reltext

Chapter 6

1 [06:2] En het dacht Darius goed, dat hij over het koninkrijk stelde honderd en twintig stadhouders, die over het ganse koninkrijk zijn zouden;12

DutSVVA word tags

DariusH1868
overH5922
koninkrijkH4437
honderdH3969
twintigH6243
stadhoudersH324
ganseH3606
koninkrijkH4437

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. het dacht Darius goed, Zie Dan 4:2 .
  2. die over het ganse koninkrijk zijn zouden; Te weten om het wel en bekwamelijk te regeren, een ieder in zijne provincie, waarin hij van den koning zou gesteld worden.

2 [06:3] En over dezelve drie vorsten, van dewelke Daniël de eerste zou zijn, denwelken die stadhouders zelfs zouden rekenschap geven, opdat de koning geen schade leed.12

DutSVVA word tags

overH5924
dezelveH4481
drieH8532
vorstenH5632
dewelkeH4481
DaniëlH1841
eersteH2298
stadhoudersH324
rekenschapH2941
opdatH459
koningH4430
geenH3809

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. vorsten, Of, oppervorsten, of overvorsten, presidenten.
  2. de eerste zou zijn, Dat is, de voornaamste, gelijk blijkt vs.4. Anders, waar Daniël een van was.

3 [06:4] Toen overtrof deze Daniël die vorsten en die stadhouders, daarom dat een voortreffelijke geest in hem was; en de koning dacht hem te stellen over het gehele koninkrijk.12

DutSVVA word tags

ToenH116
dezeH1836
DaniëlH1841
vorstenH5632
stadhoudersH324
voortreffelijkeH3493
geestH7308
koningH4430
stellenH6966H8682
overH5922
geheleH3606
koninkrijkH4437

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Toen overtrof deze Daniël die vorsten en die stadhouders, Chaldeeuws, toen was Daniël overtreffende over de presidenten en de vorsten, Daniël overtreft hen allen in wijsheid, voorzichtigheid, rechtvaardigheid, matigheid en andere deugden.
  2. de koning dacht Het schijnt dat Darius, nu oud zijnde en aanmerkende die voortreffelijke gaven met welke Daniël boven alle andere vorsten begaafd was, meende hem stadhouder te maken over het koninkrijk van Babel. Hieruit is gesproten de haat der vorsten tegen Daniël.

4 [06:5] Toen zochten de vorsten en de stadhouders gelegenheid te vinden, tegen Daniël vanwege het koninkrijk; maar zij konden geen gelegenheid noch misdaad vinden, dewijl hij getrouw was, en geen vergrijping noch misdaad in hem gevonden werd.12345

DutSVVA word tags

ToenH116
vorstenH5632
stadhoudersH324
gelegenheidH5931
DaniëlH1841
vanwegeH6655
koninkrijkH4437
maarH3606
geenH3809
gelegenheidH5931
nochH3809
misdaadH7844H8752
dewijlH6903
getrouwH540H8683
geenH3606
vergrijpingH7960
nochH3809
misdaadH7844H8752

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Toen zochten de vorsten en de stadhouders Uit nijdigheid, die ene moeder is van doodslag.
  2. gelegenheid te vinden, Of, oorzaak, of aanleiding.
  3. vanwege het koninkrijk; Chaldeeuws, van de zijde des koninkrijks; dat is, in de bediening, die hem van den koning was opgelegd; zij letten naarstiglijk op al zijn handel en wandel, of hij zijn ambt wel en getrouwelijk bediende, of dat hij zich ergens in vergreep. Maar dit was tevergeefs, zij konden in hem niets vinden, gelijk straks gezegd wordt.
  4. misdaad vinden, Of, misslag, of corruptie.
  5. vergrijping Of, dwaling, fout.

5 [06:6] Toen zeiden die mannen: Wij zullen tegen dezen Daniël geen gelegenheid vinden, tenzij wij tegen hem iets vinden in de wet zijns Gods.12

DutSVVA word tags

ToenH116
zeidenH560H8750
dieH479
mannenH1400
tegenH5922
dezenH1836
DaniëlH1841
gelegenheidH5931
tenzijH3861
GodsH426

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. geen gelegenheid vinden, Zo oprecht, vlijtig, voorzichtig en getrouw gedroeg zich Daniël in die hoge bediening, dat zijne vijanden zelfs den moed verloren gaven, om iets te kunnen uitvinden, dat enigen schijn van misdaad hebben zou.
  2. in de wet zijns Gods In den godsdienst, die hem in de wet des Heeren voorgeschreven is.

