reltext

Chapter 4

1 Maar het geschiedde, als Sanballat gehoord had, dat wij den muur bouwden, zo ontstak hij, en werd zeer toornig; en hij bespotte de Joden.123

DutSVVA word tags

geschieddeH1961H8799
alsH834
SanballatH5571
wijH587
muurH2346
bouwdenH1129H8802
toornigH3707H8799
JodenH3064

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Sanballat Zie boven, Neh 2:10 .
  2. ontstak hij, Hebreeuws, hem ontstak; te weten, de toorn, alzo vs.7.
  3. zeer toornig; Hebreeuws, veel, grotelijks.

2 En sprak in de tegenwoordigheid zijner broederen en van het heir van Samaria, en zeide: Wat doen deze amechtige Joden? Zal men hen laten geworden? Zullen zij offeren? Zullen zij het in een dag voleinden? Zullen zij de steentjes uit de stofhopen levend maken, daar zij verbrand zijn?12345

DutSVVA word tags

tegenwoordigheidH6440
broederenH251
heirH2428
SamariaH8111
amechtigeH537
JodenH3064
gewordenH5800H8799
offerenH2076H8799
voleindenH3615H8762
steentjesH68
stofhopenH6194H6083

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. tegenwoordigheid Hebreeuws, voor het aangezicht.
  2. heir Om het krijgsvolk tegen de Joden op te hitsen en gaande te maken.
  3. Zal men hen Anders, zullen zij het oprichten, of opbouwen?
  4. in een dag Of, in dezen dag, alsof hij zeide: Menen zij het op dien dag te voleinden, op welken zij het hebben begonnen of besloten? Het zal hun mislukken.
  5. levend maken, Dat is, in vorigen stand herstellen.

3 En Tobia, de Ammoniet, was bij hem, en zeide: Al is het, dat zij bouwen, zo er een vos opkwame, hij zou hun stenen muur wel verscheuren.1

DutSVVA word tags

TobiaH2900
AmmonietH5984
bijH681
datH834
opkwameH5927H8799
stenenH68
muurH2346
verscheurenH6555H8804

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. hun stenen muur Hebreeuws, den muur hunner stenen.

4 Hoor, o onze God! dat wij zeer veracht zijn, en keer hun versmaadheid weder op hun hoofd, en geef hen over tot een roof in een land der gevangenis.1234

DutSVVA word tags

GodH430
verachtH939
keerH7725
versmaadheidH2781
hoofdH7218
roofH961
landH776
gevangenisH7633

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. dat wij Of, want zij zijn veracht.
  2. zeer veracht Hebreeuws, een verachting.
  3. hun versmaadheid Dat zij ons aandoen.
  4. land der gevangenis Waarheen Gij hen zult mogen verstoten. Dit wenst Nehemia uit een heiligen ijver tot Gods eer, en tegen Gods en zijns volks bittere vijanden.

5 En dek hun ongerechtigheid niet toe; en hun zonde worde niet uitgedelgd van voor Uw aangezicht, want zij hebben U getergd, staande tegenover de bouwlieden.123

DutSVVA word tags

ongerechtigheidH5771
nietH408
zondeH2403
nietH408
uitgedelgdH4229H8735
aangezichtH6440
wantH3588
getergdH3707H8689
tegenoverH5048
bouwliedenH1129H8802

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. van voor Dat is, alzo, dat Gij daarop niet zoudt letten om die te straffen; gelijk Jer 18:23 .
  2. U getergd, Hebreeuws, zij hebben getergd, of, tot toorn verwekt tegenover de bouwers. Anders, zij hebben de bouwlieden getergd, [staande] tegen [hen] over; te weten, als vijanden, die iemand als onder de ogen staan tergen.
  3. bouwlieden Die op uw bevel en door uw genade zijn bouwende.

6 Doch wij bouwden den muur, zodat de ganse muur samengevoegd werd tot zijn helft toe; want het hart des volks was om te werken.1

DutSVVA word tags

bouwdenH1129H8799
muurH2346
ganseH3605
muurH2346
helftH2677
hartH3820
volksH5971

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. helft toe; Versta, de helft der hoogte, de halve hoogte.

7 En het geschiedde, als Sanballat, en Tobia, en de Arabiëren, en de Ammonieten, en de Asdodieten hoorden, dat de verbetering aan de muren van Jeruzalem toenam, dat de scheuren begonnen gestopt te worden, zo ontstaken zij zeer;123

DutSVVA word tags

geschieddeH1961H8799
SanballatH5571
TobiaH2900
ArabiërenH6163
AmmonietenH5984
AsdodietenH796
hoordenH8085H8804
verbeteringH724
murenH2346
JeruzalemH3389
scheurenH6555H8803
begonnenH2490H8689
zeerH3966

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Ammonieten, Zie 2Ch 20:1 .
  2. verbetering Hebreeuws, gezondheid, heling, genezing, pleistering, pleister. Alzo 2Ch 24:13 . Vergelijk ook Jer 8:22 .
  3. toenam, Hebreeuws, opklom, opkwam, opging; gelijk men van de gezondheid zou mogen zeggen dat zij opkomt, klimt, of opgaat, wanneer zij toeneemt en de mens meer en meer betert; idem, van een pleister, dat die op gedaan, of op gelegd wordt, en dat er een roof, of litteken op de wonde komt.

