reltext

Chapter 19

1 En Joab werd aangezegd: Zie, de koning weent, en bedrijft rouw over Absalom.

DutSVVA word tags

JoabH3097
aangezegdH5046H8714
koningH4428
overH5921
AbsalomH53

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

2 Toen werd de verlossing te dienzelven dage het ganse volk tot rouw; want het volk had te dienzelven dage horen zeggen: Het smart den koning over zijn zoon.12

DutSVVA word tags

verlossingH8668
dienzelvenH193
dageH3117
ganseH3605
volkH5971
rouwH60
wantH3588
volkH5971
dienzelvenH1931
dageH3117
zeggenH559H8800
koningH4428
overH5921
zoonH1121

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. verlossing Of, heil, overwinning, victorie; dat is, de vreugde, die het volk zou getoond hebben over de victorie, werd veranderd in rouw.
  2. Het smart den koning Of, de koning is zeer bedroefd.

3 En het volk kwam te dienzelven dage steelsgewijze in de stad, gelijk als het volk zich wegsteelt, dat beschaamd is, wanneer zij in den strijd gevloden zijn.12

DutSVVA word tags

volkH5971
dienzelvenH1931
dageH3117
steelsgewijzeH1589H8691
stadH5892
alsH834
volkH5971
wegsteeltH1589H8691
strijdH4421

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. steelsgewijze Hebreeuws, het volk stal zich om te komen, of, komende
  2. stad, Mahanaïm.

4 De koning nu had zijn aangezicht toegewonden, en de koning riep met luider stem: Mijn zoon Absalom, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!12

DutSVVA word tags

koningH4428
aangezichtH6440
toegewondenH3813H8804
koningH4428
luiderH1419
stemH6963
zoonH1121
AbsalomH53
AbsalomH53
zoonH1121
zoonH1121

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. toegewonden, Of, bedekt. Tot een teken van groten rouw. Zie boven, 2Sa 15:30.
  2. Mijn zoon Absalom, Zie boven, 2Sa 18:33.

5 Toen kwam Joab tot den koning in het huis, en zeide: Gij hebt heden beschaamd het aangezicht van al uw knechten, die uw ziel, en de ziel uwer zonen en uwer dochteren, en de ziel uwer vrouwen, en de ziel uwer bijwijven heden hebben bevrijd;1

DutSVVA word tags

JoabH3097
totH413
koningH4428
huisH1004
hedenH3117
beschaamdH3001H8689
aangezichtH6440
knechtenH5650
zielH5315
zielH5315
zonenH1121
dochterenH1323
zielH5315
vrouwenH802
zielH5315
bijwijvenH6370
hedenH3117
bevrijdH4422H8764

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. ziel, en de ziel uwer zonen Dat is hier, uw leven of persoon, gelijk elders dikwijls.

6 Liefhebbende die u haten, en hatende die u liefhebben; want gij geeft heden te kennen, dat oversten en knechten bij u niets zijn; want ik merk heden, dat zo Absalom leefde, en wij heden allen dood waren, dat het alsdan recht zou zijn in uw ogen.

DutSVVA word tags

LiefhebbendeH157H8800
hatendeH8130H8800
liefhebbenH157H8802
wantH3588
geeftH5046
hedenH3117
overstenH8269
knechtenH5650
nietsH369
wantH3588
hedenH3117
AbsalomH53
leefdeH2416
hedenH3117
allenH3605
alsdanH227
rechtH3477
ogenH5869

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

7 Zo sta nu op, ga uit, en spreek naar het hart uwer knechten; want ik zweer bij den Heere, als gij niet uitgaat, zo er een man dezen nacht bij u zal vernachten! En dit zal u kwader zijn, dan al het kwaad, dat over u gekomen is van uw jeugd af tot nu toe.12

DutSVVA word tags

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. naar het hart Zie Gen 34:3.
  2. zo er een man dezen nacht bij u zal vernachten Versta daarop, zo doe mij God dit en dat. Een manier van eedzweren, gelijk dikwijls.