6 [06:7] Zo kwamen deze vorsten en de stadhouders met hopen tot den koning, en zeiden aldus tot hem: O koning Darius, leef in eeuwigheid!12

DutSVVA word tags

kwamenH7284
dezeH459
vorstenH5632
stadhoudersH324
koningH4430
zeidenH560H8750
aldusH3652
koningH4430
DariusH1868
eeuwigheidH5957

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Zo kwamen deze vorsten en de stadhouders Te weten als zij meenden middel gevonden te hebben om Daniël te betrappen in zijn godsdienst.
  2. met hopen tot den koning, Anders: met gedruis. En alzo hier onder vs.12, 16; zie de aantekening Psa 2:1 .

7 [06:8] Al de vorsten des rijks, de overheden en stadhouders, de raadsheren en landvoogden hebben zich beraadslaagd een koninklijke ordonnantie te stellen, en een sterk gebod te maken, dat al wie in dertig dagen een verzoek zal doen van enigen god of mens, behalve van u, o koning! die zal in den kuil der leeuwen geworpen worden.123

DutSVVA word tags

vorstenH5632
rijksH4437
overhedenH5460
stadhoudersH324
raadsherenH1907
landvoogdenH6347
beraadslaagdH3272H8724
koninklijkeH4430
ordonnantieH7010
stellenH6966H8742
gebodH633
dertigH8533
dagenH3118
verzoekH1159
enigenH3606
godH426
mensH606
behalveH3861
koningH4430
kuilH1358
leeuwenH744

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. de overheden en stadhouders, Of, magistraten.
  2. een verzoek doen zal Chaldeeuws, ene begeerte begeren zal, of verzoek verzoeken zal.
  3. van enigen god of mens, De groten aan het hof van Darius zijn met zulk een nijdigheid tegen Daniël ingenomen, dat zij alle godzaligheid en godsdienst overhoop werpen, opdat zij Daniël van kant zouden mogen helpen, want dit is eigenlijk met dit plakkaat hun oogmerk geweest. Zij verbieden dengenen, die in nood waren, God aan te roepen; zij verbieden ook den kranken hulp bij de medicijnmeester te zoeken, hetwelk ten enenmale tegen de natuur was; nochtans heeft de koning dit getekend, vs.10, enz.

8 [06:9] Nu, o koning! gij zult een gebod bevestigen, en een schrift tekenen, dat niet veranderd worde, naar de wet der Meden en der Perzen, die niet mag wederroepen worden.1234

DutSVVA word tags

koningH4430
gebodH633
bevestigenH6966H8681
schriftH3792
tekenenH7560H8748
nietH3809
MedenH4076
PerzenH6540
nietH3809

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. dat niet veranderd worde, Of, opdat het niet veranderd worde.
  2. naar de wet Of, volgens het recht der Meden, enz. Vergelijk Est 1:19 , en Est 8:8 .
  3. der Meden en der Perzen, Die beide volken worden hier bij elkander gevoegd, omdat zij te dien tijde gelijkelijk van Cyrus en Darius werden geregeerd, naar sommiger gevoelen. Anderen houden het daarvoor, dat dit geschied is te Susan, ene provincie van Perzië, Dan 8:2 ; [hoewel toenmaals den Chaldeën onderworpen] alwaar het recht der Meden en Perzen werd onderhouden.
  4. niet mag wederroepen worden Chaldeeuws, die niet passeert, of voorbijgaat; dat is, die niet veranderd wordt; alzo onder vs.13. Vergelijk deze manier van spreken met Mat 24:35 , en met Mar 13:31 .

9 [06:10] Daarom tekende de koning Darius dat schrift en gebod.1

DutSVVA word tags

tekendeH7560H8754
koningH4430
DariusH1868
schriftH3792
gebodH633

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Daarom Of, ten dezen aanzien, of in alle manier. De zin is: de koning maakte gene zwarigheid dit plakkaat te ondertekenen, menende het te zijn een bewijs dat zij hem zo gehoorzaam waren, dat zij liever al hunne goden verloochenen en verzaken wilden dan hem te vertoornen.

