Chapter 41
1 1 Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken?
- (40:20)
2 1 Zult gij hem een bieze in den neus leggen, of met een doorn zijn kaak doorboren?
- (40:21)
3 1 Zal hij aan u veel smekingen maken? Zal hij zachtjes tot u spreken?
- (40:22)
4 1 Zal hij een verbond met u maken? Zult gij hem aannemen tot een eeuwigen slaaf?
- (40:23)
5 1 Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje, of zult gij hem binden voor uw jonge dochters?
- (40:24)
6 1 Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden?
- (40:25)
7 1 Zult gij zijn huis met haken vullen, of met een visserskrauwel zijn hoofd?
- (40:26)
8 1 Leg uw hand op hem, gedenk des strijds, doe het niet meer.
- (40:27)
9 1 Zie, zijn hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden?
- (40:28)
10 1 Niemand is zo koen, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou?
- (41:1)
11 1 Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder den gansen hemel is, is het Mijne.
- (41:2)
12 1 Ik zal zijn leden niet verzwijgen, noch het verhaal zijner sterkte, noch de bevalligheid zijner gestaltenis.
- (41:3)
13 1 Wie zou het opperste zijns kleeds ontdekken? Wie zou met zijn dubbelen breidel hem aankomen?
- (41:4)
14 1 Wie zou de deuren zijns aangezichts opendoen? Rondom zijn tanden is verschrikking.
- (41:5)
15 1 Zeer uitnemend zijn zijn sterke schilden, elkeen gesloten als met een nauwdrukkend zegel.
- (41:6)
16 1 Het een is zo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tussen komen.
- (41:7)
17 1 Zij kleven aan elkander, zij vatten zich samen, dat zij zich niet scheiden.
- (41:8)
18 1 Elk een zijner niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen zijn als de oogleden des dageraads.
- (41:9)
19 1 Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit.
- (41:10)
20 1 Uit zijn neusgaten komt rook voort, als uit een ziedenden pot en ruimen ketel.
- (41:11)
21 1 Zijn adem zou kolen doen vlammen, en een vlam komt uit zijn mond voort.
- (41:12)
22 1 In zijn hals herbergt de sterkte; voor hem springt zelfs de droefheid van vreugde op.
- (41:13)
23 1 De stukken van zijn vlees kleven samen; elkeen is vast in hem, het wordt niet bewogen.
- (41:14)
24 1 Zijn hart is vast gelijk een steen; ja, vast gelijk een deel van den ondersten molensteen.
- (41:15)
25 1 Van zijn verheffen schromen de sterken; om zijner doorbrekingen wille ontzondigen zij zich.
- (41:16)
26 1 Raakt hem iemand met het zwaard, dat zal niet bestaan, spies, schicht noch pantsier.
- (41:17)
27 1 Hij acht het ijzer voor stro, en het staal voor verrot hout.
- (41:18)
28 1 De pijl zal hem niet doen vlieden, de slingerstenen worden hem in stoppelen veranderd.
- (41:19)
29 1 De werpstenen worden van hem geacht als stoppelen, en hij belacht de drilling der lans.
- (41:20)
30 1 Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich op het puntachtige, als op slijk.
- (41:21)
31 1 Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij.
- (41:22)
32 1 Achter zich verlicht hij het pad; men zou den afgrond voor grijzigheid houden.
- (41:23)
33 1 Op de aarde is niets met hem te vergelijken, die gemaakt is om zonder schrik te wezen.
- (41:24)
34 1 Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren.
- (41:25)