken maaltijd. Het Hebreeuwse woord betekent wel offeren, maar ook slachten tot een maaltijd; gelijk 1Sa 28:24; 1Ki 1:9; 2Ch 18:2, enz.
  2. brood te Dat is, om den maaltijd te houden. Zie onder, Gen 37:25; Exo 18:12; 2Ki 6:22, en Luk 14:1, enz.

55 En Laban stond des morgens vroeg op, en kuste zijn zonen, en zijn dochteren, en zegende hen; en Laban trok heen, en keerde weder tot zijn plaats.12

  1. kuste zijn Zie boven, Gen 29:11.
  2. zegende hen; Dat is, hij wenste hun in het afscheid alle geluk en welvaart; gelijk dit gebruikelijk was wanneer de mensen elkander groetten, niet alleen bij het vertrekken, maar ook bij het komen. Zie onder, Gen 47:7, Gen 47:10; Rth 2:4; 1Sa 13:10; 2Sa 8:10.

Chapter 32

1 Jakob toog ook zijns weegs; en de engelen Gods ontmoetten hem.1

  1. engelen Om Jakob van Gods tegenwoordigheid en bijstand te meer te verzekeren.

2 En Jakob zeide, met dat hij hen zag: Dit is een heirleger Gods! en hij noemde den naam derzelver plaats Mahanaim.1

  1. Mahanáïm. Dat is, twee heirlegers, of een dubbel heirleger, hetzij dat de engelen zich verdeeld hebben in twee legers, om Jakob tussen beide te laten passeren, of omdat er een leger was, bestaande uit engelen, en een ander, bestaande uit Jakobs huisgezin. Te dezer plaatse is naderhand een stad geweest, die Mahanaïm heette, Jos 13:26, en Jos 21:38.

3 En Jakob zond boden uit voor zijn aangezicht tot Ezau, zijn broeder, naar het land Seir, de landstreek van Edom.123

  1. voor zijn Dat is, vóór zijn aankomst, of eer hij daar komen zou, te weten, om den weg te bereiden tot de gunst zijns broeders. Dergelijke manier van spreken hebben wij Mal 3:1; Mat 11:10; Luk 9:52; en Luk 10:1.
  2. Seïr, Zie boven, Gen 14:6.
  3. van Edom Het landschap Idumea, aan het zuidelijke einde van Judea palende, hebbende zijn naam van Ezau, die ook Edom genoemd wordt, boven, Gen 25:30, en nu woonde in dit land, onder, Gen 36:8, hebbende de vroegere inwoners, te weten de Horieten, daaruit verdreven, Deu 2:12-22.

4 En hij gebood hun, zeggende: Zo zult gij zeggen tot mijn heer, tot Ezau: Zo zegt Jakob, uw knecht: Ik heb als vreemdeling gewoond bij Laban, en heb er tot nu toe vertoefd;1

  1. mijn heer, Hoewel Jakob door het recht der eerstgeboorte een heer was van Ezau, boven, Gen 27:29, nochtans noemt hij zich aldus met behoud van zijn recht, om te beter in zijn gunst en vriendschap door deze vernedering te geraken; te meer, omdat hij nog niet terstond op de bezitting van zijn recht, hetwelk zag op den toekomstigen tijd, gesteld was. Zo deed ook David jegens Saul, 1Sa 24:7, 1Sa 24:9, en 1Sa 26.

5 En ik heb ossen en ezelen, schapen en knechten en maagden; en ik heb gezonden om mijn heer aan te zeggen, opdat ik genade vinde in uw ogen.12

  1. aan te Te weten, van mijn aankomst en gelegenheid.
  2. opdat ik Zie boven, Gen 18:3. Hij verzoekt vriendschap, eensdeels om vergetenheid van alle voorgaande onmin; anderdeels om met vrede door het land te mogen trekken.

6 En de boden kwamen weder tot Jakob, zeggende: Wij zijn gekomen tot uw broeder, tot Ezau; en ook trekt hij u tegemoet, en vierhonderd mannen met hem.1

  1. vierhonderd Zonder twijfel gewapend, gelijk af te nemen is uit vs.8, 11.

7 Toen vreesde Jakob zeer, en hem was bange; en hij verdeelde het volk, dat met hem was, en de schapen, en de runderen, en de kemels, in twee heiren;1

  1. Toen vreesde Uit menselijke zwakheid; te weten, omdat de bode geen andere tijding van Ezau bracht, dan dat hij hem met 400 mannen tegemoet kwam, zonder enig ander bescheid.

8 Want hij zeide: Indiën Ezau op het ene heir komt, en slaat het, zo zal het overgeblevene heir ontkomen.1

  1. ontkomen Hebr. zal zijn tot ontkoming, of behoud.

9 Voorts zeide Jakob: O, God mijns vaders Abrahams, en God mijns vaders Izaks, o Heere! Die tot mij gezegd hebt: Keer weder tot uw land, en tot uw maagschap, en Ik zal wel bij u doen!12

  1. O, God mijns Jakob benauwd zijnde, roept het heirleger der engelen, hetwelk hij gezien had, niet aan, maar alleen den waren God.
  2. vaders Abrahams, Dat is, grootvaders.

10 Ik ben geringer dan al deze weldadigheden, en dan al deze trouw, die Gij aan Uw knecht gedaan hebt; want ik ben met mijn staf over deze Jordaan gegaan, en nu ben ik tot twee heiren geworden!1234

  1. Ik ben geringer Dat is, ik ben geenszins waardig het goede, wat Gij mij vroeger gedaan hebt, ook niet datgene wat ik nu begeer, maar steun alleen op uw genade, en niet op mijn waardigheid of verdiensten.
  2. trouw, die Hebr. waarheid. Zie boven, Gen 24:27.
  3. staf over Versta, een wandelstaf; hiermede geeft Jakob zijn armoede te kennen.
  4. Jordaan Zie boven, Gen 13:10.

11 Ruk mij toch uit mijns broeders hand, uit Ezau’s hand; want ik vreze hem, dat hij niet misschien kome, en mij sla, de moeder met de zonen!1

  1. met de zonen Of, op de zonen. Een manier van spreken, die levendig uitdrukt hetgeen moeders doen, die de kinderen, in nood zijnde, met haar eigen lichaam en leven zoeken te beschermen, en alzo door de tirannen en met de kinderen tezamen worden omgebracht. Zie Hos 10:14.

12 Gij hebt immers gezegd: Ik zal gewisselijk bij u weldoen, en Ik zal uw zaad stellen als het zand der zee, dat vanwege de menigte niet geteld kan worden!1

  1. gewisselijk Hebr. ik zal weldoende weldoen.

13 En hij vernachtte aldaar dienzelfden nacht; en hij nam van hetgeen, dat hem in zijn hand kwam, een geschenk voor Ezau zijn broeder;1

  1. hij nam Dat is, hij nam in de haast uit al zijn vee tot een verering voor zijn broeder; daar eensdeels de nacht, anderdeels de vrees voor het aanstaande perijkel hem niet toelieten een grote keus te doen. Anders, van hetgeen wat in zijn vermogen gekomen was; dat is, wat hij verworven had en vermocht.

14 Tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen;

15 Dertig zogende kemelinnen met haar veulens, veertig koeien en tien varren, twintig ezelinnen en tien jonge ezels.12

  1. veulens, Hebr. zonen.
  2. tien jonge Of, ezelveulens.

16 En hij gaf die in de hand zijner knechten, elke kudde bijzonder; en hij zeide tot zijn knechten: Gaat gijlieden door, voor mijn aangezicht, en stelt ruimte tussen kudde en tussen kudde.123

  1. gaf die Een zeer treffelijk geschenk van zoveel honderd beesten, grote en kleine, van bijzondere soorten, die hedendaags een grote som gelds bedragen zouden.
  2. elke kudde Hebr. kudde kudde voor zich alleen. Zie deze manier van spreken boven, Gen 7:2.
  3. ruimte Hebr. eigenl. ademing, en ook ruimte, omdat de ruimte adem geeft. Dit diende daartoe, opdat zijn giften, elk in het bijzonder door zijn broeder bezichtigd zijnde, te aanzienlijker mochten wezen, en zijn gemoed allengskens verzachten; zie onder, vs.20.

17 En hij gebood de eerste, zeggende: Wanneer Ezau, mijn broeder, u ontmoeten zal, en u vragen, zeggende: Wiens zijt gij? en waarheen gaat gij? en wiens zijn deze voor uw aangezicht?12

  1. den eersten, Te weten, den knecht, die de eerste of voorste kudde leidde; en zo vervolgens, van den eerste, tweede, derde, enz.
  2. voor uw Dat is, die gij voor u heen drijft, of die voor u heen gaan.

18 Zo zult gij zeggen: Dat is een geschenk van uw knecht Jakob, gezonden tot mijn heer, tot Ezau, en zie, hij zelf is ook achter ons!1

  1. hijzelf Dit zegt hij, opdat zijn broeder niet zou denken dat hij vreesde voor zijn ogen te komen, of door een anderen weg hem zocht te ontgaan.

19 En hij gebood ook den tweede, ook den derde, ook allen, die de kudden nagingen, zeggende: Naar ditzelfde woord zult gij spreken tot Ezau, als gij hem vinden zult.1

  1. Naar ditzelfde Dat is, achtervolgens hetgeen ik tevoren gezegd heb.

20 En gij zult ook zeggen: Zie, uw knecht Jakob is achter ons! Want hij zeide: Ik zal zijn aangezicht verzoenen met dit geschenk, dat voor mijn aangezicht gaat, en daarna zal ik zijn aangezicht zien; misschien zal hij mijn aangezicht aannemen.123

  1. hij zeide Te weten, bij zichzelven; dat is, hij dacht. Zie boven, Gen 20:11.
  2. Ik zal zijn Dat is, ik zal zijn toorn, dien men in het aangezicht gewoonlijk ziet, stillen; zie Pro 21:14.
  3. zal hij mijn Deze manier van spreken, te goede genomen zijnde, betekent iemand gunstig zijn, en goed doen uit vriendelijke en redelijke aanmerking van het goede wat in hem is. Het wordt gezegd van God, wanneer Hij uit enkele genade het goede, dat van hem alleen gekomen is, vriendelijk aanziet; boven, Gen 19:21; en van de mensen, wanneer zij om enige billijke reden hun naasten gunstig zijn; gelijk hier en 1Sa 25:35; 2Ki 3:14.

21 Alzo ging dat geschenk heen voor zijn aangezicht; doch hij zelf vernachtte dienzelfden nacht in het leger.

22 En hij stond op in dienzelfden nacht, en hij nam zijn twee vrouwen, en zijn twee dienstmaagden, en zijn elf kinderen, en hij toog over het veer van de Jabbok.12

  1. het veer Anders, de ondiepte, wadden.
  2. Jabbok Dit is de naam van een beek of rivier, spruitende bij Rabba, de hoofdstad der Ammonieten, en zich stortende in de Jordaan, beneden de Galilese zee; zie Num 21:24; Deu 2:37, en Deu 3:16; Jos 12:2; Jdg 11:13.

23 En hij nam ze, en deed hen over die beek trekken; en hij deed overtrekken hetgeen hij had.

24 Doch Jakob bleef alleen over; en een man worstelde met hem, totdat de dageraad opging.1

  1. het gewricht Anders, hol, pan.

25 En toen Hij zag, dat Hij hem niet overmocht, roerde Hij het gewricht zijner heup aan, zodat het gewricht van Jakobs heup verwrongen werd, als Hij met hem worstelde.1

  1. En toen Dit is menselijker wijze gesproken. De Heere, zich voegende naar de menselijke zwakheid, laat zich overwinnen, om Jakob te verzekeren van een goede uitkomst uit het aanstaande perijkel; maar Hij kwetst hem ook, om hem zijn eigen zwakheid te leren gevoelen.

26 En Hij zeide: Laat Mij gaan, want de dageraad is opgegaan. Maar hij zeide: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.1

  1. Ik zal U Omdat hij nu gevoelde dat hij niet met een mens had te doen, maar met een meerderen; daarom begeerde hij door hem gezegend te zijn.

27 En Hij zeide tot hem: Hoe is uw naam? En hij zeide: Jakob.1

  1. Hoe is Dit vraagt God niet, omdat de naam van Jakob hem onbekend was, maar om aanleiding te hebben zijn naam te veranderen tot een eeuwige gedachtenis aan dezen kamp.

28 Toen zeide Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israël; want gij hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overmocht.1234

  1. niet Jakob Niet is hier zoveel gezegd als niet alleen, of niet zoveel, zozeer, want hij wordt hierna ook wel Jakob genoemd; zie deze manier van spreken, 1Sa 8:7; Joh 7:16; 1Co 1:17; 1Jo 3:18.
  2. Israël Dat is, een vorst Gods, of die vorstelijke macht heeft met God, gelijk blijkt uit de volgende woorden. Dezen naam geeft God Jakob ten tweeden male, onder, Gen 35:10.
  3. met God Hebbende den strijd uitgestaan, dien hem God aandeed, en overwonnen.
  4. met de mensen, Te weten, eerst met Ezau, en daarna met Laban, en nu komt hij weder te strijden met Ezau.

29 En Jakob vraagde, en zeide: Geef toch Uw naam te kennen. En Hij zeide: Waarom is het, dat gij naar Mijn naam vraagt? En Hij zegende hem aldaar.12

  1. Waarom is het, Dit is een ontkennende vraag, gelijk Jdg 13:17-18. Hij weigert hem zijn naam te openbaren, om hem te beter te verzekeren dat hij met geen mens geworsteld had.
  2. hij zegende Dit was het, wat Jakob begeerd had, vs.26, en hem nu ten volle verzekerde dat God hem verschenen was; zie het volgende vers vs.30.

30 En Jakob noemde den naam dier plaats Pniël: Want, zeide hij ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest.123

  1. Pniël Dat is, Gods aangezicht, of het aanzien van God; zie 1Ki 12:25; in het volgende vers vs.32. Pnuel.
  2. God gezien Niet in zijn goddelijk wezen, maar in zulk een gedaante, waardoor Hij zich klaarder aan mij geopenbaard heeft dan immer tevoren.
  3. mijn ziel Hij verwondert zich dat hij niet gestorven was, God gezien hebbende. Zie boven Gen 16:13, verg. Exo 20:19; Jdg 6:22-23, en Jdg 13:22.

31 En de zon rees hem op, als hij door Pniël gegaan was; en hij was hinkende aan zijn heup.

32 Daarom eten de kinderen Israëls de verrukte zenuw niet, die op het gewricht der heup is, tot op dezen dag, omdat Hij het gewricht van Jakobs heup aangeroerd had, aan de verrukte zenuw.123

  1. Daarom eten Versta mede dat zij niet eten het vlees omtrent die zenuw. Niet uit bijgeloof of een mening van godsdienstigheid, maar tot een gedachtenis van dien wonderbaren kamp en victorie, aan Jakob en zijn nakomelingen vergund. Dit had zijn gebruik voor de komst van den Messias, maar kan daarna zonder superstitie niet gebruikt worden.
  2. de verrukte Of, verkrompen, verwrongen, dat is, die haar kracht verloren heeft, en verdoofd of verstuikt is, en haar plaats, als er uit verwrongen zijnde [om zo te spreken] vergeten heeft; de Joden noemen deze zenuw ook zo in de dieren, naar hetgeen hier Jakob wedervaren is. Anders, de geleende zenuw, omdat zij van de pan des heiligen beens tot aan de heup overgaat, als zijnde van het heilige been daaraan ontleend.
  3. aangeroerd Dat is, aanroerende gekwetst had.

Chapter 33

1 En Jakob hief zijn ogen op en zag; en ziet, Ezau kwam, en vierhonderd mannen met hem. Toen verdeelde hij de kinderen onder Lea, en onder Rachel, en onder de twee dienstmaagden.

2 En hij stelde de dienstmaagden en haar kinderen vooraan; en Lea en haar kinderen meer achterwaarts; maar Rachel en Jozef de achterste.1

  1. maar Rachel Hij plaatst de liefste in het achterste en zekerste, opdat die, zo de voorsten verslagen werden, nog enigszins ontkomen mochten; zie boven, Gen 32:7-8.

3 En hij ging voorbij hun aangezicht heen, en hij boog zich zeven malen ter aarde, totdat hij bij zijn broeder kwam.12

  1. boog zich Zie boven, Gen 18:2.
  2. zeven malen Dat is, dikwijls een zeker getal voor een onzeker; zie Lev 26:8.

4 Toen liep Ezau hem tegemoet, en nam hem in den arm, en viel hem aan den hals, en kuste hem; en zij weenden.12

  1. kuste hem; Zie boven, Gen 29:11.
  2. zij weenden Dit is dikwijls geschied bij de ontmoeting van vrienden, gelijk hier en boven, Gen 29:11, en onder, Gen 43:30 en Gen 46:29, of in het scheiden, Rth 1:14, Act 20:37.

5 Daarna hief hij zijn ogen op, en zag die vrouwen en die kinderen, en zeide: Wie zijn deze bij u? En hij zeide: De kinderen, die God aan uw knecht genadiglijk verleend heeft.

6 Toen traden de dienstmaagden toe, zij en haar kinderen, en zij bogen zich neder.

7 En Lea trad ook toe, met haar kinderen, en zij bogen zich neder; en daarna trad Jozef toe en Rachel, en zij bogen zich neder.1

  1. trad Jozef Anders, hij werd genaderd, of gehetten te naderen; daar hij in dezen tijd slechts omtrent zes jaren oud was.

8 En hij zeide: Voor wien is u al dit heir, dat ik ontmoet heb? En hij zeide: Om genade te vinden in de ogen mijns heren!1

  1. Voor Of, wat is u al dit heir? Dat is, waartoe zal dat dienen? Wat bedoelt gij daarmede? Hij had zonder twijfel dit wel verstaan van de knechts, die de kudde leidden, maar hij zocht gelegenheid uit Jakobs antwoord, om zijn geschenken beleefdelijk te weigeren.

9 Maar Ezau zeide: Ik heb veel, mijn broeder! het zij het uwe, wat gij hebt!12

  1. Ik heb veel, Dat is, ik heb daarvan genoeg. Hier zien wij vervuld de beloften Gods, boven, Gen 27:39.
  2. het zij het Dat is, behoud voor u wat gij hebt.

10 Toen zeide Jakob: Och neen! indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, zo neem mijn geschenk van mijn hand; daarom, omdat ik uw aangezicht gezien heb, als had ik Gods aangezicht gezien, en gij welgevallen aan mij genomen hebt.12

  1. als had Alsof hij zeide: gelijk de gunst van God den mens zeer verkwikt, alzo ben ik ok door deze uw minnelijke en vreedzame ontmoeting zeer vermaakt, houdende haar voor een zeker teken van Gods genade te mijwaarts, alsof God zelf mij zo vriendelijk verschenen ware.
  2. en gij hebt Anders, heb toch een welgevallen aan mij, of, zo vriendelijk hebt gij mij ontvangen.

11 Neem toch mijn zegen, die u toegebracht is, dewijl het God mij genadiglijk verleend heeft, en dewijl ik alles heb; en hij hield bij hem aan, zodat hij het nam.1

  1. zegen, die Dat is, geschenk, dat aldus genoemd wordt, Jos 15:19; en 1Sa 25:27, en 1Sa 30:26, 2Ki 5:15, en 2Co 9:5-6; omdat het bestaat uit dingen, die door de milde zegening des HEEREN den mensen toegezonden worden, en met gelukwensing plegen gegeven en met dankzegging ontvangen te worden.

12 En hij zeide: Laat ons reizen en voorttrekken; en ik zal voor u trekken.12

  1. hij zeide Namelijk, Ezau.
  2. voor u Dat is, nevens, tegenover u, met u, bezijden u, in uw gezelschap, mij naar u voegende in het reizen, al is mijn volk kloeker en frisser dan het uwe.

13 Maar hij zeide tot hem: Mijn heer weet, dat deze kinderen teder zijn, en dat ik zogende schapen en koeien bij mij heb; indien men dezelve maar een dag afdrijft, zo zal de gehele kudde sterven.1234

  1. hij zeide Namelijk, Jakob.
  2. teder zijn, Ruben, de oudste, mocht in dezen tijd omtrent twaalf of dertien jaren oud geweest zijn.
  3. zogende Anders, dragende.
  4. bij mij Of, op mij, dat is tot mijn last en zorg.

14 Mijn heer trekke toch voorbij, voor het aangezicht van zijn knecht; en ik zal mij op mijn gemak als leidsman voegen, naar den gang van het werk, hetwelk voor mijn aangezicht is, en naar den gang dezer kinderen, totdat ik bij mijn heer te Seir kome.123

  1. mijn gemak Of, zachtjes, zoetJes.
  2. naar den Hebr. naar den voet; en zo in het volgende.
  3. het werk, Alzo noemt Jakob zijn vee, hetwelk gade te slaan zijn dagelijks werk was; alzo ook Exo 22:8, en Exo 36:6.

15 En Ezau zeide: Laat mij toch van dit volk, dat met mij is, u bijstellen. En hij zeide: Waartoe dat? laat mij genade vinden in mijns heren ogen!1

  1. Laat mij genade Dat is, bewijs mij deze gunst, en doe wat ik verzoek, en stel niemand van uw volk bij mij.

16 Alzo keerde Ezau dien dag wederom zijns weegs naar Seir toe.

17 Maar Jakob reisde naar Sukkoth, en bouwde een huis voor zich, en maakte hutten voor zijn vee; daarom noemde hij den naam dier plaats Sukkoth.12

  1. Sukkoth, en Dezen naam had die plaats toen nog niet, maar kreeg zij daarna, zoals aan het einde van dit vs. gezegd wordt.
  2. Sukkoth Dat is, hutten, tenten, daken, kooien. Deze plaats was gelegen over de Jordaan, in den stam van Gad, niet ver van Pnuel; zie Jos 13:27; Jdg 8:5, Jdg 8:14-15. Er wordt van een ander Sukkoth gesproken, Exo 12:37.

18 En Jakob kwam behouden tot de stad Sichem, welke is in het land Kanaän, als hij kwam van Paddan-aram; en hij legerde zich in het gezicht der stad.123

  1. behouden Hebr. Schalem, wat anderen houden voor den naam van een stad bij de Jordaan, waar omtrent Johannes de Doper, daarna gedoopt heeft; onderscheiden van een ander Salem, daarna genoemd Jeruzalem; zie boven, Gen 14:18; Psa 76:3.
  2. Sichem, Zie boven, Gen 12:6.
  3. in het gezicht Of, voor aan de stad.

19 En hij kocht een deel des velds, waarop hij zijn tent gespannen had, van de hand der zonen van Hemor, den vader van Sichem, voor honderd stukken gelds.12

  1. Hemor, den Hebr. Chamor, Act 7:16 wordt hij Emmor genoemd.
  2. stukken gelds Genaamd Lammeren, omdat de figuur van een lam daarop getekend was. Zie Jos 24:32; Job 42:11, en verg. Act 7:16. Anderen verstaan natuurlijke schapen, die hij voor dat land gegeven heeft, gelijk het ook gebruikelijk geweest is te kopen en te verkopen met verwisseling van waren.

20 En hij richtte aldaar een altaar op, en noemde het: De God Israëls is God!12

  1. een altaar Om dankoffer daarop te offeren, en den gehelen godsdienst te plegen, naar het exempel van zijn vaderen. Zie boven, Gen 12:7 en Gen 13:18.
  2. De God Israëls Hebr. El Elohe Israël.

Chapter 34

1 En Dina, de dochter van Lea, die zij Jakob gebaard had, ging uit, om de dochteren van dat land te bezien.12

  1. ging uit, Te weten, uit de plaats waar hare ouders woonden, welke lag bij Sichem, boven, Gen 33:18, waar zij beter mocht gebleven zijn; Tit 2:5. Te meer, omdat zij in dezen tijd maar omtrent veertien jaren oud geweest is.
  2. om de Sommigen menen dat in dezen tijd een bijzonder feest of markt te Sichem gehouden is, met groten toeloop van volk.

2 Sichem nu, de zoon van Hemor den Heviet, den landvorst, zag haar, en hij nam ze, en lag bij haar, en verkrachtte ze.12

  1. den Heviet, Zie boven, Gen 10:7.
  2. verkrachtte Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk verdrukken, vernederen. Zo noemt de Heilige Schrift het schenden en schofferen der vrouwen, Jdg 19:24; 2Sa 13:14.

3 En zijn ziel kleefde aan Dina, Jakobs dochter; en hij had de jonge dochter lief, en sprak naar het hart van de jonge dochter.12

  1. zijn ziel Dat is, zijn hart, zijn gemoed, lust, begeerte, hingen aan haar.
  2. naar het Dat is, wat haar aangenaam en behagelijk mocht zijn, om haar tevreden te stellen en te vertroosten; daar zij buiten twijfel over deze onverwachte daad zeer ontsteld was. Zie dergelijke manier van spreken onder, Gen 50:21; Jdg 19:3; Isa 40:2; Hos 2:13.

4 Sichem sprak ook tot zijn vader Hemor, zeggende: Neem mij deze dochter tot een vrouw.1

  1. Neem mij Een exempel ook onder de heidenen, dat de kinderen met den wil en onder het bestuur van hun ouders behoorden te huwen.

5 Toen Jakob hoorde, dat hij zijn dochter Dina verontreinigd had, zo waren zijn zonen met het vee in het veld; en Jakob zweeg, totdat zij kwamen.

6 En Hemor, de vader van Sichem, ging uit tot Jakob, om met hem te spreken.

7 En de zonen van Jakob kwamen van het veld, als zij dit hoorden; en het smartte dezen mannen, en zij ontstaken zeer, omdat hij dwaasheid in Israël gedaan had, Jakobs dochter beslapende, hetwelk alzo niet zoude gedaan worden.1234

  1. zij ontstaken Hebr. en hen ontstak zeer, te weten, de toorn; zie boven, Gen 4:5-6.
  2. dwaasheid Of, een schendig stuk, of schandelijkheid, afvalligheid, onzinnigheid. Dit woord betekent een zonde, die, voortkomende uit een bozen en onbeschaamden lust, geschiedt niet alleen tegen Gods gebod, maar ook tegen de burgerlijke eerbaarheid, of ook somtijds tegen de natuur, veroorzakende grote ergernis en schande. Verg. Deu 22:21; Jos 7:15; Jdg 19:23, en Jdg 20:6; 2Sa 13:12.
  3. Israël Dat is, in of aan het huis Israels, of Gods volk, hetwelk uit Jakob, toen Israel genaamd werd, gesproten is.
  4. hetwelk Of, alzo geschiedt het niet; dat is, alzo placht en behoorde het niet te geschieden. Zie dergelijke manier van spreken, boven Gen 20:9.

8 Toen sprak Hemor met hen, zeggende: Mijns zoons Sichems ziel is verliefd op ulieder dochter; geeft hem haar toch tot een vrouw.

9 En verzwagert u met ons; geeft ons uw dochteren; en neemt voor u onze dochteren;123

  1. verzwagert u Of, verhuwelijkt u; alzo Deu 7:3.
  2. geeft ons uw Te weten, ten huwelijk aan onze zonen, alzo onder, Gen 38:14; Deu 7:3, enz.
  3. neemt voor u Te weten, ten huwelijk aan uw zonen; zie boven, Gen 19:14.

10 En woont met ons; en het land zal voor uw aangezicht zijn; woont, en handelt daarin, en stelt u tot bezitters daarin.12

  1. voor uw Zie boven, Gen 13:9.
  2. stelt u Of, neemt een vast bezit daarin, of onthoudt u daarin.

11 En Sichem zeide tot haar vader, en tot haar broederen: Laat mij genade vinden in uw ogen; en wat gij tot mij zeggen zult, zal ik geven.12

  1. haar vader, Te weten, van Dina.
  2. genade Zie boven, Gen 18:3.

12 Vergroot zeer over mij den bruidschat en het geschenk; en ik zal geven, gelijk als gij tot mij zult zeggen; geef mij slechts de jonge dochter tot een vrouw.12

  1. Vergroot Dat is, legt mij dien zo groot op als gij wilt.
  2. den bruidsschat De bruidssschat, dien de man de vrouw gaf, bleef haar eigendom ook na den dood des mans; het geschenk, dat de bruidegom aan de bruid gaf ten tijde van de ondertrouw, was tot een bevestiging zijner gegeven belofte; wat men nu een trouwpenning noemt. Zie van den bruidsschat, Exo 22:16-17, en van het geschenk, boven, Gen 24:53.

13 Toen antwoordden Jakobs zonen aan Sichem en Hemor, zijn vader, bedriegelijk, en spraken ( overmits dat hij Dina, hun zuster, verontreinigd had);12

  1. bedriegelijk, Hebr. in, of, met bedrog; want zij waren niet gezin in het huwelijk te consenteren, gelijk naderhand gebleken is.
  2. en spraken Te weten, hetgeen vs.14 volgt.

14 En zij zeiden tot hen: Wij zullen deze zaak niet kunnen doen, dat wij onze zuster aan een man geven zouden, die de voorhuid heeft; want dat ware ons een schande.1

  1. Wij zullen Zij zeggen wel de waarheid, maar zondigen daarin, dat zij de besnijdenis misbruiken tot een deksel van hun bedriegelijk opzet, want het was hun om de besnijdenis niet te doen, maar om een moord aan te richten uit wraakgierigheid.

15 Doch hierin zullen wij u te wille zijn, zo gij wordt gelijk als wij, dat onder u besneden worde al wat mannelijk is.1

  1. mannelijk is Hebr. man, mansbeeld, manspersoon.

16 Dan zullen wij u onze dochteren geven, en uw dochteren zullen wij ons nemen, en wij zullen met u wonen, en wij zullen tot een volk zijn.

17 Maar zo gij naar ons niet zult horen, om besneden te worden, zo zullen wij onze dochter nemen, en wegtrekken.1

  1. onze dochter Dat is, de dochter van onzen vader, of de dochter van ons huis, gelijk boven, vs.8.

18 En hun woorden waren goed in de ogen van Hemor, en in de ogen van Sichem, Hemors zoon.1

  1. waren goed Dat is, zij bevielen hem wel. Dàt wordt gezegd goed in iemands ogen te zijn, wat hem behaagt en wel bevalt, boven, Gen 16:6; 1Sa 29:6, enz.

19 En de jongeling vertoogde niet, deze zaak te doen; want hij had lust in Jakobs dochter; en hij was geëerd boven al zijns vaders huis.12

  1. geëerd Hij schijnt zeer bemind, geacht en vermaard te zijn geweest, omdat niet alleen de stad naar zijn naam werd geheten, maar ook zijn vader door hem bekend was, zijnde genoemd de vader van Sichem; zie boven, Gen 33:18-19.
  2. huis Dat is, huisgezin, kinderen, huisgenoten, hovelingen, officieren; alzo onder, Gen 41:40, 1Ki 2:24, en 1Ki 4:6.

20 Zo kwam Hemor en Sichem, zijn zoon, tot hunner stadspoort; en zij spraken tot de mannen hunner stad, zeggende:1

  1. tot hunner Alwaar de burgerlijke zaken onder het beleid der overheden behandeld werden, gelijk heden op de stad- of raadhuizen. Zie boven, Gen 22:17.

21 Deze mannen zijn vreedzaam met ons; daarom laat hen in dit land wonen, en daarin handelen, en het land ( ziet het is wijd van begrip) voor hun aangezicht zijn; wij zullen ons hun dochteren tot vrouwen nemen, en wij zullen onze dochteren aan hen geven.12

  1. wijd van Hebr. wijd van handen; alzo Jdg 18:10.
  2. voor hun Dat is, open zijn, zie boven, Gen 13:9.

22 Doch hierin zullen deze mannen ons te wille zijn, dat zij met ons wonen, om tot een volk te zijn; als al wat mannelijk is onder ons besneden wordt, gelijk als zij besneden zijn.

