reltext

Chapter 12

1 In het zevende jaar van Jehu werd Joas koning, en regeerde veertig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Zibja van Ber-seba.1234

DutSVVA word tags

zevendeH7651
jaarH8141
JehuH3058
werdH4427
JoasH3060
regeerdeH4427H8804
veertigH705
jarenH8141
JeruzalemH3389
naamH8034
moederH517
ZibjaH6645
Ber-sebaH884

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Jehu De koning Israëls; van welken zie boven, 2Ki 9:10.
  2. Joas Hebreeuws, Jehoas.
  3. Zibja Hebreeuws, Tsibia.
  4. Ber-séba Zie van deze stad Gen 21:31.

2 En Joas deed dat recht was in de ogen des Heeren, al zijn dagen, in dewelke de priester Jojada hem onderwees.1

DutSVVA word tags

JoasH3060
rechtH3477
ogenH5869
HeerenH3068
dagenH3117
dewelkeH834
priesterH3548
JojadaH3077
onderweesH3384H8689

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. in dewelke Maar na den dood van Jojada den hogepriester, wiens goede leer hij heeft vergeten, is tot valsen godsdienst vervallen, en daarom ook gestraft geweest. Zie 2Ch 24:17-18.

3 Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten.

DutSVVA word tags

AlleenlijkH7535
hoogtenH1116
nietH3808
weggenomenH5493H8804
volkH5971
offerdeH2076H8764
hoogtenH1116

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

4 En Joas zeide tot de priesteren: Al het geld der geheiligde dingen, dat gebracht zal worden in het huis des Heeren, te weten het geld desgenen, die overgaat tot de getelden, het geld van een ieder der personen naar zijn schatting, en al het geld, dat in ieders hart komt, om dat te brengen in het huis des Heeren,1234567

DutSVVA word tags

JoasH3060
totH413
priesterenH3548
geldH3701
dingenH6944
datH834
wordenH935H8714
huisH1004
HeerenH3068
geldH3701
overgaatH5674H8802
geldH3701
iederH376
personenH5315
schattingH6187
geldH3701
datH834
iedersH376
hartH3820
brengenH935H8687
huisH1004
HeerenH3068

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. der geheiligde dingen, Hebreeuws, heiligheden; dat is, die den Heere geheiligd en tot zijn dienst toegeëigend waren; en nu tot den bouw en de vermaking des tempels moesten aangelegd worden. Van deze worden hier zekere soorten vermeld, naar uitwijzen der volgende woorden.
  2. desgenen, Hebreeuws, des voorbijgaanden of des overgaanden; te weten, onder, of tot de getelden; dat is, die gerekend werd onder degenen, die geschat moesten worden. Dezen nu waren al degenen, die twintig jaren en daarboven oud waren, die, wanneer de telling geschiedde, moesten elk een halven sikkel voor hun hoofd geven, Exo 30:13. Dit was de eerste soort der geheiligde dingen.
  3. getelden, Dit woord is hier ingevoegd uit Exo 30:13.
  4. het geld Hebreeuws, des mans geld der zielen zijner schatting; dat is, het geld, waarmede de priester een persoon, die zijn gelofte den Heere gedaan had, geschat heeft, opdat hij zich zou lossen en vrijmaken. Zie de wet hiervan Lev 27:2. Dit was de tweede soort der geheiligde dingen.
  5. der personen Hebreeuws, zielen. Dit woord is hier voor personen of mensen genomen. Zie Gen 12:5.
  6. al het geld, De derde soort der geheiligde dingen was, die iemand gans vrijwilliglijk den Heere offerde, zonder daartoe door enige wet genoodzaakt te zijn, maar wel opgewekt zijnde door vermaning, 2Ch 24:5-6. Vergelijk Exo 35:5.
  7. komt, Hebreeuws, opkomt, of klimt.