10 [06:11] Toen nu Daniël verstond, dat dit schrift getekend was, ging hij in zijn huis (hij nu had in zijn opperzaal open vensters tegen Jeruzalem aan), en hij knielde drie tijden 's daags op zijn knieën, en hij bad, en deed belijdenis voor zijn God, ganselijk gelijk hij voor dezen gedaan had.12345

DutSVVA word tags

DaniëlH1841
verstondH3046H8754
schriftH3792
huisH1005
opperzaalH5952
venstersH3551
tegenH5049
JeruzalemH3390
knieldeH1289H8750
drieH8532
tijdenH2166
daagsH3118
knieënH1291
belijdenisH3029H8683
voorH6925
GodH426
ganselijkH3606
gelijkH6903
voorH4481

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. opperzaal Of, eetzaal, of zomerhuis.
  2. tegen Jeruzalem aan), Dit doet Daniël, achtervolgens hetgeen er staat 1Ki 8:44 ; zie de aantekening aldaar, en Psa 5:8 , met de aantekening.
  3. drie tijden 's daags Te weten des morgens eer hij enige zaken bij de hand nam; des middags toen hij inkwam om te eten; en des avonds eer hij te bed ging. Zie de aantekening Psa 55:18 . Liever wilde Daniël sterven dan deze zijn gewoonlijken godsdienst nalaten.
  4. deed belijdenis voor zijn God, Of, loofde, dankte.
  5. ganselijk Of, in alle manieren, alleszins.

11 [06:12] Toen kwamen die mannen met hopen, en zij vonden Daniël biddende en smekende voor zijn God.12

DutSVVA word tags

ToenH116
kwamenH7284
dieH479
mannenH1400
DaniëlH1841
biddendeH1156H8750
smekendeH2604H8723
voorH6925
GodH426

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. met hopen, Of, met gedruis; gelijk vs.7. Vergelijk Psa 10:8-9 .
  2. voor zijn God Dat is, openlijk, voor het aanschijn van God.

12 [06:13] Toen kwamen zij nader, en spraken voor den koning van het gebod des konings: Hebt gij niet een gebod getekend, dat alle man, die in dertig dagen van enigen god of mens iets verzoeken zou, behalve van u, o koning! in den kuil der leeuwen zou geworpen worden? De koning antwoordde en zeide: Het is een vaste rede, naar de wet der Meden en Perzen, die niet mag herroepen worden.1

DutSVVA word tags

ToenH116
sprakenH560H8750
voorH6925
koningH4430
gebodH633
koningsH4430
nietH3809
gebodH633
getekendH7560H8754
alleH3606
manH606
dertigH8533
dagenH3118
enigenH3606
godH426
mensH606
behalveH3861
koningH4430
kuilH1358
leeuwenH744
koningH4430
antwoorddeH6032H8750
vasteH3330
redeH4406
MedenH4076
PerzenH6540
nietH3809

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Het is een vaste rede, De zaak is waar, het is een zekere en vaste zaak. Zij hadden den koning verstrikt eer hij wist of merkte dat het hun om Daniël te doen was.

13 [06:14] Toen antwoordden zij, en zeiden voor den koning: Daniël, een van de gevankelijk weggevoerden uit Juda heeft, o koning! op u geen acht gesteld, noch op het gebod dat gij getekend hebt; maar hij bidt op drie tijden 's daags zijn gebed.1234

DutSVVA word tags

ToenH116
zeidenH560H8750
voorH6925
koningH4430
DaniëlH1841
weggevoerdenH1123H1547
JudaH3061
koningH4430
geenH3809
achtH2942
gesteldH7761H8754
gebodH633
drieH8532
tijdenH2166
daagsH3118
gebedH1159

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Daniël, Zie de arglistigheid van deze boeven: hadden zij eerst laten blijken dat het hun om Daniël te doen was, zo zouden zij in gevaar en vrees gestaan hebben dat de koning hen niet zou gehoord hebben, maar nu openbaren zij zichzelven.
  2. een van de gevankelijk weggevoerden uit Juda Dit voegen zij hierbij om Daniël vanwege zijn land en staat [zijnde een gevangen Jood] bij den koning hatelijk te maken, alsof zij zeiden: Dat een Babyloniër, Perziaan, of Meder dus ongehoorzaam ware, hij zou een zware straf verdienen: hoeveel meer een gevangen Jood.
  3. heeft, o koning Alsof zij zeiden: Hij heeft uwe majesteit klein, ja van gene waarde geacht, en hij heeft uwe wet niet gehoorzaamd; staat u dat te lijden, heer koning?
  4. op drie tijden 's daags zijn gebed Te weten gelijk hij gewoon was te doen eer dit plakkaat afgekondigd was. Zie boven vs.11.