23 Hun vee, en hun bezitting, en al hun beesten, zullen die niet onze zijn? Alleen laat ons hun te wille zijn, en zij zullen met ons wonen.1

  1. Alleen laat Zij gelaten zich dat dit Jakobs en zijner kinderen verzoek was, verzwijgende dat het de conditie van hun eigen verzoek was; daarenboven bedekken zij hun particulier met den naam van het gemenebest, zodat zij hun burgers bedriegende, ook door Simeon en Levi bedrogen worden.

24 En zij hoorden naar Hemor, en naar Sichem, zijn zoon, allen, die ter zijner stadspoort uitgingen; en zij werden besneden, al wat mannelijk was, allen, die ter zijner stadspoort uitgingen.12

  1. En zij Zij laten zich bewegen tot verandering van religie niet door onderwijs of liefde tot de waarheid, maar door de belofte en op hoop van aards profijt.
  2. stadspoort Dat is, alle burgers der stad, die gezegd worden hun stadspoorten in of uit te gaan, gelijk hier; of in te gaan; gelijk boven, Gen 23:10, en Jer 17:20.

25 En het geschiedde ten derden dage, toen zij in de smart waren, zo namen de twee zonen van Jakob, Simeon en Levi, broeders van Dina, een iegelijk zijn zwaard, en kwamen stoutelijk in de stad, en doodden al wat mannelijk was.12

  1. toen zij in Dat is, toen zij met de meeste smart of pijn bevangen waren; want de wonden op den derden dag gewoonlijk zwaarder smartten.
  2. Simeon Deze twee zijn de leidslieden geweest van dezen aanslag, en waren volle broeders van Dina, van één vader en één moeder: zo waren wel Ruben en Juda en Issaschar en Zebulon, maar deze hebben aan deze bloedige daad geen gemeenschap gehad, zowel omdat de twee laatsten te jong, als omdat de twee anderen meer tot zachtzinnigheid dan tot wreedheid geneigd waren. Zie onder, Gen 37:21-22, Gen 37:26.

26 Zij sloegen ook Hemor, en zijn zoon Sichem, dood met de scherpte des zwaards; en zij namen Dina uit Sichems huis, en gingen van daar.12

  1. sloegen Zie van dit woord boven, Gen 8:21.
  2. met de Hebr. Aan of in den mond des zwaards.

27 De zonen van Jakob kwamen over de verslagenen, en plunderden de stad, omdat zij hun zuster verontreinigd hadden.12

  1. De zonen Velen verstaan dit van de andere zonen Jakobs, die, gehoord hebbende van den moord, welke in de stad door hun broeders geschied was, toegelopen zijn, om de vermoorden en de gehele stad te plunderen.
  2. hun zuster Wat Sichem alleen gedaan had, werd den burgers in het algemeen ten laste gelegd, omdat zij, deze daad niet tegengesproken noch verhinderd hebbende, daarin een welgevallen schenen te hebben. Of, zij, dat is, een van hen, te weten, Sichem; alzo Exo 4:19; Mat 2:20.

28 Hun schapen, en hun runderen, en hun ezelen, en hetgeen dat in de stad, en hetgeen dat in het veld was, namen zij.

29 En al hun vermogen, en al hun kleine kinderen, en hun vrouwen, voerden zij gevankelijk weg, en plunderden dezelven, en al wat binnenshuis was.

30 Toen zeide Jakob tot Simeon en tot Levi: Gij hebt mij beroerd, mits mij stinkende te maken onder de inwoners dezes lands, onder de Kanaänieten, en onder de Ferezieten; en ik ben weinig volks in getal; zo zij zich tegen mij verzamelen, zo zullen zij mij slaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis.123456

  1. Toen zeide Hieruit blijkt dat Jakob van den aanslag zijner twee zonen niets heeft geweten, veel minder daarin bewilligd; verg. onder, Gen 49:5-7.
  2. mij beroerd, Of, gij hebt mij onrust aangericht, of verstoord, niet alleen mijn gemoed door deze daad ontstellende, maar ook al mijn zaken in groot perijkel, onzekerheid en verwarring brengende, daar ik hier tevoren in vrede gewoond heb; zie Jos 7:25, en 1Ki 18:7.
  3. mij stinkende Dat is, gehaat te maken, zodat men mij niet zal mogen luchten of lijden. Het is een gelijkenis ontleend aan stinkende dingen, waarvan de mensen het aangezicht afkeren; zie Exo 5:21; 1Sa 13:4, en 1Sa 27:12; 1Ch 19:6.
  4. inwoners Hebr. inwoner.
  5. Kanaänieten, Kanaäniet.
  6. weinig volk Hebr. lieden van getal; dat is, van klein getal, die spoedig te tellen zijn, gelijk Num 9:20; Deu 4:27, en Deu 33:6.

31 En zij zeiden: Zou hij dan met onze zuster als met een hoer doen?12

  1. Zou Anders, zou men dan, enz., te weten, zonder wraak of straf.
  2. hij dan Te weten, Sichem.

Chapter 35

1 Daarna zeide God tot Jakob: Maak u op, trek op naar Beth-el, en woon aldaar; en maak daar een altaar dien God, Die u verscheen, toen gij vluchttet voor het aangezicht van uw broeder Ezau.1

  1. maak daar Om te gedenken aan de beloften, die Ik daar aan u gedaan heb, en gij aan mij; boven, Gen 28:13-14, Gen 28:20. Dit schijnt daartoe te dienen, dat Jakob getroost en gesterkt mocht worden tegen de vrees, waarmede hij bevangen was; zie Gen 34:30.

2 Toen zeide Jakob tot zijn huisgezin, en tot allen, die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden, die in het midden van u zijn, en reinigt u, en verandert uw klederen;12345

  1. huisgezin, Hebr. huis; zie boven, Gen 7:1.
  2. allen, Knechts en dienstmaagden, en die van buiten er bij gekomen waren.
  3. vreemde Hebr. Goden des vreemden. Versta er onder de beelden der afgoden, die van vreemde volken gediend waren, niet zijnde de ware God, die zich aan Abraham, Izak en Jakob geopenbaard had. Aldus werden de afgoden genoemd, Deu 31:16, en Deu 32:12; Jos 24:20; Psa 81:10. Dezen werden geheten, andere goden, Deu 6:14; Jos 23:16; Jdg 10:13, idem, nieuwe goden, Jdg 5:8.
  4. die in Het blijkt hieruit dat onder Jakobs gezin nog enige beelden verborgen waren, hetzij dat deze afgoden waren van Laban, boven, Gen 31:19, of enige kostbare beelden, die zij bij de plundering van Sichem gekregen, of die andere gevangenen daar gebracht hadden.
  5. reinigt u, Om met deze uitwendige ceremonie te betuigen de inwendige zuivering en bekering des harten, die zij niet alleen ten aanzien van de afgodische besmetting, maar ook vooral van dien moord der Sichemieten nodig hadden, om zich te bereiden tot den statelijken godsdienst, dien Jakob op Gods bevel met zijn huisgezin zou verrichten. Zie Exo 19:10, Exo 19:14.

3 En laat ons ons opmaken, en optrekken naar Beth-el; en ik zal daar een altaar maken dien God, Die mij antwoordt ten dage mijner benauwdheid, en met mij geweest is op den weg, die ik gewandeld heb.12

  1. die mij Dat is, die mij placht te verhoren. God antwoordt zijn volk, als Hij met woorden of werken doet blijken dat Hij het verhoord heeft; zie 1Ki 18:24; Isa 41:17-18; Psa 22:22.
  2. op den weg, Te weten, van Haran tot hiertoe.

4 Toen gaven zij Jakob al die vreemde goden, die in hun hand waren, en de oorsierselen, die aan hun oren waren, en Jakob verborg ze onder den eikeboom, die bij Sichem is.123

  1. die in hun Dat is, die zij bij zich hadden; zie 2Sa 8:10.
  2. oorsierselen, Dezen heeft Jakob hun afgenomen, òf omdat die bij de plundering der afgoden te Sichem gekregen, òf ter ere van die afgoden gedragen waren; òf tot enig misbruik der zijnen hadden mogen dienen.
  3. verbergde Zonder dat zijn volk wist waar hij die liet, opdat niemand dezelve mocht vinden en tot superstitie en afgoderij misbruiken.

5 En zij reisden heen; en Gods verschrikking was over de steden, die rondom hen waren, zodat zij de zonen van Jakob niet achterna jaagden.1

  1. Gods verschrikking Dat is, die van God toegezonden en zeer groot was; alzo Exo 23:27; 2Ch 14:14, en 2Ch 17:10. Het woord God wordt somtijds gebruikt om de grootheid en uitnemendheid van enige zaak uit te drukken; zie boven, Gen 13:10. Zonder deze verschrikking zou Jakob met al de zijnen lichtelijk overvallen en vernield geweest zijn, om de daad van Simeon en Levi, te Sichem begaan; boven Gen 34:25.

6 Alzo kwam Jakob te Luz, hetwelk is in het land Kanaän ( dat is Beth-el), hij en al het volk, dat bij hem was.12

  1. Luz, Zie boven, Gen 12:8, en Gen 28:19.
  2. Beth-el Aldus door Jakob genoemd.

7 En hij bouwde aldaar een altaar, en noemde die plaats El Beth-el; want God was hem aldaar geopenbaard geweest, als hij voor zijns broeders aangezicht vlood.12

  1. El Beth-el Dat is, God is [te] Beth-el. Aldus noemt hij deze plaats voor de tweede maal; zie boven, Gen 28:19, en verg. boven, Gen 33:20.
  2. God was Zie boven, Gen 28:13, en de manier van spreken, Gen 20:13.

8 En Debora, de voedster van Rebekka, stierf, en zij werd begraven onder aan Beth-el; onder dien eik, welks naam hij noemde Allon-bachuth.12

  1. Debóra, Die met Rebekka uit Mesopotamië gezonden was, naar het land Kanaän. Zie boven, Gen 24:59.
  2. Allon-Báchuth. Dat is, elk des wenens, omdat zij Debora daar beklaagd en beweend hebben.

9 En God verscheen Jakob wederom, als hij van Paddan-aram gekomen was; en Hij zegende hem.

10 En God zeide tot hem: Uw naam is Jakob, uw naam zal voortaan niet Jakob genoemd worden, maar Israël zal uw naam zijn; en Hij noemde zijn naam Israël.1

  1. Uw naam is God bevestigt hier aan Jakob hetgeen Hij hem tevoren gezegd had; zie boven, Gen 32:28.

11 Voorts zeide God tot hem: Ik ben God de Almachtige! wees vruchtbaar, en vermenigvuldig! Een volk, ja, een hoop der volken zal uit u worden, en koningen zullen uit uw lenden voortkomen.123

  1. God de Zie boven, Gen 17:1.
  2. wees God bevestigt hier den zegen van zijn vader Izak, dien hij hem gaf toen hij vluchtte naar Mesopotamië; zie boven, Gen 28:3-4.
  3. uit uw lenden Dat is, uit uw eigen vlees en bloed geboren worden; alzo 1Ki 8:19; 2Ch 6:9; Act 2:30, verg. onder, Gen 46:26.

12 En dit land, dat Ik aan Abraham en Izak gegeven heb, dat zal Ik u geven; en aan uw zaad na u zal Ik dit land geven.

13 Toen voer God van hem op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had.1

  1. voer God Hebr. voer op van boven hem. God wordt gezegd op te klimmen en neder te dalen, de plaatsen niet veranderende, aangemerkt Hij overal is, maar de tekenen zijner tegenwoordigheid, die Hij openbaart door zijn nederdalen; gelijk boven, Gen 11:5; Exo 3:8, en Num 11:17, of wegneemt door zijn opklimmen gelijk hier en boven, Gen 17:22; Jdg 13:20.

14 En Jakob stelde een opgericht teken op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had, een stenen opgericht teken; en hij stortte daarop drankoffer, en goot olie daarover.12

  1. Jakob Jakob vernieuwt hier het gedenkteken, dat hij tevoren opgericht had, boven, Gen 28:18, omdat het door langheid ingezetenen mocht vervallen of omgeworpen zijn; opdat het strekken van Gods weldaad en zijn schuldigen plicht.
  2. drankoffer, Versta hierdoor, òf de olie, zoals terstond volgt; òf den wijn, òf enig ander vocht, dat gewoonlijk gebruikt werd in drankoffers, of in plengoffers tot dankzegging.

15 En Jakob noemde den naam dier plaats, alwaar God met hem gesproken had, Beth-el.1

  1. noemde den Zijn belofte willende volbrengen, vernieuwt hij niet alleen het gedenkteken, maar ook den naam. Deze plaats schijnt onderscheiden te zijn van El Beth-el, boven, vs.7.

16 En zij reisden van Beth-el; en er was nog een kleine streek lands om tot Efrath te komen; en Rachel baarde, en zij had het hard in haar baren.12

  1. een kleine Anders, omtrent een voedering, of pleistering lands; dat is, zoveel land als men reist eer men pleistert, een mijl van den weg. Zie Gen 48:7; 2Ki 5:19.
  2. Efrath Dit is de naam van een stad, die gewoonlijk Bethlehem genoemd wordt. Zie deze beide namen onder, vs.19; Mic 5:1.

17 En het geschiedde, als zij het hard had in haar baren, zo zeide de vroedvrouw tot haar: Vrees niet; want dezen zoon zult gij ook hebben!1

  1. zult gij Of, hebt gij ook, boven Jozef; gelijk gij gewenst hebt, dat u nog een boven hem zou toegevoegd worden; boven Gen 30:24.

18 En het geschiedde, als haar ziel uitging ( want zij stierf), dat zij zijn naam noemde Ben-oni; maar zijn vader noemde hem Benjamin.1234

  1. als haar Een klare beschrijving van den dood, waaruit blijkt dat hij is een scheiding der ziel, die tot een ander leven overblijft, en gaat uit het lichaam, hetwelk door den dood vergaat. Waarom ook gezegd wordt van degenen, die nog leven, dat hun ziel in hen is, 2Sa 1:9, en van degenen, die sterven, dat hun geest uitgaat, Psa 146:4, en van degenen die verrijzen, dat hun geest in hen wederkeert; 1Ki 17:21-22.
  2. (want zij Of, dat zij stierf, en noemde, of had genoemd.
  3. Ben-oni; Dat is, zoon mijner smart, mijns weedoms.
  4. Benjamin Dat is zoon der rechterhand; dat is, die mij altijd nabij en zeer lief zal zijn, als den mens zijn rechterhand; Psa 80:18.

19 Alzo stierf Rachel; en zij werd begraven aan den weg naar Efrath, hetwelk is Bethlehem.12

  1. Efrath, Deze naam schijnt Bethlehem gegeven te zijn door Kalebs huisvrouw, zie 1Ch 2:19, 1Ch 2:24; en daarmede wordt ook dit Bethlehem, gelegen in den stam van Juda, [ Mic 5:1; Mat 2:6 ] , onderscheiden van een ander Bethlehem, gelegen in den stam van Zebulon; Jos 19:15.
  2. Bethlehem Bethlehem betekent een huis des broods.

20 En Jakob richtte een gedenkteken op boven haar graf, dit is het gedenkteken van Rachels graf tot op dezen dag.1

  1. tot op dezen Te weten, ten tijde toen Mozes dit schreef; ja het bestond nog ten tijde van Samuel en Saul; 1Sa 10:2. Omtrent den kindermoord, dien Herodes hieromtrent heeft laten plegen, ten tijde van Christus' geboorte, zie Jer 31:15; Mat 2:16-17.

21 Toen verreisde Israël, en hij spande zijn tent op gene zijde van Migdal-eder.12

  1. Israël, Hier wordt Jakob eerst Israel genoemd, naar het bevel Gods, vs.10.
  2. Migdal-Eder. Dat is, een toren der kudde; zie ook Mic 4:8.

22 En het geschiedde, als Israël in dat land woonde, dat Ruben heenging, en lag bij Bilha, zijns vaders bijwijf; en Israël hoorde het. En de zonen van Jakob waren twaalf.12

  1. bijwijf; Zie boven, Gen 22:24.
  2. Israël Zonder twijfel met groot harteleed, ziende dat door deze daad van Ruben God vertoornd, zijn huisgezin onteerd, en oorzaak van lasteringen gegeven was; zo zelfs, dat Jakob, liggende op zijn sterfbed, reden had om zich te beklagen over deze schandelijke daad; onder, Gen 49:3-4; en Ruben het recht der eerstgeboorte te benemen; 1Ch 5:1-2.

23 De zonen van Lea waren: Ruben, Jakobs eerstgeborene, daarna Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Zebulon.1

  1. De zonen Deze twaalf zonen van Jakob worden hier vermeld, omdat hun getal na Benjamins geboorte en Rachels dood nu vol was, en hem geen zonen meer geboren zijn; en dat deze twaalf geweest zijn de vaders der twaalf stammen Israëls, van welke hierna dikwijls zal gesproken worden.

24 De zonen van Rachel: Jozef en Benjamin.

25 En de zonen van Bilha, Rachels dienstmaagd: Dan en Nafthali.

26 En de zonen van Zilpa, Lea’s dienstmaagd: Gad en Aser. Deze zijn de zonen van Jakob, die hem geboren zijn in Paddan-aram.1

  1. die hem Uitgenomen Benjamin, die bij Efrath in het land Kanaän geboren is, boven, vs.16. Maar Mozes spreekt zo, aangezien al de anderen daar geboren zijn. Dit is een manier van spreken, waardoor iets niet precieselijk wordt gesteld, maar in het algemeen en in een zeker opzicht; zie boven, Gen 15:13; nder, Gen 46:15; Jdg 20:46; 1Co 15:5.

27 En Jakob kwam tot Izak, zijn vader, in Mamre, te Kirjath-arba, hetwelk is Hebron, waar Abraham als vreemdeling had verkeerd, en Izak.1234

  1. in Mamre, Een plaats vanwaar men zien mag boven, Gen 23:17. Alzo genoemd door Abrahams bondgenoot, die Mamre heette; zie boven, Gen 13:18, en Gen 14:13, Gen 14:24.
  2. Kirjath-Arba, Zie boven, Gen 23:2.
  3. Hebron, Zie boven, Gen 13:18, en Gen 23:2, Gen 23:19.
  4. en Izak Die er nog als vreemdeling woonde.

28 En de dagen van Izak waren honderd jaren, en tachtig jaren.

29 En Izak gaf den geest en stierf, en werd verzameld tot zijn volken, oud en zat van dagen; en zijn zonen Ezau en Jakob begroeven hem.123

  1. gaf den Verg. boven, Gen 25:8.
  2. tot zijn Zie boven, Gen 15:15.
  3. begroeven hem Te weten, in de spelonk, waarvan te lezen is boven, Gen 23, waarin ook Abraham begraven lag, boven, Gen 25:9. Deze was in Hebron, waar Izak gestorven is. Dit is geschied lang na dezen tijd, overmits Jakob wel 23 jaren in Kanaän na zijn wederkomst uit Mesopotamië gewoond had, eer zijn vader stierf. Maar het wordt hier door Mozes verhaald, om hiermede Izaks historie te eindigen, en Jakobs historie te vervolgen.

Chapter 36

1 Dit nu zijn de geboorten van Ezau, welke is Edom.12

  1. de geboorten Dat is nakomelingen; anders geslachten.
  2. Edom Zie boven, Gen 25:30.

2 Ezau nam zijn vrouwen uit de dochteren van Kanaän, Ada, de dochter van Elon, den Hethiet, en Aholibama, de dochter van Ana, de dochter van Zibeon, den Heviet;12345678

  1. Ezau Zie boven, Gen 26:34.
  2. van Kanaän Dat is, der Kanaänieten. Zie boven, Gen 10:18-19, en Gen 12:6.
  3. ada, Hebr. Adah, boven, Gen 26:34, genoemd Basmath.
  4. Hethiet, Een uit de volken van Kanaän, afkomstig van Kanaän, den zoon van Cham; boven Gen 10:15.
  5. Aholibáma, Zie boven, Gen 26:34.
  6. Ana, Hebr. Anah, anders genoemd, Beëri, boven, Gen 26:34, wel verstaande, indien Judith, aldaar vermeld, en deze Aholibama, één en dezelfde vrouw zijn geweest.
  7. de dochter Dat is, kindskind; aldus wordt Athalia genoemd zowel de dochter van Omri haar grootvader, als de dochter van Achab haar vader; 2Ki 8:18, 2Ki 8:26.
  8. Heviet Zie boven, Gen 10:15, Gen 10:17. De Hethieten en Hevieten schijnen zo nabij elkander gelegen en ondereen gemengd te zijn geweest, dat zij hun namen lichtelijk verwisseld hebben.

3 En Basmath, de dochter van Ismaël, zuster van Nebajoth.12

  1. Basmath, Boven, Gen 28:9, genoemd Mahaloth.
  2. zuster Zie van deze boven, Gen 28:9, en van Nabajoth Gen 25:13.

4 Ada nu baarde aan Ezau Elifaz, en Basmath baarde Rehuël.12

  1. Elifaz, Denzelfden naam heeft een van Jobs vrienden gehad, genaamd Elifaz van Teman, Job 2:11; zodat men meent, dat hij van dezen Elifaz voortgekomen is, door middel van zijn zoon Teman, die onder vs.1 genoemd wordt onder de kinderen van Elifaz.
  2. Rehuël. Dezen naam had ook de vader van Jethro, Mozes' vrouws vader. Exo 2:18; Num 10:29.

5 En Aholibama baarde Jehus, en Jaëlam, en Korah. Dit zijn de zonen van Ezau, die hem geboren zijn in het land Kanaän.12

  1. Korach Van een anderen Korach leest men Exo 6:20; Num 16:1.
  2. zonen Hij heeft ook dochters gehad, onder, vs.6, maar die worden niet genoemd.

6 Ezau nu had genomen zijn vrouwen, en zijn zonen, en zijn dochters, en al de zielen zijns huizes, en zijn vee, en al zijn beesten, en al zijn bezitting, die hij in het land Kanaän geworven had, en was vertrokken naar een ander land, van het aangezicht van zijn broeder Jakob.1234

  1. zielen zijns Dat is, de personen, gelijk boven, Gen 12:5.
  2. vee, en Door vee versta men de kleine, en door beesten de grote dieren; gelijk ook boven, Gen 34:24; 2Ki 3:17.
  3. een ander Namelijk, naar Seïr, gelijk volgt.
  4. van het Of voor het aangezicht, dat is van wege Jakob. Dit is geschied door een heimelijke regering van God, omdat het land Kanaän hem door zijn vader, naar Gods bevel, beloofd was, en hij schuldig was dat voor zijn broeder te ruimen.

7 Want hun have was te veel, om samen te wonen; en het land hunner vreemdelingschappen kon ze niet dragen vanwege hun vee.12

  1. hun have Namelijk, van Jakob en Ezau; hoewel Ezau in dezen tijd in Seïr woonde, nochtans schijnt het, dat hij, met zijn broeder verzoend zijnde, met ter woon wedergekeerd is naar het land Kanaän; maar aangezien zij daar, beiden vreemdelingen zijnde, geen ruimte genoeg hadden voor hun vee, zo zou Ezau wedergekeerd zijn naar Seïr.
  2. land hunner Dat is, het land Kanaän. Zie boven, Gen 17:8.

8 Derhalve woonde Ezau op het gebergte Seir. Ezau is Edom.12

  1. op het Zie boven, Gen 14:6.
  2. Ezau is Dat is, Ezau is dezelfde man die ook Edom genoemd wordt.

9 Dit nu zijn de geboorten van Ezau, den vader der Edomieten, op het gebergte van Seir.1

  1. der Edomieten Hebr. Edoms.

10 Dit zijn de namen der zonen van Ezau: Elifaz, de zoon van Ada, Ezau’s huisvrouw; Rehuël, de zoon van Basmath, Ezau’s huisvrouw.1

  1. der zonen Dat is, kinderen en kindskinderen, of nakomelingen.

11 En de zonen van Elifaz waren: Teman, Omar, Zefo, en Gaetam, en Kenaz.1

  1. Zepho, Hebr. Tsepho; ook genoemd Tsephi, 1Ch 1:36.

12 En Timna was een bijwijf van Elifaz, den zoon van Ezau, en zij baarde aan Elifaz Amalek; dit zijn de zonen van Ada, Ezau’s huisvrouw.12

  1. Amalek De vader der Amelekieten, van wien wij lezen Exo 17:8; Deu 25:17, en 1Sa 15:2.
  2. de zonen Zie boven, vs.10, en zo vervolgens.

13 En dit zijn de zonen van Rehuël: Nahath, en Zerah, Samma en Mizza; dat zijn geweest de zonen van Basmath, Ezau’s huisvrouw.1

  1. Zerah, Zie onder, vs.33.

14 En dit zijn geweest de zonen van Aholibama, dochter van Ana, dochter van Zibeon, Ezau’s huisvrouw; en zij baarde aan Ezau Jehus, en Jaëlam, en Korah.

15 Dit zijn de vorsten der zonen van Ezau: de zonen van Elifaz, den eerstgeborene van Ezau, waren: de vorst Teman, de vorst Omar, de vorst Zefo, de vorst Kenaz.12

  1. de vorsten Deze vorsten hebben niet de een na des anderen dood geregeerd, maar tegelijk op één tijd, een iegelijk over de zijnen. Doch zij zijn geen machtige vorsten geweest; zij waren hoofden, of de voornaamsten der geslachten, gelijk gouverneurs of leidsmannen.
  2. Zepho, Hebr. Tsepho.

16 De vorst Korah, de vorst Gaetam, de vorst Amalek; dat zijn de vorsten van Elifaz in het land Edom; dat zijn de zonen van Ada.1

  1. Korach, Deze is te onderscheiden van den anderen Korach, een zoon van Aholibama, vs.5, 14, 18. Hij kan een neef van Elifaz geweest zijn.

17 En dit zijn de zonen van Rehuël, den zoon van Ezau: de vorst Nahath, de vorst Zerah, de vorst Samma, de vorst Mizza; dat zijn de vorsten van Rehuël in het land Edom; dat zijn de zonen van Basmath, de huisvrouw van Ezau.

18 En dit zijn de zonen van Aholibama, de huisvrouw van Ezau: de vorst Jehus, de vorst Jaëlam, de vorst Korah; dat zijn de vorsten van Aholibama, de dochter van Ana, de huisvrouw van Ezau.

19 Dat zijn de zonen van Ezau, en dat zijn hunlieder vorsten; hij is Edom.

20 Dit zijn de zonen van Seir, den Horiet, inwoners van dat land: Lotan, en Sobal, en Zibeon, en Ana,1

  1. Seïr, Deze Seïr is daar geweest de eerste vorst, van wien het land oorspronkelijk den naam Seïr bekomen heeft. Dit geslacht wordt hier verhaald, omdat Ezau en Elifaz met hun nakomelingen daarmede, door middel van het huwelijk, zijn vermaagschapt, en dat de heerschappij over het land van de Horieten op de nakomelingen van Ezau gekomen is; uit vergelijking van dit vs. en vs.2, blijkt, dat de Horieten en Hevieten voor één genomen worden.

21 En Dison, en Ezer, en Disan; dat zijn de vorsten der Horieten, zonen van Seir, in het land van Edom.12

  1. Dison, en Die ook Disan genoemd wordt, vs.26.
  2. der Horieten, Hebr. des Horieters.

22 En de zonen van Lotan waren Hori en Hemam; en Lotans zuster was Timna.12

  1. Hemam; Hij wordt 1Ch 1:39, Homam genoemd.
  2. Timna Zie boven, vs.12.

23 En dit zijn de zonen van Sobal: Alvan en Manahath, en Ebal, en Sefo, en Onam.12

  1. Alvan Hij wordt 1Ch 1:40, Alian genoemd.
  2. Sepho, Ook genoemd Sephi, 1Ch 1:40.

24 En dit zijn de zonen van Zibeon: Aja en Ana, hij is die Ana, die de muilen in de woestijn gevonden heeft, toen hij de ezels van zijn vader Zibeon weidde.1

  1. die de muilen Dat is, die eerst bedacht heeft een merrie bij een ezel te voegen, waaruit een derde soort van gedierte, half-ezel half-paard, is voortgebracht, welk gebruik nog duurt, alhoewel God verboden heeft, Lev 19:19, onderscheiden geslachten van beesten te vermengen.

25 En dit zijn de zonen van Ana: Dison; en Aholibama was de dochter van Ana.123

  1. zonen van Dat is, zoon, of kinderen. Zo is het veelvoudig getal voor het enkelvoudige genomen. Zie boven, Gen 21:7.
  2. Aholibáma Zie boven, vs.2, 5.
  3. Ana Deze is een ander dan van wien boven, vs.20, gesproken wordt.

26 En dit zijn de zonen van Dison: Hemdan, en Esban, en Ithran, en Cheran.1

  1. Hemdan Genoemd Hemran; 1Ch 1:41.

27 Dit zijn de zonen van Ezer: Bilhan, en Zaavan, en Akan.12

  1. Ezer Hebr. Etsers.
  2. Akan Anders, Jacan; 1Ch 1:42.

28 Dit zijn de zonen van Disan: Uz en Aran.1

  1. Uz Hebr. Uts.

29 Dit zijn de vorsten der Horieten: de vorst Lotan, de vorst Sobal, de vorst Zibeon, de vorst Ana.1

  1. der Horieten Hebr. des Chorieters, en alzo in het volgende.

30 De vorst Dison, de vorst Ezer, de vorst Disan; dit zijn de vorsten der Horieten, naar hun vorsten in het land Seir.1

  1. naar hun Anders, onder hun vorsten, of naar hun vorstendommen.

31 En dit zijn koningen, die geregeerd hebben in het land Edom, eer een koning regeerde over de kinderen Israëls.123

  1. koningen, die Gesproten uit Ezaus nakomelingen, die de Horieten verdrukt en van hun vorstendommen een koninkrijk gemaakt hebben.
  2. eer een Ezaus geslacht heeft welhaast gebloeid, doch is haast vergaan; maar Jacobs geslacht, later opgekomen zijnde, heeft veel langer geduurd, ja het duurt eeuwiglijk in zijn gebenedijd zaad van onzen Heere Jezus Christus.
  3. kinderen Of, zonen, nakomelingen.

32 Bela dan, de zoon van Beor, regeerde in Edom, en de naam zijner stad was Dinhaba.1

  1. zijner stad Waar hij geboren was. Aldus worden vervolgens de geboorteplaatsen dezer koningen aangewezen; welke, daar zij onderscheiden geweest zijn, zo schijnen die koningen, niet bij orde van successie maar door verkiezing of geweld, aan de regering gekomen te zijn.

33 En Bela stierf, en Jobab, de zoon van Zerah, van Bozra, regeerde in zijn plaats.1

  1. Bozra, Hebr. Botsrah. Een hoofdstad in Idumea; zie van deze Isa 34:6, en Isa 63:1; Amo 1:12.

34 En Jobab stierf, en Husam, uit der Temanieten land, regeerde in zijn plaats.1

  1. uit der Hebr. des Temanietiers; aldus genoemd naar Teman, den zoon van Elifaz; zie van dezen boven, vs.4, 11, 15; van het land, Jer 49:7, Jer 49:20. Van hier schijnt ook afkomstig geweest te zijn Elifaz van Teman, een der vrienden van Job, Job 2:11.

35 En Husam stierf, en in zijn plaats regeerde Hadad, de zoon van Bedad, die Midian versloeg in het veld van Moab; en de naam zijner stad was Avith.1

  1. Midian Dat is, de Midianieten; zie boven, Gen 25:2.

36 En Hadad stierf, en Samla, van Masreka, regeerde in zijn plaats.

37 En Samla stierf, en Saul van Rehoboth, aan de rivier, regeerde in zijn plaats.12

  1. Saul van Deze is wel te onderscheiden van Saul, den zoon van Kis, die de eerste koning was van Israel.
  2. aan de Dat is aan de rivier gelegen; tot onderscheid van een ander Rehoboth, boven Gen 10:11.