5 Zullen de priesters tot zich nemen, een ieder van zijn bekende; en zij zullen de breuken van het huis verbeteren, naar alles wat er voor breuk bevonden zal worden.12

DutSVVA word tags

priestersH3548
iederH376
bekendeH4378
breukenH919
huisH1004
verbeterenH2388H8762
allesH3605
watH834
breukH919

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. verbeteren, Hebreeuws, versterken. En zo in het volgende.
  2. voor breuk Versta, dat gescheurd, gespleten, gereten, of vervallen was door den ouderdom van het gebouw; of geschonden en verwoest door de goddeloze Athalia. Zie 2Ch 24:7.

6 Maar het geschiedde in het drie en twintigste jaar van den koning Joas, dat de priesters de breuken van het huis niet gebeterd hadden.

DutSVVA word tags

geschieddeH1961H8799
twintigsteH6242
jaarH8141
koningH4428
JoasH3060
priestersH3548
breukenH919
huisH1004
nietH3808

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

7 Toen riep de koning Joas den priester Jojada en de andere priesteren, en zeide tot hen: Waarom betert gijlieden niet de breuken van het huis? Nu dan, neemt geen geld van uw bekenden, dat gij het zoudt geven voor de breuken van het huis.12

DutSVVA word tags

koningH4428
JoasH3060
priesterH3548
JojadaH3077
priesterenH3548
totH413
WaaromH4069
gijliedenH2388H8764
nietH369
breukenH919
huisH1004
geenH408
geldH3701
bekendenH4378
breukenH919
huisH1004

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. neemt geen geld Gelijk gij tevoren gedaan hebt. Zie vs.4,5.
  2. dat gij Gelijk gij tevoren wel beloofd, maar niet gedaan hebt.

8 En de priesters bewilligden van het volk geen geld te nemen, noch de breuken van het huis te verbeteren.

DutSVVA word tags

priestersH3548
bewilligdenH225H8735
volkH5971
geenH1115
geldH3701
nochH1115
breukenH919
huisH1004
verbeterenH2388H8763

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

9 Maar de priester Jojada nam een kist, en boorde een gat in haar deksel, en zette die bij het altaar ter rechterhand, als iemand inkwam in het huis des Heeren; en de priesters, die den dorpel bewaarden, staken daarin al het geld, dat ten huize des Heeren gebracht werd.1234

DutSVVA word tags

priesterH3548
JojadaH3077
eenH259
kistH727
dekselH1817
dieH853
bijH681
altaarH4196
rechterhandH3225
iemandH376
inkwamH935H8800
huisH1004
HeerenH3068
priestersH3548
dorpelH5592
bewaardenH8104H8802
daarinH8033
geldH3701
huizeH1004
HeerenH3068

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. nam een kist, Met toestemming ja door bevel des konings; 2Ch 24:8.
  2. deksel, Hebreeuws, in haar deur.
  3. ter rechterhand, Versta, aan de post, of ter zijde der deur, waar men inging in het voorhof der priesters, alwaar het brandofferaltaar stond, aan het einde van het grote voorhof; want zover mocht gans Israël komen, gelijk de Levieten daar aan den dorpel dezer deur de wacht hielden, Num 18:4. Zulk een offerkist was ook nog in den tempel ten tijde van Jezus Christus. Zie Mar 12:41; Luk 21:1.
  4. dorpel Te weten, der poort van het voorhof der priesters; en dat naar het voorschrift des Heeren; Num 18:4.

10 Het geschiedde nu, als zij zagen, dat veel gelds in de kist was, dat des konings schrijver met den hogepriester opkwam, en zij bonden het samen, en telden het geld, dat in het huis des Heeren gevonden werd.12

DutSVVA word tags

geschieddeH1961H8799
veelH7227
geldsH3701
kistH727
koningsH4428
schrijverH5608H8802
hogepriesterH1419H3548
geldH3701
huisH1004
HeerenH3068

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. schrijver Dat is, griffier, of secretaris. Alzo onder, 2Ki 19:2, en 2Ki 22:3; idem 2Sa 8:17.
  2. zij bonden het Te weten, in buidels, of zakken.

