reltext

Chapter 2

1 En Jona bad tot den Heere, zijn God, uit het ingewand van den vis.

DutSVVA word tags

JonaH3124
totH413
HeereH3068
GodH430
ingewandH4578

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

2 En hij zeide: Ik riep uit mijn benauwdheid tot den Heere, en Hij antwoordde mij; uit den buik des grafs schreide ik, en Gij hoordet mijn stem.1234

DutSVVA word tags

benauwdheidH6869
totH413
HeereH3068
antwoorddeH6030H8799
buikH990
grafsH7585
hoordetH8085H8804
stemH6963

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. En hij zeide Te weten daarna, als hij verlost was. Want het blijkt uit de volgende woorden dat de profeet dit gebed na zijne verlossing bijeengesteld heeft als een kort begrip van zijn inwendigen strijd, mitsgaders van alle heilige gedachten, bewegingen en gebeden, die de Geest des Heeren hem in den tijd van drie dagen en drie nachten in den buik van den walvis had ingegeven, waaruit hij wel had kunnen afleiden, dat God hem in deze harde kastijding wonderbaarlijk bewaarde, sterkte en eindelijk verlossen zou.
  2. Ik riep Zie Job 36:13 .
  3. uit mijn benauwdheid tot den HEERE Of, vermits, vanwege.
  4. uit den buik des grafs schreide ik Dat is, van den walvis, waarin ik, als in een graf, besloten was, en die als mijn graf scheen te zullen zijn.

3 Want Gij hadt mij geworpen in de diepte, in het hart der zeeën, en de stroom omving mij; al Uw baren en Uw golven gingen over mij henen.12

DutSVVA word tags

geworpenH7993H8686
diepteH4688
hartH3824
zeeënH3220
stroomH5104
barenH4867
golvenH1530
overH5921

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Gij hadt mij geworpen in de diepte, Door de hand der schippers, welker doen Gij regeerdet.
  2. het hart der zeeën, Dat is, midden in de diepte der zee. Verg. Deu 4:11 ; Eze 27:4 met de aantekening.

4 En ik zeide: Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; nochtans zal ik den tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen.1234

DutSVVA word tags

uitgestotenH1644H8738
voorH5048
ogenH5869
nochtansH389
denH413
tempelH1964
heiligheidH6944
aanschouwenH5027H8687

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. ik zeide Te weten bij mijzelven, dat is, dacht. Verg. Psa 31:23 met de aantekening.
  2. Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen Of, uitgedreven, uitgeworpen.
  3. tempel Uwer heiligheid Dat is, uw heiligen tempel, waar God mer zijne genade bijzonderlijk tegenwoordig was.
  4. weder aanschouwen Hebr. ik zal toedien of voortvaren te aanschouwen; dat is, weder aanschouwen. Dit bijzonder vertrouwen werkte Gods Geest in den profeet, waardoor hij de overwinning behield over het vlees. Anders: ik zal nochtans voortvaren te zien naar uw heiligen tempel; dat is, ik zal evenwel niet laten te wachten op uwe hulp, die Gij mij uit uwen tempel, [dat is om des Messias' wil, van wien de tempel een voorbeeld was] zult toeschikken. Verg. onder vs.9.

5 De wateren hadden mij omgeven tot de ziel toe, de afgrond omving mij; het wier was aan mijn hoofd gebonden.12

DutSVVA word tags

waterenH4325
omgevenH661H8804
zielH5315
afgrondH8415
wierH5488
hoofdH7218
gebondenH2280H8803

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. tot de ziel toe Dat is, zodat zij mij mijn leven dreigden te benemen, mij versmoord zouden hebben, en mijne ziel uit mij doen gaan, ten ware Gij daarin genadiglijk hadt voorzien; verg. Psa 69:2 , en zie Gen 19:17 ; anders worden door wateren ook noden en benauwdheden verstaan; zie 2Sa 22:17 .
  2. het wier was aan mijn hoofd gebonden Of, zeegras was om mijn hoofd gewikkeld, versta, als ik in de zee dreef, of in den buik van den walvis lag, die het wier inslokte.