38 En Saul stierf, en Baäl-hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats.

39 En Baäl-hanan, de zoon van Achbor, stierf, en Hadar regeerde in zijn plaats; en de naam zijner stad was Pahu; en de naam zijner huisvrouw was Mechetabeel, een dochter van Matred, de dochter van Me-zahab.1

  1. de dochter Dat is, nicht, kindskind; verg. boven, vs.2.

40 En dit zijn de namen der vorsten van Ezau, naar hun geslachten, naar hun plaatsen, met hun namen: de vorst Timna, de vorst Alva, de vorst Jetheth,123

  1. vorsten Dat is, van Ezau afkomstig, die na de koningen het regiment in Idumea, òf tezamen, òf na elkander gehad hebben.
  2. met hun Dat is, niet alleen van hun personen, maar ook van hun geslachten, huisgezinnen en woonplaatsen, welke veel genoemd zijn geweest naar de personen.
  3. Timna, Dit is hier een mansnaam, gelijk ook vs.41, Aholibama, en onderscheidene personen van degenen, die boven, vs.2, 5, 12, genoemd staan.

41 De vorst Aholibama, de vorst Ela, de vorst Pinon,

42 De vorst Kenaz, de vorst Teman, de vorst Mibzar,1

  1. Mibzar, Hebr. Mibtsar.

43 De vorst Magdiel, de vorst Iram; dit zijn de vorsten van Edom, naar hun woningen, in het land hunner bezitting; hij is Ezau, de vader van Edom.1

  1. Edom Dat is, der Edomieten.

Chapter 37

1 En Jakob woonde in het land der vreemdelingschappen zijns vaders, in het land Kanaän.1

  1. der Zie boven, Gen 17:8.

2 Dit zijn Jakobs geschiedenissen. Jozef, zijnde een zoon van zeventien jaren, weidde de kudde met zijn broeders (en hij was een jongeling), met de zonen van Bilha, en de zonen van Zilpa, zijns vaders vrouwen; en Jozef bracht hun kwaad gerucht tot hun vader.12

  1. geschiedenissen Hebr. geboorten; dat is, hetgeen Jakob in zijn geslacht en nakomelingen wedervaren is. Zo wordt het Hebreeuwse woord somtijds genomen. Zie boven, Gen 6:8.
  2. kwaad gerucht Dat is, wat zij kwaads mochten zeggen, of bedrijven, strekkende tot ontering van henzelven en het ganse huis.

3 En Israël had Jozef lief, boven al zijn zonen; want hij was hem een zoon des ouderdoms; en hij maakte hem een veelvervigen rok.12

  1. des ouderdoms; Omdat hij hem omtrent een en negentig jaren oud zijnde gewonnen had, alsook omdat hij de eerstgeborene uit Rachel was, dien zij na lange en verdrietige onvruchtbaarheid Jakob gebaard had; verg. onder, Gen 44:20.
  2. veelvervigen Hebr. van verscheidene stukken, te weten, die van onderscheiden kleuren waren; verg. 2Sa 13:18.

4 Als nu zijn broeders zagen, dat hun vader hem boven al zijn broederen liefhad, haatten zij hem, en konden hem niet vredelijk toespreken.1

  1. vredelijk Hebr. tot, of ten vrede; dat is, wat uit een zachtmoedig en vreedzaam hart voortgaande tot onderhouding van liefde en vrede diende.

5 Ook droomde Jozef een droom, dien hij aan zijn broederen vertelde; daarom haatten zij hem nog te meer.1

  1. haatten Hebr. zij deden, of voegden toe, of, voeren voort hem nog, of, te meer te haten; alzo onder, vs.8; zij namen drie oorzaken om hem te haten. Eerst, omdat hij hun kwaad gerucht tot Jakob bracht, vs.2. Ten tweede, omdat de vader hem liever had dan zijn broeders, vs.4. Ten derde, om zijn dromen, die hij hun vertelde, hier vs.6, enz.

6 En hij zeide tot hen: Hoort toch dezen droom, dien ik gedroomd heb.

7 En ziet, wij waren schoven bindende in het midden des velds; en ziet, mijn schoof stond op, en bleef ook staande; en ziet, uw schoven kwamen rondom, en bogen zich neder voor mijn schoof.123

  1. en ziet, God heeft door dezen en den volgenden droom willen openbaren wat namaals geschieden zou, om te weten dat het niet bij toeval, maar door zijn regering geschiedde.
  2. bleef ook Anders, stond ook overeind.
  3. en ziet, Dit woordje ziet, gebruikt Jozef hier tot driemalen toe, daarmede tonende, dat deze droom hem zeer zeldzaam voorkwam, en zeer bewoog. Zie de vervulling daarvan onder, Gen 42:6.

8 Toen zeiden zijn broeders tot hem: Zult gij dan ganselijk over ons regeren: zult gij dan ganselijk over ons heersen? Zo haatten zij hem nog te meer, om zijn dromen en om zijn woorden.1

  1. Zult gij dan ganselijk over ons regeren Of, zekerlijk. Hebr. zult, of, zoudt gij regerende regeren? en zo in het vervolg, heersende heersen, Jozefs broeders dulden dezen droom op zichzelven gelijk de Midianieten, Jdg 7:13.

9 En hij droomde nog een anderen droom, en verhaalde dien aan zijn broederen; en hij zeide: Ziet, ik heb nog een droom gedroomd, en ziet, de zon, en de maan, en elf sterren bogen zich voor mij neder.1

  1. droom gedroomd, Zie de vervulling hiervan, onder, Gen 46:29, enz.

10 En als hij het aan zijn vader en aan zijn broederen verhaalde, bestrafte hem zijn vader, en zeide tot hem: Wat is dit voor een droom, dien gij gedroomd hebt; zullen wij dan ganselijk komen, ik, en uw moeder, en uw broeders, om ons voor u ter aarde te buigen?12

  1. bestrafte Meer om zijn andere zonen wat te verzachten, dan dat hij inderdaad op Jozef zou vergramd zijn; want hij bemerkte wel dat deze droom wat bijzonders, gelijk blijkt uit het volgende vs., in had.
  2. moeder, en Versta, zijn stiefmoeder Lea of Bilha, Rachels dienstmaagd. Wil men het nemen van Rachel, zijn eigen moeder, die overleden was, het zal dan zijn, alsof Jakob zeide: zal uw moeder uit de doden opstaan, en zich voor u ter aarde buigen?

11 Zijn broeders dan benijdden hem; doch zijn vader bewaarde deze zaak.1

  1. deze zaak Anders, dit woord; dat is, deze woorden. De zin is dat hij Jozefs dromen overlegde en in zijn hart opsloot, oordelende dat zij wat beduiden, en verwachtende wat met den tijd daarvan geworden zou; verg. Luk 2:19.

12 En zijn broeders gingen heen, om de kudde van hun vader te weiden bij Sichem.1

  1. Sichem Zie boven, Gen 12:6. Omtrent deze plaats had Jakob tevoren een stuk land gekocht; boven, Gen 33:19.

13 Zo zeide Israël tot Jozef: Weiden uw broeders niet bij Sichem? Kom, dat ik u tot hen zende. En hij zeide tot hem: Zie, hier ben ik!1

  1. Zie, hier Zie boven, Gen 22:1, en de aanteek.

14 En hij zeide tot hem: Ga toch heen, zie naar den welstand van uw broederen, en naar den welstand van de kudde, en breng mij een woord wederom. Zo zond hij hem uit het dal Hebron, en hij kwam te Sichem.123

  1. welstand Hebr. vrede. Dit woord betekent allerlei welvaart der mensen, niet alleen in het algemeen, Lev 26:6; 1Ki 2:33; Psa 125:5; Jer 29:7, maar ook in het bijzonder, ten aanzien van hun lichamelijke gezondheid en sterkte, 2Sa 18:32; Psa 38:4, en hier; idem vanhun ziel, Num 6:26; Isa 48:22; Luk 2:14; Joh 14:27, mitsgaders van al hun goederen, roerende en onroerende; 1Sa 25:6; Job 5:24 en hier in de volgende woorden.
  2. breng mij Of, breng mij de zaak weder over, dat is, breng mij van alles bescheid.
  3. Hebron, Zie boven, Gen 23:2.

15 En een man vond hem (want ziet, hij was dwalende in het veld); zo vraagde hem deze man, zeggende: Wat zoekt gij?

16 En hij zeide: Ik zoek mijn broederen; geef mij toch te kennen, waar zij weiden.

17 Zo zeide die man: Zij zijn van hier gereisd; want ik hoorde hen zeggen: Laat ons naar Dothan gaan. Jozef dan ging zijn broederen na, en vond hen te Dothan.1

  1. Dothan gaan Een plaats, gelegen niet ver van Sichem en Samaria, waar met den tijd een stad gebouwd is, hebbende denzelfden naam, 2Ki 6:13.

18 En zij zagen hem van verre; en eer hij tot hen naderde, sloegen zij tegen hem een listigen raad, om hem te doden.12

  1. sloegen zij Het Hebreeuwse woord betekent, enig kwaad tegen iemand arglistiglijk uit te vinden, of practiseren.
  2. te doden Een bedroevend en deerlijk schandaal in Israels huis; hoewel God, die uit de duisternis het licht trekt, het wonderlijk heeft geregeerd tot zijn eer en de voltrekking van zijn raad over Jakobs huisgezin; gelijk dit blijkt uit het volgende.

19 En zij zeiden de een tot den ander: Ziet, daar komt die meesterdromer aan!12

  1. de een tot Hebr. de man tot zijn broeder.
  2. meesterdromer Of, opperdromer. Hebr. meester der dromen. Zie boven, Gen 14:13.

20 Nu komt dan, en laat ons hem doodslaan, en hem in een dezer kuilen werpen; en wij zullen zeggen: een boos dier heeft hem opgegeten; zo zullen wij zien, wat van zijn dromen worden zal.12

  1. zullen zeggen Te weten, tot onzen vader en anderen. Aldus zoeken zij die schandelijke daad met een leugen te verbergen.
  2. wat van zijn Hebr. wat zijn dromen zijn zullen.

21 Ruben hoorde dat, en verloste hem uit hun hand; en hij zeide: Laat ons hem niet aan het leven slaan.123

  1. Ruben hoorde Of, toen Ruben dat gehoord had, en zo vervolgens. Het schijnt dat Ruben, bemerkende dat zijn broeders Jozef wilden doden, deze manier in het voorafgaande vs. voorgeslagen, liever heeft willen toestaan, omdat hij voornemens was hem naderhand uit den kuil te verlossen, zoals in het volgende vs. verhaald is.
  2. en verloste Dat is, hij zocht hem te verlossen.
  3. leven slaan Hebr. ziel; dat is leven. Hij wil zeggen, laat ons hem het leven met onze eigen handen niet benemen. Het woord ziel wordt aldus elders ook gebruikt. Zie boven, Gen 19:17.

22 Ook zeide Ruben tot hen: Vergiet geen bloed; werpt hem in dezen kuil die in de woestijn is, en legt de hand niet aan hem; opdat hij hem uit hun hand verloste, om hem tot zijn vader weder te brengen.1

  1. en legt Dat is, doodt hem niet met eigen hand; zie dergelijke manier van spreken, boven, Gen 22:12, alwaar de hand aan iemand te leggen, is hem te doden met zijn hand, gelijk Abraham voorhad met zijn zoon te doen. Dezelfde uitdrukking vindt men onder, vs.27, onze hand zij niet aan hem.

23 En het geschiedde, als Jozef tot zijn broederen kwam, zo togen zij Jozef zijn rok uit, den veelvervigen rok, dien hij aanhad.1

  1. den veelvervigen Zie boven, vs.3; waarom zij dit gedaan hebben, zie onder, vs.31.

24 En zij namen hem, en wierpen hem in den kuil; doch de kuil was ledig; er was geen water in.1

  1. En zij namen Hoe zich Jozef in deze gelegenheid gedragen heeft, zieonder, Gen 42:21.

25 Daarna zaten zij neder om brood te eten, en hieven hun ogen op, en zagen, en ziet, een reisgezelschap van Ismaëlieten kwam uit Gilead; en hun kemelen droegen specerijen en balsem, en mirre, reizende, om dat af te brengen naar Egypte.1234567

  1. om brood Dat is, om hun maal te houden; zie boven, Gen 31:54.
  2. Ismaëlieten Een volk, afkomstig van Ismael, den zoon van Abraham uit Hagar; van welks land men zien mag, boven, Gen 25:18. Beneden worden ook genoemd Midianieten en Medanieten, vs.28, 36, waaruit blijkt dat het een gezelschap geweest is van onderscheiden natiën, woonachtig in Arabië.
  3. Gilead; Zie boven, Gen 31:21.
  4. specerijen Het Hebreeuwse woord betekent in het algemeen allerlei soort van specerij.
  5. balsem, Anders, hars, terpentijn.
  6. mirre, Anders, mastik, of balsem; zie van deze specerij ook onder, Gen 43:11.
  7. Egypte Zie boven, Gen 12:10.

26 Toen zeide Juda tot zijn broederen: Wat gewin zal het zijn, dat wij onzen broeder doodslaan, en zijn bloed verbergen?1

  1. bloed verbergen? Dat is, zijn dood of moord. Aldus is het woord bloed genomen Deu 17:8; 2Sa 1:16, en 2Sa 3:28.

27 Komt, en laat ons hem aan deze Ismaëlieten verkopen, en onze hand zij niet aan hem; want hij is onze broeder, ons vlees, en zijn broederen hoorden hem.1

  1. onze hand Zie boven, vs.22.

28 Als nu de Midianietische kooplieden voorbijtogen, zo trokken en hieven zij Jozef op uit den kuil, en verkochten Jozef aan deze Ismaëlieten voor twintig zilverlingen; die brachten Jozef naar Egypte.12

  1. Midianietische Een volk, afkomstig uit Midian, den zoon van Abraham uit Ketura; zie boven, Gen 25:2, en Gen 36:35.
  2. twintig zilverlingen; Hebr. twintig zilvers; dat is, omtrent vijf rijksdaalders (f 12,50); zie boven, Gen 20:16, en Gen 23:15.

29 Als nu Ruben tot den kuil wederkeerde, ziet, zo was Jozef niet in den kuil; toen scheurde hij zijn klederen.12

  1. Als nu Ruben Want hij had zich van zijn broeders verstoken, om Jozef daarna heimelijk uit den kuil te trekken; maar middelerwijl werd hij verkocht.
  2. scheurde hij Dit was een gebruik bij de ouden, wanneer hun iets zwaars en bedroevends voorkwam of wedervoer; zieonder, vs.34; Num 14:6; 2Ki 19:1; Ezr 9:3; Job 1:20, en Job 2:12; Mat 26:65.

30 En hij keerde weder tot zijn broederen, en zeide: De jongeling is er niet; en ik, waar zal ik heengaan?12

  1. De jongeling Jozef was omtrent dezen tijd zeventien jaren oud; zie boven, vs.2.
  2. waar zal ik Ruben is zeer ontsteld, uit vrees voor zijn vader, diehem als den oudste, zonder twijfel, rekenschap zou afeischen over het verlies van Jozef, en dit hem te meer kwalijk afnemen omdat hij zich onlangs zeer vergrepen en zijn vader grotelijks vertoornd had; boven, Gen 35:22.

31 Toen namen zij Jozefs rok, en zij slachtten een geitenbok, en zij doopten den rok in het bloed.1

  1. en zij doopten Niet twijfelende, of de vader zou daaruit oordelen dat Jozef door een wild dier verscheurd was, gelijk hij ook geoordeeld heeft; onder, vs.33.

32 En zij zonden den veelvervigen rok, en deden hem tot hun vader brengen, en zeiden: Dezen hebben wij gevonden; beken toch, of deze uws zoons rok zij, of niet.

33 En hij bekende hem, en zeide: Het is mijns zoons rok! een boos dier heeft hem opgegeten! voorzeker is Jozef verscheurd!1

  1. voorzeker is Hebr. is verscheurende verscheurd; dat is, gewisselijk en buiten allen twijfel, of, gans en ten enenmale verscheurd; zie boven, Gen 2:16-17.

34 Toen scheurde Jakob zijn klederen, en legde een zak om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen.1234

  1. scheurde Zie boven, vs.29.
  2. zak om Dat is, een zeer grof, slecht en onkostbaar kleed, [wel niet juist als een rechte zak], waarmede de ouden zich plachten te bewinden, als met een zak, tot bewijs van groten rouw en droefheid. Zie 2Sa 3:31; 1Ki 20:32, en 1Ki 21:27; Psa 35:13; Lam 2:10; Mat 11:21.
  3. bedreef rouw Of, droeg; alzo 1Sa 15:35, en 2Sa 13:37.
  4. vele dagen Dat is, langen tijd, meer dan men gewoon was te doen.

35 En al zijn zonen, en al zijn dochteren maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zeide: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf nederdalen. Alzo beweende hem zijn vader.1234

  1. zijn dochteren Zijn dochter Dina, zijn aangehuwde dochters en de dochters van zijn zonen.
  2. maar hij Niet dat Jakob geen geestelijken troost zou gehad of toegelaten hebben, maar dat hij uit menselijke zwakheid en de grootheid van zijn liefde tot Jozef, zijn rouw niet zo kon afleggen en matigen, of hij zou daarvan enig overblijfsel zijn levenlang behouden.
  3. tot mijn zoon Anders, om mijns zoons wil; verg. 1Sa 4:19, 1Sa 4:21; 2Sa 21:1.
  4. graf nederdalen Het Hebr. woord betekent somtijds het graf gelijk hier en onder, Gen 42:38, en Gen 44:29, Gen 44:31; Psa 6:6, en Psa 16:10; Ecc 9:10; Isa 38:18; idem allerlei grote diepten, of diepe, verborgen plaatsen; Job 26:6; Psa 139:8; Amo 9:2; somtijds de hel, of plaats der verdoemden, gelijk Job 11:8; Pro 15:11. Aldus kan het hier niet genomen worden; want Jakob geloofde het tegendeel van zijn zoon. Somtijds betekent het ook overgrote en uiterste benauwdheden, en het gevoel van Gods toorn, gelijk 1Sa 2:6; Psa 18:6, en Psa 86:13.

36 En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, overste der trawanten.123

  1. Medanieten Zie boven Gen 25:2.
  2. hoveling Het Hebr. woord betekent eigenlijk een gesneden man, gelijk Isa 56:3-4; en daarom ook een kamerling, omdat de kamerlingen der grote vrouwen gesneden waren, Est 4:4; voorts betekent het ook hovelingen of officieren in herenhoven, gelijk hier en onder, Gen 40:2, en 2Ki 8:6.
  3. der trawanten Die gesteld waren om de misdadigers op des konings bevel te straffen. Zie onder, Gen 40:3; 1Sa 22:17; Mar 6:27. Het Hebreeuwse woord betekent slachters van beesten en mensen.

Chapter 38

1 En het geschiedde ten zelven tijde, dat Juda van zijn broederen aftoog, en hij keerde in tot een man van Adullam, wiens naam was Hira.12

  1. ten zelven Dat is, in dien tijd, toen Jakob uit Mesopotamië wedergekeerd was, en woonde in het land Kanaän. Hier worden vermeld enige dingen, die vóór het verkopen van Jozef, en andere, die daarna geschied zijnp; maar Mozes voegt die tezamen, omdat zij één patriarch aangingen en van zulk een natuur waren, dat zij in één verhaal bekwamelijk konden afgedaan worden.
  2. Adullam, Adullam was een stadje omtrent Hebron gelegen, dat daarna aan den stam van Juda door het lot gevallen is; Jos 12:15, en Jos 15:35.

2 En Juda zag aldaar de dochter van een Kanaänietisch man, wiens naam was Sua; en hij nam haar, en ging tot haar in.12

  1. hij nam Te weten, tot een vrouw, tegen Gods wil, het goede exempel van zijn voorvaders, en zonder twijfel, buiten, of ook tegen den raad en het goedvinden van zijn vader. Zie dergelijke huwelijken boven, Gen 6:2, Gen 6:4, en Gen 26:34, en Gen 27:46.
  2. ging tot Zie boven, Gen 6:4.

3 En zij werd bevrucht, en baarde een zoon, en hij noemde zijn naam Er.

4 Daarna werd zij weder bevrucht, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Onan.

5 En zij voer nog voort, en baarde een zoon, en noemde zijn naam Sela; doch hij was te Chezib, toen zij hem baarde.12

  1. hij was te Te weten, Juda.
  2. Chezib De naam van een plaats of stad gelegen in het land Kanaän, en daarna in den stam van Juda, niet ver van Adullam; ok genoemd Aczib; Jos 19:29; Jdg 1:31; Mic 1:14.

6 Juda nu nam een vrouw voor Er, zijn eerstgeborene, en haar naam was Thamar.

7 Maar Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in des Heeren ogen; daarom doodde hem de Heere.12

  1. kwaad in Dat is, hij mishaagde den Heere; zie boven, Gen 21:11, want hij is genegen geweest en uitgebroken tot grote en grove zonden, die Gods rechtvaardige gramschap tegen hem verwekt hebben; verg. boven, Gen 6:11, en Gen 10:9.
  2. doodde hem Te weten, op zulk een manier, dat men in zijn dood Gods rechtvaardig oordeel kan opmerken; alzo onder, vs.10.

8 Toen zeide Juda tot Onan: Ga in tot uws broeders huisvrouw, en trouw haar in uws broeders naam, en verwek uw broeder zaad.12

  1. trouw haar Het Hebr. woord betekent zijns broeders nagelaten vrouw te trouwen, volgens het gebruik van dien tijd, door de wet daarna bevestigd; Deu 25:5-6; Rth 1:11; Mat 22:24, enz.
  2. verwek uw Want de conditie bij dit huwelijk was, dat de eerstgeboren zoon voor den zoon van den overledene gehouden moest worden.

9 Doch Onan, wetende, dat dit zaad voor hem niet zoude zijn, zo geschiedde het, als hij tot zijns broeders huisvrouw inging, dat hij het verdierf tegen de aarde, om zijn broeder geen zaad te geven.123

  1. wetende dat Zie de aantekeningen op het voorgaande vers.
  2. zaad voor Dat is, zoon. Zie boven, Gen 4:25.
  3. verdorf Of, schond, stortende dat ter aarde; daar de Hebreeuwse woorden beiden begrijpen. Dit was zoveel alsof hij de vrucht [om zo te spreken] uit het lichaam van de moeder weggerukt en vernield had.

10 En het was kwaad in des Heeren ogen, wat hij deed; daarom doodde Hij hem ook.1

  1. in des HEEREN Dat is, naar Gods oordeel; zie Job 11:4.

11 Toen zeide Juda tot Thamar, zijn schoondochter: Blijf weduwe in uws vaders huis, totdat mijn zoon Sela groot wordt; want hij zeide: Dat niet misschien ook deze sterve, gelijk zijn broeders! Zo ging Thamar heen, en bleef in haar vaders huis.1234

  1. Blijf Of, zit, of, blijf zitten; aldus in het volgende.
  2. totdat mijn Zich gelatende, alsof hij dezen haar dan ten huwelijk wilde geven; maar uit het volgende blijkt dat hij dit niet in den zin had.
  3. want Anders, maar.
  4. hij zeide Te weten, bij zichzelven; dat is, hij dacht; zie boven, Gen 20:11.

12 Als nu vele dagen verlopen waren, stierf de dochter van Sua, de huisvrouw van Juda; daarna troostte zich Juda, en ging op tot zijn schaapscheerders naar Timna toe, hij en Hira, zijn vriend, de Adullamiet.1234

  1. Als nu Hebr. toen de dagen vermenigvuldigd waren; dat is, toen er een goede tijd gepasseerd en nochtans Sela aan Thamar niet gegeven was.
  2. troostte Dat is, hij legde zijn rouw af; verg. boven, Gen 37:35.
  3. zijn schaapscheerders Want in de scheringen was het gebruikelijk gastmalen te houden, en met de vrienden vrolijk te zijn; 1Sa 25:36.
  4. Timna Een stad niet ver van Adullam gelegen, naderhand aan den stam van Juda ten deel gevallen; Jos 15:57. Men leest ook van een Timna, gelegen in Dan; Jos 19:43.

13 En men gaf Thamar te kennen, zeggende: Zie, uw schoonvader gaat op naar Timna, om zijn schapen te scheren.

14 Toen leide zij de klederen van haar weduwschap van zich af, en zij bedekte zich met een sluier, en bewond zich, en zette zich aan den ingang der twee fonteinen, die op den weg naar Timna is; want zij zag, dat Sela groot geworden was, en zij hem niet ter vrouw was gegeven.123

  1. van haar Want de weduwen waren eenvoudiger en nederiger gekleed dan andere vrouwen.
  2. bedekte zich Thamar om een oneerbare vrouw te gelijken, versiert zich met een sluier, bewindt en verbergt haar aangezicht, en zit op een algemenen weg, opdat zij, onbekend blijvende, haar schoonvader zou mogen bedriegen; verg. Pro 7:12, en Pro 9:14; Eze 16:24-25.
  3. twee fonteinen, Of, Enaïm, hetwelk sommigen houden voor den naam van een zekere plaats. Sommigen zetten het over een scheidsweg, genoemd, volgens hun gevoelen: deur der ogen; omdat op een kruisweg de ogen als opengedaan worden, om herwaarts of derwaarts te zien.

15 Als Juda haar zag, zo hield hij haar voor een hoer, overmits zij haar aangezicht bedekt had.

16 En hij week tot haar naar den weg, en zeide: Kom toch, laat mij tot u ingaan; want hij wist niet, dat zij zijn schoondochter was. En zij zeide: Wat zult gij mij geven, dat gij tot mij ingaat?12

  1. weg, Te weten, naar den weg waar zij zat.
  2. Wat zult Zij eist hoerenloon, niet uit begeerte van gewin, maar om hem namaals daarvan te overtuigen; gelijk blijkt onder, vs.25; en Juda was zo verrukt door de hitte van vleselijken lust, dat hij de stem van zijn schoondochter niet herkende.

17 En hij zeide: Ik zal u een geitenbok van de kudde zenden. En zij zeide: Zo gij pand zult geven, totdat gij hem zendt.1

  1. Zo gij Versta hierbij: Ik zal u ter wille zijn, indien gij, enz. Anders, zult gij pand geven, totdat gij het zendt?

18 Toen zeide hij: Wat pand is het, dat ik u geven zal? En zij zeide: Uw zegelring en uw snoer en uw staf, die in uw hand is; hetwelk hij haar gaf, en ging tot haar in; en zij ontving bij hem.1

  1. snoer Anders, zweetdoek, neusdoek. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk gedraaid, of, getwijnd garen; en wordt genomen voor snoeren en doeken van zulk garen gemaakt.

19 En zij maakte zich op, en ging heen, en leide haar sluier van zich af, en zij trok aan de klederen van haar weduwschap.

20 En Juda zond den geitenbok door de hand van zijn vriend, den Adullamiet, om het pand uit de hand der vrouw te nemen; maar hij vond haar niet.

21 En hij vraagde de lieden van haar plaats, zeggende: Waar is de hoer, die bij deze twee fonteinen aan den weg was? En zij zeiden: Hier is geen hoer geweest.12

  1. haar plaats, Dat is, van de plaats, waaromtrent Thamar gezeten had.
  2. twee fonteinen Hebr. Enaïm; zie boven, vs.14.

22 En hij keerde weder tot Juda, en zeide: Ik heb haar niet gevonden; en ook zeiden de lieden van die plaats: Hier is geen hoer geweest.

23 Toen zeide Juda: Zij neme het voor zich, opdat wij misschien niet tot verachting worden; zie, ik heb dezen bok gezonden; maar gij hebt haar niet gevonden.1

  1. niet tot Dat is, opdat wij naar ons goed te veel vernemende, onze hoererij niet ontdekken, wat ons tot schande zou dienen. Merk dat bij de heidenen en afgodendienaars, zoals de Adullamieten waren, de hoererij voor schande werd gerekend.

24 En het geschiedde omtrent na drie maanden, dat men Juda te kennen gaf, zeggende: Thamar, uw schoondochter, heeft gehoereerd, en ook zie, zij is zwanger van hoererij. Toen zeide Juda: Breng ze hervoor, dat zij verbrand worde!12

  1. Breng ze Te weten, aan de stadspoort, opdat men haar voor de overheid haar proces make als een overspeelster, overmits zij aan mijn zoon Sela beloofd is.
  2. dat zij Zo was dan het overspel in dien tijd, ook vóór de wet, gehouden voor een doodswaardige misdaad. Zie boven, Gen 20:3, Gen 20:7, Gen 20:9.

25 Als zij voorgebracht werd, schikte zij tot haar schoonvader, om te zeggen: Bij den man, wiens deze dingen zijn, ben ik zwanger; en zij zeide: Beken toch, wiens deze zegelring, en deze snoeren, en deze staf zijn.1

  1. zweer Dit is, schoonvader.

26 En Juda kende ze, en zeide: Zij is rechtvaardiger dan ik, daarom, omdat ik haar aan mijn zoon Sela niet gegeven heb. En hij bekende haar voortaan niet meer.123

  1. Zij is Zijn conscientie wroegt hem, niet alleen omdat hij zijn belofte aan Thamar niet gehouden had [welke reden hier in dit vs. vermeld wordt], maar ook omdat hij met zijn weten hoererij en onwetend bloedschande begaan had.
  2. hij Hebr. hij voer niet voort om haar te bekennen.
  3. bekende Zie deze manier van spreken boven, Gen 4:1.

27 En het geschiedde ten tijde, als zij baren zou, ziet, zo waren tweelingen in haar buik.

28 En het geschiedde, als zij baarde, dat een de hand uitgaf; en de vroedvrouw nam dezelve, en zij bond een scharlaken draad om zijn hand, zeggende: Deze komt het eerst uit.12

  1. scharlaken Het Hebr. woord betekent eigenlijk zulk een stof, die in de scharlakenrode verf tweemaal ingedoopt is. Zie Exo 25:4, en Lev 14:4, en de aantekeningen.
  2. Deze komt Omdat zij meende dat deze het eerst zou voortkomen, en alzo de eerstgeborene zijn.

29 Maar het geschiedde, als hij zijn hand weder intoog, ziet, zo kwam zijn broeder uit; en zij zeide: Hoe zijt gij doorgebroken? op u is de breuke! en men noemde zijn naam Perez.123

  1. Hoe zijt Dat is, hoe zijt gij vóór uw broeder, die u voor was, doorgedrongen, om ter wereld te komen?
  2. op u is Dat is, zij is u toe te schrijven; of, gij hebt ze gemaakt om uw broeder het voordeel der eerstgeboorte, dat hij scheen te hebben, te ontnemen. Anders, hoe hebt gij de scheur over u gescheurd?
  3. Perez Hebr. Perets; dat is, doorbreking, scheuring.

30 En daarna kwam zijn broeder uit, om wiens hand de scharlaken draad was; en men noemde zijn naam Zera.1

  1. Zerah Dat is, opgang, oprijzing. Omdat hij zich het eerst had laten zien, toen hij in de geboorte was.

Chapter 39

1 Jozef nu werd naar Egypte afgevoerd; en Potifar, een hoveling van Farao, een overste der trawanten, een Egyptisch man, kocht hem uit de hand der Ismaëlieten, die hem derwaarts afgevoerd hadden.12

  1. en Pótifar, Zie boven, Gen 37:36
  2. Ismaëlieten, Zie boven, Gen 37:25.

2 En de Heere was met Jozef, zodat hij een voorspoedig man was; en hij was in het huis van zijn heer, den Egyptenaar.123

  1. de HEERE Zie boven, Gen 21:22, en Gen 26:24.
  2. hij was Dat is, hij liep niet weg naar zijn vader of elders, maar voegde zich, met geduld en getrouwheid, in den staat, waartoe hij door God vernederd was.
  3. van zijn heer, Hebr. zijner heren; dat is, zijns heren, en zo vervolgens; gelijk ook boven, Gen 24:10; 2Sa 12:8.

3 Als nu zijn heer zag, dat de Heere met hem was, en dat de Heere al wat hij deed, door zijn hand voorspoedig maakte;1

  1. door zijn Dat is, door zijn dienst; Exo 4:13; Lev 8:36; Pro 26:6, enz.