8 En zij maakten allen te zamen een verbintenis, dat zij zouden komen om tegen Jeruzalem te strijden, en een verbijstering daarin te maken.1

DutSVVA word tags

maaktenH7194
zamenH3162
verbintenisH7194H8799
JeruzalemH3389
strijdenH3898H8736
verbijsteringH8442

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. daarin te maken Of, hem, [namelijk Nehemia] te verbijsteren.

9 Maar wij baden tot onzen God, en zetten wacht tegen hen, dag en nacht, hunnenthalve.12

DutSVVA word tags

totH413
GodH430
wachtH4929
tegenH5921
nachtH3915
hunnenthalveH4480H6440

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. tegen hen, Anders, over, of nevens hen, te weten, over de werklieden.
  2. hunnenthalve Te weten, om der vijanden wil.

10 Toen zeide Juda: De kracht der dragers is vervallen, en des stofs is veel, zodat wij aan den muur niet zullen kunnen bouwen.1234

DutSVVA word tags

JudaH3063
krachtH3581
dragersH5449
vervallenH3782H8804
stofsH6083
wijH587
muurH2346
nietH3808

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Juda Dat is, de Joden, het volk van Juda.
  2. vervallen, Zodat zij niet bekwaam zullen zijn om te strijden.
  3. des stofs Daar resteert nog veel te dragen, van zand, steengruis en aarde, van den gebroken en vervallen muur.
  4. niet zullen Als zullende moeten staan in de wapenen tegen den vijand. Zie vs.15. Anders, bouwende aan de muren, zullen wij de overhand niet hebben; als niet kunnende beide naar behoren doen.

11 Nu hadden onze vijanden gezegd: Zij zullen het niet weten, noch zien, totdat wij in het midden van hen komen, en slaan hen dood; alzo zullen wij het werk doen ophouden.1

DutSVVA word tags

vijandenH6862
gezegdH559H8799
nietH3808
nochH3808
totdatH5704H834
middenH8432
werkH4399
ophoudenH7673H8689

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Zij zullen Dat is, wij zullen den aanslag zo beleiden, dat zij het niet wijs worden eer, enz.

12 En het geschiedde, als de Joden, die bij hen woonden, kwamen, dat zij het ons wel tienmaal zeiden, uit al de plaatsen, door dewelke gij tot ons wederkeert.12

DutSVVA word tags

geschieddeH1961H8799
alsH834
JodenH3064
bijH681
woondenH3427H8802
kwamenH935H8804
tienmaalH6235H6471
zeidenH559H8799
plaatsenH4725
dewelkeH834
wederkeertH7725H8799

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. tienmaal zeiden, Dat is, veelmalen, dikwijls gewaarschuwd. Zie Gen 31:7 .
  2. dewelke Dat is, door welke men gewoon is heen en weder te gaan, dat is, door alle wegen en passen, waar men vandaar tot hier, en van hier tot daar kan komen.

13 Daarom zette ik in de benedenste plaatsen achter den muur, en op de hoogten, en ik zette het volk naar de geslachten, met hun zwaarden, hun spiesen en hun bogen.12

DutSVVA word tags

benedensteH8482
plaatsenH4725
achterH4480H310
muurH2346
volkH5971
geslachtenH4940
zwaardenH2719
spiesenH7420
bogenH7198

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. in de benedenste Hebreeuws, van de benedenste, of onderste delen der plaats, van achter, enz.
  2. hoogten, Of, uitstekende, spitse plaatsen van rotsstenen en rotsen, die alzo vanwege de wittigheid, blankheid, of, gladdigheid mogen genoemd zijn.

14 En ik zag toe, en maakte mij op, en zeide tot de edelen, en tot de overheden, en tot het overige des volks: Vreest niet voor hun aangezicht; denkt aan dien groten en vreselijken Heere, en strijdt voor uw broederen, uw zonen en uw dochteren, uw vrouwen en uw huizen.1

DutSVVA word tags

totH413
edelenH2715
totH413
overhedenH5461
totH413
overigeH3499
volksH5971
nietH408
voorH4480
aangezichtH6440
grotenH1419
vreselijkenH3372H8737
HeereH136
strijdtH3898H8734
voorH5921
broederenH251
zonenH1121
dochterenH1323
vrouwenH802
huizenH1004

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. edelen, Hebreeuws, witten; zie boven, Neh 2:16 .