14 [06:15] Toen de koning deze rede hoorde, was hij zeer bedroefd bij zichzelven, en hij stelde het hart op Daniël om hem te verlossen; ja, tot den ondergang der zon toe bemoeide hij zich, om hem te redden.12

DutSVVA word tags

ToenH116
koningH4430
redeH4406
hijH888
zeerH7690
bedroefdH888H8754
hartH1079
DaniëlH1841
verlossenH7804H8756
ondergangH4606

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. was hij zeer bedroefd bij zichzelven, Chaldeeuws eigenlijk, hij was zeer kwaad, of, was het zeer kwaad bij hem; dat is, hij werd zeer bedroefd, en hij was zeer moeilijk in zichzelven. Nu verstond hij eerst waartoe zijn plakkaat strekte, namelijk om Daniël van kant te helpen.
  2. bemoeide hij zich, Of, was hij arbeidende, of bekommerd, of bezig.

15 [06:16] Toen kwamen die mannen met hopen tot den koning, en zij zeiden tot den koning: Weet, o koning! dat der Meden en der Perzen wet is, dat geen gebod noch ordonnantie, die de koning verordend heeft, mag veranderd worden.1234

DutSVVA word tags

ToenH116
kwamenH7284
dieH479
mannenH1400
koningH4430
zeidenH560H8750
koningH4430
koningH4430
MedenH4076
PerzenH6540
geenH3606
gebodH633
ordonnantieH7010
koningH4430

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Toen kwamen die mannen Te weten toen zij zagen dat de koning wankelde en zijn best deed om Daniël uit hunne handen te verlossen en voor het werpen in den kuil der leeuwen te bevrijden.
  2. met hopen tot den koning, Dus sterk kwamen zij, op hun verzoek des te groter aanzien en vermogen bij den koning hebben zou.
  3. Weet, o koning Dit spreken zij als dreigende, want de koning wist wel wat der Meden en der Perzen wetten medebrachten, alsook wat er in zijne plakkaten stond.
  4. wet is, Het was hun niet te doen om het recht of de wet der Perzen staande te houden, maar om Daniël van kant te helpen. Ook was dit een goddeloos recht of wet, want een besluit niet te willen veranderen als de rede zulks vereist, is tirannie; of, den koning en zijnen raad zulke volkomen wijsheid en bestendige rechtvaardigheid toe te schrijven, dat zij in het maken van wetten of besluiten van de gerechtigheid niet konden afwijken of missen, is hen tot goden maken.

16 [06:17] Toen beval de koning, en zij brachten Daniël voor, en wierpen hem in den kuil der leeuwen; en de koning antwoordde en zeide tot Daniël: Uw God, Dien gij geduriglijk eert, Die verlosse u!12

DutSVVA word tags

ToenH116
koningH4430
brachtenH858H8684
DaniëlH1841
wierpenH7412H8754
kuilH1358
leeuwenH744
koningH4430
antwoorddeH6032H8750
DaniëlH1841
GodH426
gijH607
geduriglijkH8411

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Uw God, Dien gij geduriglijk eert, Hier wenst Darius dat God zijn getrouwen dienaar Daniël wilde verlossen, bevindende dat hij [alhoewel hij tevoren geordineerd had, dat men van niemand iets dan van hem zou verzoeken] niet machtig was Daniël te helpen. Te gelijk geeft hier Darius genoegzaam te kennen dat het hem van harte leed was, dat hij Daniël moest laten werpen in den kuil der leeuwen, maar dat hij het niet kon verhinderen, zijnde daartoe gedwongen van de vorsten des rijks.
  2. Die verlosse u Of, die zal u verlossen.