4 Zo vond Jozef genade in zijn ogen, en diende hem; en hij stelde hem over zijn huis; en al wat hij had, gaf hij in zijn hand.123

  1. genade Zie boven, Gen 18:3.
  2. diende hem; Dat is, hij paste op zijn persoon. Eerst was hij een gemene knecht, daarna een kamerdienaar van zijn heer, ja een verzorger van het gehele huis.
  3. in zijn hand Zie boven, Gen 16:6.

5 En het geschiedde van toen af, dat hij hem over zijn huis, en over al wat het zijne was, gesteld had, dat de Heere des Egyptenaars huis zegende, om Jozefs wil; ja, de zegen des Heeren was in alles, wat hij had, in het huis en in het veld.1

  1. om Jozefs De bozen worden gezegend van wege de bijwoning der vromen. Zie boven, Gen 30:27, Gen 30:30; Isa 45:3-4.

6 En hij liet alles, wat hij had, in Jozefs hand, zodat hij met hem van geen ding kennis had, behalve van het brood, dat hij at. En Jozef was schoon van gedaante, en schoon van aangezicht.1

  1. behalve van Dat is, Pótifar bemoeide zich nergens mede dan met eten en drinken, latende al de huishouding op Jozef berusten. Sommigen menen dat deze woorden: behalve van het brood dat hij at, zien op de superstitie der Egyptenaars, die met de Hebreën niet wilden eten. Zie daarvan onder, Gen 43:32.

7 En het geschiedde na deze dingen, dat de huisvrouw zijns heren haar ogen op Jozef wierp; en zij zeide: lig bij mij!12

  1. haar ogen Hebr. dat zij haar ogen ophief tot JoZEf. De zin is: zij zag hem aan met oneerbare ogen en met onkuisen lust. Zie Mat 5:28, en 2Pe 2:14. Het contrarie was bij Job, Job 31:1.
  2. Lig bij mij Nadat zij, zonder twijfel, tevoren het er op toegelegd had, om hem tot onkuischheid te bewegen.

8 Maar hij weigerde het, en zeide tot de huisvrouw zijns heren: Zie, mijn heer heeft geen kennis met mij, wat er in het huis is; en al wat hij heeft, dat heeft hij in mijn hand gegeven.

9 Niemand is groter in dit huis dan ik, en hij heeft voor mij niets onthouden, dan u, daarin dat gij zijn huisvrouw zijt; hoe zoude ik dan dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God!12

  1. Niemand Versta dit ten aanzien van de macht, die Jozef van zijn heer ontvangen had, om het huis te verzorgen, en in zijn plaats opzicht daarover te hebben. Anders: Hij zelf is niet groter in dit huis.
  2. dan u, Dat is, hij heeft mij ook bevolen zorg voor u te dragen, zoveel de nooddruft van uw lichaam aangaat, maar niet om de gemeenschap van hetzelve aan mij te trekken. Anders, daarom dat gij, enz.

10 En het geschiedde, als zij Jozef dag op dag aansprak, en hij naar haar niet hoorde, om bij haar te liggen, en bij haar te zijn;12

  1. dag op dag Hebr. dag, dag. Een en hetzelfde woord wordt somtijds tweemalen genomen, om een gedurigheid des tijds te betekenen; Exo 16:5, Exo 16:21; Lev 6:12; Deu 2:27, en Deu 14:22.
  2. haar te zijn; Dat is, om haar gesprekken daarover aan te horen. Want hij wist wel dat kwade redenen goede zeden bederven. 1Co 15:33.

11 Zo gebeurde het op zulk een dag, dat hij in het huis kwam, om zijn werk te doen; en niemand van de lieden des huizes was daar binnenshuis.1

  1. de lieden Dat is, huisgenoten; alzo onder, vs.14, en Mic 7:6.

12 En zij greep hem bij zijn kleed, zeggende: Lig bij mij! En hij liet zijn kleed in haar hand, en vluchtte, en ging uit naar buiten.1

  1. kleed, Zonder twijfel bij zijn opperkleed, zoals mantel, enz.

13 En het geschiedde, als zij zag, dat hij zijn kleed in haar hand gelaten had, en naar buiten gevlucht was;

14 Zo riep zij de lieden van haar huis, en sprak tot hen, zeggende: Ziet, hij heeft ons den Hebreeuwsen man ingebracht, om met ons te spotten; hij is tot mij gekomen, om bij mij te liggen, en ik heb geroepen met luider stem;123456

  1. de lieden Te weten, die buiten waren, of, intussen weder ingekomen waren, opdat zij die tot getuigen zou mogen opmaken en bereid hebben, als zij Jozef bij haar man beschuldigen zou.
  2. Ziet, Het schijnt dat zij Jozefs kleed in haar handen gehad en getoond heeft.
  3. hij heeft ons Te weten, mijn man; zij noemt niet, kwanswijs, gram op hem zijnde.
  4. Hebreeuwsen Zo noemt zij Jozef verachtelijk, om het huisgezin tegen hem op te hitsen; dewijl de Egyptenaars de Hebreën niet wel vermochten te lijden; zie Gen 43:32.
  5. met ons Deze loze vrouw zegt niet, met mij, maar, met ons, alsof zij wilde zeggen: Durft hij mij dit vergen, welke schande en overlast zal hij dan de dienstmaagden niet durven aandoen?
  6. luider stem; Hebr. groter.

15 En het geschiedde, als hij hoorde, dat ik mijn stem verhief, en riep, zo verliet hij zijn kleed bij mij, en vluchtte, en ging uit naar buiten.

16 En zij leide zijn kleed bij zich, totdat zijn heer in zijn huis kwam.

17 Toen sprak zij tot hem naar diezelfde woorden, zeggende: De Hebreeuwse knecht, dien gij ons hebt ingebracht, is tot mij gekomen, om met mij te spotten.1

  1. naar diezelfde Te weten, die zij tevoren bij het huisgezin gebruikt had, en nu voor den man herhaalde.

18 En het is geschied, als ik mijn stem verhief, en riep, dat hij zijn kleed bij mij liet, en vluchtte naar buiten.

19 En het geschiedde, als zijn heer de woorden zijner huisvrouw hoorde, die zij tot hem sprak, zeggende: Naar deze zelfde woorden heeft mij uw knecht gedaan, zo ontstak zijn toorn.12

  1. Naar deze Dat is, zoals ik gezegd heb, heeft hij gedaan.
  2. zo ontstak Hij gelooft zijn vrouw zonder Jozef eerst te horen; verg. de manier van spreken met boven, Gen 4:5-6; en zie de aantekeningen vs.5.

20 En Jozefs heer nam hem, en leverde hem in het gevangenhuis, ter plaatse, waar des konings gevangenen gevangen waren; alzo was hij daar in het gevangenhuis.12

  1. gevangenhuis, Hebr. tot het huis der rondheid of des ronden torens. Deze gevangenis wordt ook een kuil genoemd, onder, Gen 40:15, en Gen 41:14.
  2. gevangenen gevangen Hebr. gebondenen gebonden. Versta hier zodanige gevangenen, die tegen den koning misdaan, of een groot crimen begaan hadden, en op den hals gevangen zaten.

21 Doch de Heere was met Jozef, en wende Zijn goedertierenheid tot hem; en gaf hem genade in de ogen van den overste van het gevangenhuis.1

  1. gaf hem Hebr. gaf zijn genade; dat is, hij maakte zich aangenaam. Zie boven, Gen 18:3.

22 En de overste van het gevangenhuis gaf al de gevangenen, die in het gevangenhuis waren, in Jozefs hand; en al wat zij daar deden, deed hij.1

  1. al wat zij Dat is, al wat men daar placht te doen, en al wat er geschiedde, had plaats door zijn bevel en bestuur.

23 De overste van het gevangenhuis zag gans op geen ding, dat in zijn hand was, overmits dat de Heere met hem was; en wat hij deed, dat deed de Heere wel gedijen.1

  1. zag gans Hebr. was niet alle dingen ziende.

Chapter 40

1 En het geschiedde na deze dingen, dat de schenker des konings van Egypte, en de bakker, zondigden tegen hun heer, tegen den koning van Egypte.1

  1. schenker Dat is de overste van de schenkers, en de overste van de bakkers, gelijk blijkt uit vs.2, Gen 20:2.

2 Zodat Farao zeer toornig werd op zijn twee hovelingen, op den overste der schenkers, en op den overste der bakkers.1

  1. hovelingen, Zie boven, Gen 37:36.

3 En hij leverde hen in bewaring, ten huize van den overste der trawanten, in het gevangenhuis, ter plaatse, waar Jozef gevangen was.123

  1. der trawanten, Zie boven, Gen 37:36.
  2. in het Zie boven, Gen 39:20.
  3. gevangen was Hebr. gebonden; alzo boven, Gen 39:20, en onder, vs.5.

4 En de overste der trawanten bestelde Jozef bij hen, dat hij hen diende; en zij waren sommige dagen in bewaring.1

  1. sommige Anders, vele dagen; zie boven, Gen 4:3.

5 Zij droomden nu beiden een droom, elk zijn droom, in een nacht, elk naar de uitlegging zijns drooms, de schenker en de bakker, die des konings van Egypte waren, die gevangen waren in het gevangenhuis.12

  1. elk naar de Dat is, het waren geen ijdele dromen, maar elk had zijn beduiding, die Jozef door Gods ingeven aan hen gedaan heeft, en die door de uitkomst bevestigd zijn; zie onder, vs.12, 18-20 enz.
  2. die des konings Dat is, die tevoren in den dienst des konings waren geweest, maar nu gevangen lagen.

6 En Jozef kwam des morgens tot hen, en hij zag hen aan, en ziet, zij waren ontsteld.1

  1. ontsteld Of, verbaasd, beroerd. Het Hebreeuwse woord betekent grote ontsteltenis des gemoeds, komende uit bekommernis, zorg, vrees, droefenis en hevige gramschap. Dit is nu de aard der dromen, die God den mensen toeschikt, dat zij dezen beroeren en ontstellen. Zie onder Gen 41:8; Dan 2:1; Mat 27:19.

7 Toen vraagde hij de hovelingen van Farao, die bij hem waren in hechtenis van het huis zijns heren, zeggende: Waarom zijn uw aangezichten heden kwalijk gesteld?12

  1. hechtenis Hebr. bewaring.
  2. kwalijk Hebr. kwaad; dat is, droevig bekommerd. Aldus wordt dit woordje genomen; Neh 2:1-3; Pro 25:20.

8 En zij zeiden tot hem: Wij hebben een droom gedroomd, en er is niemand, die hem uitlegge. En Jozef zeide tot hen: Zijn de uitleggingen niet van God? Vertelt ze mij toch.12

  1. er is niemand Dat is, wij hebben hier geen waarzegger of droombeduider bij ons, en het is ons niet geoorloofd uit te gaan om te vragen; want zij hadden veel waarzeggers, gelijk te zien is onder, Gen 41:8.
  2. Zijn de Jozef trekt hen van de droombeduiders af tot God, als van wien zulke dromen en hun rechte beduiding afkwamen.

9 Toen vertelde de overste der schenkers Jozef zijn droom, en zeide tot hem: In mijn droom, zie, zo was een wijnstok voor mijn aangezicht;12

  1. In mijn Dat is, toen ik droomde, of, toen ik in mijn droom was.
  2. Zie, zo Dit woordje wordt in het verhalen van de dromen veel gebruikt, om aan te wijzen, dat deze zeldzaam en wonderlijk zijn, niet alleen dengenen die ze verhalen, maar ook wien ze verhaald worden; zie boven, Gen 37:7, Gen 37:9, en onder, vs.16, en Gen 41:2-3; Jdg 7:13; Dan 4:10.

10 En aan den wijnstok waren drie ranken; en hij was als bottende, zijn bloeisel ging op, zijn trossen brachten rijpe druiven voort.1

  1. zijn trossen Hebr. zijn trossen rijpten, of volkookten de druiven.

11 En Farao’s beker was in mijn hand; en ik nam die druiven, en drukte ze uit in Farao’s beker, en ik gaf den beker op Farao’s hand.

12 Toen zeide Jozef tot hem: Dit is zijn uitlegging: de drie ranken zijn drie dagen.1

  1. zijn drie Dat is, betekenen drie dagen; gelijk ook onder, vs.18, en Gen 41:26-27; Dan 2:38, en Dan 4:22; Mat 13:19, Mat 13:38; Luk 8:11, en 1Co 10:4.

13 Binnen nog drie dagen zal Farao uw hoofd verheffen, en zal u in uw staat herstellen; en gij zult Farao’s beker in zijn hand geven, naar de vorige wijze, toen gij zijn schenker waart.12

  1. uw hoofd Dat is, in het overzien van zijn officieren, zal hij u mede rekenen onder degenen, die in hun ambt zullen blijven, of hersteld worden. Een niet zeer ongelijke manier van spreken vindt men ook Exo 30:12; Num 1:2, en Num 26:2, enz. alwaar de hoofden verheffen zoveel is als optellen, en de som van enige mensen opnemen.
  2. wijze, toen Het Hebreeuwse woord wordt ook aldus genomen, Lev 5:10, en Lev 9:16; Num 15:24, en Num 29:18; 2Ch 35:13, enz.

14 Doch gedenk mijner bij uzelven, wanneer het u wel gaan zal, en doe toch weldadigheid aan mij, en doe van mij melding bij Farao, en maak, dat ik uit dit huis kome.1

  1. bij uzelven, Hebr. met u.

15 Want ik ben diefelijk ontstolen uit het land der Hebreën; en ook heb ik hier niets gedaan, dat zij mij in dezen kuil gezet hebben.12

  1. ik ben Hebr. ik ben, gestolen wordende, gestolen.
  2. Hebreën; Dat is, het land Kanaän, waar de Hebreën in dien tijd als vreemdelingen woonden, en wat hun door God beloofd was.

16 Toen de overste der bakkers zag, dat hij een goede uitlegging gedaan had, zo zeide hij tot Jozef: Ik was ook in mijn droom, en zie, drie getraliede korven waren op mijn hoofd.123

  1. dat hij een Dat hij het goede uitgelegd had; dat is, ten beste en tot voordeel van den schenker.
  2. Ik was ook Verg. boven, vs.9, en de aantekeningen daarop.
  3. getraliede Anders, witte, gevlochten, of vol gaten, gelijk de netten.

17 En in den oppersten korf was van alle spijze van Farao, die bakkerswerk is; en het gevogelte at dezelve uit den korf, van boven mijn hoofd.1

  1. alle spijze Dat is, allerlei.

18 Toen antwoordde Jozef, en zeide: Dit is zijn uitlegging: de drie korven zijn drie dagen.1

  1. zijn drie Zie boven, vs.12.

19 Binnen nog drie dagen zal Farao uw hoofd verheffen van boven u, en hij zal u aan een hout hangen, en het gevogelte zal uw vlees van boven u eten.12

  1. Faraö Jozef gebruikt hier wel dezelfde woorden, die hij vs.13 gebruikt heeft, maar in een anderen zin, gelijk blijkt uit de bijgevoegde woorden van u op, welke te kennen geven dat de opperbakker in het overzien der officieren wel mede in rekening zou komen, maar aldus, dat hem zijn officie afgenomen zou worden.
  2. hangen, Dat is, doen hangen, en zo vs.22. Anders, opheffen; dat van u wegnemen.

20 En het geschiedde op den derden dag, den dag van Farao’s geboorte, dat hij voor al zijn knechten een maaltijd maakte; en hij verhief het hoofd van den overste der schenkers, en het hoofd van den overste der bakkers, in het midden zijner knechten.12

  1. van Faraö's Hebr. toen Faraö geboren was.
  2. dat hij voor Zie van soortgelijke maaltijd Mat 14:6.

21 En hij deed den overste der schenkers wederkeren tot zijn schenkambt, zodat hij den beker op Farao’s hand gaf.1

  1. schenkambt, Hebr. schenking.

22 Maar den overste der bakkers hing hij op; gelijk Jozef hun uitgelegd had.1

  1. hing hij op Te weten, door zijn scherprechter; wat men door een ander doet, wordt men gezegd zelf te doen, zowel het kwade, boven, Gen 20:3; 1Sa 22:21; 2Sa 12:9, en 2Sa 24:10; 1Ki 21:19, als het goede, en middelmatige, onder, Gen 46:29; 1Ki 3:4, en 1Ki 7:1-2.

23 Doch de overste der schenkers gedacht aan Jozef niet, maar vergat hem.1

  1. vergat hem Te weten, bij Faraö, en dat twee gehele jaren lang, gelijk blijkt uit het eerste vers van het volgende hoofdstuk, Gen 41:1.

Chapter 41

1 En het geschiedde ten einde van twee volle jaren, dat Farao droomde, en ziet, hij stond aan de rivier.12

  1. twee volle Hebr. twee jaren der dagen; dat is, twee volle jaren. Deze manier van spreken wordt ook gevonden 2Sa 14:28, en Jer 28:3. Aldus wordt een maand der dagen genoemd een volle maand; boven, Gen 29:14.
  2. rivier Versta, de vermaarde rivier, genoemd Nijl, die het land van Egypte door haar jaarlijksen overloop op een bijzondere manier bevochtigt en vruchtbaar maakt. Hierom wordt zij, ten aanzien van haar uitnemendheid, de rivier genoemd, zonder bijvoegsel. Zie Exo 1:22, en Exo 2:3, en Exo 7:24-25; alzo wordt ook de Eufraat, de rivier genoemd zonder bijvoegsel; boven, Gen 31:21.

2 En ziet, uit de rivier kwamen op zeven koeien, schoon van aanzien, en vet van vlees, en zij weidden in het gras.1

  1. in het gras Anders, broekland, vochtige weide, meerse.

3 En ziet, zeven andere koeien kwamen na die op uit de rivier, lelijk van aanzien, en dun van vlees; en zij stonden bij de andere koeien aan den oever der rivier.12

  1. lelijk van Hebr. kwaad; dat is, ongestalt, mismaakt, van lelijke gedaante, zo ook onder Gen 4:4, Gen 4:20-21. Daarentegen worden de schone, goede genoemd, vs.22, 26.
  2. aan den oever Hebr. aan de lip.

4 En die koeien, lelijk van aanzien, en dun van vlees, aten op die zeven koeien, schoon van aanzien en vet. Toen ontwaakte Farao.

5 Daarna sliep hij en droomde andermaal; en ziet, zeven aren rezen op, in een halm, vet en goed.1

  1. goed Dat is, schoon, vol, dik.

6 En ziet, zeven dunne en van den oostenwind verzengde aren schoten na dezelve uit.1

  1. oostenwind De eigenschap van den oostenwind is de vruchten te verbranden en te verzengen, inzonderheid in die landen. Zie Eze 17:10, en Eze 19:12; Hos 13:15.

7 En de dunne aren verslonden de zeven vette en volle aren. Toen ontwaakte Farao, en ziet, het was een droom.12

  1. volle aren Dat is, vol sap en vochtigheid.
  2. droom Te weten, niet een natuurlijke, maar een goddelijke droom; van God, en niet uit natuurlijke oorzaken voortkomende. Anders, dit was de droom.

8 En het geschiedde in den morgenstond, dat zijn geest verslagen was, en hij zond heen, en riep al de tovenaars van Egypte, en al de wijzen, die daarin waren; en Farao vertelde hun zijn droom; maar er was niemand, die ze aan Farao uitlegde.12345

  1. in den Te weten, nadat hij een tijdlang wakker geweest was.
  2. verslagen was, Zie boven, Gen 40:6.
  3. de tovenaars Of, sterrenkijkers, tekenbeduiders, of waarzeggers, gelijk zij gewoonlijk ten onrechte genoemd worden. Versta degenen, die met natuurlijke of superstitieuse, ja ook somtijds met duivelse kunsten omgingen, om iets wat verborgen is te voorzeggen of te beduiden, en om wat wonderlijks te bedrijven. Zie van dezen Exo 7:11, en Exo 8:19 en Exo 9:11; Dan 2:2, Dan 2:12.
  4. de wijzen, Versta, al degenen, die in enige wetenschap of scherpzinnigheid, oordeel of ervarenheid uitstaken; zie Exo 7:11; Dan 2:12.
  5. Faraö uitlegde. Te weten, de dromen, alhoewel droom voorgaat. Het waren twee dromen, of een dubbele droom.

9 Toen sprak de overste der schenkers tot Farao, zeggende: Ik gedenk heden aan mijn zonden.1

  1. mijn zonden Die ik tegen den koning voor enigen tijd begaan heb.

10 Farao was zeer vertoornd op zijn dienaars, en leverde mij in bewaring ten huize van den overste der trawanten, mij en den overste der bakkers.12

  1. Faraö was Dat is de koning; want de naam Faraö is een naam geweest, gemeen aan alle koningen van Egypte; zodat Faraö bij de Egyptenaars zoveel betekende, als wanner wij zeggen de koning, of zijn koninklijke majesteit; of, gelijk men zegt, de keizer, in Duitsland; en Sire, in Frankrijk; zie boven, Gen 12:15.
  2. overste der trawanten, Zie boven, Gen 37:36.

11 En in een nacht droomden wij een droom, ik en hij; wij droomden elk naar de uitlegging zijns drooms.1

  1. naar de Zie boven, Gen 40:5.

12 En aldaar was bij ons een Hebreeuws jongeling, een knecht van den overste der trawanten; en wij vertelden ze hem, en hij leide ons onze dromen uit; een ieder leide hij ze uit, naar zijn droom.1

  1. jongeling, Te weten, van omtrent acht en twintig jaren, gelijk blijkt onder, vs.46.

13 En gelijk hij ons uitleide, alzo is het geschied; mij heeft hij hersteld in mijn staat, en hem gehangen.1

  1. En gelijk hij Hebr. en het is geschied gelijk hij ons uitgelegd heeft, zo is het geschied.

14 Toen zond Farao en riep Jozef en zij deden hem haastelijk uit den kuil komen; en men schoor hem, en men veranderde zijn klederen; en hij kwam tot Farao.12

  1. zij deden Hebr. zij deden hem lopen.
  2. en men schoor Anders, hij liet zich scheren. Jozef liet zijn haar wassen in de gevangenis tot een teken van droefheid, zie 2Sa 19:24, of naar de gewoonte der gevangenen; maar nu heeft hij zich laten scheren en zijn klederen veranderd, opdat hij niet met een ijselijk en treurig gelaat, met vuile en versleten klederen voor den koning zou verschijnen, hetgeen ongeoorloofd was; zie Est 4:2.

15 En Farao sprak tot Jozef: Ik heb een droom gedroomd, en er is niemand, die hem uitlegge; maar ik heb van u horen zeggen, als gij een droom hoort, dat gij hem uitlegt.

16 En Jozef antwoordde Farao, zeggende: Het is buiten mij! God zal Farao’s welstand aanzeggen.12

  1. Het is buiten mij Anders, zonder mij zal God enz. of, het is niet in mij. Aldus poogt Jozef met geleefdheid Faraö's ogen, die nu vast op hem zagen, tot God te wenden, van wien de uitlegging der dromen komt. Zie boven, Gen 40:8, en Dan 2:28.
  2. welstand Hebr. vrede antwoorden; dat is, hetgeen dient tot Faraö's welvaren en rust en dat der zijnen. Zie boven, Gen 37:14.

17 Toen sprak Farao tot Jozef: Zie, in mijn droom stond ik aan den oever der rivier;1

  1. oever der Hebr. lip.

18 En zie, uit de rivier kwamen op zeven koeien, vet van vlees en schoon van gedaante, en zij weidden in het gras.1

  1. in het gras Zie boven, vs.2.

19 En zie, zeven andere koeien kwamen op na deze, mager en zeer lelijk van gedaante, rank van vlees; ik heb dergelijke van lelijkheid niet gezien in het ganse Egypteland.12

  1. lelijk van Hebr. kwaad, alzo in het volgende.
  2. rank van Anders, ledig, uitgeteerd.

20 En die ranke en lelijke koeien aten die eerste zeven vette koeien op;

21 Dewelke in haar buik inkwamen; maar men merkte niet, dat ze in haar buik ingekomen waren; want haar aanzien was lelijk, gelijk als in het begin. Toen ontwaakte ik.1

  1. in haar buik inkwamen Hebr. in haar binnenste, of in haar midden.

22 Daarna zag ik in mijn droom, en zie, zeven aren rezen op in een halm, vol en goed.1

  1. goed Dat is, schoon, alzo in het volgende.

23 En zie, zeven dorre, dunne en van den oostenwind verzengde aren, schoten na dezelve uit;

24 En de zeven dunne aren verslonden die zeven goede aren. En ik heb het den tovenaars gezegd; maar er was niemand, die het mij verklaarde.1

  1. tovenaars Zie boven, vs.8.

25 Toen zeide Jozef tot Farao: De droom van Farao is een; hetgeen God is doende, heeft Hij Farao te kennen gegeven.12

  1. is één Dat is, enerlei, te weten, ten aanzien van de beduiding.
  2. doende, Dat is, wat Hij doen zal, of, gaat doen. De toekomende dingen worden dikwerf in den tegenwoordigen tijd gesteld, omdat zij bij God zóó zeker zijn, alsof ze reeds geschied waren, gelijk onder, vs.28, en Exo 9:14; Jos 11:6; Mat 24:40, en Mat 26:28.

26 Die zeven schone koeien zijn zeven jaren; die zeven schone aren zijn ook zeven jaren; de droom is een.12

  1. schone koeien Hebr. goede; zie boven, vs.3.
  2. zijn zeven jaren; Dat is, betekenen zeven jaren; zie boven, Gen 40:12.

27 En die zeven ranke en lelijke koeien, die na gene opkwamen, zijn zeven jaren; en die zeven ranke van den oostenwind verzengde aren zullen zeven jaren des hongers wezen.1

  1. zeven jaren des Dat is, voorbeelden en waartekenen van zeven jaren, waardoor God te verstaan geeft dat Hij in die jaren een duren tijd in het land zenden zal.

28 Dit is het woord, hetwelk ik tot Farao gesproken heb: hetgeen God is doende, heeft Hij Farao vertoond.

29 Zie, de zeven aankomende jaren, zal er grote overvloed in het ganse land van Egypte zijn.1

  1. overvloed in Hebr. verzaadheid; dat is, van alles, waarmede men zich kan verzadigen en nog veel overhouden.

30 Maar na dezelve zullen er opstaan zeven jaren des hongers; dan zal in het land van Egypte al die overvloed vergeten worden; en de honger zal het land verteren.12

  1. vergeten worden; Want gewoonlijk, wat uit het oog is, dat gaat ook uit de gedachten des harten; zie vs.31.
  2. het land verteren Dat is mensen en beesten, die in het land zijn. Zo ook onder, vs.36.

31 Ook zal de overvloed in het land niet gemerkt worden, vanwege dienzelven honger, die daarna wezen zal; want hij zal zeer zwaar zijn.1

  1. vanwege Hebr. van het aangezicht diens hongers.

32 En aangaande, dat die droom aan Farao ten tweeden maal is herhaald, is, omdat de zaak van God vastbesloten is, en dat God haast, om dezelve te doen.123

  1. ten tweeden Het is aan te merken, dat de herhaling hier betekent de vastigheid van Gods besluit, en de verhaasting der uitvoering.
  2. van God Hebr. van met, of, bij God. Anders, van Gods wege.
  3. vast besloten Anders, vastgezet is.

33 Zo zie nu Farao naar een verstandigen en wijzen man, en zette hem over het land van Egypte.

34 Farao doe zo, en bestelle opzieners over het land; en neme het vijfde deel des lands van Egypte in de zeven jaren des overvloeds.1

  1. neme het Hebr. hij vijve het land; dat is, hij ontvange het vijfde deel van de vruchten des lands; te weten, voor een billijken prijs, om het naderhand in den tijd des hongers aan de onderdanen weder alzo te verkopen.

35 En dat zij alle spijze van deze aankomende goede jaren verzamelen, en koren opleggen, onder de hand van Farao, tot spijze in de steden, en bewaren het.12

  1. alle spijze Dat is, voorraad van landvruchten, die tot spijs konden dienen.
  2. onder de Op last, macht en beleid; alzo Exo 4:13, en Exo 9:35; Num 7:8, enz.

36 Zo zal de spijze zijn tot voorraad voor het land, voor zeven jaren des hongers, die in Egypteland wezen zullen; opdat het land van honger niet verga.1

  1. niet verga Hebr. niet afgesneden, of, uitgeroeid worde.

37 En dit woord was goed in de ogen van Farao, en in de ogen van al zijn knechten.1

  1. was goed Dat is, het beviel hem wel; zie boven, Gen 19:8.

38 Zo zeide Farao tot zijn knechten: Zouden wij wel een man vinden als dezen, in welken Gods Geest is?1

  1. Gods geest is? Versta wijsheid en voorzichtigheid, die God door zijn geest dezen man op een bijzondere wijze gegeven heeft. Alzo wrocht God in het hart van Faraö om zijn raad uit te voeren.

39 Daarna zeide Farao tot Jozef: Naardien dat God u dit alles heeft verkondigd, zo is er niemand zo verstandig en wijs, als gij.

40 Gij zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal al mijn volk de hand kussen; alleen dezen troon zal ik groter zijn dan gij.1234

  1. mijn huis zijn, Zie boven, Gen 34:19.
  2. op uw bevel Hebr. op uw, of, naar uw mond. Aldus wordt mond voor bevel genomen; Exo 17:1, en Exo 38:31; Num 3:16, Num 3:39, en Num 4:27, en Num 9:18; Deu 17:10, enz.
  3. de hand Tot een teken van eerbied en gehoorzaamheid. Het was in dien tijd, als ook nog hedendaags, gebruikelijk, dat de onderdanen de hand aan den mond brachten, of kusten, wanneer enige grote heren hen aanspraken, of hun iets belastten; verg. Job 31:27; Hos 13:2, waar deze manier van spreken voor afgodischen eerbied gebruik wordt; en aldus wordt door kussen ook verstaan een gewillige gehoorzaamheid, gelijk 1Ki 19:18; Psa 2:12. Anders, aan uw mond zal al mijn volk kussen.
  4. groter zijn Verg. deze manier van spreken met Gen 39:9.

41 Voorts sprak Farao tot Jozef: Zie, ik heb u over gans Egypteland gesteld.1

  1. Zie, ik Dat is, merk op en bedenk tot hoe grote eer en macht ik u verheven heb.

42 En Farao nam zijn ring van zijn hand af, en deed hem aan Jozefs hand, en liet hem fijne linnen klederen aantrekken, en leide hem een gouden keten aan zijn hals;12

  1. deed hem Tot een teken, dat hij hem macht gaf, in zijn naam alles te zegelen.
  2. fijne linnen Een soort van linnen, of doek, hetwelk bij de Egyptenaars zeer kostelijk, fijn en wit was; zie daarvan Exo 25:4; en Exo 39:27, Exo 39:29; Pro 31:22.

43 En hij deed hem rijden op den tweeden wagen, dien hij had; en zij riepen voor zijn aangezicht: Knielt! Alzo stelde hij hem over gans Egypteland.12

  1. tweeden wagen, De tweede naast den eerste, die van den koning was; tot een teken dat hij naast den koning boven alle heren des lands verheven was; Est 10:3.
  2. Knielt Sommigen leggen het woord Abrech uit: tedere vader. Tedere, vanwege zijn jonkheid, en vader, vanwege zijn ambt; gelijk de heren des lands worden genoemd vaders des vaderlands.

44 En Farao zeide tot Jozef: Ik ben Farao! doch zonder u zal niemand zijn hand of zijn voet opheffen in gans Egypteland.12

  1. Ik ben Dat is, ten aanzien van de koninklijke majesteit ben ik boven u. Anderen nemen deze woorden voor een eed, alsof hij zeide: Zo waarachtig als ik koning ben, of, bij mijn koninklijke majesteit zal niemand, enz.
  2. zijn hand Dat is, iets voornemen of bestaan.