11 En zij gaven het geld wel gewogen in handen der verzorgers van dat werk, die gesteld waren over het huis des Heeren; en zij besteedden het uit aan de timmerlieden en aan de bouwlieden, die het huis des Heeren vermaakten;12

DutSVVA word tags

geldH3701
gewogenH8505H8794
handenH3027
verzorgersH6213H8802
werkH4399
huisH1004
HeerenH3068
timmerliedenH2796H6086
bouwliedenH1129H8802
huisH1004
HeerenH3068
vermaaktenH6213H8802

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. verzorgers Hebreeuws, doeners van dat werk. Alzo onder, 2Ki 22:5. Dat is, die als opzieners over dit werk des tempels gesteld waren.
  2. timmerlieden Hebreeuws, werknemers des houts.

12 En aan de metselaren, en aan de steenhouwers, en om hout en gehouwen stenen te kopen, om de breuken van het huis des Heeren te verbeteren, en voor al wat uitgegeven werd voor het huis, om dat te beteren.123

DutSVVA word tags

metselarenH1443H8802
steenhouwersH2672H8802H68
houtH6086
gehouwenH4274
stenenH68
breukenH919
huisH1004
HeerenH3068
verbeterenH2388H8763
watH834
voorH5921
huisH1004
beterenH2394

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. metselaren, Het Hebreeuwse woord betekent in het algemeen degenen, die stenen muren en houten wanden en heiningen maken. Alzo onder, 2Ki 22:6; Isa 58:12; Eze 22:30. Hier is het voor metselaars genomen.
  2. gehouwen Hebreeuws, stenen der uithouwing, of, snijding; dat is, die uit de aarde gehouwen worden, en daarna ook door houwing of snijding tot zeker gebruik moeten gefatsoeneerd worden.
  3. uitgegeven Hebreeuws, dat uitging; dat is, dat uitgelegd werd van geld, of anders uitbesteed, tot behoefte van de vermaking des tempels.

13 Evenwel werden niet gemaakt voor het huis des Heeren zilveren schalen, gaffelen, sprengbekkens, trompetten, noch enig gouden vat, of zilveren vat, van het geld, dat ten huize des Heeren gebracht werd.12

DutSVVA word tags

EvenwelH389
nietH3808
gemaaktH6213H8735
huisH1004
HeerenH3068
zilverenH3701
schalenH5592
gaffelenH4212
sprengbekkensH4219
trompettenH2689
enigH3605
goudenH2091
zilverenH3701
geldH3701
huizeH1004
HeerenH3068

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. werden Dat is, zij bevorderden zozeer den bouw des tempels dat zij de vaten, tot den godsdienst behorende, niet maakten voordat het bouwwerk volbracht was; maar daarna hebben zij ook van het overschot des gelds allerlei vaten gemaakt. Zie 2Ch 24:14.
  2. zilveren schalen, Zie van deze vaten 1Ki 7:50.

14 Maar zij gaven dat aan degenen, die het werk deden; en zij verbeterden daarmede het huis des Heeren.

DutSVVA word tags

MaarH3588
werkH4399
verbeterdenH2388H8765
huisH1004
HeerenH3068

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

15 Daartoe eisten zij geen rekening van de mannen, wien zij dat geld in hun handen gaven, om aan degenen, die het werk deden, te geven; want zij handelden trouwelijk.12

DutSVVA word tags

geenH3808
rekeningH2803H8762
mannenH582
wienH834
geldH3701
handenH3027
werkH4399
wantH3588
handeldenH6213H8802
trouwelijkH530

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. eisten Of, deden de mannen geen rekening doen; of rekenden niet met de mannen.
  2. trouwelijk Hebreeuws, in waarheid, of trouw; dat is, op geloof. De zin is: Gelijk het geld hun vromigheid toevertrouwd was, alzo hebben zij ook hetzelve trouwelijk aangelegd en besteed.

16 Het geld van schuldoffer, en het geld van zondofferen werd ten huize des Heeren niet gebracht; het was voor de priesteren.