8 Toen stond de koning op, en zette zich in de poort. En zij lieten al het volk weten, zeggende: Ziet, de koning zit in de poort. Toen kwam al het volk voor des konings aangezicht, maar Israël was gevloden, een iegelijk naar zijn tenten.12

DutSVVA word tags

stondH6965
koningH4428
poortH8179
volkH5971
zeggendeH559H8800
ZietH2009
koningH4428
poortH8179
volkH5971
koningsH4428
aangezichtH6440
IsraëlH3478
gevlodenH5127H8804
iegelijkH376
tentenH168

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Israël was gevloden, Die Absalom gevolgd hadden.
  2. tenten Dat is, woonplaatsen.

9 En al het volk, in alle stammen van Israël, was onder zich twistende, zeggende: De koning heeft ons gered van de hand onzer vijanden en hij heeft ons bevrijd van de hand der Filistijnen, en nu is hij uit het land gevlucht voor Absalom;1

DutSVVA word tags

volkH5971
alleH3605
stammenH7626
IsraëlH3478
twistendeH1777H8737
zeggendeH559H8800
koningH4428
handH3709
vijandenH341H8802
bevrijdH4422H8765
handH3709
FilistijnenH6430
landH776
gevluchtH1272H8804
AbsalomH53

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. twistende, Met berouw en schaamte zichzelven veroordelende.

10 En Absalom, die wij over ons gezalfd hadden, is in den strijd gestorven; nu dan, waarom zwijgt gijlieden van den koning weder te halen?123

DutSVVA word tags

AbsalomH53
dieH834
overH5921
strijdH4421
gestorvenH4191H8804
waaromH4100
gijliedenH859
koningH4428

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. gezalfd hadden, Dat is, dien wij tot koning hadden verkozen en meenden te doen zalven.
  2. zwijgt gijlieden Of, zijt stil. Zie Jdg 18:9.
  3. koning weder te halen? David, onzen wettelijken en weldadigen koning.

11 Toen zond de koning David tot Zadok en tot Abjathar, de priesteren, zeggende: Spreekt tot de oudsten van Juda, zeggende: Waarom zoudt gijlieden de laatsten zijn, om den koning weder te halen in zijn huis? (Want de rede van het ganse Israël was tot den koning gekomen in zijn huis.)1234

DutSVVA word tags

koningH4428
DavidH1732
totH413
ZadokH6659
totH413
AbjatharH54
priesterenH3548
zeggendeH559H8800
SpreektH1696H8761
totH413
oudstenH2205
JudaH3063
zeggendeH559H8800
WaaromH4100
laatstenH314
koningH4428
huisH1004
redeH1697
ganseH3605
IsraëlH3478
totH413
koningH4428
gekomenH935H8804
huisH1004

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. zeggende Spreekt tot de oudsten van Juda, Dat is, hij zond heen en liet hun zeggen.
  2. huis? In het koninklijke hof te Jeruzalem.
  3. rede In de voorgaande verzen verhaald.
  4. huis Te Mahanaïm.

12 Gij zijt mijn broederen; mijn been en mijn vlees zijt gij; waarom zoudt gij dan de laatsten zijn, om den koning weder te halen?1

DutSVVA word tags

GijH859
broederenH251
beenH6106
vleesH1320
gijH859
waaromH4100
laatstenH314
koningH4428

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. mijn been en mijn vlees zijt gij; Zie boven, 2Sa 5:1. Alzo in vs.13.

13 En tot Amasa zult gijlieden zeggen: Zijt gij niet mijn been en mijn vlees? God doe mij zo, en doe er zo toe, zo gij niet krijgsoverste zult zijn voor mijn aangezicht, te allen dage, in Joabs plaats.1234

DutSVVA word tags

AmasaH6021
zeggenH559H8799
gijH859
nietH3808
beenH6106
vleesH1320
GodH430
nietH3808
krijgsoversteH8269H6635
aangezichtH6440
allenH3605
dageH3117
JoabsH3097
plaatsH8478

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. gijlieden zeggen Priesters, Zadok en Abjathar.
  2. been en mijn vlees? Want hij was Davids zusters zoon. Zie boven, 2Sa 17:25.
  3. doe mij zo, Van zulk zweren, zie Rth 1:17, en 1Ki 19:2.
  4. Joabs plaats Zie boven, 2Sa 3:39.