45 En Farao noemde Jozefs naam Zafnath Paaneah, en gaf hem Asnath, de dochter van Potifera, overste van On, tot een vrouw; en Jozef toog uit door het land van Egypte.123

  1. Zafnath Paänéah, Dat is, uitlegger van verborgenheid.
  2. overste van Het Hebreeuwse woord betekent wel een priester, maar ook in het algemeen een overste in den politieken staat, en een persoon van groot aanzien; zie 2Sa 8:18, en 2Sa 20:26; 1Ch 18:17; Job 12:19. Jozef wordt genoodzaakt door zijn tegenwoordige gelegenheid dit huwelijk te doen, zijnde niettemin de kinderen daarvan door Jakob gerekend voor vaders van twee stammen in Israel; onder Gen 48:16.
  3. On, De naam van een stad in Egypte.

46 Jozef nu was dertig jaren oud, als hij stond voor het aangezicht van Farao, koning van Egypte; en Jozef ging uit van Farao’s aangezicht, en hij toog door gans Egypteland.12

  1. dertig jaren Hebr. een zoon van dertig jaar.
  2. hij toog Te weten, om volgens des konings last overal ambtlieden aan te stellen, en korenhuizen te bereiden tegen den aanstaanden duren tijd.

47 En het land bracht voort, in de zeven jaren des overvloeds, bij handvollen.12

  1. bracht voort, Hebr. maakte.
  2. bij handvollen Dat is, alsof men van één graan handenvol bekomen had.

48 En hij vergaderde alle spijze der zeven jaren, die in Egypteland was, en deed de spijze in de steden; de spijze van het veld van elke stad, hetwelk rondom haar was, deed hij daar binnen.12

  1. alle spijze Dat is, eetbare granen en vruchten; en zo in het volgende. Versta, het vijfde deel; gelijk boven, vs.34.
  2. daar binnen Hebr. in haar midden.

49 Alzo bracht Jozef zeer veel koren bijeen, als het zand der zee, totdat men ophield te tellen: want daarvan was geen getal.12

  1. als het zand Deze manier van spreken betekent een ontallijke hoeveelheid; boven, Gen 22:17; Jdg 7:12; 1Sa 13:5.
  2. des was Dat is, er was geen tellen aan; zie ook Jdg 6:5; Job 21:33.

50 En Jozef werden twee zonen geboren, eer er een jaar des hongers aankwam, die Asnath, de dochter van Potifera, overste van On, hem baarde.

51 En Jozef noemde den naam des eerstgeborenen Manasse; want, zeide hij God heeft mij doen vergeten al mijn moeite, en het ganse huis mijns vaders.12

  1. Manasse; Hebr. Menasscheh; dat is, die doet vergeten.
  2. al mijn moeite Dat is, het verdriet en de moeite, die mij zo hier in Egypte, als in mijns vaders huis wedervaren is.

52 En den naam des tweeden noemde hij Efraïm; want, zeide hij God heeft mij doen wassen in het land mijner verdrukking.12

  1. Efraïm; Dat is, dubbele vrucht.
  2. in het land Dat is, in dit land, waarin ik tevoren verdrukt was.

53 Toen eindigden de zeven jaren des overvloeds, die in Egypte geweest was.

54 En de zeven jaren des hongers begonnen aan te komen, gelijk als Jozef gezegd had. En er was honger in al de landen; maar in gans Egypteland was brood.12

  1. de landen Te weten, omliggende; zoals Kanaän, Syrië, Arabië; gelijk onder, vs.57.
  2. brood Dat is, allerlei voorraad van eetbare granen en vruchten.

55 Als nu gans Egypteland hongerde, riep het volk tot Farao om brood; en Farao zeide tot alle Egyptenaren: Gaat tot Jozef, doet wat hij u zegt.1

  1. hongerde, Te weten, wanneer de particuliere voorraad der inwoners op was.

56 Als dan honger over het ganse land was, zo opende Jozef alles, waarin iets was, en verkocht aan de Egyptenaren; want de honger werd sterk in Egypteland.1

  1. alles waarin Te weten, alle korenhuizen, waarin het koren vergaderd en opgelegd was.

57 En alle landen kwamen in Egypte tot Jozef, om te kopen; want de honger was sterk in alle landen.12

  1. alle landen kwamen Hebr. al het land kwamen; dat is, de inwoners kwamen van alle omliggende landen.
  2. in alle landen Te weten, die omliggende waren gelijk tevoren.

Chapter 42

1 Toen Jakob zag, dat er koren in Egypte was, zo zeide Jakob tot zijn zonen: Waarom ziet gij op elkander?123

  1. zag dat er Dat is, hoorde en vernam uit het algemeen gerucht, en bemerkte uit het koren, dat vandaar gebracht werd.
  2. koren in Of, lijftocht. Het Hebreeuwse woord heeft zijn oorsprong van breken, omdat de honger door lijftocht, en voornamelijk door brood verbroken wordt.
  3. ziet gij Als radelozen, die met gedurig denken en dralen den tijd vast slijten, en tot niets zekers besluiten, noch in de zaak doen.

2 Voorts zeide hij: Ziet, ik heb gehoord, dat er koren in Egypte is; trekt daarhenen af, en koopt ons koren van daar, opdat wij leven en niet sterven.

3 Toen togen Jozefs tien broederen af, om koren uit Egypte te kopen.

4 Doch Benjamin, Jozefs broeder, zond Jakob niet met zijn broederen; want hij zeide: Opdat hem niet misschien het verderf ontmoete!12

  1. hij zeide Te weten, bij zichzelven; dat is, hij dacht; zie boven, Gen 20:11.
  2. het verderf Of, een dodelijk ongeval; gelijk zijn broeder Jozef tevoren bejegend was, dien Jakob meende dood te zijn.

5 Alzo kwamen Israëls zonen om te kopen onder degenen, die daar kwamen; want de honger was in het land Kanaän.1

  1. onder degenen Hebr. in het midden der komenden; dat is, nevens anderen, of in het gezelschap van anderen, die mede uit het land Kanaän kwamen, om koren te kopen. De reden wordt terstond in de volgende woorden bijgevoegd.

6 Jozef nu was regent over dat land; hij verkocht aan al het volk des lands; en Jozefs broederen kwamen, en bogen zich voor hem, met de aangezichten ter aarde.1

  1. bogen zich Om hem politieke eer te bewijzen; zie boven, Gen 18:2, en verg. hiermede de voorzegging van Jozefs dromen, Gen 37:7-8.

7 Als Jozef zijn broederen zag, zo kende hij hen; maar hij hield zich vreemd jegens hen, en sprak hard met hen, en zeide tot hen: Van waar komt gij? En zij zeiden: Uit het land Kanaän; om spijze te kopen.12

  1. hield zich Om door dit middel te komen tot het onderzoek van hun staat en gelegenheid en bijzonderlijk van zijn vader en broeder.
  2. hard met hen, Zie onder, vs.9, 11,12. Dit heeft hij gedaan, eensdeels om te verstaan hoe het met zijn vader en broeder Benjamin gesteld was; anderdeels om hen op te wekken tot de bekentenis der zonde, die zij jegens hem begaan hadden.

8 Jozef dan kende zijn broederen; maar zij kenden hem niet.

9 Toen gedacht Jozef aan de dromen, die hij van hen gedroomd had; en hij zeide tot hen: Gij zijt verspieders, gij zijt gekomen om te bezichtigen, waar het land bloot is.1

  1. waar het Hebr. de blootheid des lands; dat is, waar het land bloot, open, of onsterk is, waar de vijand zou mogen inkomen, om enige plaatsen in te nemen, of het land af te lopen en te verderven.

10 En zij zeiden tot hem: Neen, mijn heer! maar uw knechten zijn gekomen, om spijze te kopen.

11 Wij allen zijn eens mans zonen; wij zijn vroom; uw knechten zijn geen verspieders.

12 En hij zeide tot hen: Neen, maar gij zijt gekomen, om te bezichtigen, waar het land bloot is.

13 En zij zeiden: Wij, uw knechten, waren twaalf gebroeders, eens mans zonen, in het land Kanaän; en zie, de kleinste is heden bij onzen vader; doch de een is niet meer.123

  1. Wij, uw Hier komt nu Jozef te verstaan, waarom het hem in de ganse ondervraging te doen was.
  2. kleinste is Hebr. de kleine; dat is, de jongste, namelijk, Benjamin; verg. boven, 19, op vs. 31 de aantekeningen.
  3. de een is Namelijk, Jozef; welken zij meenden dood te zijn, gelijk blijkt onder, vs.22, en Gen 44:20.

14 Toen zeide Jozef tot hen: Dat is het, wat ik tot u gesproken heb, zeggende: Gij zijt verspieders!1

  1. wat ik tot u Omdat zij gemeld hadden van twee andere broeders, van wie de een nog zou leven, zo dringt hij te meer op zijn voorgaande voorwaarde, een middel zoekende om zijn broeder bij hem te krijgen.

15 Hierin zult gij beproefd worden: zo waarlijk als Farao leeft! indien gij van hier zult uitgaan, tenzij dan, wanneer uw kleinste broeder herwaarts zal gekomen zijn!123

  1. Hierin zult Dat is, hieraan zal ik zien, of gij de waarheid gesproken hebt en ter goeder trouw handelt, dan of gij verspieders zijt.
  2. zo waarlijk Hebr. Faraö's leven, of, Faraö leeft. Dit is een onvolmaakte reden die men aldus kan volmaken: Zo zeker het is, dat Faraö leeft, alzo zeker is het, wat ik u zeg; verg. 1Sa 1:26. Anderen nemen deze woorden voor een eed, naar de wijze der Egyptenaars gedaan, bij Faraö's leven; zodat Jozef uit menselijke zwakheid [gelijk den vromen ook kan gebeuren] die mede zou gevolgd hebben.
  3. indien gij Dit schijnt nu een eed te zijn, gedaan naar de wijze der Hebreën, waardoor men dan verstaan moet: God doe mij dit, of dat, zo gij, enz.; zie boven, Gen 14:23, en verg. 1Sa 17:55; 2Ki 2:2; Eze 33:11.

16 Zendt een uit u, die uw broeder hale; maar weest gijlieden gevangen, en uw woorden zullen beproefd worden, of de waarheid bij u zij; en indien niet, zo waarlijk als Farao leeft, zo zijt gij verspieders!12

  1. gevangen Hebr. gebonden; dat is, middelertijd zult gij hier gevangen blijven.
  2. zo waarlijk als Zie de aantekeningen op het voorafgaande vs.

17 En hij zette hen samen drie dagen in bewaring.1

  1. zette hen Hebr. verzamelde hen.

18 En ten derden dage zeide Jozef tot hen: Doet dit, zo zult gij leven; ik vrees God.1

  1. Doet dit, Dat is, doet zoals ik u zeggen zal, zo zult gij zorgdragen voor uw leven en welvaart, opdat gij niet voor verspieders gehouden en gestraft wordt.

19 Zo gij vroom zijt, zo zij een uwer broederen gebonden in het huis uwer bewaring; en gaat gij heen, brengt het koren voor den honger uwer huizen.12

  1. uwer broeders Hebr. een ulieder broeder.
  2. het koren Hebr. het koren des hongers uwer huizen; dat is, hetgeen nodig is voor den honger uwer huisgezinnen.

20 En brengt uw kleinsten broeder tot mij, zo zullen uw woorden waargemaakt worden; en gij zult niet sterven. En zij deden alzo.

21 Toen zeiden zij de een tot den ander: Voorwaar, wij zijn schuldig aan onzen broeder, wiens benauwdheid der ziele wij zagen, toen hij ons om genade bad; maar wij hoorden niet! daarom komt deze benauwdheid over ons.12

  1. Voorwaar, wij Anders, immers, evenwel. Alsof zij zeiden, of wij het al zoeken te verbergen, zo gevoelen wij wel dat God onze misdaad nu thuiszoekt.
  2. toen hij ons Dat is wel door Mozes niet verhaald, hfdst. 37, maar hier bekennen zij het, dit aldus geschied te zijn.

22 En Ruben antwoordde hun, zeggende: Heb ik het tot u niet gezegd, toen ik zeide: Zondigt niet aan dezen jongeling! maar gij hoordet niet; en ook zijn bloed, ziet, het wordt gezocht!1

  1. zijn bloed, Dat is, de schuld en de straf van zijn dood. Zie 1Ki 2:32-33, enz. Aldus is bloed zoeken of eisen, straffen en wreken; zie 2Ch 24:22; Eze 3:18; Luk 11:50. Het schijnt wel dat zij allen gemeend hebben dat Jozef dood was. Doch zij mogen dit Ruben al dien tijd wijsgemaakt hebben, daar hij er niet bij was, toen Jozef verkocht werd; zie boven, Gen 37:29.

23 En zij wisten niet, dat het Jozef hoorde; want daar was een taalman tussen hen.12

  1. hoorde Dat is, verstond, zie boven, Gen 11:7.
  2. want daar Jozef hield zich alsof hij de Hebreeuwse spraak niet verstond, om des te weiniger door zijn broeders herkend te worden.

24 Toen wendde hij zich om, van hen af, en weende; daarna keerde hij weder tot hen, en sprak tot hen, en nam Simeon van hen, en bond hem voor hun ogen.123

  1. wendde hij Eensdeels door de kracht van bloed en geboorte, anderdeels over de woorden, die zijn broeders over hem tezamen gesproken hadden.
  2. Simeon Simeon was de naast-oudste der zonen Jakobs, die, naar sommiger gevoelen, Jozef het hardst was gevallen, en mede de voornaamste geweest is in den moord van Sichem. Ruben, de oudste, wordt verschoond, omdat hij minder schuld had in de mishandeling aan Jozef, en de bekwaamste was om zijn broeders naar huis te geleiden.
  3. bond hem Te weten, door zijn dienaren en trawanten, wien hij dit belastte.

25 En Jozef gebood, dat men hun zakken met koren vullen zou, en dat men hun geld wederkeerde, een iegelijk in zijn zak, en dat men hun teerkost gave tot den weg; en men deed hun alzo.123

  1. zakken met Het Hebr. woord beduidt allerlei vaten, gereedschap, of tuig, waar men iets inpakt of doet.
  2. hun geld Hebr. hun zilverlingen, of, gelden.
  3. deed hun alzo Of, hij deed hun alzo.

26 En zij laadden hun koren op hun ezels, en togen van daar.

27 Toen een zijn zak opendeed, om zijn ezel voeder te geven in de herberg, zo zag hij zijn geld; want ziet, het was in den mond van zijn zak.

28 En hij zeide tot zijn broederen: Mijn geld is wedergekeerd; daartoe ook, ziet, het is in mijn zak! Toen ontging hun het hart, en zij verschrikten, de een tot den ander zeggende: Wat is dit, dat ons God gedaan heeft?1234

  1. ontging Hebr. ging hun hart uit; dat is, de kracht huns harten week van hen, evenals wanneer iemand in onmacht valt. Verg. 1Ki 10:5, met de aantekeningen.
  2. verschrikten, Zie boven, Gen 27:33.
  3. de een tot Hebr. de man tot zijn broeder.
  4. Wat is dit, Of, hoe heeft ons God dit gedaan? Zij oordelen uit dit en al het voorgaande, dat God op hen vergramd was.

29 En zij kwamen in het land Kanaän, tot Jakob, hun vader; en zij gaven hem te kennen al hun wedervaren, zeggende:1

  1. al hun Alles, behalve hetgeen zij verbergen, om hun vader niet te zeer te verschrikken.

30 Die man, de heer van dat land, heeft hard met ons gesproken; en hij heeft ons gehouden voor verspieders des lands.1

  1. hij heeft Hebr. hij heeft ons gegeven, geleverd, of, gesteld.

31 Maar wij zeiden tot hem: Wij zijn vroom; wij zijn geen verspieders.

32 Wij waren twaalf gebroeders, zonen van onzen vader; de een is niet meer, en de kleinste is heden bij onzen vader in het land Kanaän.

33 En die man, de heer van dat land, zeide tot ons: Hieraan zal ik bekennen, dat gijlieden vroom zijt; laat een uwer broederen bij mij, en neemt voor den honger uwer huizen, en trekt heen.1

  1. neemt voor Hebr. neemt den honger uwer huizen; zie boven, vs.19.

34 En brengt uw kleinsten broeder tot mij; zo zal ik weten, dat gij geen verspieders zijt, maar dat gij vroom zijt; uw broeder zal ik u wedergeven, en gij zult in dit land handelen.1

  1. handelen Zie boven, Gen 34:10.

35 En het geschiedde, als zij hun zakken ledigden, ziet, zo had een iegelijk den bundel zijns gelds in zijn zak; en zij zagen de bundelen huns gelds, zij en hun vader, en zij waren bevreesd.1

  1. en zij waren Zorgende dat men hen van diefstal zou beschuldigen, vrg. onder, Gen 43:18.

36 Toen zeide Jakob, hun vader, tot hen: Gij berooft mij van kinderen! Jozef is er niet, en Simeon is er niet; nu zult gij Benjamin wegnemen! al deze dingen zijn tegen mij!1

  1. Simeon Hij houdt het er voor, alsof hij hem reeds kwijt is, vrezende dat hij niet lichtelijk uit de gevangenis zou geraken, of ook in perijkel zijns levens stond.

37 Toen sprak Ruben tot zijn vader, zeggende: Dood twee mijner zonen, zo ik hem tot u niet wederbreng; geef hem in mijn hand, en ik zal hem weder tot u brengen!12

  1. Dood Deze voorslag was onwettelijk en onnatuurlijk, daarom neemt Jakob dien niet aan.
  2. twee mijner Twee van de vier, die onder genoemd worden, Gen 46:9.

38 Maar hij zeide: Mijn zoon zal met ulieden niet aftrekken; want zijn broeder is dood, en hij is alleen overgebleven; zo hem een verderf ontmoette op den weg, dien gij zult gaan, zo zoudt gij mijn grauwe haren met droefenis ten grave doen nederdalen.12345

  1. zijn broeder Zoals hij meende; zie boven, Gen 37:33, Gen 37:35.
  2. overgebleven; Te weten, van de kinderen van Rachel.
  3. verderf Zie boven, vs.4.
  4. mijn grauwe Hebr. mijn grauwigheid, grijzigheid.
  5. ten grave Zie Gen 37:35.

Chapter 43

1 De honger nu werd zwaar in dat land;1

  1. in dat land Te weten, in het land Kanaän, en daaromtrent.

2 Zo geschiedde het, als zij den leeftocht, dien zij uit Egypte gebracht hadden, opgegeten hadden, dat hun vader tot hen zeide: Keert wederom, koopt ons een weinig spijze.1

  1. als zij den Hebr. toen zij eindigden te eten; dat is, toen zij ten naasten bij alles opgegeten hadden.

3 Toen sprak Juda tot hem, zeggende: Die man heeft ons op het hoogste betuigd, zeggende: Gij zult mijn aangezicht niet zien, tenzij dat uw broeder met u is.1234

  1. Die man Te weten, de heer van Egypte. Alzo ook boven, Gen 42:33, en hier vs.5-7, enz.
  2. heeft ons op Hebr. betuigende betuigd.
  3. Gij zult mijn Dat is, in mijn tegenwoordigheid niet komen; zie deze manier van spreken; 2Sa 14:24, 2Sa 14:28, 2Sa 14:32; Act 20:25, Act 20:38.
  4. broeder met Te weten, Benjamin.

4 Indiën gij onzen broeder met ons zendt, wij zullen aftrekken, en u spijze kopen;

5 Maar indien gij hem niet zendt, wij zullen niet aftrekken; want die man heeft tot ons gezegd: Gij zult mijn aangezicht niet zien, tenzij dat uw broeder met u is.

6 En Israël zeide: Waarom hebt gij zo kwalijk aan mij gedaan, dat gij dien man te kennen gaaft, of gij nog een broeder hadt?1

  1. dat gij dien Of, dien man te kennen gevende, dat gij nog een broeder hadt.

7 En zij zeiden: Die man vraagde zeer nauw naar ons, en naar onze maagschap, zeggende: Leeft uw vader nog; hebt gij nog een broeder? Zo gaven wij het hem te kennen, volgens diezelfde woorden; hebben wij juist geweten, dat hij zeggen zou: Brengt uw broeder af?123

  1. vraagde Hebr. vragende vraagde hij.
  2. volgens Hebr. naar den mond derzelver woorden; dat is, naar den eis der woorden, die hij ons voorgesteld had.
  3. hebben wij Hebr. zouden wij wetende weten.

8 Toen zeide Juda tot Israël, zijn vader: Zend den jongeling met mij, zo zullen wij ons opmaken en reizen, opdat wij leven en niet sterven, noch wij, noch gij, noch onze kinderkens.1

  1. sterven, Te weten, van honger.

9 Ik zal borg voor hem zijn; van mijn hand zult gij hem eisen; indien ik hem tot u niet breng en hem voor uw aangezicht stel, zo zal ik alle dagen tegen u gezondigd hebben!1

  1. gezondigd Dat is, strafwaardig zijn al de dagen mijns levens; aldus wordt het woord zondigen, of zondaar zijn, genomen onder, Gen 44:32; 1Ki 1:21.

10 Want hadden wij niet gezuimd, voorwaar, wij waren alreeds tweemaal wedergekomen.

11 Toen zeide Israël, hun vader, tot hen: Is het nu alzo, zo doet dit; neemt van het loffelijkste dezes lands in uwe vaten, en brengt dien man een geschenk henen af: een weinig balsem, en een weinig honig, specerijen en mirre, terpentijnnoten en amandelen.1234

  1. Is het nu Alsof hij zeide: Is de zaak aldus gesteld, laat het dan geschieden in Gods naam.
  2. loffelijkste Wat om de grote waarde zeer geprezen en vermaard was. Sommigen houden het voor een zeer uitnemend gewas en vruchten, die van de bomen afgesneden werden.
  3. balsem, Zie van deze en van enige volgende specerijen, boven, Gen 37:25.
  4. terpentijnnoten Anders, pijnappelnoten, of, hazelnoten.

12 En neemt dubbel geld in uw hand; en brengt het geld, hetwelk in den mond uwer zakken wedergekeerd is, weder in uw hand; misschien is het een feil.12

  1. dubbel geld Dat is, nog eens zoveel als tevoren, omdat de duurte vermeerderd was; boven, vs.1.
  2. misschien is Dat is, er mag enig misverstand of misgreep zijn, dat uw geld dus in uw zakken geraakt is.

13 Neemt ook uw broeder mede, en maakt u op, keert weder tot dien man.

14 En God, de Almachtige, geve u barmhartigheid voor het aangezicht van dien man, dat hij uw anderen broeder en Benjamin met u late gaan! En mij aangaande, als ik van kinderen beroofd ben, zo ben ik beroofd!12

  1. God, de Zie boven, Gen 17:1.
  2. En mij aangaande, Alsof hij zeide: moet het zo zijn, dat mijn kinderen achterblijven.... de wil des Heeren geschiede, wien ik de uitkomst dezer zaak aanbeveel. Zie dergelijke manier van spreken, Est 4:16. Anders, gelijk ik van kinderen beroofd ben [te weten, van Jozef en Simeon], zo word ik beroofd [te weten, van Benjamin].

15 En die mannen namen dat geschenk, en namen dubbel geld in hun hand, en Benjamin; en zij maakten zich op, en togen af naar Egypte, en zij stonden voor Jozefs aangezicht.

16 Als Jozef Benjamin met hen zag, zo zeide hij tot dengene, die over zijn huis was: Breng deze mannen naar het huis toe, en slacht slachtvee, en maak het gereed; want deze mannen zullen te middag met mij eten.1

  1. slachtvee, Hebr. slachting; dat is, vee, hetwelk geslacht werd om gegeten te worden. Verg. Pro 9:2.

17 De man nu deed, gelijk Jozef gezegd had; en de man bracht deze mannen in het huis van Jozef.

18 Toen vreesden deze mannen, omdat zij in het huis van Jozef gebracht werden, en zeiden: Ter oorzake van het geld, dat in het begin in onze zakken wedergekeerd is, worden wij ingebracht, opdat hij ons overrompele en ons overvalle, en ons tot slaven neme, met onze ezelen.1234

  1. Toen vreesden Zij wisten niet dat zij ter maaltijd genodigd waren, maar meenden dat men hen in het huis verzekeren en om het geld bezwaren of straffen wilde.
  2. in het begin Dat is, bij onze eerste reis naar dit land; zie boven, Gen 42:25.
  3. opdat hij OF, opdat hij zich wentele over ons; dat is, met zware beschuldiging zich over ons werpe, om ons ten gronde te brengen; gelijk iemand onder een zwaren last, die op hem valt, verdrukt blijft.
  4. ons tot Men meent dat de Egyptenaars de dieverij plachten te straffen met slavernij.

19 Daarom naderden zij tot dien man, die over het huis van Jozef was, en zij spraken tot hem aan de deur van het huis.1

  1. Daarom Om zich te verontschuldigen, eer zij beschuldigd zouden mogen worden vanwege het geld.

20 En zij zeiden: Och, mijn heer! wij waren in het begin gewisselijk afgekomen, om spijze te kopen.123

  1. Och, mijn Het Hebr. woordje is gebruikelijk bij dengene, die, in enige zwarigheid zijnde, van een meerdere iets verzoekt; alzo Exo 4:10; Num 12:11.
  2. in het begin Zie boven, vs.18.
  3. gewisselijk Hebr. afkomende, afgekomen.

21 Het is nu geschied, als wij in de herberg gekomen waren, en wij onze zakken opendeden, zie, zo was ieders mans geld in den mond van zijn zak, ons geld in zijn gewicht; en wij hebben hetzelve wedergebracht in onze hand.1

  1. in de herberg Zij verhalen de zaak niet juist noch onderscheidelijk, zoals zij in het geheel geschied was; want één alleen had op den weg in de herberg zijn geld in zijn zak gevonden, en de anderen tehuis, boven, Gen 42:27, Gen 42:35; maar het schijnt dat zij dit zo gedaan hebben, òf om der kortheid wil, òf door verslagenheid.

22 Wij hebben ook ander geld in onze hand afgebracht, om spijze te kopen; wij weten niet, wie ons geld in onze zakken gelegd heeft.

23 En hij zeide: Vrede zij ulieden, vreest niet! Uw God en de God uws vaders heeft u een schat in uw zakken gegeven; uw geld is tot mij gekomen. En hij bracht Simeon tot hen uit.1234

  1. Vrede zij Of, vrede zal ulieden zijn; dat is, uw zaken staan wèl; het zal wèl zijn; hebt goeden moed.
  2. Uw God Het schijnt dat deze dienstknecht van Jozef in de ware religie is onderwezen geweest.
  3. een schat Of, iets verborgens.
  4. uw geld is Dat is, ik heb uw geld ontvangen.

24 Daarna bracht de man deze mannen in het huis van Jozef, en hij gaf water; en zij wiesen hun voeten; hij gaf ook aan hun ezelen voeder.1

  1. zij wiesen Zie Gen 18:4.

25 En zij bereidden het geschenk, totdat Jozef kwam op den middag; want zij hadden gehoord, dat zij aldaar brood eten zouden.1

  1. brood eten Dat is, hun maaltijd houden, of ten eten blijven. Zie boven, Gen 31:54.

26 Als nu Jozef te huis gekomen was, zo brachten zij hem het geschenk, hetwelk in hun hand was, in het huis, en zij bogen zich voor hem ter aarde.1

  1. bogen zich Zie boven, Gen 37:7.

27 En hij vraagde hun naar hun welstand, en zeide: Is het wel met uw vader, den oude, waarvan gij zeidet? Leeft hij nog?12

  1. vraagde hun Hebr. vraagde hun naar den vrede; dat is, naar hun welvaren; of hoe het met hen ging; alzo Exo 18:7; Jdg 18:15; 1Sa 25:5. Van het woord vrede, zie boven, Gen 37:14.
  2. Is het wel Hebr. heeft hij vrede? en zo vervolgens. Zie boven, Gen 29:6.

28 En zij zeiden: Het is wel met uw knecht, onzen vader, hij leeft nog; en zij neigden het hoofd en bogen zich neder.

29 En hij hief zijn ogen op, en zag Benjamin, zijn broeder, den zoon zijner moeder, en zeide: Is dit uw kleinste broeder, waarvan gij tot mij zeidet? Daarna zeide hij: Mijn zoon? God zij u genadig!1

  1. Mijn zoon Zo noemt hij hem uit vriendschap en grote toegenegenheid, naar de wijze dergenen, die bedaagder en aanzienlijker zijnde, een jongere en mindere in het vriendelijke plegen toe te spreken.

30 En Jozef haastte zich; want zijn ingewand ontstak jegens zijn broeder, en hij zocht te wenen; en hij ging in een kamer, en weende aldaar.1

  1. ingewand Het ingewand des mensen betekent eigenlijk zijn inwendige delen: als hart, long, lever, maag, enz. Naardien nu deze, en voornamelijk het hart, als men met barmhartigheid en medelijden over iemand bevangen wordt, zeer bewogen en ontstoken worden, zo wordt het ingewand genomen voor de barmhartigheid zelve, uit het diepste van het hart des mensen voorkomende; 1Ki 3:26; Phi 2:1; Col 3:12.

31 Daarna wies hij zijn aangezicht en kwam uit; en hij bedwong zichzelven, en zeide: Zet brood op.12

  1. hij bedwong Te weten, van wenen; zie Gen 45:1.
  2. Zet brood op Dat is, recht de spijs aan.

32 En zij richtten voor hem aan in het bijzonder, en voor hen in het bijzonder; en voor de Egyptenaren, die met hem aten, in het bijzonder; want de Egyptenaars mogen geen brood eten met de Hebreën, dewijl zulks den Egyptenaren een gruwel is.1234

  1. hem aan Jozef.
  2. in het bijzonder, Tot een teken van zijn waardigheid en den eerbied, dien men hem schuldig was.
  3. hen in het bijzonder De broeders van Jozef.
  4. zulks den Ten aanzien van hun afgodische religie, omdat zij goddelijke eer bewezen aan kalven, ossen, enz., die de Hebreën slachtten en aten; verg. onder, Gen 46:34; Exo 8:26.

33 En zij zaten voor zijn aangezicht, de eerstgeborene naar zijn eerstgeboorte, en de jongere naar zijn jonkheid; dies verwonderden zich de mannen onder elkander.1234

  1. voor zijn aangezicht, Dat is, tegen hem over.
  2. de jongere Hebr. de kleine naar zijn kleinkind.
  3. dies Niet alleen omdat Jozef hun zulk een grote eer aandeed, maar in het bijzonder, omdat zij naar den ouderdom, dien zij meenden dat hem onbekend was, gezet waren.
  4. onder elkander Hebr. de man tot zijn naasten.

34 En hij langde hun van de gerechten, die voor hem waren; maar Benjamins gerecht was vijfmaal groter, dan de gerechten van hen allen. En zij dronken, en zij werden dronken met hem.12

  1. vijfmaal Hebr. hij vermenigvuldigde de gerechten van Benjamin boven de gerechten van hen allen vijf handen, dat is, vijf delen.
  2. zij werden Dat is, zij werden vrolijk. Het Hebreeuwse woord betekent niet altijd in overvloed of gulzigheid zich met wijn te overladen, maar somtijds alleen verheugd te zijn door het drinken van den wijn. Zie Psa 104:15; Son 5:1; Hag 1:6, gelijk ook het Griekse woord genomen wordt, hetwelk men vindt Joh 2:10.

Chapter 44

1 En hij gebood dengene, die over zijn huis was, zeggende: Vul de zakken dezer mannen met spijze, naar dat zij zullen kunnen dragen, en leg ieders mans geld in den mond van zijn zak;1

  1. hij gebood Te weten, JoZEf.

2 En mijn beker, den zilveren beker, zult gij leggen in den mond van den zak des kleinsten, met het geld van zijn koren. En hij deed naar Jozefs woord, hetwelk hij gesproken had.123

  1. beker, Dit schijnt een beker geweest te zijn, hoog, ruim en diep, en van grote waarde, hebbende zijn naam van de rondte en hoogte.
  2. kleinsten, Te weten, van Benjamin.
  3. met het geld Dat is, wat hij om spijs te kopen medegebracht had.