17 [06:18] En er werd een steen gebracht, en op den mond des kuils gelegd: en de koning verzegelde denzelven met zijn ring, en met den ring zijner geweldigen, opdat de wil aangaande Daniël niet zou veranderd worden.123

DutSVVA word tags

steenH69
gebrachtH858H8717
mondH6433
kuilsH1358
koningH4430
verzegeldeH2857H8754
ringH5824
ringH5824
geweldigenH7261
DaniëlH1841
nietH3809

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. een steen gebracht, In den tekst staat opzettelijk uitgedrukt dat het een, of een enige steen was, te weten een grote steen, om den mond, deur, of ingang van den kuil dich en vast toe te stoppen, opdat Daniël elk middel, van daaruit te kunnen komen, zou benomen wezen; want Daniël was vanwege zijne profetieën en uitleggingen der dromen, in groot vertrouwen, en door de bediening zijner grote ambten, bij een iegelijk in groot aanzien. Het schijnt dat die booswichten straks gemerkt hebben, dat de leeuwen zich van Daniël hebben onthouden, daarom hebben zij dezen groten steen en het zegel des konings, en hun aller zegel, daarop gezet.
  2. de koning verzegelde denzelven met zijn ring, Dit is alzo, door Gods wonderbaarlijken raad geschied, opdat de verlossing van Daniël des te openbaarder zou blijken.
  3. opdat de wil aangaande Daniël Of, opdat er niets, of geen ding zou veranderd worden, aangaande Daniël. Want zij vertrouwden den koning niet, dewijl hij alrede zoveel moeite had aangewend om Daniël te verlossen.

18 [06:19] Toen ging de koning naar zijn paleis, en overnachtte nuchteren, en liet geen vreugdespel voor zich brengen; en zijn slaap week verre van hem.12

DutSVVA word tags

ToenH116
koningH4430
paleisH1965
overnachtteH956H8754
nuchterenH2908
geenH3809
vreugdespelH1761
voorH6925
brengenH5954H8684
slaapH8139

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. geen vreugdespel voor zich brengen; Of, geen vermakelijk spel, of muziekspel, of muziekinstrumenten. Anders: hij liet geen tafel, of spijs, voor zich brengen. De zin is, hij onthield zich van alle dingen, die vermakelijk waren en die hem de droefheid hadden kunnen benemen of verlichten; zulk een zorg en bekommernis had hij over Daniël.
  2. zijn slaap week verre van hem Dat is, hij kon ook geenszins slapen, zo bekommerd was hij, omdat men hem zo had bedrogen en gedwongen Daniël in den kuil der leeuwen te werpen. Zie wat de conscientie in de mensen kan werken! zie Rom 2:14-15 .

19 [06:20] Toen stond de koning in den vroegen morgenstond met het licht op, en hij ging met haast henen tot den kuil der leeuwen.1

DutSVVA word tags

ToenH116
stondH6966
koningH4430
morgenstondH8238
lichtH5053
kuilH1358
leeuwenH744

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. met haast henen Anders: met beroering. Zie boven de aantekening Dan 2:25 .

20 [06:21] Als hij nu tot den kuil genaderd was, riep hij tot Daniël met een droeve stem; de koning antwoordde en zeide tot Daniël: O Daniël, gij knecht des levenden Gods! heeft ook uw God, Dien gij geduriglijk eert, u van de leeuwen kunnen verlossen?123

DutSVVA word tags

kuilH1358
DaniëlH1841
stemH7032
koningH4430
antwoorddeH6032H8750
DaniëlH1841
DaniëlH1841
knechtH5649
levendenH2417
GodsH426
GodH426
geduriglijkH8411
leeuwenH744
verlossenH7804H8756

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. antwoordde en zeide tot Daniël Dat is, sprak, alzo doorgaans.
  2. des levenden Gods Zie de aantekening Jer 10:10 .
  3. heeft ook uw God, Aan deze twijfeling blijkt genoegzaam dat de koning Darius tot den waren God nog niet bekeerd is geweest; want die waarlijk aan God geloven, twijfelen in het minst aan zijne almacht niet.

21 [06:22] Toen sprak Daniël tot den koning: O koning, leef in eeuwigheid!1

DutSVVA word tags

ToenH116
DaniëlH1841
koningH4430
koningH4430
eeuwigheidH5957

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. leef in eeuwigheid Anders: de koning leve in eeuwigheid; dat is, God verlene den koning een lang leven.