15 Daarna geschiedde het, als onze vijanden hoorden, dat het ons bekend was geworden, en God hun raad te niet gemaakt had, zo keerden wij allen weder tot den muur, een iegelijk tot zijn werk.

DutSVVA word tags

alsH834
vijandenH341H8802
hoordenH8085H8804
gewordenH3045H8738
GodH430
raadH6098
allenH3605
totH413
muurH2346
iegelijkH376
totH413
werkH4399

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

16 En het geschiedde van dien dag af, dat de helft mijner jongens doende waren aan het werk, en de helft van hen hielden de spiesen, en de schilden, en de bogen, en de pantsiers; en de oversten waren achter het ganse huis van Juda.12

DutSVVA word tags

geschieddeH1961H8799
dienH1931
helftH2677
jongensH5288
werkH4399
helftH2677
hieldenH2388H8688
spiesenH7420
schildenH4043
bogenH7198
pantsiersH8302
overstenH8269
achterH310
ganseH3605
huisH1004
JudaH3063

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. jongens Dat is, knechten, hovelingen, officieren, en zo dikwijls in het volgende.
  2. achter het Een iegelijk bij die van zijn huis, om met hun tegenwoordigheid en opzicht het volk moed te geven en het werk te bevorderen.

17 Die aan den muur bouwden, en die den last droegen, en die oplaadden, waren een ieder met zijn ene hand doende aan het werk, en de andere hield het geweer.123

DutSVVA word tags

muurH2346
bouwdenH1129H8802
lastH5447
droegenH5375H8802
oplaaddenH6006H8802
warenH6213
eneH259
handH3027
werkH4399
andereH259
geweerH7973

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. een ieder Van dragers en opladers.
  2. ene hand Met dit hun doen zeer levendig afbeeldende den toestand der strijdende kerk op aarde, die steeds als met de ene hand moet bouwen aan het werk des Heeren, met de andere gereed zijnde tot afwering der geestelijke en lichamelijke vijanden.
  3. geweer Versta, een werpgeweer, een werppijl, halve lans, enz.

18 En de bouwers hadden een iegelijk zijn zwaard aan zijn lenden gegord, en bouwden; maar die met de bazuin blies, was bij mij.

DutSVVA word tags

bouwersH1129H8802
iegelijkH376
zwaardH2719
lendenH4975
gegordH631H8803
bouwdenH1129H8802
bazuinH7782
bijH681

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

19 En ik zeide tot de edelen, en tot de overheden, en tot het overige des volks: Het werk is groot en wijd; en wij zijn op den muur afgezonderd, de een ver van den ander;1

DutSVVA word tags

totH413
edelenH2715
totH413
overhedenH5461
totH413
overigeH3499
volksH5971
werkH4399
wijdH7342
wijH587
muurH2346
afgezonderdH6504H8737
eenH376
anderH251

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. de een ver Hebreeuws, de man van zijn broeder.

20 Ter plaatse, waar gij het geluid der bazuin zult horen, daarheen zult gij u tot ons verzamelen; onze God zal voor ons strijden.

DutSVVA word tags

plaatseH4725
waarH834
geluidH6963
bazuinH7782
daarheenH8033
totH413
verzamelenH6908H8735
GodH430
strijdenH3898H8735

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

21 Alzo waren wij doende aan het werk; en de helft van hen hielden de spiesen, van het opgaan des dageraads tot het voortkomen der sterren toe.1

DutSVVA word tags

wijH857
werkH4399
helftH2677
hieldenH2388H8688
spiesenH7420
dageraadsH7837
voortkomenH3318H8800
sterrenH3556

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. het opgaan Dat is, van den vroegen morgen tot den laten avond.

22 Ook zeide ik te dier tijd tot het volk: Een iegelijk vernachte met zijn jongen binnen Jeruzalem, opdat zij ons des nachts ter wacht zijn, en des daags aan het werk.1

DutSVVA word tags

dierH1931
tijdH6256
volkH5971
iegelijkH376
vernachteH3885H8799
jongenH5288
binnenH8432
JeruzalemH3389
nachtsH3915
wachtH4929
daagsH3117
werkH4399

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. binnen Hebreeuws, in het midden van, enz.

23 Voorts noch ik, noch mijn broederen, noch mijn jongelingen, noch de mannen van de wacht, die achter mij waren, wij trokken onze klederen niet uit; een iegelijk had zijn geweer en water.123

DutSVVA word tags

nochH369
nochH369
broederenH251
nochH369
jongelingenH5288
nochH369
mannenH582
wachtH4929
dieH834
achterH310
warenH369
wijH587
trokkenH6584
klederenH899
nietH369
iegelijkH376
geweerH7973
waterH4325

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. achter mij Dat is, die mij volgden.
  2. geweer Vanwege het gevaar.
  3. water Voor den dorst, omdat het in die landen heet was; zie 1Sa 26:11 . Anders, een ieder [ging met] zijn geweer [om] water, of, een ieder trok zich uit ter bading.