DutSVVA word tags

geldH3701
schuldofferH817
geldH3701
zondofferenH2403
huizeH1004
HeerenH3068
nietH3808
gebrachtH935H8714
priesterenH3548

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

17 Toen trok Hazaël, de koning van Syrië op, en krijgde tegen Gath, en nam haar in; daarna stelde Hazaël zijn aangezicht, om tegen Jeruzalem op te trekken.123

DutSVVA word tags

ToenH227
trokH5927
HazaëlH2371
koningH4428
SyriëH758
krijgdeH3898H8735
tegenH5921
GathH1661
HazaëlH2371
aangezichtH6440
tegenH5921
JeruzalemH3389
trekkenH5927H8800

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Toen trok Házaël, Namelijk, nadat Jojada nu gestorven was en Joas zijn wegen verdorven had, 2Ch 24:22-23.
  2. Gath, Zie 1Ki 2:39.
  3. stelde Házaël Zijn aangezicht ergens naar stellen, is iets ernstiglijk voornemen en aangrijpen. Zie 2Ch 20:3; Jer 42:15; Eze 21:2; Dan 9:3; Luk 9:51.

18 Maar Joas, de koning van Juda, nam al de geheiligde dingen, die Josafat, en Joram, en Ahazia, zijn vaderen, de koningen van Juda, geheiligd hadden, en zijn geheiligde dingen, en al het goud, dat gevonden werd in de schatten van het huis des Heeren, en van het huis des konings, en zond het tot Hazaël, den koning van Syrië; toen trok hij op van Jeruzalem.1

DutSVVA word tags

JoasH3060
koningH4428
JudaH3063
dingenH6944
dieH834
JosafatH3092
JoramH3088
AhaziaH274
vaderenH1
koningenH4428
JudaH3063
dingenH6944
goudH2091
schattenH214
huisH1004
HeerenH3068
huisH1004
koningsH4428
HazaëlH2371
koningH4428
SyriëH758
JeruzalemH3389

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. geheiligde dingen, Hebreeuws, heiligheden. Als boven, vs.4. Zie Lev 5:15.

19 Het overige nu der geschiedenissen van Joas, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?

DutSVVA word tags

overigeH3499
geschiedenissenH1697
JoasH3101
nietH3808
geschrevenH3789H8803
boekH5612
kroniekenH1697H3117
koningenH4428
JudaH3063

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

20 En zijn knechten stonden op, en maakten een verbintenis, en sloegen Joas, in het huis van Millo, dat afgaat naar Silla;12

DutSVVA word tags

knechtenH5650
maaktenH7194H8799
verbintenisH7195
sloegenH5221H8686
JoasH3101
huisH1004
SillaH5538

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. in het huis van Millo Anders, Bethmillo. Zie Jdg 9:6.
  2. Silla; De naam ener plaats. Uit de eigenschap des woords menen sommigen dat dit is een zekere gehoogde weg geweest, dien Salomo zou gemaakt hebben om van de stad Davids in den tempel te gaan, 2Ch 9:11. Anderen menen dat Silla is geweest de naam ener stad, niet ver van het huis van Millo gelegen.

21 Want Jozacar, de zoon van Simeath, en Jozabad, de zoon van Somer, zijn knechten, sloegen hem, dat hij stierf; en zij begroeven hem met zijn vaderen in de stad Davids; en Amazia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.12345

DutSVVA word tags

JozacarH3108
zoonH1121
SimeathH8100
JozabadH3075
zoonH1121
SomerH7763
knechtenH5650
sloegenH5221H8689
begroevenH6912H8799
hemH853
vaderenH1
stadH5892
DavidsH1732
AmaziaH558
zoonH1121
plaatsH8478

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Józacar, Anders genaamd Zabad, 2Ch 24:26.
  2. Simeath, De naam van een Ammonietische vrouw, 2Ch 24:26.
  3. Józabad, Hebreeuws, Jehozabad.
  4. Somer, Anders, van Simrith. Deze was een Moabietische vrouw, 2Ch 24:26.
  5. stad Davids; Maar niet in het graf der koningen van Juda, 2Ch 24:25.