22 [06:23] Mijn God heeft Zijn engel gezonden, en Hij heeft den muil der leeuwen toegesloten, dat zij mij niet beschadigd hebben, omdat voor Hem onschuld in mij gevonden is; ook heb ik, o koning! tegen u geen misdaad gedaan.123

DutSVVA word tags

GodH426
engelH4398
gezondenH7972H8754
muilH6433
leeuwenH744
toegeslotenH5463H8754
nietH3809
voorH6925
onschuldH2136
ookH638
koningH4430
tegenH6925
geenH3809
misdaadH2248

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. dat zij mij niet beschadigd hebben, Aangaande de geestelijke bewaring, vergelijk Psa 91:13 , en 1Pe 5:7 .
  2. onschuld in mij gevonden is; Of, oprechtheid, of zuiverheid. Hoewel de Heere door de godzaligheid der vromen bewogen wordt hun wel te doen, aangezien Hij zelf zich door een genadige belofte daartoe als verbonden heeft, en dat de rechtvaardigheid vereist dat Hij zijn genadige belofte volbrengt, 1Ti 4:8 ; 2Th 1:5 , 2Th 1:7 ; Heb 6:10 ; nochtans volgt daaruit geenszins dat de godzaligheid der mensen zulks verdient. Want door een genadige belofte ergens toe verbonden te zijn, en door verdienste daartoe eigenlijk verbonden te zijn, kunnen tezamen niet bestaan. Zie Rom 11:6 . Zodat Daniël hier zijne gerechtigheid niet roemt, maar hij geeft te kennen dat hem God verlost heeft, om te doen blijken dat die godsdienst hem behaagde, die hij [ook met verlies van zijn leven] wilde behouden.
  3. geen misdaad gedaan Chaldeeuws, gene verderving. Anders: en ook voor u, o koning, heb ik geen leed gedaan, of geen schade, dat de koning òf door mijne onvoorzichtigheid, òf door mijne ongetrouwheid, ergens enige schade zou geleden hebben. Daniël heeft wel het goddeloze plakkaat van den koning overtreden, maar dat heeft hij niet gedaan uit kleinachting van den koning, maar omdat hij den oppersten Koning eerst en vooral moest gehoorzamen. Men moet God vrezen, en den koning eren; 1Pe 2:17 .

23 [06:24] Toen werd de koning bij zichzelven zeer vrolijk, en zeide, dat men Daniël uit den kuil trekken zou. Toen Daniël uit den kuil opgetrokken was, zo werd er geen schade aan hem gevonden, dewijl hij in zijn God geloofd had.12345

DutSVVA word tags

ToenH116
werdH2868
koningH4430
zichzelvenH5922
zeerH7690
vrolijkH2868H8754
DaniëlH1841
kuilH1358
DaniëlH1841
kuilH1358
schadeH2257
gevondenH7912H8728
GodH426

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. bij zichzelven Of, over zichzelven, of daarover.
  2. zeer vrolijk, Chaldeeuws, zeer goed. Zie de aantekening Jdg 16:25 .
  3. trekken zou Vermoedelijk is Daniël met koorden daaruit getrokken, gelijk met Jeremia geschied is, Jer 38 .
  4. geen schade aan hem gevonden, Of, verzering, kwetsing, leed.
  5. dewijl hij in zijn God geloofd had Dat is, dewijl hij op zijnen God vertrouwd had. Daniël zal wel niet geweten hebben dat hem God door zulk een wonder zou verlossen, maar hij heeft geloofd en vertrouwd dat God hem niet verlaten zou. Zie Phi 1:21 . Wat het geloof in den almachtigen God vermag, zie ook Heb 11:7 , tot het einde van het hoofdstuk.

24 [06:25] Toen beval de koning, en zij brachten die mannen voor, die Daniël overluid beschuldigd hadden, en zij wierpen in den kuil der leeuwen hen, hun kinderen, en hun vrouwen; en zij kwamen niet op den grond des kuils, of de leeuwen heersten over hen, zij vermorzelden ook al hun beenderen.123456

DutSVVA word tags

koningH4430
brachtenH858H8684
dieH479
mannenH1400
DaniëlH1841
overluidH7170
haddenH399H8754
wierpenH7412H8754
kuilH1358
leeuwenH744
henH581
kinderenH1123
vrouwenH5389
nietH3809
grondH773
kuilsH1358
leeuwenH744
vermorzeldenH1855H8684
beenderenH1635

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. overluid beschuldigd hadden, Zie boven Dan 3:8 .
  2. zij wierpen in den kuil der leeuwen hen, Alzo vallen zij in den put, dien zij voor Daniël gegraven hadden. Zie Est 7:10 , wat Haman wedervaren is. Zie ook Psa 7:16-17 , en Psa 9:16-17 ; Pro 26:27 , en Ecc 10:8 .
  3. kinderen, en hun vrouwen; Chaldeeuws, zonen. Onder den naam van zonen worden dikwijls in de Heilige Schrift ook de dochters begrepen.
  4. zij kwamen niet op den grond des kuils, Dat is, eer zij op het onderste van den kuil, of op den vloer of bodem des kuils gekomen waren. Zie gelijke straf van God Dan 3:22 . Zie ook Amo 5:19 .
  5. heersten over hen, Of, hadden de overhand over hen, of overweldigden hen, of waren meesters over hen.
  6. vermorzelden ook al hun beenderen Of, vermaalden.