14 Alzo neigde hij het hart aller mannen van Juda, als van een enigen man; en zij zonden henen tot den koning, zeggende: Keer weder, gij en al uw knechten.12

DutSVVA word tags

hartH3824
allerH3605
mannenH376
JudaH3063
enigenH259
manH376
totH413
koningH4428
gijH859
knechtenH5650

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. hij het hart Te weten, David. Sommigen duiden het op Amasa.
  2. als van een enigen man; Dat zij zo eendrachtig waren als een enig man. Zie Jdg 20:1.

15 Toen keerde de koning weder, en kwam tot aan de Jordaan; en Juda kwam te Gilgal, om den koning tegemoet te gaan, dat zij den koning over de Jordaan voerden.

DutSVVA word tags

keerdeH7725
koningH4428
JordaanH3383
JudaH3063
GilgalH1537
koningH4428
tegemoetH7125H8800
koningH4428
JordaanH3383
voerdenH5674H8687

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

16 En Simeï, de zoon van Gera, een zoon van Jemini, die van Bahurim was, haastte zich, en kwam af met de mannen van Juda, den koning David tegemoet;12

DutSVVA word tags

SimeïH8096
zoonH1121
GeraH1617
JeminiH1145
dieH834
BahurimH980
mannenH376
JudaH3063
koningH4428
DavidH1732
tegemoetH7125H8800

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. zoon van Jemini, Dat is, een Benjaminiet. Zie boven, 2Sa 16:11.
  2. Bahurim was, Zie boven, 2Sa 3:16, en 2Sa 16:5.

17 En duizend man van Benjamin met hem; ook Ziba, de knecht van Sauls huis, en zijn vijftien zonen en zijn twintig knechten met hem; en zij togen vaardiglijk over de Jordaan, voor den koning.1234

DutSVVA word tags

duizendH505
manH376
BenjaminH1145
ZibaH6717
knechtH5288
SaulsH7586
huisH1004
vijftienH2568H6240
zonenH1121
twintigH6242
knechtenH5650
metH854
JordaanH3383
voorH6440
koningH4428

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. knecht van Sauls huis, Hebreeuws, jongen. Zie boven, 2Sa 9:2, en 2Sa 16:1, enz. Deze vreesde dat David [gelijk ook geschied is] zijn bedriegelijke ontrouw, aan Mefiboseth begaan, zou vernemen; daarom zoekt hij met deze gedienstigheid des konings hart daartegen te verzachten, hetwelk hem ook gelukt is.
  2. vijftien zonen Gelijk boven, 2Sa 9:10.
  3. togen vaardiglijk Of, zij maakten de Jordaan vaardig; dat is zij maakten alles klaar en gereed voor den koning en zijn huis, om over te varen.
  4. voor den koning Dat is, eer de koning nog aan het veer der Jordaan gekomen was om over te varen, zo waren zij al over, en hadden alles gereed gemaakt.

18 Als nu de pont overvoer, om het huis des konings over te halen, en te doen, wat goed was in zijn ogen, zo viel Simeï, de zoon van Gera, neder voor het aangezicht des konings, als hij over de Jordaan voer;123

DutSVVA word tags

pontH5679
overvoerH5674H8804
huisH1004
koningsH4428
goedH2896
ogenH5869
vielH5307
SimeïH8096
zoonH1121
GeraH1617
aangezichtH6440
koningsH4428
JordaanH3383

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. pont overvoer, Of, schouw, veerschuit, pleit
  2. het huis des konings Dat is, den koning, met zijn hofgezin.
  3. als hij over de Jordaan voer; Anders, als hij overgevaren was, of overvaren zou.

19 En hij zeide tot den koning: Mijn heer rekene mij niet toe de misdaad, en gedenke niet, wat uw knecht verkeerdelijk gedaan heeft, te dien dage, als mijn heer de koning uit Jeruzalem uitging, dat het de koning zich ter harte zoude nemen.1

DutSVVA word tags

totH413
koningH4428
heerH113
nietH408
misdaadH5771
gedenkeH2142H8799
nietH408
watH834
knechtH5650
dageH3117
alsH834
heerH113
koningH4428
JeruzalemH3389
uitgingH3318H8804
koningH4428
terH413
harteH3820

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. zich ter harte zoude nemen Dat is, daarop letten, en mij naar mijn verdienste doen straffen. Hebreeuws, in, of aan zijn hart stellen.

