reltext

Chapter 14

1 Zo ontsliep Abia met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad Davids, en zijn zoon Asa werd koning in zijn plaats. In zijn dagen was het land tien jaren stil.1

DutSVVA word tags

ontsliepH7901H8799
AbiaH29
vaderenH1
begroevenH6912H8799
hemH853
stadH5892
DavidsH1732
zoonH1121
AsaH609
plaatsH8478
dagenH3117
landH776
tienH6235
jarenH8141

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. tien jaren stil Versta dit van de eerste jaren der regering van dezen koning, in welke hij van de heidense volken met vrede gelaten is geweest, hoewel tussen hem en Baesa, den koning Israëls, vijandschap was, die wel van wederzijden uitvallen mocht veroorzaken, maar niet in een geregelden oorlog uitgebroken is. Zie onder, vs.6, en vergelijk de aantekening 1Ki 15:16 .

2 En Asa deed dat goed en dat recht was in de ogen des Heeren, zijns Gods.1

DutSVVA word tags

AsaH609
goedH2896
rechtH3477
ogenH5869
HeerenH3068
GodsH430

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. dat goed Zie 1Ki 11:33 . Doch versta dezen lof alhier meest van de oprichting van den vervallen godsdienst; alzo onder, 2Ch 25:2 , en 2Ch 26:4 .

3 Want hij nam de altaren der vreemden, en de hoogten weg, en brak de opgerichte beelden, en hieuw de bossen af.1

DutSVVA word tags

altarenH4196
vreemdenH5236
hoogtenH1116
beeldenH4676
hieuwH1438
bossenH842

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. vreemden, Te weten, òf volken, die de afgoden dienden, welke die van Juda navolgden; òf goden, die zij naar de wijze der heidenen dienden, en die drekgoden genaamd worden; 1Ki 15:12 .

4 En hij zeide tot Juda, dat zij den Heere, den God hunner vaderen, zoeken, en dat zij de wet en het gebod doen zouden.12

DutSVVA word tags

JudaH3063
HeereH3068
GodH430
vaderenH1
gebodH4687

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. zeide tot Juda, Dat is, hij liet aanzeggen en gebieden aan al de onderzaten van zijn koninkrijk.
  2. de wet Dat is dat zij hetgeen, dat in de wet geboden was, onderhouden en in het werk stellen zouden. Vergelijk Jos 22:5 , en onder, 2Ch 31:21 .

5 Hij nam ook weg uit alle steden van Juda de hoogten en de zonnebeelden; en het koninkrijk was voor hem stil.123

DutSVVA word tags

alleH3605
stedenH5892
JudaH3063
hoogtenH1116
zonnebeeldenH2553
koninkrijkH4467
voorH6440

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. de hoogten Zie Lev 26:30 .
  2. zonnebeelden; Zie Lev 26:30 .
  3. voor hem stil Hebreeuws, voor zijn aangezicht; dat is, onder zijn beleid, of, tot zijn eigen best en welvaren; of, als hij dus regeerde; want hij had den zuiveren godsdienst [die den stoel der koningen verzekert] in zijn land hersteld en vernieuwd.

6 Daartoe bouwde hij vaste steden in Juda; want het land was stil, en er was geen oorlog in die jaren tegen hem, dewijl de Heere hem rust gaf.1

DutSVVA word tags

vasteH4694
stedenH5892
JudaH3063
wantH3588
landH776
geenH369
oorlogH4421
dieH428
jarenH8141
tegenH5973
dewijlH3588
HeereH3068

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. vaste steden Hebreeuws, steden der vesting, of vastigheid. De zin is dat hij enige open steden besloten heeft en zwak gesterkt. Vergelijk boven, 2Ch 11:5 .

7 Want hij zeide tot Juda: Laat ons deze steden bouwen, en muren daarom trekken, en torens, deuren en grendelen, terwijl het land nog is voor ons aangezicht; want wij hebben den Heere, onzen God, gezocht, wij hebben Hem gezocht, en Hij heeft ons rondom henen rust gegeven. Zo bouwden zij en hadden voorspoed.12

DutSVVA word tags

JudaH3063
dezeH428
stedenH5892
murenH2346
trekkenH5437H8686
torensH4026
deurenH1817
grendelenH1280
landH776
aangezichtH6440
wantH3588
HeereH3068
GodH430
gezochtH1875H8804
gezochtH1875H8804
rondomH5439
henenH4480
gegevenH5117H8799
voorspoedH6743H8686

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. deze steden bouwen, Het woord deze geeft te verstaan dat de steden van welke hier gesproken wordt, nog waren, en dat vervolgens de bouwing derzelve te verstaan is van haar versterking, gelijk ook de volgende woorden medebrengen.
  2. terwijl Dat is, terwijl wij het land nog met vrede bezitten en gebruiken mogen. Vergelijk Gen 13:9 .

8 Asa nu had een heir van driehonderd duizend uit Juda, rondas en spies dragende, en tweehonderd en tachtig duizend uit Benjamin, het schild dragende en den boog spannende; al dezen waren kloeke helden.12

DutSVVA word tags

AsaH609
heirH2428
driehonderdH7969H3967
duizendH505
JudaH3063
rondasH6793
spiesH7420
dragendeH5375H8802
tweehonderdH3967
tachtigH8084
duizendH505
BenjaminH1144
schildH4043
dragendeH5375H8802
boogH7198
spannendeH1869H8802
dezenH428
kloekeH2428
heldenH1368

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. boog spannende; Hebreeuws, den boog tredende; te weten met den voet; welk wapen wij nog heden den voetboog noemen. Zie 1Ch 5:18 , en 1Ch 8:40 .
  2. kloeke helden Dat is, strijdbare en dappere krijgslieden. Het schijnt dat Asa deze heirkracht vergaderd en toegerust heeft, als hij vernomen had dat de koning der Moren hem overvallen wilde.