25 [06:26] Toen schreef de koning Darius aan alle volken, natiën en tongen, die op de ganse aarde woonden: Uw vrede worde vermenigvuldigd!1

DutSVVA word tags

ToenH116
schreefH3790H8754
koningH4430
DariusH1868
alleH3606
volkenH5972
natiënH524
tongenH3961
ganseH3606
aardeH772
woondenH1753H8748
vredeH8001
vermenigvuldigdH7680H8748

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. alle volken, natiën en tongen, Te weten staande onder zijn gebied, gelijk vs.27 uitgedrukt wordt; zie Dan 2:39 , en Dan 4:1 .

26 [06:27] Van mij is een bevel gegeven, dat men in de ganse heerschappij mijns koninkrijks beve en siddere voor het aangezicht van den God van Daniël; want Hij is de levende God, en bestendig in eeuwigheden, en Zijn koninkrijk is niet verderfelijk, en Zijn heerschappij is tot het einde toe.1234

DutSVVA word tags

bevelH2942
gegevenH7761H8752
ganseH3606
heerschappijH7985
koninkrijksH4437
siddereH1763H8751
voorH4481
aangezichtH6925
GodH426
DaniëlH1841
levendeH2417
GodH426
bestendigH7011
eeuwighedenH5957
koninkrijkH4437
nietH3809
verderfelijkH2255H8721
heerschappijH7985
eindeH5491

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. van den God van Daniël; De ware God [die aller gelovigen God is] wordt genoemd de God van Daniël, gelijk Hij genoemd wordt de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob, omdat Daniël Hem ijverig heeft geëerd en gediend.
  2. de levende God, Zie boven vs.21.
  3. Zijn koninkrijk is niet verderfelijk, Zie Psa 93:2 , en Dan 4:3 .
  4. is tot het einde toe Of, duurt. Hiermede wordt God onderscheiden van alle schepselen of creaturen, die altegaar vergankelijk of verderflijk zijn.

27 [06:28] Hij verlost en redt, en Hij doet tekenen en wonderen in den hemel en op de aarde; Die heeft Daniël uit het geweld der leeuwen verlost.12

DutSVVA word tags

verlostH7804H8757
tekenenH852
wonderenH8540
hemelH8065
aardeH772
DaniëlH1841
geweldH3028
leeuwenH744
verlostH7804H8758

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. het geweld der leeuwen Chaldeeuws, de hand; dat is uit de macht, uit het geweld der leeuwen. Alzo staat er Gen 9:5 :van de hand aller gedierten; en Job 5:20 :van de hand des zwaards. Zie dergelijke voorbeelden meer in de aantekening aldaar.
  2. verlost Al de voorgaande treffelijke eer, die Darius den waren God geeft, is geen bewijs dat hij dien voor den enigen waren God heeft aangenomen, anders zou hij alle valse godsdiensten hebben afgeschaft; maar het is alleen een eerlijke belijdenis van den waren God, waartoe hij gedrongen werd door de grote wonderheden, die hij voor zijne ogen zag, zonder dat hij nochtans de afgoden heeft verlaten.

28 [06:29] Deze Daniël nu had voorspoed in het koninkrijk van Darius, en in het koninkrijk van Kores, den Perziaan.123

DutSVVA word tags

DezeH1836
DaniëlH1841
voorspoedH6744H8684
koninkrijkH4437
DariusH1868
koninkrijkH4437
KoresH3567
PerziaanH6543

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. had voorspoed Dewijl de godzaligheid de belofte heeft, niet alleen van het toekomende, maar ook van het tegenwoordige leven, 1Ti 4:8 , naardat God in zijn onfeilbare wijsheid oordeelt zijnen kinderen goed te wezen.
  2. in het koninkrijk van Kores, Zie Dan 1:21 .
  3. * De gehele 37ste Ps. past wel op de historie van dit zesde hfdst.