3 Des morgens, als het licht werd, zo liet men deze mannen trekken, hen en hun ezelen.

4 Zij zijn ter stad uitgegaan; zij waren niet verre gekomen, als Jozef tot dengene, die over zijn huis was, zeide: Maak u op, en jaag die mannen achterna; en als gij hen zult achterhaald hebben, zo zult gij tot hen zeggen: Waarom hebt gij kwaad voor goed vergolden?

5 Is het deze niet, waaruit mijn heer drinkt? en waarbij hij iets zekerlijk waarnemen zal? Gij hebt kwalijk gedaan, wat gij gedaan hebt.12

  1. deze niet, Te weten, beker.
  2. waarbij Of, waardoor hij gewisselijk ervaren of bevinden zal; te weten, wat gij voor lieden zijt. Hebr. waarnemende waarnemen zou. Het Hebreeuwse woord betekent wel somtijds iets door ijdele en ongeoorloofde kunsten waarnemen, om verborgen dingen te openbaren, of te voorzeggen, gelijk Lev 19:26; 2Ki 21:6; maar het betekent ook dikwijls iets voorzichtiglijk vernemen, of bevinden, en door gewisse tekenen naspeuren, gelijk boven, Gen 30:27; 1Ki 20:33, en aldus is het hier genomen. Anders, waarvan hij zekerlijk vernemen zal, en alzo vs.15.

6 En hij achterhaalde hen, en sprak tot hen diezelfde woorden.1

  1. diezelve Te weten, de woorden, die Jozef hem bevolen had.

7 En zij zeiden tot hem: Waarom spreekt mijn heer zulke woorden? Het zij verre van uw knechten, dat zij zodanig een ding doen zouden.12

  1. zij zeiden Dat is, een van hen zeide in aller naam; daarom volgt: Mijn heer, niet, onze heer.
  2. zulke woorden? Hebr. naar diezelve woorden.

8 Zie, het geld, dat wij in den mond onzer zakken vonden, hebben wij tot u uit het land Kanaän wedergebracht; hoe zouden wij dan uit het huis uws heren zilver of goud stelen?1

  1. dat zij Hebr. van te doen naar ditzelve woord, of, zaak.

9 Bij wien van uw knechten hij gevonden zal worden, dat hij sterve; en ook zullen wij mijn heer tot slaven zijn!1

  1. dat hij Dat is, niet alleen zal de dief sterven, maar ook wij altegaâr slaven zijn; zie boven, Gen 43:17. Zo spreken zij meer vrijmoediglijk, omdat zij zich geen kwaad bewust waren, dan voorzichtig, geen achterdenken hebbende op enig bedrog, hetwelk hun zou mogen aangedaan zijn, gelijk tevoren met het geld, noch op de droefenis, die hun vader hierdoor zou overkomen.

10 En hij zeide: Dit zij nu ook alzo, naar uw woorden! Bij wien hij gevonden wordt, die zij mijn slaaf; maar gijlieden zult onschuldig zijn.123

  1. nu ook alzo, Anders, is nu ook recht, enz.
  2. naar uw Versta dit van het onderzoek; want de straf, die zij zelf op zich genomen hadden, matigt hij.
  3. onschuldig Dat is, vrij van straf en onverhinderd mogen wederkeren; zie Exo 20:7, en Exo 34:7.

11 En zij haastten, en iegelijk zette zijn zak af op de aarde, en iegelijk opende zijn zak.

12 En hij doorzocht, beginnende met den grootste, en voleindigende met den kleinste; en die beker werd gevonden in den zak van Benjamin.1

  1. beginnende Dit deed hij met opzet om hen te langer in pijn, en te meer buiten bedenken te houden; want hij wist wel in wiens zak de beker was, want hij zelf had hem er in gedaan.

13 Toen scheurden zij hun klederen; en ieder man laadde zijn ezel op, en zij keerden weder naar de stad.1

  1. scheurden Te weten, van droefenis, over de misdaad, die Benjamin scheen gedaan te hebben, en van vrees, zowel om de straf, die Jozef hem opleggen mocht, als om de zwarigheid, die hun vader hierdoor overkomen zou. Zie van het scheuren der klederen boven, Gen 37:29.

14 En Juda kwam met zijn broederen in het huis van Jozef; want hij was nog zelf aldaar; en zij vielen voor zijn aangezicht neder ter aarde.1

  1. hij was nog Te weten, Jozef, om de uitkomst van deze zaak af te wachten.

15 En Jozef zeide tot hen: Wat daad is dit, die gij gedaan hebt? Weet gij niet, dat zulk een man als ik dat zekerlijk waarnemen zoude?1

  1. waarnemen Zie boven, vs.5.

16 Toen zeide Juda: Wat zullen wij tot mijn heer zeggen, wat zullen wij spreken, en wat zullen wij ons rechtvaardigen? God heeft de ongerechtigheid uwer knechten gevonden; zie, wij zijn mijns heren slaven, zo wij, als hij, in wiens hand de beker gevonden is.123

  1. wat zullen Anders, waarmede zullen wij ons rechtvaardigen? Het Hebreeuwse woord [gelijk ook een ander van enerlei oorsprong] betekent vrijachten, en spreken, en onschuldig verklaren, even wanneer iemand voor een rechter van een misdaad bericht zijnde, vrijgesproken wordt; zie deze betekenis, Exo 23:7; Deu 25:1; Psa 51:6; Pro 17:15; Isa 5:23; verg. Mat 11:9; Rom 3:20; Gal 2:16, en Gal 3:8, enz.
  2. gevonden; Dat is, Hij heeft haar door zijn voorzienigheid opgemerkt, en nu aan het licht gebracht. Versta dit niet van deze daad, waaraan zij zich niet schuldig kenden, maar van enige andere, over welke hun conscientie wroegde en die God nu strafte.
  3. in wiens hand Dat is, bij wien.

17 Maar hij zeide: Het zij verre van mij zulks te doen! de man, in wiens hand de beker gevonden is, die zal mijn slaaf zijn; doch trekt gijlieden op in vrede tot uw vader.1

  1. vrede tot Dat is, met vriendschap en enigheid zonder ongemak te lijden aan uw personen, of schade aan uw goederen. Verg. boven, Gen 36:29, Gen 36:31; 2Sa 3:21.

18 Toen naderde Juda tot hem, en zeide: Och, mijn heer! laat toch uw knecht een woord spreken voor mijns heren oren, en laat uw toorn tegen uw knecht niet ontsteken; want gij zijt even gelijk Farao!12

  1. Och, mijn Zie boven, Gen 43:20.
  2. gij zijt Hebr. gelijk gij, gelijk Faraö; dat is, gij zijt van zo groot aanzien en vermogen als Faraö, wiens persoon gij representeert, zodat ik u gelijken eerbied schuldig ben als den koning zelven. Zie deze manier van spreken boven, Gen 18:25. Juda noemt hier en in de volgende verzen zijn broeder Jozef zijn heer; tienmalen noemt hij zichzelven, zijn vader en zijn broeders Jozefs knechten. Hetgeen hij wel doet uit nederigheid en eerbied, maar tegelijk vervult hij Jozefs dromen, boven, Gen 37:7, Gen 37:9.

19 Mijn heer vraagde zijn knechten, zeggende: Hebt gijlieden een vader, of broeder?

20 Zo zeiden wij tot mijn heer: Wij hebben een ouden vader, en een jongeling des ouderdoms, den kleinsten, wiens broeder dood is, en hij is alleen van zijn moeder overgebleven, en zijn vader heeft hem lief.12

  1. jongeling Verg. boven, Gen 37:3. Het woord Jeled betekent wel geheel zeer jonge kinderen, ja zelfs ook, die maar pas geboren zijn, gelijk boven, Gen 21:8; Exo 1:17, en Exo 2:8; maar het wordt ook gebruikt van redelijk bejaarden, als van Jozef, toen hij zeventien jaren oud was, boven, Gen 37:30; van al de kinderen van Jakob, toen Ruben omtrent veertien jaren oud was, boven Gen 33:1, en hier van Benjamin, toen hij omtrent vier en twintig jaren oud was.
  2. des ouderdoms, Dat is, die in den ouderdom van den vader geboren is.

21 Toen zeidet gij tot uw knechten: Brengt hem af tot mij, dat ik mijn oog op hem sla.1

  1. sla Of, zette. Dat is, dat Ik hem aanschouwen mag, om de waarheid van uw woorden te beproeven; zie boven, Gen 42:15-16. Somtijds wordt deze manier van spreken gebruikt voor genade, of, gunst bewijzen, gelijk Jer 39:12, en Jer 40:4.

22 En wij zeiden tot mijn heer: Die jongeling zal zijn vader niet kunnen verlaten; indien hij zijn vader verlaat, zo zal hij sterven.12

  1. kunnen verlaten; Want de vader zal dat niet toelaten.
  2. hij sterven Te weten, de vader.

23 Toen zeidet gij tot uw knechten: Indiën uw kleinste broeder met u niet afkomt, zo zult gij mijn aangezicht niet meer zien.1

  1. zult gij Hebr. niet toedoen, of, voortvaren, om mijn aangezicht te zien. Zie boven, Gen 43:5.

24 En het is geschied, als wij tot uw knecht, mijn vader, opgetrokken zijn, en wij hem de woorden mijns heren verhaald hebben;

25 En dat onze vader gezegd heeft: Keert weder. koopt ons een weinig spijze;

26 Zo hebben wij gezegd: Wij zullen niet mogen aftrekken; indien onze kleinste broeder bij ons is, zo zullen wij aftrekken; want wij zullen het aangezicht van dien man niet mogen zien, zo deze onze kleinste broeder niet bij ons is.

27 Toen zeide uw knecht, mijn vader, tot ons: Gijlieden weet, dat mijn huisvrouw er mij twee gebaard heeft.12

  1. huisvrouw Te weten, Rachel. Zie onder, Gen 46:19.
  2. twee gebaard Te weten, twee zonen, Jozef en Benjamin.

28 En de een is van mij uitgegaan, en ik heb gezegd: Voorwaar, hij is gewisselijk verscheurd geworden! en ik heb hem niet gezien tot nu toe.1

  1. is gewisselijk Hebr. verscheurende verscheurd geworden. Hier verstaat Jozef eerst wat zijn broeders hun vader hadden wijs gemaakt; zodat hij in dezen tijd nog niet anders wist, of Jozef was verscheurd.

29 Indiën gij nu dezen ook van mijn aangezicht wegneemt, en hem een verderf ontmoette, zo zoudt gij mijn grauwe haren met jammer ten grave doen nederdalen!1

  1. ten grave Zie boven, Gen 37:35, en onder, vs.31.

30 Nu dan, als ik tot uw knecht, mijn vader, kome, en de jongeling is niet bij ons (alzo zijn ziel aan de ziel van dezen gebonden is),1

  1. zijn ziel aan Dat is, wien hij met zeer innerlijke en hartgrondelijke toegenegenheid liefheeft, en als zijn eigen hart bemint. Zie dergelijke manier van spreken, 1Sa 18:1.

31 Zo zal het geschieden, als hij ziet, dat de jongeling er niet is, dat hij sterven zal; en uw knechten zullen de grauwe haren van uw knecht, onzen vader, met droefenis ten grave doen nederdalen.

32 Want uw knecht is voor deze jongeling borg bij mijn vader, zeggende: Zo ik hem tot u niet wederbreng, zo zal ik tegen mijn vader alle dagen gezondigd hebben!123

  1. uw knecht Dat is, ik.
  2. bij mijn vader, Hebr. van bij mijn vader; dat is, zoals het enigen verklaren, toen hij van mijn vader aftoog.
  3. zal ik tegen Dat is, ik zal schuldplichtig en strafwaardig bij mijn vader blijven, al de dagen mijns levens, gelijk boven, Gen 43:9; zie aldaar de aantekeningen.

33 Nu dan, laat toch uw knecht voor dezen jongeling slaaf van mijn heer blijven, en laat den jongeling met zijn broederen optrekken!12

  1. laat toch Juda betoont hier zonderling een bekommering over zijn vader, en liefde tot zijn broeder Benjamin.
  2. uw knecht Dat is, mij.

34 Want hoe zoude ik optrekken tot mijn vader, indien de jongeling niet met mij was, opdat ik den jammer niet zie, welke mijn vader overkomen zou.1

  1. overkomen zou Hebr. vinden; dat is, overkomen, wedervaren, bejegenen, ontmoeten; zie deze manier van spreken Exo 18:8; Deu 4:30; Est 8:6; Job 31:29, enz. Dit ganse verhaal van Juda heeft het hart van Jozef zo geraakt en ontstoken, dat hij zich niet langer heeft kunnen bedwingen zonder te wenen, en zich aan zijn broeders te ontdekken.

Chapter 45

1 Toen kon zich Jozef niet bedwingen voor allen, die bij hem stonden, en hij riep: Doet alle man van mij uitgaan! En er stond niemand bij hem, als Jozef zich aan zijn broederen bekend maakte.1234

  1. niet bedwingen Te weten, van wenen; gelijk hij tevoren gedaan had, Gen 43:31.
  2. Doet alle man Dit doet hij om zijn eer en die van zijn broeders bij de Egyptenaars te bewaren, overmits zij horen mochten van hem, dat hij verkocht was, en van zijn broeders, dat zij hem verkocht hadden.
  3. van mij uitgaan Hebr. van bij mij, of van nevens mij; dat is, uit mijn tegenwoordigheid.
  4. niemand bij Dan alleen zijn broeders.

2 En hij verhief zijn stem met wenen, zodat het de Egyptenaren hoorden, en dat het Farao’s huis hoorde.123

  1. hij verhief zijn Hebr. hij gaf.
  2. de Egyptenaars Die even uit de kamer gegaan zijnde, nog niet ver verwijderd waren.
  3. huis hoorde Dat is, hofgezin, waartoe dit gerucht straks verspreid is, gelijk onder, vs.16.

3 En Jozef zeide tot zijn broederen: Ik ben Jozef! leeft mijn vader nog? En zijn broeders konden hem niet antwoorden; want zij waren verschrikt voor zijn aangezicht.1

  1. konden hem niet Vanwege de conscientie om hun mishandeling aan Jozef, en zijn tegenwoordige hoogheid en macht, om zich aan hen te wreken, indien hij wilde.

4 En Jozef zeide tot zijn broederen: Nadert toch tot mij! En zij naderden. Toen zeide hij: Ik ben Jozef, uw broeder, dien gij naar Egypte verkocht hebt.1

  1. naar Egypte Zie boven, Gen 37:28.

5 Maar nu, weest niet bekommerd, en de toorn ontsteke niet in uw ogen, omdat gij mij hierheen verkocht hebt; want God heeft mij voor uw aangezicht gezonden, tot behoudenis des levens.123

  1. de toorn Of, droefheid, of, spijtigheid, of enige andere kwade beweging; verg. boven, Gen 31:35; òf, laat geen kwade gezindheid in u blijken.
  2. God heeft Door zijn wijze, goede en alvermogende regering, uw kwaad werk tot een goed einde wendende; gelijk Hij gedaan heeft met het werk van Saul, 1Sa 19:9, van Absalom, 2Sa 12:12; van Simeï, 2Sa 16:10; van Achitofel, 2Sa 17:14; van de vijanden van Job, Job 1:21; van de Joden, Act 2:23, enz; zie 2Sa 12:12.
  3. des levens Te weten, van ulieden. Anders, tot leeftocht gelijk Jdg 6:4, en Jdg 17:10.

6 Want het zijn nu twee jaren des hongers in het midden des lands; en er zijn nog vijf jaren, in welke geen ploeging noch oogst zijn zal.1

  1. in het midden Dat is, door het ganse land.

7 Doch God heeft mij voor uw aangezicht henen gezonden, om u een overblijfsel te stellen op de aarde, en om u bij het leven te behouden, door een grote verlossing.123

  1. voor ulieder Verg. de aantekeningen boven, hfdst. 32:3, Gen 32:3.
  2. om u een Dat is, opdat in dezen algemenen nood gijlieden moogt onderhouden worden en de nakomelingen van u mogen overblijven. Anders, opdat er zou overblijven waarvan gij zoudt kunnen leven.
  3. door een Anders, tot een grote verlossing, of ontkoming; zij wordt groot genoemd, ten aanzien van het wonderbare werk der goddelijke voorzienigheid, hierin klaarlijk blijkende; en van de grote weldaad hierdoor aan de Israelieten bewezen, die in zeer groten getale overblijven zouden.

8 Nu dan, gij hebt mij herwaarts niet gezonden, maar God Zelf, Die mij tot Farao’s vader gesteld heeft, en tot een heer over zijn ganse huis, en regeerder in het ganse land van Egypte.12

  1. hebt mij Dat is, het was uw mening noch voornemen niet, om mij een regeerder te maken in Egypte; maar God heeft het gedaan, besturende uw werk tot uw best.
  2. vader gesteld Dat is, tot zijn voornaamsten raadsheer, die zijn zaken met vaderlijke zorg zou besturen, en dien hij als een vader achten zou.

9 Haast u en trekt op tot mijn vader, en zegt het hem: Alzo zegt uw zoon Jozef: God heeft mij tot een heer over gans Egypteland gesteld; kom af tot mij, en vertoef niet.1

  1. vertoef niet Hebr. staat niet, of blijft niet staan.

10 En gij zult in het land Gosen wonen, en nabij mij wezen, gij en uw zonen, en de zonen uwer zonen, en uw schapen, en uw runderen, en al wat gij hebt.1

  1. Gosen Een land in Egypte, nabij het land Kanaän gelegen, zeer vruchtbaar, vol weiden, en daarom bekwaam voor die met vee omgingen.

11 En ik zal u aldaar onderhouden; want er zullen nog vijf jaren des hongers zijn, opdat gij niet verarmt, gij en uw huis, en alles wat gij hebt!1

  1. verarmt, Dat is, door armoede vergaat.

12 En ziet, uw ogen zien het, en de ogen van mijn broeder Benjamin, dat mijn mond tot u spreekt.1

  1. mijn mond Dat is, dat ik tot u spreek niet door een taalman in een andere taal, maar door mijn eigen tong, in uw eigen spraak.

13 En boodschapt mijn vader al mijn heerlijkheid in Egypte, en alles wat gij gezien hebt; en haast u, en brengt mijn vader herwaarts af.

14 En hij viel aan den hals van Benjamin, zijn broeder, en weende; en Benjamin weende aan zijn hals.1

  1. hals, en weende; Hebr. halzen, verg. boven, Gen 33:4.

15 En hij kuste al zijn broederen, en hij weende over hen; en daarna spraken zijn broeders met hem.123

  1. hij kuste Zie boven, Gen 29:11, en Gen 31:28.
  2. hen; Dat is, terwijl hij hun aan den hals lag, en hen kuste.
  3. daarna Ziende Jozefs oprechte en hartelijke beweging, zo grijpen zij nu moed, en beginnen wat vrijer met Jozef te spreken.

16 Als dit gerucht in het huis van Farao gehoord werd, dat men zeide: Jozefs broeders zijn gekomen! was het goed in de ogen van Farao, en in de ogen van zijn knechten.12

  1. gerucht Hebr. stem. Zo wordt dit woord ook genomen, Jer 10:22; Act 2:6, enz.
  2. was het goed Dat is, het beviel hem wel.

17 En Farao zeide tot Jozef: Zeg tot uw broederen: Doet dit, laadt uw beesten, en trekt heen, gaat naar het land Kanaän;

18 En neemt uw vader en uw huisgezinnen, en komt tot mij, en ik zal u het beste van Egypteland geven, en gij zult het vette dezes lands eten.123

  1. huisgezinnen, Hebr. huizen; gelijk vs.11.
  2. het beste Hebr. het goede; dat is, het beste en vruchtbaarste.
  3. het vette Dat is, het lieflijkste en uitnemendste, dat God uit en op de aarde geeft, tot onderhoud des menselijken levens; verg. Num 18:12, Num 18:29-30; Deu 32:14, Psa 147:14.

19 Gij zijt toch gelast: doet dit, neemt u uit Egypteland wagenen voor uw kinderkens, en voor uw vrouwen, en voert uw vader, en komt.12

  1. Gij zijt toch Namelijk, gij Jozef; dat is, gij zijt met genoegzame macht uit mijn naam voorzien.
  2. doet dit, Dit is gezegd in het getal van velen, en ziet op de broeders van JoZEf.

20 En uw oog verschone uw huisraad niet; want het beste van gans Egypteland, dat zal het uwe zijn.1

  1. uw oog Laat u niet bezwaren, hetzij gij wat van uw huisraad achterlaat, òf noch om hetgeen u op den weg zou mogen bederven, òf wat gij in dezen duren tijd naar de waarde niet zoudt kunnen verkopen.

21 En de zonen van Israël deden alzo. Zo gaf Jozef hun wagenen, naar Farao’s bevel; ook gaf hij hun teerkost op den weg.1

  1. bevel; Hebr. mond.

22 Hij gaf hun allen, ieder een, wisselklederen; maar Benjamin gaf hij driehonderd zilverlingen, en vijf wisselklederen.12

  1. wisselklederen; Hebr. wisseling, of, verandering van klederen; dat is, zodanige als zij niet dagelijks gebruikten; hoedanige grote heren anderen plachten te geven tot verering of vergelding; Jdg 14:12, Jdg 14:19; 2Ki 5:5.
  2. zilverlingen, Zie boven, Gen 20:16.

23 En zijn vader desgelijks zond hij tien ezelen, dragende van het beste van Egypte, en tien ezelinnen, dragende koren, en brood, en spijze voor zijn vader op den weg.12

  1. desgelijks Hebr. Als dit; dat is, gelijkelijk, of, desgelijks, of, aldus; dat is, gelijk volgt.
  2. spijze voor Anders, toespijs.

24 En hij zond zijn broeders heen; en zij vertrokken; en hij zeide tot hen: Verstoort u niet op den weg.1

  1. Verstoort u Te weten, door te twisten, en jegens elkander vertoornd te worden over hetgeen gij mij in vorige tijden aangedaan hebt.

25 En zij trokken op uit Egypte, en zij kwamen in het land Kanaän tot hun vader Jakob.

26 Toen boodschapten zij hem, zeggende: Jozef leeft nog, ja, ook is hij regeerder in gans Egypteland! Toen bezweek zijn hart, want hij geloofde hen niet.1

  1. bezweek zijn Te weten, door onverwachte blijdschap en grote verwondering, dewijl hij nu omtrent in twee of drie en twintig jaren niet van hem gehoord had.

27 Maar als zij tot hem gesproken hadden al de woorden van Jozef, die hij tot hen gesproken had, en dat hij de wagenen zag, die Jozef gezonden had om hem te voeren, zo werd de geest van Jakob hun vader, levendig.1

  1. zo werd de Door zonderlinge vreugde over deze gans zeldzame en onverwachte zaak, werd hij zo verkwikt, dat hij nieuwe krachten des geestes en des lichaams heeft gekregen.

28 En Israël zeide: Het is genoeg! mijn zoon Jozef leeft nog! ik zal gaan, en hem zien, eer ik sterve!1

  1. Het is genoeg, Of, het is veel, of, een grote zaak.

Chapter 46

1 En Israël verreisde met al wat hij had, en hij kwam te Ber-seba, en hij offerde offeranden aan den God van zijn vader Izak.123

  1. verreisde Dit is geschied in het jaar na de schepping der wereld omtrent 2239, tien jaren na Izaks dood, toen Jozef 39 jaren oud was; zie boven, Gen 35:1.
  2. Ber-séba, Zie boven, Gen 21:31.
  3. den God van Dat is, dien zijn vader Izak geëerd en aangeroepen had. Hiermede betoonde hij zijn standvastig geloof aan Gods beloften, en zijn dankbaarheid voor Gods weldaden, en bad Hem om raad en hulp op deze reis.

2 En God sprak tot Israël in gezichten des nachts, en zeide: Jakob, Jakob! En hij zeide: Zie, hier ben ik!123

  1. in gezichten De gezichten in het algemeen genomen, waardoor God in die tijden zich aan de mensen openbaarde, zijn geweest somtijds buiten den slaap, door het aanschouwen van enige gedaante, die viel òf in de ogen des lichaams, gelijk boven, Gen 15:1, Gen 15:5, enz., òf in het gezicht des geestes, Zec 3:1, somtijds in den slaap, door manier van dromen, gelijk boven, Gen 20:3; Job 33:15-16. Beiden konden gebeuren, òf des daags, gelijk Act 10:9-10, òf des nachts, gelijk boven, Gen 15:5, en hier, vs.2.
  2. Jakob, Jakob! Tweemaal roept Hij hem, om hem tot een vaardig toeluisteren op te scherpen; gelijk boven, Gen 22:11, en 1Sa 3:10.
  3. Zie, hier Zie boven, Gen 22:1.

3 En Hij zeide: Ik ben die God, uws vaders God; vrees niet van af te trekken naar Egypte; want Ik zal u aldaar tot een groot volk zetten.1

  1. vrees niet Omdat gij en uw zaad voor een tijdlang zult moeten vertrekken uit een land, dat Ik u en den uwen beloofd heb, boven, Gen 28:13, in een land, waarin uw grootvader met vrees en bekommering verkeerd heeft, boven Gen 12:12.

4 Ik zal met u aftrekken naar Egypte en Ik zal u doen weder optrekken, mede optrekkende; en Jozef zal zijn hand op uw ogen leggen.123

  1. aftrekken Te weten, om u te geleiden en bij te staan. Versta dit ook van het optrekken, boven, Gen 24:7; Exo 23:20; en Exo 32:34. Merk hier eens voor al op, dat de woorden optrekken, opklimmen, enz. idem, aftrekken, afklimmen, enz. meest worden gebruikt ten aanzien van de gelegenheid der landen, steden en plaatsen, die hoog of laag gelegen zijn. Te gaan naar de hoog gelegene, is optrekken: naar de laag legene, aftrekken. Zie boven, Gen 12:10, en Gen 13:1, en Gen 35:1; Exo 19:3; Mat 20:18; Luk 10:30; Act 3:1. Het opgaan wordt van God menselijkerwijze gezegd, gelijk ook het afkomen.
  2. Ik zal u Dit is wel eensdeels aan Jakobs dood lichaam vervuld, onder, Gen 47:29-30, en Gen 50:13, doch voornamelijk aan zijn nakomelingen, toen Mozes hen uit Egypte heeft gevoerd, en Jozua hen in het land Kanaän gebracht heeft.
  3. en Jozef Dat is, Jozef zal bij u zijn als gij sterven zult, en zal [naar de oude gewoonte van vele volken] uw ogen sluiten na uw dood. Hier wordt Jakob van God verzekerd, dat zijn geliefde zoon Jozef nog leefde, en dat hij bij Jozefs leven in vrede zou sterven.

5 Toen maakte zich Jakob op van Ber-seba; en de zonen van Israël voerden Jakob, hun vader, en hun kinderen, en hun vrouwen, op de wagenen, die Farao gezonden had, om hem te voeren.

6 En zij namen hun vee, en hun have, die zij in het land Kanaän geworven hadden, en zij kwamen in Egypte, Jakob en al zijn zaad met hem;1

  1. in het land Versta hierbij: en daarenboven in Mesopotamië.

7 Zijn zonen, en de zonen zijner zonen met hem; zijn dochteren, en zijner zonen dochteren, en al zijn zaad bracht hij met zich in Egypte.1

  1. zijn dochters, Jakob had maar één dochter, te weten, Dina, vs.15, en maar één zoons dochter, vs.17. De Heilige Schrift gebruikt het getal van velen voor het getal van enen, gelijk ook boven, Gen 21:7, en onder, vs.23; Num 26:8; 1Ch 2:8, 1Ch 2:31.

8 En dit zijn de namen der zonen van Israël, die in Egypte kwamen: Jakob en zijn zonen. De eerstgeborene van Jakob: Ruben.12

  1. dit zijn de Dit geslachtsregister wordt hier en elders door Mozes zo vlijtig herhaald;<i>I.</i> om aan te wijzen Gods wonderwerk in de vermenigvuldiging des zaads Abrahams;<i>II.</i> om de stammen te onderscheiden, ten aanzien van het priesterdom, de koninklijke waardigheid, en verdeling van het land Kanaän;<i>III.</i> en principalijk om de afkomst van den Messias naar het vlees te vervolgen.
  2. der zonen Dat is, zonen en zoons zonen; idem dochter en nicht.

9 En de zonen van Ruben: Hanoch, en Pallu, en Hezron, en Karmi.1

  1. Hanoch, Verg. de namen van dit register met de herhalingen daarvan, Num. 26, en 1 Kron . 6, 7, 8.

10 En de zonen van Simeon: Jemuël, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon ener Kanaänietische vrouw.12345

  1. Jemuël, Ook genoemd Nemuel, Num 26:12.
  2. Ohad, Hij wordt Num 26:12, en 1Ch 4:24, niet genoemd onder de kinderen van Simeon; het schijnt dat hij en de zijnen in dien tijd al gestorven waren.
  3. Jachin, Ook genoemd Jarib, 1Ch 4:24.
  4. Zohar, Ook genoemd Zerah, Num 26:13.
  5. Kanaänietische Zijnde van een vervloekte natie, waarmede het volk Gods verboden was te trouwen. Dit wordt verhaald tot schande van Simeon, gelijk ook boven van Juda Gen 38, en tot eer van de anderen, die deze exempelen niet gevolgd hebben.

11 En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merari.

12 En de zonen van Juda: Er, en Onan, en Sela, en Perez, en Zerah. Doch Er en Onan waren gestorven in het land van Kanaän; en de zonen van Perez waren Hezron en Hamul.1

  1. waren Zie boven, Gen 38:7, Gen 38:10. Deze worden hier wel genoemd, maar niet om bij het getal te komen, in vs.15, vermeld.

13 En de zonen van Issaschar: Tola, en Puwa, en Job, en Simron.1

  1. Job, Anders, genoemd Jaschub, Num 26:24. Deze is te onderscheiden van Job, wiens leven en historie in zijn boek verhaald wordt. De namen worden ook in het Hebreeuws onderscheidenlijk geschreven.

14 En de zonen van Zebulon: Sered, en Elon, en Jahleel.

15 Dit zijn de zonen van Lea, die zij Jakob gebaard heeft in Paddan-aram, met Dina zijn dochter; al de zielen zijner zonen en zijner dochteren waren drie en dertig.123

  1. Paddan-Aram, Zie boven, Gen 25:20. Te Paddan-Aram zijn de kinderen van Lea geboren, maar de geslachten van haar zonen, die hier gerekend worden, zijn naderhand in Kanaän geboren.
  2. de zielen Dat is, mensen; zie boven, Gen 12:5.
  3. drie en dertig Hierbij gerekend Jakobs persoon, en Er en Onan uitgesloten; zie boven vs.12.

16 En de zonen van Gad: Zifjon en Haggi, Schuni en Ezbon, Eri en Arodi, en Areli.1

  1. Ziphjon Hebr. Tsiphion, anders, Tsephon. Num 26:15, en zo in het volgende Ezbon voor Etsbon: en boven, vs.10. Zoar voor Tsohar, enz.

17 En de zonen van Aser: Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Berija, en Sera, hun zuster; en de zonen van Berija: Heber en Malchiël.

18 Dit zijn de zonen van Zilpa, die Laban aan zijn dochter Lea gegeven had; en zij baarde Jakob deze zestien zielen.12

  1. gegeven had Te weten, tot een dienstmaagd, boven, Gen 29:24.
  2. zestien zielen Te weten, dertien zonen, twee neven en een dochter.

19 De zonen van Rachel, Jakobs huisvrouw: Jozef en Benjamin.1

  1. Jakobs huisvrouw Alzo werd Rachel bijzonder genoemd, omdat Jakob die alleen, naar Gods instelling, uit zichzelven verkoren en van Laban verzocht had. Zie boven, Gen 29:18.