9 En Zerah, de Moor, kwam tegen hen uit, met een heir van duizend maal duizend, en driehonderd wagenen; en hij kwam tot Maresa toe.12

DutSVVA word tags

ZerahH2226
MoorH3569
tegenH413
heirH2428
duizendH505
duizendH505
driehonderdH7969H3967
wagenenH4818
MaresaH4762

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Moor, Of, Arabier. Hebreeuws, Chuschi. Zie Num 12:1 .
  2. Maresa toe Een stad, gelegen in den stam van Juda. Zie boven, 2Ch 11:8 .

10 Toen toog Asa tegen hem uit; en zij stelden de slagorde in het dal Zefatha bij Maresa.1

DutSVVA word tags

toogH3318
AsaH609
tegenH6440
steldenH6186H8799
slagordeH4421
ZefathaH6859
MaresaH4762

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Zefátha Anders, naar Zefat toe. Zie Jdg 1:17 .

11 En Asa riep tot den Heere, zijn God, en zeide: Heere, het is niets bij U, te helpen hetzij den machtige, hetzij den krachteloze; help ons, o Heere, onze God! Want wij steunen op U, en in Uw Naam zijn wij gekomen tegen deze menigte; o Heere! Gij zijt onze God; laat den sterfelijken mens tegen U niets vermogen.12345

DutSVVA word tags

AsaH609
totH413
HeereH3068
GodH430
HeereH3068
nietsH369
hetzijH996
machtigeH7227
krachtelozeH369H3581
HeereH3068
GodH430
WantH3588
steunenH8172H8738
NaamH8034
gekomenH935H8804
tegenH5921
dezeH2088
menigteH1995
HeereH3068
GijH859
GodH430
mensH582
tegenH5973
nietsH408
vermogenH6113H8799

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. het is niets bij U, Of, het verschilt bij U niet te helpen den machtige, of dengene, die zonder kracht is; of, het is niets bij U, den krachtloze te helpen, komende tussen dengene, die machtig is; dat is, U tegen hem stellende. Of aldus: is het niet bij U te helpen, enz.
  2. hetzij den machtige, Hebreeuws, tussen den machtige, dengene, die geen kracht heeft.
  3. in Uw Naam Dat is, naar uw wil, onder uw beleid in het vertrouwen op uw hulp, tot uw eer. Zie 2Ki 2:24 .
  4. tegen U Dat is, tegen uw volk. Het kwaad, Gods volk aangedaan, is Hem aangedaan, Zec 2:8 ; Act 9:5 .
  5. vermogen Of, overhand hebben.

12 En de Heere plaagde de Moren voor Asa en voor Juda; en de Moren vloden.

DutSVVA word tags

HeereH3068
plaagdeH5062H8799
MorenH3569
voorH6440
AsaH609
voorH6440
JudaH3063
MorenH3569

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

13 Asa nu en het volk, dat met hem was, jaagden hen na tot Gerar toe; en zo velen vielen er van de Moren, dat er voor hen geen hervatting was; want zij waren verbroken voor den Heere en voor Zijn leger; en zij droegen zeer veel roofs daarvan.123

DutSVVA word tags

AsaH609
volkH5971
datH834
GerarH1642
MorenH3569
geenH369
hervattingH4241
wasH369
wantH3588
verbrokenH7665H8738
voorH6440
HeereH3068
voorH6440
legerH4264
droegenH5375H8799
zeerH3966
roofsH7998

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Gerar toe; Zie van deze stad, Gen 20:1 .
  2. hervatting was; Hebreeuws, geen levendmaking, of levendheid, dat is, geen kracht om zichzelven weder op te helpen en bijeen te vergaderen, dat zij den slag zouden hebben mogen hervatten. Alzo wordt gezegd: En Joab maakte het overige der stad levend, 1Ch 11:8 , zie de aantekening aldaar.
  3. zij droegen Namelijk, die van Juda.

14 En zij sloegen alle steden rondom Gerar; want de verschrikking des Heeren was over hen; en zij beroofden al de steden, omdat veel roofs in dezelve was.1

DutSVVA word tags

sloegenH5221H8686
alleH3605
stedenH5892
rondomH5439
GerarH1642
wantH3588
verschrikkingH6343
HeerenH3068
overH5921
beroofdenH962H8799
stedenH5892
omdatH3588
veelH7227
roofsH961
dezelveH2088

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. de verschrikking Dat is, een zeer grote verschrikking van God toegezonden. Vergelijk Gen 35:5 , en zie de aantekening daarop. Alzo onder, 2Ch 17:10 , en 2Ch 20:29 .

15 En zij sloegen ook de tenten van het vee, en voerden weg schapen in menigte, en kemelen; en kwamen weder te Jeruzalem.1

DutSVVA word tags

sloegenH5221H8689
tentenH168
schapenH6629
menigteH7230
kemelenH1581
JeruzalemH3389

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. tenten van het vee, Dat is, de inwoners der tenten. Versta, de Arabieren, die in tenten woonden aan de palen der Edomieten en Filistijnen, waarheen de Moren, geslagen zijnde, mogen gevloden zijn; of men kan het verstaan van de Arabieren zelf; 1Ch 4:41 .