6 Ik was nedergedaald tot de gronden der bergen; de grendelen der aarde waren om mij henen in eeuwigheid; maar Gij hebt mijn leven uit het verderf opgevoerd, o Heere, mijn God!1234

DutSVVA word tags

nedergedaaldH3381H8804
grondenH7095
bergenH2022
grendelenH1280
aardeH776
eeuwigheidH5769
levenH2416
verderfH7845
opgevoerdH5927H8686
HeereH3068
GodH430

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. de gronden der bergen Hebr. afsnijdingen; dat is, het uiterste, onderste, de wortels of gronden der bergen of klippen.
  2. de grendels der aarde waren om mij henen Hebr. de aarde, hare grendels; dat is: ik was in den grond van de zee, als in een vaste gevangenis, besloten en aan alle kanten van de aarde, hoge bergen en klippen omsingeld. Anders: de aarde [met] hare grendels was, enz.
  3. in eeuwigheid Zulks dat er geen schijn van uitkomen was, tenware Gij mij wonderbaarlijk hadt verlost.
  4. verderf opgevoerd Of, groEf. Verg. boven vs.3 en zie Psa 7:16 , en Psa 16:10 met de aanteek.

7 Als mijn ziel in mij overstelpt was, dacht ik aan den Heere, en mijn gebed kwam tot U, in den tempel Uwer heiligheid.1234

DutSVVA word tags

zielH5315
HeereH3068
gebedH8605
totH413
tempelH1964
heiligheidH6944

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. overstelpt was Verg. Psa 61:3 , met de aantekening.
  2. dacht ik aan den HEERE Gelijk God vergeten goddeloosheid betekent, [zie Psa 9:18 , met de aantekening.] alzo is, zijner niet vergeten, maar gedenken, Hem voor ogen houden, dienen, tot Hem toevlucht nemen, op Hem vertrouwen; zie Psa 20:8 , en Psa 42:7 , en Psa 44:18 , en Psa 77:4 , enz.
  3. kwam tot U Gelijk Psa 102:2 .
  4. tempel Uwer heiligheid Zie boven vs.4 en verg. 1Ki 8:44 , met de aantekening. Sommigen verstaan den hemel, en zetten het over paleis uwer heiligheid. Zie Psa 11:4 , mede afgebeeld door den tempel.

8 Die de valse ijdelheden onderhouden, verlaten hunlieder weldadigheid.12

DutSVVA word tags

valseH7723
ijdelhedenH1892
onderhoudenH8104H8764
verlatenH5800H8799
weldadigheidH2617

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. de valse ijdelheden onderhouden Hebr. ijdelheden der valsheid, of der leugen, der nietigheid, vergeefsheid; dat is, die de afgoden in nood aanroepen en danken als hun goed is geschied; zie 2Ki 17:15 ; Psa 31:7 , en Psa 62:11 ;Jer. 2:5, Jer 2:11 , met de aantekening.
  2. verlaten hunlieder weldadigheid Dat is, zij gedenken en behartigen de weldadigheid of goedertierenheid niet, die Gij hun bewezen hebt, maar schrijven het ondankbaar hunnen afgoden toe; of zij verlaten U, die hun weldoen en de enige ware God zijt; zie Psa 59:11 ; Jer 2:2 , met de aantekening.

9 Maar ik zal U offeren met de stem der dankzegging; wat ik beloofd heb, zal ik betalen. Het heil is des Heeren.123

DutSVVA word tags

offerenH2076H8799
stemH6963
dankzeggingH8426
watH834
betalenH7999H8762
heilH3444
HeerenH3068

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. dankzegging Of, des lofs; zie Psa 50:14 , Psa 50:23 , en Psa 116:17 ; Hos 14:3 ; Heb 13:15 , enz.
  2. beloofd heb Zie Psa 50:14 , en Psa 61:6 , met de aantekening.
  3. Het heil is des HEEREN Anders: al het heil; dat is, alle verlossing, zo des lichaams als der ziel, komt allen van Hem. Zie Psa 3:9 , en Psa 36:6 , Psa 36:7 , Psa 36:8 .

10 De Heere nu sprak tot den vis; en hij spuwde Jona uit op het droge.12

DutSVVA word tags

HeereH3068
spuwdeH6958
JonaH3124
drogeH3004

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. sprak tot den vis Hebr. eigenlijk, zeide. Gods zeggen is zijn gebieden, regeren, beschikken en doen. Zie Gen 1:3 . De zin is: Hij regeerde deze vis alzo, dat hij dat deed.
  2. het droge Dat is, op het land, gelijk boven Jon 1:9 , Jon 1:13 .