20 En Jozef werden geboren in Egypteland, Manasse en Efraïm, die hem Asnath, de dochter van Potifera, den overste te On, baarde.1

  1. de dochter Zie boven, Gen 41:40, en Gen 48:5.

21 En de zonen van Benjamin: Bela, Becher en Asbel, Gera en Naäman, Echi en Ros, Muppim en Huppim, en Ard.

22 Dit zijn de zonen van Rachel, die Jakob geboren zijn, al te zamen veertien zielen.

23 En de zonen van Dan: Chusim.12

  1. zonen Dat is, zoon; zie boven, vs.7.
  2. Chusim Ook genoemd Suham, Num 26:42.

24 En de zonen van Nafthali: Jahzeel, en Guni, en Jezer, en Sillem.

25 Dit zijn de zonen van Bilha, die Laban aan zijn dochter Rachel gegeven had; en zij baarde dezelve Jakob, zij waren allen zeven zielen.

26 Al de zielen, die met Jakob in Egypte kwamen, uit zijn heup gesproten, uitgenomen de vrouwen van de zonen van Jakob, waren allen zes en zestig zielen.123

  1. met Jakob in Anders, Jakob toebehorende, of aldus, al de zielen Jakobs, die in Egypte gekomen zijn.
  2. heup gesproten, Dat is, die uit zijn vlees en bloed geboren zijn. Zie dezelfde manier van spreken, Exo 1:5; Jdg 8:30, hetwelk zoveel is, als uit iemands lenden voortgekomen te zijn. Zie boven, Gen 35:11.
  3. zes en De boven aangehaalde vier sommen, namelijk van 33 in vs.15, van 16 in vs.18, van 14 in vs.22 en van 7 in vs.25, maken tezamen zeventig. Maar hier worden alleen geteld, die uit Jakob geboren en met hem in Egypte gekomen zijn. Zodat uitgenomen moeten zijn Jakob, die uit zichzelven niet geboren is, en Jozef met zijn twee zonen, die met Jakob in Egypte niet gekomen zijn.

27 En de zonen van Jozef, die hem in Egypte geboren zijn, waren twee zielen. Al de zielen van het huis van Jakob, die in Egypte kwamen, waren zeventig.1

  1. zeventig Onder dit getal zijn mede begrepen Jakob, Jozef en zijn twee zonen.

28 En hij zond Juda voor zijn aangezicht heen tot Jozef, om voor zijn aangezicht aanwijzing te doen naar Gosen; en zij kwamen in het land Gosen.12

  1. om voor zijn Te weten, hoe en waar zij zich het best in Gosen zouden nederslaan.
  2. Gosen Zie boven, Gen 45:10.

29 Toen spande Jozef zijn wagen aan, en toog op, zijn vader Israël tegemoet naar Gosen; en als hij zich aan hem vertoonde, zo viel hij hem aan zijn hals, en weende lang aan zijn hals.123

  1. als hij zich Het schijnt dat Jozef, nabij zijn vader gekomen zijnde, zich met alle vriendelijkheid aan hem vertoond heeft, om van hem gekend te mogen worden.
  2. zo viel hij Zie boven, Gen 33:4, en Gen 45:14; Luk 15:20; Act 20:37.
  3. lang aan Anders, een tijdlang. Hebr. nog.

30 En Israël zeide tot Jozef: Dat ik nu sterve, nadat ik uw aangezicht gezien heb, dat gij nog leeft!12

  1. nu sterve, Hebr. ditmaal; de zin is: ik ben nu gewillig om te sterven.
  2. dat gij nog Of, omdat, dewijl.

31 Daarna zeide Jozef tot zijn broederen, en tot zijns vaders huis: Ik zal optrekken en Farao boodschappen, en tot hem zeggen: Mijn broeders en het huis mijns vaders, die in het land Kanaän waren, zijn tot mij gekomen.

32 En die mannen zijn schaapherders; want het zijn mannen, die met vee omgaan; en zij hebben hun schapen, en hun runderen, en al wat zij hebben, medegebracht.1

  1. mannen, die Hebr. mannen van vee, of, vemannen; dat is, die met het vee omgaan; gelijk onder, vs.34, aldus mannen van schepen, 1Ki 9:27, dat is, die zich met de scheepvaart generen, scheepslieden; verg. ook boven, Gen 9:20.

33 Wanneer het nu geschieden zal, dat Farao ulieden zal roepen, en zeggen: Wat is uw hantering?

34 Zo zult gij zeggen: Uw knechten zijn mannen, die van onze jeugd af tot nu toe met vee omgegaan hebben, zo wij als onze vaders; opdat gij in het land Gosen moogt wonen; want alle schaapherder is den Egyptenaren een gruwel.1

  1. een gruwel Zie boven, Gen 43:32. Deze verachtelijke staat heeft den Israelieten onder Gods regering drieërlei voordeel aangebracht:<i>I.</i> dat zij goed, vet weiland voor hun beesten gekregen hebben;<i>II.</i> dat zij daarin bijeen waren, en tezamen in vrede mochten wonen;<i>III.</i> dat zij, van de afgodische Egyptenaars afgezonderd zijnde, den reinen godsdienst te vrijer konden uitoefenen.

Chapter 47

1 Toen kwam Jozef en boodschapte Farao, en zeide: Mijn vader en mijn broeders, en hun schapen, en hun runderen, met alles wat zij hebben, zijn gekomen uit het land Kanaän; en zie, zij zijn in het land Gosen.

2 En hij nam een deel zijner broederen, te weten vijf mannen, en hij stelde hen voor Farao’s aangezicht.1

  1. een deel Hebr. het einde, of, van het uiterste; dat is, [zoals enigen verstaan] van de jongsten en van de oudsten. Anders, van de aanzienlijkste, of, die in aanzien uitstaken. Verg. Jdg 18:2; 1Ki 12:31; Isa 56:11; Eze 33:2.

3 Toen zeide Farao tot zijn broederen: Wat is uw hantering? En zij zeiden tot Farao: Uw knechten zijn schaapherders, zo wij als onze vaders.12

  1. zijn broeders Te weten, van Jozef.
  2. zijn schaapherders, Hebr. schaapherder, [of, vehoeder, want het Hebr. woord wordt somtijds breder genomen. Zie Amo 7:15 ] in het getal van een, dat is, ieder van uw knechten is een schaapherder.

4 Voorts zeiden zij tot Farao: Wij zijn gekomen, om als vreemdelingen in dit land te wonen; want er is geen weide voor de schapen, die uw knechten hebben, dewijl de honger zwaar is in het land Kanaän; en nu, laat toch uw knechten in het land Gosen wonen!1

  1. om als Zij willen zeggen dat zij daar gekomen waren, niet om het recht der burgers, of dat der natuurlijke inlanders te genieten, maar alleen als vreemdelingen, om voor een tijd daar te mogen herbergen, om den zwaren honger, totdat zij gelegenheid zouden hebben om naar hun land weder te keren.

5 Toen sprak Farao tot Jozef, zeggende: Uw vader en uw broeders zijn tot u gekomen;

6 Egypteland is voor uw aangezicht; doe uw vader en uw broeders in het beste van het land wonen; laat hen in het land Gosen wonen, en zo gij weet, dat er onder hen kloeke mannen zijn, zo zet hen tot veemeesters over hetgeen ik heb.12

  1. voor uw Zie boven, Gen 13:9.
  2. kloeke Hebr. mannen van sterkte, of kloekheid. Het Hebreeuwse woord betekent in het algemeen kracht, of vermogen, en het wordt gebruikt van tijdelijke middelen, Psa 49:7; Eze 28:5, van sterkte des lichaams, Ezr 4:23, van verstand, trouw, en standvastigheid in enige regering, Exo 18:21, Exo 18:25, van kracht en ervarenheid ten oorlog, Deu 3:18; Jdg 11:1, en 1Sa 18:17, idem, van vlijt en ervarenheid in de huishouding, Rth 3:11; Pro 31:10.

7 En Jozef bracht zijn vader Jakob mede, en stelde hem voor Farao’s aangezicht; en Jakob zegende Farao.1

  1. zegende Op een bijzondere wijze, als een patriarch, den koning in zijn groetenis voor alle eer en vriendschap, hem en den zijnen bewezen, dankende, en hem allerlei welvaart van God toewensende; verg. 1Sa 13:10, en 2Sa 8:10, alzo ook onder, vs.10.

8 En Farao zeide tot Jakob: Hoe vele zijn de dagen der jaren uws levens!1

  1. Hoevele Dat is, hoe oud zijt gij? Zie boven, Gen 25:7.

9 En Jakob zeide tot Farao: De dagen der jaren mijner vreemdelingschappen zijn honderd en dertig jaren; weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest, en hebben niet bereikt de dagen van de jaren des levens mijner vaderen, in de dagen hunner vreemdelingschappen.123

  1. De dagen Dat is, waarin ik dikwijls als een vreemdeling herwaarts en derwaarts heb moeten trekken en omzwerven; zie boven, Gen 17:8.
  2. kwaad zijn Jakob wil zeggen dat zijn leven is geweest vol arbeid, moeite, verdriet en ellende, ook meerder dan van zijn voorvaders.
  3. en hebben Want zijn vader Izak had geleefd 180 jaren, boven, Gen 35:28; zijn grootvader Abraham 175 jaren, boven, Gen 25:7, zijn overgrootvader Therah 205 jaren, boven, Gen 11:32. Jakob is gestorven oud zijnde 147 jaren.

10 En Jakob zegende Farao, en ging uit van Farao’s aangezicht.

11 En Jozef bestelde voor Jakob en zijn broederen woningen, en hij gaf hun een bezitting in Egypteland, in het beste van het land, in het land Rameses, gelijk als Farao geboden had.1

  1. in het land Raméses, Een deel van het land Gosen, waarin, naar sommiger gevoelen, gelegen was de stad Rameses; verg. Exo 1:11; zie ook Exo 12:37.

12 En Jozef onderhield zijn vader, en zijn broeders, en het ganse huis zijns vaders, met brood, tot den mond der kinderkens toe.12

  1. Jozef Naar de belofte gedaan boven, Gen 45:11, en herhaald onder, Gen 50:21.
  2. tot den mond Of, naar den mond des kleinen kinds, of des kindeken; dat is, naar den eis van het getal der kinderen. Anders, naar de gelegenheid, of wijze der kinderkens; dat is, zoals men de kindertjes pleegt te voeden, die men, zonder hun arbeid en verdienste, de spijs in den mond steekt.

13 En er was geen brood in het ganse land; want de honger was zeer zwaar: zodat het land van Egypte en het land Kanaän raasden vanwege dien honger.12

  1. geen brood Dat is, er was overgroot gebrek aan alle nooddruft. Dit groot gebrek was meest bij den gemenen man, omdat er geen brood te koop was. Van het woord brood, zie boven, Gen 3:19.
  2. raasden Verst, de inwoner des lands, die zo door den honger geperst waren, dat zij zeer moeilijk en als onzinnig werden, en nabij om tot beroerten uit te breken. Zie onder vs.18,19.

14 Toen verzamelde Jozef al het geld, dat in Egypteland en in het land Kanaän gevonden werd, voor het koren, dat zij kochten; en Jozef bracht dat geld in Farao’s huis.

15 Als nu het geld uit Egypteland en uit het land Kanaän verdaan was, kwamen al de Egyptenaars tot Jozef, zeggende: Geef ons brood; want waarom zouden wij in uw tegenwoordigheid sterven? want het geld ontbreekt;1

  1. waarom zouden Dat is, waarom zult gij lijden als wij voor uw ogen van honger vergaan, nu wij geen geld meer hebben? Gij kondt het toch wel beteren.

16 En Jozef zeide: Geeft uw vee, zo zal ik het u geven voor uw vee, indien het geld ontbreekt.

17 Toen brachten zij hun vee tot Jozef; en Jozef gaf hun brood voor paarden en voor het vee der schapen, en voor het vee der runderen, en voor ezels; en hij voedde hen met brood, datzelve jaar, voor al hun vee.12

  1. het vee van schapen, Hieruit, alsook boven, vs.6, blijkt dat, ofschoon de schaapherders den Egyptenaars een gruwel waren, zij nochtans vee tot zekere gebruiken gehad hebben.
  2. voedde hen Hebr. leidde hen zoetJes.

18 Toen datzelve jaar voleind was, zo kwamen zij tot hem in het tweede jaar, en zeiden tot hem: Wij zullen het voor mijn heer niet verbergen, alzo het geld verdaan is, en de bezitting der beesten gekomen aan mijn heer, zo is er niets anders overgebleven voor het aangezichts mijns heren, dan ons lichaam en ons land.123

  1. het tweede Niet van den honger, maar het tweede jaar na het voorgaande, waarin zij hun beesten voor koren verwisseld hadden. Dit tweede jaar was het zevende van den duren tijd.
  2. aan mijn heer, Te weten, mits hem hetzelve voor koren over te laten.
  3. voor het aangezicht Dat is, dat mijn heer zien mag, en dat hij van ons meer eisen en ontvangen kan. Of, dat wij mijn heer zouden kunnen voortbrengen om koren te kopen.

19 Waarom zullen wij voor uw ogen sterven, zo wij als ons land? Koop ons en ons land voor brood; zo zullen wij en ons land Farao dienstbaar zijn; en geef zaad, opdat wij leven en niet sterven, en het land niet woest worde!123

  1. als ons Versta, door het sterven des lands, de verwoesting, gelijk in het einde van het vers verklaard wordt. Anders, wij en ons land zijn [nog], te weten, overig: koop ons, enz.
  2. dienstbaar zijn Hebr. knechten, of slaven zijn.
  3. zaad, opdat Om te zaaien.

20 Alzo kocht Jozef het gehele land van Egypte voor Farao; want de Egyptenaars verkochten een ieder zijn akker, dewijl de honger sterk over hen geworden was; zo werd het land Farao’s eigen.1

  1. zo werd Tevoren had het land Faraö wel toebehoord, door het recht van het opperste gebied, maar nu kwam het hem ook toe door het recht van eigendom.

21 En aangaande het volk, dat zette hij over in de steden, van het ene uiterste der palen van Egypte, tot het andere uiterste deszelven.12

  1. dat zette Hebr. hij deed hen overgaan. Hij wil zeggen dat hij het volk, het gehele land door, van zijn woonplaats deed veranderen, uit de ene stad of hoek des lands, waar hun goederen gelegen waren, in een anderen, waar het Faraö beliefde hen heen te zenden, opdat het inderdaad blijken zou dat zij voortaan niets eigens hadden, maar dat het gehele land den koning volkomenlijk toekwam.
  2. van het ene Dat is, van den enen uitersten landpaal tot den anderen.

22 Alleen het land der priesteren kocht hij niet, want de priesters hadden een bescheiden deel van Farao, en zij aten hun bescheiden deel, hetwelk hun Farao gegeven had; daarom verkochten zij hun land niet.1

  1. der priesters kocht Versta, zulke personen, die van den godsdienst en de wijsheid der Egyptenaars hun werk hadden, die, daar zij hun onderhoud van den koning ontvingen, hun land niet behoefden te verkopen. Eenigen zetten het over ambtlieden, omdat het Hebreeuwse woord [doch zelden] dit betekent. Zie boven, Gen 41:45.

23 Toen zeide Jozef tot het volk: Ziet, ik heb heden u en uw land gekocht voor Farao; ziet, daar is zaad voor u, opdat gij het land bezaait.1

  1. opdat gij Hieruit is af te nemen dat dit geschied is in het laatste jaar van den duren tijd. Verg. de aantekeningen boven, vs.18.

24 Doch met de inkomsten zal het geschieden, dat gij aan Farao het vijfde deel zult geven, en de vier delen zullen voor u zijn, tot zaad des velds, en tot uw spijze en van degenen, die in uw huizen zijn, en om te eten voor uw kinderkens.1

  1. delen zullen Hebr. handen; dat is, delen, gelijk boven, Gen 43:34.

25 En zij zeiden: Gij hebt ons leven behouden; laat ons genade vinden in de ogen mijns heren, en wij zullen Farao’s knechten zijn.123

  1. leven behouden; Hebr. levend gemaakt; dat is, in het leven behouden; aldus boven, Gen 6:19, en Gen 45:7; de Egyptenaars verklaren dat zij met de voorgeslagen conditie, van Faraö's akkers te bebouwen, wel tevreden waren; en zij achtten dat hun nog grote beleefdheid of gunst geschiedde.
  2. genade vinden Zie deze manier van spreken, boven, Gen 18:3.
  3. knechten zijn Dat is, lijfeigenen.

26 Jozef dan stelde ditzelve in tot een wet, tot dezen dag, over het land van Egypte, dat Farao het vijfde deel zou hebben; behalve dat alleen het land der priesteren van Farao niet werd.123

  1. een wet, Of, inzetting, ordinantie, recht, wijze, gebruik.
  2. tot op dezen Dat is, welke wet nog tot heden toe duurt.
  3. dat Faraö het Dat is, dat het land Faraö's eigen zou zijn, met het vijfde deel der inkomsten.

27 Zo woonde Israël in het land van Egypte, in het land Gosen; en zij stelden zich tot bezitters daarin, en zij werden vruchtbaar en vermeerderden zeer.

28 En Jakob leefde in het land van Egypte zeventien jaar; zodat de dagen van Jakob, de jaren zijns levens, geweest zijn honderd zeven en veertig jaren.

29 Als nu de dagen van Israël naderden, dat hij sterven zou, zo riep hij zijn zoon Jozef, en zeide tot hem: Indiën ik nu genade gevonden heb in uw ogen, zo leg toch uw hand onder mijn heup, en doe weldadigheid en trouw aan mij, en begraaf mij toch niet in Egypte;12

  1. zo leg Zie boven, Gen 24:2.
  2. begraaf mij Hij versterkt zich hiermede in het geloof aan Gods belofte, en wil door zijn exempel al de zijnen tot volharding in hetzelve vermanen. Insgelijkss deed Jozef, onder, Gen 50:24-25.

30 Maar dat ik bij mijn vaderen ligge; hierom zult gij mij uit Egypte voeren, en mij in hun graf begraven. En hij zeide: Ik zal doen naar uw woord!1

  1. hun graf Te weten, in het graf van Abraham en Izak, in het land Kanaän, in de spelonk Machpela in Hebron; zie boven, Gen 23:19, en Gen 25:9, en Gen 35:29.

31 En hij zeide: Zweer mij! en hij zwoer hem. En Israël boog zich ten hoofde van het bed.1234

  1. hij zeide Namelijk, Jakob.
  2. hij zwoer Namelijk, JoZEf.
  3. boog zich Te weten, voor den Heere; dat is, hij riep God aan, hem dankende voor de versterking zijns geloofs, die hij uit Jozefs belofte en eed verkregen had.
  4. ten hoofde Vanwege zijn zwakheid in het bed zittende, en niet kunnende opstaan, om staande of knielende te bidden.

Chapter 48

1 Het geschiedde nu na deze dingen, dat men Jozef zeide: Zie, uw vader is krank! Toen nam hij zijn twee zonen met zich, Manasse en Efraïm!1

  1. nam hij zijn Te weten, trekkende naar zijn vader, om hem te bezoeken.

2 En men boodschapte Jakob, en men zeide: Zie, uw zoon Jozef komt tot u! Zo versterkte zich Israël, en zat op het bed.

3 Daarna zeide Jakob tot Jozef: God de Almachtige, is mij verschenen te Luz, in het land Kanaän, en Hij heeft mij gezegend;123

  1. God, de Zie boven, Gen 17:1.
  2. Luz, Anders, Bethel genaamd. Zie boven, Gen 28:19, en Gen 35:6.
  3. heeft mij Dat is, Hij heeft de zegeningen aan mijn vader en grootvader beloofd, weder met mij vernieuwd en bevestigd; daar die van hand tot hand aan onze nakomelingen overgeleverd moeten worden.

4 En Hij heeft tot mij gezegd: Zie, Ik zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen, en u tot een hoop van volken stellen; en Ik zal aan uw zaad na u dit land tot een eeuwige bezitting geven.12

  1. land Te weten, het land Kanaän.
  2. tot een Hebr. tot een bezitting der eeuwigheid; namelijk, gedurende den tijd der wet, ten aanzien van dit aardse Kanaän; maar een tijd zonder einde, ten aanzien van het hemelse. Zie boven, Gen 13:15, en Gen 17:7, Gen 17:13, met de aantekeningen.

5 Nu dan, uw twee zonen, die u in Egypteland geboren waren, eer ik in Egypte tot u gekomen ben, zijn mijne; Efraïm en Manasse zullen mijne zijn, als Ruben en Simeon.12

  1. zijn mijne Dat is, ik wil hebben dat zij in de verdeling mijner goederen en van het land Kanaän, elk voor een staak of stam gehouden worden, alsof zij uit mij geboren waren, en niet uit u; Jos 14:4, en Jos 16:1, en Jos 17:17. Aldus heeft Jozef, die maar één deel der erfenis met zijn broeders moest hebben, een dubbel gehad, hetwelk Ruben toekwam als de eerstgeborene. Zie boven, Gen 29:32, maar is hem ontnomen, en op Jozef overgezet, 1Ch 5:1-2, om de oorzaak vermeld onder, Gen 49:3-4.
  2. Efraïm Efraïm wordt voor Manasse genoemd, om de reden vermeld vs.19.

6 Maar uw geslacht, dat gij na hen zult gewinnen, zullen uwe zijn; zij zullen naar hunner broederen naam genoemd worden in hun erfdeel.123

  1. uw geslacht, Dat is, uw kinderen, die gij boven Manasse en Efraïm hierna zoudt mogen krijgen.
  2. zullen uwe Dat is, zij zullen tot uw zonen gerekend worden, en mijn neven uit u.
  3. zij zullen naar Dat is, zij zullen in het verdelen van het land bij een van deze hun twee broeders gerekend worden, en geen stammen op zichzelven uitmaken, gelijk deze twee. Naar, of, over enigen naam genoemd te worden, is daarnaar te heten, en onder die gerekend te worden, welke van zulk een naam afkomstig zijn. Zie Deu 28:10; Amo 9:12, en verg. onder, vs.16.

7 Toen ik nu van Paddan kwam, zo is Rachel bij mij gestorven in het land Kanaän, op den weg, als het nog een kleine streek lands was, om tot Efrath te komen; en ik begroef haar aldaar aan den weg van Efrath, welke is Bethlehem.1234

  1. Paddan Anders, Paddan-Aram. Zie boven, Gen 25:20, en Gen 35:9.
  2. bij mij Anders, over mij gestorven; alsof men zeide: op mijn schoot, en tussen mijn armen liggende. Anders, voor mij; dat is, voor mijn ogen.
  3. als het nog Zie boven, Gen 35:16.
  4. om tot Zie boven, Gen 35:16, Gen 35:19.

8 En Israël zag de zonen van Jozef, en zeide: Wiens zijn deze?1

  1. Wiens zijn Jakob zag met een verouderd gezicht, vs.10, zodat hij, op deze zonen van Jozef zijn ogen slaande, hen niet recht, noch onderscheidenlijk kon kennen.

9 En Jozef zeide tot zijn vader: Zij zijn mijn zonen, die mij God hier gegeven heeft. En hij zeide: Breng hen toch tot mij, dat ik hen zegene!12

  1. Breng hen toch Hebr. neem hen; dat is, neem hen en breng hen. Het woord nemen wordt dikwijls aldus gebruikt; zie boven, Gen 12:15.
  2. dat ik hen Dat is, dat ik hun de beloftenissen Gods, hoe Hij hen zegenen wil, verkondig, en met oplegging der handen bevestig, naar de wijze van de zegening der patriarchen; zie boven, Gen 27:4.

10 Doch de ogen van Israël waren zwaar van ouderdom; hij kon niet zien; en hij deed hen naderen tot zich; toen kuste hij hen, en omhelsde hen.1234

  1. zwaar van Dat is, dik en donker, niet bekwaam om onderscheidenlijk te zien.
  2. hij kon niet Dat is, hij kon niet wel zien; gelijk vs.8.
  3. toen kuste hij Zie boven, Gen 27:26.
  4. omhelsde hen Zie boven, Gen 29:13, en Gen 33:4.

11 En Israël zeide tot Jozef: Ik had niet gemeend uw aangezicht te zien; maar zie, God heeft mij ook uw zaad doen zien!

12 Toen deed hen Jozef uitgaan van zijn knieën; en hij boog zich met zijn aangezicht neder ter aarde.12

  1. van zijn knieën; Te weten, van Jakobs knieën, waartussen hij de jongens hield in het omhelzen; doch Jozef wilde hen nu hem ordentelijk nevens elkanders voorstellen, om op gewone wijze van hem den zegen te ontvangen.
  2. hij boog Zijnen vader burgerlijke eer bewijzende, en hem bedankende voor de vriendschap en de eer aan hem en zijn kinderen bewezen.

13 En Jozef nam die beiden, Efraïm met zijn rechterhand, tegenover Israëls linkerhand, en Manasse met zijn linkerhand, tegenover Israëls rechterhand, en hij deed hen naderen tot hem.

14 Maar Israël strekte zijn rechterhand uit, en leide die op het hoofd van Efraïm, hoewel hij de minste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse; hij bestierde zijn handen verstandelijk; want Manasse was de eerstgeborene.1234

  1. legde die Hebr. stelde haar.
  2. minste Te weten, van jaren.
  3. hij bestuurde Hebr. hij maakte zijn handen wijs; dat is, hij deed het niet uit misverstand, maar met goede voorgaande wetenschap, als een profeet, Gods wil volbrengende, zonder acht te geven op de eerstgeboorte. De oplegging der handen, waarvan hier het eerst gesproken wordt, is in deze tijd en naderhand gebruikelijk geweest: <i>I.</i> in zegeningen, gelijk hier, en Mat 19:15; <i>II.</i> in offeranden, Lev 1:4; zie de aantekeningen; <i>III.</i> in veroordelingen en straffen, Lev 24:14; <i>IV.</i> bij inhuldigingen en bevorderingen tot ambten, Num 8:10; Deu 34:9; Act 6:6; 1Ti 4:14; <i>V.</i> in het doen van mirakelen, Mar 6:5; Luk 4:40; Act 28:8, enz.
  4. want Manasse Anders, hoewel.

15 En hij zegende Jozef, en zeide: De God, voor Wiens aangezicht mijn vaders, Abraham en Izak, gewandeld hebben, die God, Die mij gevoed heeft, van dat ik was, tot op dezen dag;1

  1. Jozef Te weten, in zijn kinderen, gelijk blijkt vs.16.

16 Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongeren, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam mijner vaderen, Abraham en Izak, en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden des lands!12

  1. engel, die Dewijl Jakob van dezen engel hetzelfde verzoekt, wat hij, vs.15, van God bidt, zo kan dit van geen geschapen engel verstaan worden, maar moet verstaan zijn van Gods Zoon. Zie boven, Gen 22:11.
  2. dat in hen Dat is, dat zij in mijn geslacht gerekend, en mijn en mijner vaderen Abrahams en Izaks kinderen genoemd en daarvoor gehouden worden. Dit is aldus geschied; want zij zijn onder de twaalf stammen Israels gesteld geweest, gelijk Jakobs eigen kinderen; verg. boven, de aantekeningen vs.6.

17 Toen Jozef zag, dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm leide, zo was het kwaad in zijn ogen, en hij ondervatte zijns vaders hand, om die van het hoofd van Efraïm op het hoofd van Manasse af te brengen.1

  1. in zijn ogen, Dat is, het beviel hem kwalijk; zie boven, Gen 21:11.

18 En Jozef zeide tot zijn vader: Niet alzo, mijn vader! want deze is de eerstgeborene; leg uw rechterhand op zijn hoofd.

19 Maar zijn vader weigerde het, en zeide: Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; hij zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broeder groter worden dan hij, en zijn zaad zal een volle menigte van volkeren worden.12

  1. groter Toen de Israelieten het eerst geteld werden in de woestijn, zo werd Efraïm het eerst geteld, en hij had 8300 mannen meer dan Manasse, gelijk te zien is Num 1:32-33, Num 1:35; Num 2:19, Num 2:21.
  2. volle Hebr. volheid.

20 Alzo zegende hij ze te dien dage, zeggende: In u zal Israël zegenen, zeggende: God zette u als Efraïm en als Manasse! En hij zette Efraïm voor Manasse.12

  1. In u zal Anders, naar u; dat is, naar uw exempel; alsof hij zeide: De Israelieten, iemand willende zegenen of geluk wensen, zullen u tot een exempel of voorschrift nemen, gelijk de naastvolgende woorden dit klaarlijk aanwijzen. Zie ook dergelijke manier van zegenen, Rth 4:11, en van vloeken, Jer 29:22.
  2. Israël Dat is, mijn nakomelingen, de Israelieten.

21 Daarna zeide Israël tot Jozef: Zie, ik sterf; maar God zal met ulieden wezen, en Hij zal u wederbrengen in het land uwer vaderen.12

  1. ik sterf; Dat is, ik zal haast sterven; zijnde de tegenwoordige tijd genomen voor den tijd, die haast komen zal en aanstaande is; verg. boven, Gen 19:13, en Gen 20:3; Joh 14:2.
  2. in het land Dat is, in het land Kanaän.

22 En ik heb u een stuk lands gegeven boven uw broederen; hetwelk ik, met mijn zwaard en met mijn boog, uit de hand der Amorieten genomen heb.1234

  1. een stuk lands Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk een schouder, of, rug, gelijk boven, Gen 9:23, en daarnaar bij gelijkenis een stuk, deel, of, streek lands, hoog gelegen, gelijk hier. Maar Jakob, als een profeet, ziet ook op den naam der stad Sichem, die in dat land aan het gebergte gelegen was; zie boven, Gen 12:6, en naderhand den stam van Efraïm toegevallen is, Jos 20:7, waarin ook Jozefs gebeente begraven is geweest, Jos 24:32, als in het land, dat zijn vader Jakob hem op profetische wijze bezet en gegeven had, Joh 4:5; wel verstaande, niet alleen het stuk lands, hetwelk hij voor honderd stukken gelds gekocht had, boven, Gen 33:19, maar ook al het land der stad Sichem, die Simeon en Levi met gewapende hand ingenomen en geplunderd hadden, boven, Gen 34:25-26.
  2. boven uw Te weten, ten aanzien van het recht der eerstgeboorte, Deu 21:17, hetwelk Ruben verloren had, en op Jozef gebracht was, 1Ch 5:1, [zoveel de dubbele erfenis belangde] als de eerstgeborene der waardigste huisvrouw.
  3. Amorieten Hebr. des Amorieters. Hij stelde één volksnaam voor al de Kanaänieten, omdat de Amorieten een van de machtigste volken waren in het land Kanaän, gelijk blijkt Amo 2:9, alzo ook boven, Gen 15:16, en Jos 10:5.
  4. genomen heb Te weten, toen ik na den moord der Sichemieten [vrezende voor de naburige Kanaänieten] met gewapende hand op mijn hoede heb moeten wezen, om niet overvallen te worden. Dewijl nu God deze mijn zorg gezegend heeft, zendende een verschrikking over de omliggende inwoners, zo heb ik daar dat stuk lands behouden, hetwelk ik nu door Gods zegen houd het mijne te zijn in eigendom, gelijk het hierna uwen nakomelingen zal toebehoren in gebruik en bezitting. Of anders, nemen zal door het zwaard en den boog mijner nakomelingen.

Chapter 49

1 Daarna riep Jakob zijn zonen, en hij zeide: Verzamelt u, en ik zal u verkondigen, hetgeen u in de navolgende dagen wedervaren zal.1

  1. in de Hebr. in het achterste, laatste, of na vervolg der dagen; dat is, in de toekomende tijden; te weten, omtrent 200 jaren na dezen tijd beginnende, en voorts tot de komst en het koninkrijk van den Messias toe.

2 Komt samen en hoort, gij, zonen van Jakob! en hoort naar Israël, uw vader.

3 Ruben! gij zijt mijn eerstgeborene, mijn kracht, en het begin mijner macht; de voortreffelijkste in hoogheid, en de voortreffelijkste in sterkte!123

  1. mijn kracht Dat is, een kind in de principale sterkte mijns levens gewonnen.
  2. het begin Te weten, in het kinderwinnen; aldus worden de eerstgeborenen genoemd; Deu 21:17; Psa 78:51.
  3. de voortreffelijkste in hoogheid, Hebr. de voortreffelijkheid.

4 Snelle afloop als der wateren, gij zult de voortreffelijkste niet zijn! want gij hebt uws vaders leger beklommen; toen hebt gij het geschonden; hij heeft mijn bed beklommen!1234

  1. Snelle afloop Hebr. snelligheid.
  2. als der wateren, Te weten, toen gij uws vaders bed geschonden hebt; gelijk het water van een hoge plaats in een lage zeer snellijk loopt, zo hebt gij door uw onkuische begeerte, verenigd met grote stoutheid en lichtvaardigheid, uzelven in een schandelijke misdaad en oneer gestort.
  3. gij hebt uws Dat is, gij hebt uws vaders bed door bloedschande ontreinigd.
  4. hij heeft mijn Dit heeft Jakob gesproken, zich wendende tot zijn andere zonen.

5 Simeon en Levi zijn gebroeders! hun handelingen zijn werktuigen van geweld!12

  1. gebroeders Te weten, niet alleen van natuur, maar ook van zinnen, manieren en werken in het kwaad; hetgeen zij bewezen hebben met hun handel tegen de Sichemieten; boven, Gen. 34.
  2. handelingen Volgens sommigen, zwaarden.

6 Mijn ziel kome niet in hun verborgen raad; mijn eer worde niet verenigd met hun vergadering! want in hun toorn hebben zij de mannen doodgeslagen, en in hun moedwil hebben zij de ossen weggerukt.123

  1. eer worde Eer is hier zoveel als tevoren ziel, die het waardigste deel des mensen is. Aldus kan het woord eer ook genomen worden Psa 16:9, en Psa 30:13, en Psa 57:9. Anders, tong; waarmede men schuldig is God te eren en zijn lof te verbreiden. Men kan ook door het woord eer verstaan zijn goeden naam.
  2. de mannen Hebr. den man; versta, de Sichemieten. Zie boven, Gen 34:25-26.
  3. ossen weggerukt Hebr. den os; versta hieronder ook andere beesten, die zij bij het plunderen van de stad Sichem den inwoners ontweldigd hebben. Dikwijls gebruiken de Hebreën het getal van één voor velen, boven; Gen 32:5, en 1Ch 10:1; verg. met 1Sa 31:1.

7 Vervloekt zij hun toorn, want hij is heftig; en hun verbolgenheid, want zij is hard! ik zal hen verdelen onder Jakob, en zal hen verstrooien onder Israël.12

  1. Vervloekt zij Vervloekt te zijn, is lichamelijke en geestelijke, tijdelijke en eeuwige straf, of enige van deze onderworpen te zijn, gelijk boven Gen 3:14, en Gen 4:11, en Gen 5:29; Deu 28:16-17; Mat 25:41. Versta hier tijdelijke straf.
  2. Ik zal hen Jakob spreekt in den naam Gods, als een profeet, en zijn profetie is vervuld in de nakomelingen, want de stam van Simeon is in het land Kanaän vermengd geweest onder den stam van Juda, Jos 19:1, en de stam van Levi verspreid onder al de stammen.

8 Juda! gij zijt het, u zullen uw broeders loven; uw hand zal zijn op den nek uwer vijanden; voor u zullen zich uws vaders zonen nederbuigen.12

  1. uw hand zal zijn Dat is, gij zult hen in de vlucht slaan en dempen; verg. Psa 18:41.
  2. u zullen zich Hiermede geeft hij te kennen dat zijn nakomelingen tot de heerschappij, het andere deel van het recht der eerstgeboorte zouden verheven worden.

9 Juda is een leeuwenwelp! gij zijt van den roof opgeklommen, mijn zoon! Hij kromt zich, hij legt zich neder als een leeuw, en als een oude leeuw; wie zal hem doen opstaan?12

  1. Juda is een Dit alles wordt hier gesproken bij gelijkenis, om uit te drukken de tijdelijke heerschappij en macht der nakomelingen van Juda; Jdg 1:2; 1Sa 17:51; 2Sa 8:12-13, en 1Ki 9:20, enz; en de eeuwige van den Messias, die uit Juda zou spruiten, Mat 28:18; Luk 1:32, Luk 1:43; Eph 1:20-21.
  2. wie zal hem Alsof hij zeide: zijn vijanden zullen hem zozeer vrezen, dat zij hem niet lichtelijk of zonder hun schade tergen zullen.

10 De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Denzelven zullen de volken gehoorzaam zijn.123456

  1. scepter zal Dat is, de macht om te regeren; Isa 14:5; Eze 19:11, Eze 19:14; Zec 10:11, omdat de regeerders staven of scepters in hun handen droegen, tot een teken van heerschappij, Est 8:4. Anders, de stam; dat is, de stam van Juda zal niet vermengd worden met anderen, noch gevoerd uit zijn plaats vooraleer, enz.
  2. de wetgever Versta, dengene, die de macht heeft om de wetten der regering te stellen en voor te schrijven; zie Pro 8:15.
  3. van tussen zijn Dat is, die uit den stam Juda afkomstig zal wezen. Anders, die als een discipel aan de voeten des meesters in de wetten zal onderwezen worden; alzo Deu 33:3.
  4. Silo Hierbij wordt buiten allen twijfel verstaan de Messias, en wordt door sommigen overgezet zijn zoon, of, vrucht; te weten, de zoon van Juda; want het Hebreeuwse woord betekent het velletje, waarin de kinderen geboren worden; en alzo het kind zelf, wat er in ligt, en uit het geslacht van Juda [waarvan de maagd Maria des Heeren Christus' moeder was, Luk 1:32 ] voortkomen zou. Anders, de Heiland, Zaligmaker, Gelukgever, enz.
  5. komt, en Anders, gekomen zal zijn. Beiden is waarachtig, ten aanzien van tweeërlei vorm van regering; de ene macht hebbende over criminele zaken, de ander alleen over burgerlijke geschillen en differenten der religie, want sommigen jaren, eer Christus kwam, is den Joden door Pompejus afgenomen den eersten vorm der regering, maar de andere is hun nog over geweest, toen Christus in het vlees verschenen was, Joh 18:31.
  6. zullen de volken Hebr. en tot, of, aan hem zal de gehoorzaamheid der volken zijn; dat is, de ware gelovigen uit alle volken zullen hem gehoorzaamheid bewijzen, hem erkennende voor hun Heere en Zaligmaker, enz. Anders, en tot hem zal zijn de vergadering der volken.

11 Hij bindt zijn jongen ezel aan den wijnstok, en het veulen zijner ezelin aan den edelsten wijnstok; hij wast zijn kleed in den wijn, en zijn mantel in wijndruivenbloed.123

  1. bindt zijn Met deze manier van spreken wordt te kennen gegeven de overvloed en de edelheid van den wijn, die in het erfdeel van Juda zou wezen.
  2. mantel in Anders, zijn opperkleed.
  3. wijndruivenbloed Dat is, sap der druiven, of wijn. Alzo Deu 32:14.

12 Hij is roodachtig van ogen door den wijn, en wit van tanden door de melk.1

  1. Hij is Met deze manier van spreken geeft hij te kennen den overvloed en de kracht van den wijn en van de melk, welke in het land van Juda zou wezen. Anders, roder van ogen dan wijn, en witter van tanden dan melk.

13 Zebulon zal aan de haven der zeeën wonen, en hij zal aan de haven der schepen wezen; en zijn zijde zal zijn naar Sidon.123

  1. Zebulon zal Dat is, hij zal zijn woning aan den zeekant hebben. Zie de vervulling hier van Jos 19:10-11, enz.
  2. zeeën wonen, Anders, meren.
  3. Zidon Zie van deze stad boven, Gen 10:19.

14 Issaschar is een sterk gebeende ezel, nederliggende tussen twee pakken.12

  1. Issaschar is Bij gelijkenis van een sterken doch luien en gemakkelijken ezel, voorzegt hij dat de nakomelingen van Issaschar wel sterk zouden zijn en groot van vermogen, door de goedheid van hun land, maar zo tot gemak en vrede genegen, dat zij niets bijzonders zouden uitrichten, ja zich door anderen overlasten; zie Jdg 5:13, en verg. Deu 33:18.
  2. een sterkgebeende Hebr. een ezel des beens; dat is, een ezel, die groot en sterk van gebeente is.

15 Toen hij de rust zag, dat zij goed was, en het land, dat het lustig was, zo boog hij zijn schouder om te dragen, en was dienende onder cijns.

16 Dan zal zijn volk richten, als een der stammen Israëls.1

  1. richten, als Dat is, regeren, met wetten te geven en uit te voeren, alzo 1Sa 2:10; Psa 96:13; Zec 3:7. Ditzelfde verstaat Jakob ook van de andere stammen, afkomstig uit de andere dienstmaagden, dat zij, zowel als de andere, de volle heerschappij in hun erfdeel hebben zouden.

17 Dan zal een slang zijn aan den weg, een adderslang nevens het pad, bijtende des paards verzenen, dat zijn rijder achterover valle.12

  1. Dan zal een De zin en de mening der profetie is deze: Dan zal, naar der slangen aard, listiglijk zijn vijanden bespringen, gelijk ook af te nemen is uit Deu 33:22. Zie exempelen der vervulling, Richt. 14; Richt. 15; Richt. 16; Richt. 18.
  2. adderslang Anders, pijlslang, die, in de bomen zich verbergende, door derzelver takken met grote sterkte en snelheid zich uitschiet, doende van gelijken op de aarde langs den weg. Het Hebreeuwse woord wordt hier alleen gevonden.

18 Op uw zaligheid wacht ik, Heere!12

  1. Op uw Jakob wendt zich tot God, om hem den welstand zijner nakomelingen aan te bevelen, door Gods Geest voorziende de zwarigheden, die hun in het algemeen zouden overkomen, en in het bijzonder den stam van Dan, zowel ten aanzien van zijn erfdeel, Jos 19:47; Jdg 1:34, als van de zuivere religie of godsdienst, die zij zeer haast door afgoderij verloren hebben; Jdg 18:17.
  2. zaligheid wacht ik, Het Hebreeuwse woord betekent, òf tijdelijke verlossing en behoud, Jdg 15:18, en 2Sa 10:11; of eeuwige, Isa 45:17; Luk 19:9, of beiden tezamen, gelijk Psa 37:39, en hier. Anders, tot [of, om ] uw heil, [of, behoudenis ], wacht ik den Heere.

19 Aangaande Gad, een bende zal hem aanvallen; maar hij zal haar aanvallen in het einde.12

  1. een bende Jakob wil zeggen dan Gad wel in het eerst door zijn vijanden zou onderdrukt worden, maar dat hij hen daarna zelf zou overwinnen. Zie Deu 33:20-21.
  2. aanvallen; maar Het Hebreeuwse woord betekent, met rovende en stropende benden of rotten een uitval doen.

20 Van Aser, zijn brood zal vet zijn; en hij zal koninklijke lekkernijen leveren.12

  1. Van Aser, De zin is dat de nakomelingen van Aser van het land, hetwelk hun ten erfdeel vallen zou, zeer goede tarwe, olie en ander voedsel in overvloed genieten zouden.
  2. hij zal Dat is, het land van Aser zal zeer vruchtbaar zijn, niet alleen van het nodige voedsel, maar ook van kostelijke, vermakelijke en lekkere vruchten, die men met ere een koning zou mogen voorzetten. Zie Deu 33:24, en Jos 19:24-25, enz.

21 Nafthali is een losgelaten hinde; hij geeft schone woorden.1

  1. losgelaten hinde; Dat is, wakker in oorlogsdaden; Jdg 4:6, Jdg 4:10, en Jdg 5:18, en aangenaam in de burgerlijke conversatie.

22 Jozef is een vruchtbare tak, een vruchtbare tak aan een fontein; elk der takken loopt over den muur.1

  1. een vruchtbare Hebr. Zoon des vruchtbaren [wijstoks]; alzo dochters in het volgende. Jozef wordt vergeleken bij een vruchtbaren stam, die takken geeft, en die zich zeer vermenigvuldigen en wijd uitbreiden zouden.

23 De schutters hebben hem wel bitterheid aangedaan, en beschoten, en hem gehaat;123

  1. De schutters Hebr. de heren, of, meesters der pijlen; dat is, de schutters, die de pijlen in het schieten gebruiken. Zie boven, Gen 14:13. Versta door dezen, al degenen, die Jozef enig lijden hebben aangedaan, zoals zijn broeders, met hem te verkopen; zijn meesteres, met hem te beschuldigen; haar man, met hem in de gevangenis te werpen, enz., welke allen naar hem, evenals de schutters naar een doel, geschoten hebben, om hem te verderven.
  2. bitterheid Hebr. verbitterd.
  3. beschoten, Zie van het Hebreeuwse woord Job 16:13; Jer 50:29; ook Psa 18:15.

24 Maar zijn boog is in stijvigheid gebleven, en de armen zijner handen zijn gesterkt geworden, door de handen van den Machtige Jakobs; daarvan is hij een herder, een steen Israëls;12345

  1. zijn boog Dat is, zijn sterkte en welvaart is in haar geheel gebleven, zodat hij niet kon vernield worden door zijn vijanden. Eenigen verstaan door den boog, het geloof van Jozef; door zijn armen, zijn deugden.
  2. handen van den De handen Gods; betekenen zijn almachtige sterkte; Exo 13:3; Psa 10:12; Eze 39:21, enz.
  3. Machtige Dat is, van God, die Jakob en zijn huisgezin door zijn macht beschermd heeft.
  4. daarvan is hij Dat is, van God, die alleen de fontein is en de gever alles goeds.
  5. herder, een Versta, Jozef, wien God gesteld had tot een herder, om voedsel te beschikken den Egyptenaars en anderen volken, doch in het bijzonder Jakobs huis, om welke oorzaak hij ook een steen, of, rots van toevlucht genoemd wordt.

25 Van uws vaders God, Die u zal helpen, en van den Almachtige, Die u zal zegenen, met zegeningen des hemels van boven, met zegeningen des afgronds, die daaronder ligt, met zegeningen der borsten en der baarmoeder!12

  1. zegenen met zegeningen des Hij spreekt van Jozefs nakomelingen, wien hij voorzegt vierderlei zegen, dien God hun verlenen zou: <i>I.</i> Door middel van den hemel, als zijn, tijdige zomer en winter, zonneschijn, regen en dauw; Deu 33:13; Eze 34:20; <i>II.</i> Uit den afgrond als fonteinen, rivieren, allerlei staande en vloeiende wateren. Verg. Deu 8:7, en Deu 33:13; <i>III.</i> Door midden van de mensen, als de vruchtbaarheid en vermenigvuldiging der nakomelingen, Deu 33:17; <i>IV.</i> Door de beesten, als voedsel, kleding, dienstelijke hulp en grote menigte daarvan. Verg. Deu 28:4.
  2. des afgronds, Versta, de grote diepte, die in de aarde is, waaruit de zeeën, fonteinen, rivieren, meren, beken, enz., haar oorsprong nemen; verg. boven, Gen 1:2.

26 De zegeningen uws vaders gaan te boven de zegeningen mijner voorvaderen, tot aan het einde van de eeuwige heuvelen; die zullen zijn op het hoofd van Jozef, en op den hoofdschedel des afgezonderden zijner broederen!1234

  1. gaan teboven de Niet alleen omdat zij mij opnieuw bevestigd, klaarder geopenbaard en nader vervuld zijn, maar ook gaan in het algemeen over al mijn kinderen, die dan ook in meerder getal zijn, dan de kinderen van mijn vader en grootvader waren, tot het verbond Gods behorende.
  2. eeuwige heuvelen; Dat is, die van den beginne geweest zijn. Verg. Deu 33:15; Eze 36:2; Hab 3:6, en voorts Psa 72:5, Psa 72:7, Psa 72:17, en Psa 89:37-38.
  3. hoofd van Dat is, zij zullen rijkelijk uitgestort worden over Jozef; om van hem over al zijn nakomelingen in gelijke mate af te vloeien.
  4. afgezonderden Te weten, tot zonderlinge macht en heerschappij, om een behouder zijns geslachts te zijn.

27 Benjamin zal als een wolf verscheuren; des morgens zal hij roof eten, en des avonds zal hij buit uitdelen.12

  1. Benjamin zal Dat is, de Benjaminieten zullen in aard, conditiën en werken enigszins te vergelijken zijn bij de wolven, die altijd er op uit zijn om te roven, het geroofde te verscheuren, het verscheurde te verslinden, en onder hun jongen uit te delen. Want zij zullen ten oorlog genegen zijn, en kloek in het gebruik der wapenen. Zie hiervan de vervulling Jdg 3:15, idem, Jdg 19:20, en 1Sa 12:14-15.
  2. avonds zal Dat is gehele dagen zullen zij met oorlogs bezig zijn.

28 Al deze stammen van Israël zijn twaalf; en dit is het, wat hun vader tot hen sprak, als hij hen zegende; hij zegende hen, een iegelijk naar zijn bijzonderen zegen.

29 Daarna gebood hij hun, en zeide tot hen: Ik word verzameld tot mijn volk: begraaft mij bij mijn vaders, in de spelonk, die is in den akker van Efron, den Hethiet;123

  1. Ik word verzameld Zie boven, Gen 15:15, en Gen 25:8.
  2. begraaft mij Van het gebruik der begrafenis, zie boven, Gen 23:4.
  3. Efron, Zie boven, Gen 23:10.

30 In de spelonk, welke is op den akker van Machpela, die tegenover Mamre is, in het land Kanaän, die Abraham met dien akker gekocht heeft van Efron, den Hethiet, tot een erfbegrafenis.123

  1. is op den akker Hij beschrijft deze spelonk dus naarstiglijk, zowel om te tonen dat hij grote begeerte had om daar begraven te worden, als omdat hij vreesde, dat zij de plaats niet wel mochten onthouden hebben; want Jozef was nu omtrent negen en dertig jaren uit het land Kanaän geweest, en zijn broeders omtrent zeventien jaren.
  2. van Machpéla, Zie boven, Gen 23:9.
  3. Mamre is, Anders genaamd Hebro, gelegen in den stam van Juda, boven, Gen 23:19, en Gen 35:27.

31 Aldaar hebben zij Abraham begraven, en Sara, zijn huisvrouw; daar hebben zij Izak begraven, en Rebekka, zijn huisvrouw; en daar heb ik Lea begraven.1

  1. Aldaar hebben Dit verhaalt Jakob uitvoerig, eensdeels om het hart van zijn kinderen af te trekken van Egypte, en de verwachting op te scherpen op het beloofde land; anderdeels om aldus openlijk te betuigen dat hij in de voetstappen van Abrahams en Izaks geloof volhardde.

32 De akker, en de spelonk, die daarin is, is gekocht van de zonen Heths.1

  1. De akker, en Hebr. de koping van den akker en der spelonk, die daarin is, is van, enz. Anders [in] de bezitting, of, het erfgoed des akkers, en der spelonk, die daarin is, [gekocht] van, enz.

33 Als Jakob voleind had aan zijn zonen bevelen te geven, zo leide hij zijn voeten samen op het bed, en hij gaf den geest, en hij werd verzameld tot zijn volken.12

  1. zo legde Het schijnt dat Jakob de voorgaande rede gedaan heeft zittende, overeind in het bed, om het woord Gods, hetwelk hij verder wilde uitspreken, te vereren, en op zijn gemak beter voort te brengen; daarna, dat hij, dit gedaan hebbende, en door zijn zwakheid niet meer aldus kunnende zitten, zich weder nedergelegd, en zijn voeten in het bed bijeen uitgestrekt heeft, om gerustelijk den dood te verwachten, en zijn geest Gode te bevelen.
  2. verzameld tot Zie boven, vs.29.

Chapter 50

1 Toen viel Jozef op zijns vaders aangezicht, en hij weende over hem, en kuste hem.1

  1. kuste hem Alzo dat hij hem ook zonder twijfel, de ogen toegesloten heeft, gelijk God Jakob beloofd had, boven, Gen 46:4.

2 En Jozef gebood zijn knechten, den medicijnmeesters, dat zij zijn vader balsemen zouden; en de medicijnmeesters balsemden Israël.12

  1. zijn vader Dat is, het dode lichaam zijns vaders.
  2. balsemen zouden; Een oud gebruik der oosterse volken, waardoor zij de dode lichamen met welriekende kruiden en krachtige specerijen bestrooid en gevuld en met zalf, daarvan gemaakt, bestreken hebben; welk gebruik de heidenen uit superstitie, maar de Israëlieten met een heilig nadenken, tot een getuigenis van de toekomende onverderfelijkheid onzer lichamen, onderhouden hebben. Zie 2Ch 16:14, en 2Ch 21:19; Mar 16:1; Joh 19:40.

3 En veertig dagen werden aan hem vervuld; want alzo werden vervuld de dagen dergenen, die gebalsemd werden; en de Egyptenaars beweenden hem zeventig dagen.123

  1. veertig dagen Te weten, opdat door het langdurige balsemen, de kracht van de kostbare kruiden en zalven al de leden des lichaams doortrekken mocht.
  2. hem vervuld; Namelijk, aan Jakob.
  3. zeventig dagen Langer dan de Israelieten Aäron en Mozes beweenden, hetwelk maar dertig dagen duurde; Num 20:29; Deu 34:8. Doch sommigen menen dat onder deze zeventig dagen, de voormelde veertig der balseming mede begrepen moeten worden. In welken zin het bewenen maar dertig dagen geduurd zou hebben.

4 Als nu de dagen zijns bewenens over waren, zo sprak Jozef tot het huis van Farao, zeggende: Indiën ik nu genade gevonden heb in uw ogen, spreekt toch voor de oren van Farao, zeggende:12

  1. huis van Faraö, Versta de vorsten, raadsheren en vrienden van Faraö, die dagelijks bij hem waren; want in den rouw zijnde, mocht Jozef bij den koning niet verschijnen, naar het gebruik van Egypte en van andere landen. Verg. Est 4:2.
  2. genade gevonden Zie boven, Gen 18:3.

5 Mijn vader heeft mij doen zweren, zeggende: Zie, ik sterf; in mijn graf, dat ik mij in het land Kanaän gegraven heb, daar zult gij mij begraven! Nu dan, laat mij toch optrekken, dat ik mijn vader begrave, dan zal ik wederkomen.12

  1. Zie, ik sterf; Zie boven, Gen 48:21, en hier vs.24.
  2. dat ik mij in Aldus hebben ook anderen, toen zij nog leefden, hun graf tegen hun dood laten bereiden. Zie 2Ch 16:14; Isa 22:16; Mat 27:60.

6 En Farao zeide: Trek op en begraaf uw vader, gelijk als hij u heeft doen zweren.

7 En Jozef toog op, om zijn vader te begraven; en met hem togen op alle Farao’s knechten, de oudsten van zijn huis, en al de oudsten des lands van Egypte;12345

  1. alle Dat is, het merendeel, te weten, allen die bij de hand waren, en van huis konden wezen. Verg. Mat 3:5.
  2. Faraö's knechten, Zijn hofdienaren en edellieden; zie boven, Gen 20:8.
  3. oudsten van zijn Zijn raadsheren en andere mannen van staat.
  4. huis, en al Dat is, hofgezin. Zie boven, Gen 34:19.
  5. de oudsten des lands van Vorsten, officieren en aanzienlijken des lands.

8 Daartoe het ganse huis van Jozef, en zijn broeders, en het huis zijns vaders; alleen hun kleine kinderen, en hun schapen, en hun runderen lieten zij in het land Gosen.12

  1. huis Jozefs, Dat is, huisgezin, huisgenoten, dienaars en knechten; verg. de aantekeningen op het voorgaande vs. en boven, Gen 7:1.
  2. schapen, en hun Dat is, hun klein en groot vee. Zie boven, Gen 12:16.

9 En met hem togen op, zo wagenen als ruiteren; en het was een zeer zwaar heir.1

  1. zwaar heir Dat is, groot in menigte. Aldus wordt een zwaar volk genoemd, Num 20:20, en 1Ki 3:9, hetwelk uitgelegd wordt een groot volk; 2Ch 1:10. Zie ook 1Ki 10:2, en 2Ki 6:14.

10 Toen zij nu aan het plein van het doornbos kwamen, dat aan gene zijde van de Jordaan is, hielden zij daar een grote en zeer zware rouwklage; en hij maakte zijn vader een rouw van zeven dagen.123456

  1. plein van Versta hier een effen, ledige en open plaats, die met doornen bezet, of omtuind was, of omtrent welke een menigte van doornen groeiden.
  2. doornbos Datzelfde woord hebben wij Jdg 9:14; Psa 58:10. Anderen behouden het Hebreeuwse woord ATAD als den eigen naam van deze plaats.
  3. aan gene zijde Ten aanzien van de plaats, waar Mozes was, toen hij dit schreEf.
  4. Jordaan is, Zie boven, Gen 13:10.
  5. hielden zij Hebr. zo rouwklaagden zij daar een rouwklacht.
  6. zeven dagen Dat is, Jozef verordende den tijd van zeven dagen, om te beschikken al wat tot het rouwdragen en de begrafenis nodig was; zie Ecc 12:13.

11 Als de inwoners des lands, de Kanaänieten, dien rouw zagen op het plein van het doornbos, zo zeiden zij: Dit is een zware rouw der Egyptenaren; daarom noemde men haar naam Abel-mizraim, die aan het veer van de Jordaan is.1234

  1. inwoners des Hebr. de inwoner; alzo in het volgende, de Kanaäniet.
  2. zijn naam Te weten, der voorzegde plaats.
  3. Abel-Mizráïm, Dat is, de rouw der Egyptenaars, of, de rouwdragers der Egyptenaars.
  4. die aan het veer Aldus in het voorgaande, vs.10.

12 En zijn zonen deden hem, gelijk als hij hun geboden had;12

  1. hem zo, Namelijk, Jakob.
  2. hij hun Zie boven, Gen 49:29.

13 Want zijn zonen voerden hem in het land Kanaän, en begroeven hem in de spelonk des akkers van Machpela, welke Abraham met den akker gekocht had tot een erfbegrafenis van Efron, den Hethiet, tegenover Mamre.12

  1. Machpéla, Zie boven, Gen 49:30.
  2. Mamre Zie boven, Gen 49:30.

14 Daarna keerde Jozef weder in Egypte, hij en zijn broeders, en allen, die met hem opgetogen waren, om zijn vader te begraven, nadat hij zijn vader begraven had.

15 Toen Jozefs broeders zagen, dat hun vader dood was, zo zeiden zij: Misschien zal ons Jozef haten, en hij zal ons gewisselijk vergelden al het kwaad, dat wij hem aangedaan hebben.12

  1. gewisselijk Hebr. vergeldende vergelden, of, wederkeren.
  2. aangedaan hebben Hebr. weder gedaan, of, vergolden hebben; te weten, voor al die ootmoedige beden en vriendelijke smekingen, die hij, in onze handen zijnde, aan ons gedaan heeft, en wij hem afgeslagen hebben. Zie boven, Gen 42:21, alzo onder, vs.17.

16 Daarom ontboden zij aan Jozef, zeggende: Uw vader heeft bevolen voor zijn dood, zeggende:12

  1. ontboden zij Hebr. zij hebben bevolen aan, of, tot Jozef; dat is, zij hebben tot Jozef enigen afgevaardigd, wien zij bevolen hebben hem uit hun naam wat aan te dienen.
  2. Uw vader heeft Zij begeren vergiffenis van Jozef, gebruikende daartoe vier redenen:<i>I.</i> Omdat hun vader [zoals zij zeggen] dit vóór zijn dood begeerd had;<i>II.</i> Omdat zij zijn broeders waren;<i>III.</i> Omdat zij berouw hadden en hun zonden bekenden;<i>IV.</i> Omdat zij van één religie met hem waren.

17 Zo zult gij tot Jozef zeggen: Ei, vergeef toch de overtreding uwer broederen, en hun zonde; want zij hebben u kwaad aangedaan; maar nu vergeef toch de overtreding der dienaren van den God uws vaders! En Jozef weende, als zij tot hem spraken.123

  1. der dienaren Die denzelfden God met u dienen, die ons bevolen heeft elkander de misdaden te vergeven, gelijk wij begeren, dat Hij ons genadig is.
  2. van den God Zie boven, Gen 26:24, en Gen 31:42.
  3. weende als zij Zonder twijfel, omdat zij zeer bewogen spraken van een zaak, die hij zonder beweging niet kon aanhoren, te meer omdat hij hun vrees voor straf bemerkte en wantrouwen op zijn goedheid.

18 Daarna kwamen ook zijn broeders, en vielen voor hem neder, en zeiden: Zie, wij zijn u tot knechten!1

  1. Daarna kwamen Te weten, nadat zij gehoord hadden het rapport dergenen, die zij tot Jozef afgevaardigd hadden.

19 En Jozef zeide tot hen: Vreest niet; want ben ik in de plaats van God?1

  1. ben ik in Dat is, ben ik God, die de macht zou hebben u kwaad te doen, die God door mij goed doen en behouden wil?

20 Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; doch God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, gelijk het te dezen dage is, om een groot volk in het leven te behouden.1

  1. gelijk het te Dat is, gelijk het heden blijkt, en voor alle mensen openbaar is.

21 Nu dan, vreest niet! Ik zal u en uw kleine kinderen onderhouden. Zo troostte hij hen, en sprak naar hun hart.1

  1. sprak naar hun Zie boven, Gen 34:3.

22 Jozef dan woonde in Egypte, hij en het huis zijns vaders; en Jozef leefde honderd en tien jaren.

23 En Jozef zag van Efraïm kinderen, van het derde gelid; ook werden de zonen van Machir, den zoon van Manasse, op Jozefs knieën geboren.12

  1. kinderen des Hebr. kinderen der derden; dat is, kinderen tot in het derde gelid; dat is, kinderen van kindskinderen. Zie van dergelijken zegen Job 42:16, en Psa 128:6. Hier begint vervuld te worden de profetie van Jakob, boven, Gen 48:19.
  2. Jozefs knieën Dat is, die Jozef in hun eerste jonkheid van blijdschap en vermaak op zijn schoot placht te zetten, en daarmede te spelen, gelijk men met de kleine kindertjes gewoonlijk doet; verg. boven, Gen 30:3.

24 En Jozef zeide tot zijn broederen: Ik sterf; maar God zal u gewisselijk bezoeken, en Hij zal u doen optrekken uit dit land, in het land, hetwelk hij aan Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft.12

  1. Ik sterf; Zie boven, vs.5.
  2. bezoeken, en Hebr. bezoekende bezoeken; dat is, Hij zal u zekerlijk bezoeken, te weten, naar zijn genade; om u wèl te doen en zijn beloften aan u te volbrengen; zie boven, Gen 21:1, en hier het volgende vs.

25 En Jozef deed de zonen van Israël zweren, zeggende: God zal u gewisselijk bezoeken, zo zult gij mijn beenderen van hier opvoeren!1

  1. zult gij mijn Dit beveelt hij, niet uit superstitie, maar uit een vast geloof, waardoor hij voor zeker hield, dat zijn geslacht het land Kanaän bezitten zou, en dat hetzelve hun allen was tot een voorbeeld en onderpand van het hemelse Kanaän; begerende uit zulke oorzaak, dat zijn beenderen daar eindelijk zouden heengevoerd worden; zie Heb 11:22.

26 En Jozef stierf, honderd en tien jaren oud zijnde; en zij balsemden hem, en men leide hem in een kist in Egypte.123

  1. honderd en tien jaren Hebr. een zoon van honderd en tien jaren.
  2. balsemden hem, Zie boven, vs.2.
  3. kist in Egypte Waarin zijn dood lichaam is bewaard geweest, om te zijner tijd naar het land Kanaän vervoerd te mogen worden, hetwelk honderd vijf en vijftig jaren daarna geschied is, toen de kinderen Israëls uit Egypte togen.