20 Want uw knecht weet het zekerlijk, ik heb gezondigd; doch zie, ik ben heden gekomen, de eerste van het ganse huis van Jozef, om mijn heer den koning tegemoet af te komen.12

DutSVVA word tags

WantH3588
knechtH5650
gezondigdH2398H8804
hedenH3117
gekomenH935H8804
eersteH7223
ganseH3605
huisH1004
JozefH3130
heerH113
koningH4428
tegemoetH7125H8800

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. uw knecht Dat is, ik weet.
  2. van Jozef, Hierdoor verstaat hij niet alleen Efraïm en Manasse, maar ook Benjamin, [uit welken stam hij was, vs.16] omdat Jozef en Benjamin volle broeders waren van één vader en één moeder, zodat ook Benjamin onder de banier van Efraïm optoog, Num 10:22-24. Sommigen verstaan dat hij wil zeggen: Hij is eerder gekomen dan iemand van de tien stammen, of Efraïm en Manasse, doch het schijnt dat hier door het huis Jozefs in het algemeen verstaan worden de Israëlieten, tegengesteld tegen den stam van Juda.

21 Toen antwoordde Abisai, de zoon van Zeruja, en zeide: Zou dan Simeï hiervoor niet gedood worden? Zo hij toch den gezalfde des Heeren gevloekt heeft.12

DutSVVA word tags

antwoorddeH6030H8799
AbisaiH52
zoonH1121
ZerujaH6870
SimeïH8096
hiervoorH8478H2063
nietH3808
tochH3588
gezalfdeH4899
HeerenH3068

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. hiervoor Omdat hij om genade bidt, en den koning aldus tegemoet gekomen is.
  2. gezalfde des HEEREN Vergelijk 1Sa 24:7. Van Davids zalving ten koning, 2Sa 5:2.

22 Maar David zeide: Wat heb ik met ulieden te doen, gij zonen van Zeruja! Dat gij mij heden ten satan zoudt zijn? Zou heden iemand gedood worden in Israël? Want weet ik niet, dat ik heden koning geworden ben over Israël?1234

DutSVVA word tags

DavidH1732
zonenH1121
ZerujaH6870
hedenH3117
satanH7854
hedenH3117
iemandH376
IsraëlH3478
WantH3588
nietH3808
hedenH3117
koningH4428
overH5921
IsraëlH3478

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Wat heb ik Zie boven, 2Sa 16:10.
  2. satan zoudt zijn? Dat is, wederpartijder; tegenstrijder, die mij hinderlijk is en tegenvalt in mijn voornemen, Mat 16:23. Zie wijders Job 1:6.
  3. gedood worden in Israël? Vergelijk 1Sa 11:13.
  4. heden Hij wil zeggen, wederom als van nieuw, enz.

23 En de koning zeide tot Simeï: Gij zult niet sterven. En de koning zwoer hem.1

DutSVVA word tags

koningH4428
totH413
SimeïH8096
nietH3808
stervenH4191H8799
koningH4428

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. niet sterven Versta, heden, en voorts gedurende mijn regering zal ik u niet doen straffen. Dewijl nochtans Simeï's misdaad zeer ergerlijk en grof was, ook het algemeen merkelijk rakende, zo heeft David niet gewild dat hij ten enenmale of voor altoos ongestraft zou blijven. Zie 1Ki 2:8-9.

24 Mefiboseth, Sauls zoon, kwam ook af den koning tegemoet; en hij had zijn voeten niet schoon gemaakt, noch zijn knevelbaard beschoren, noch zijn klederen gewassen, van dien dag af, dat de koning was weggegaan, tot dien dag toe, dat hij met vrede wederkwam.123

DutSVVA word tags

MefibosethH4648
SaulsH7586
zoonH1121
koningH4428
tegemoetH7125H8800
voetenH7272
nietH3808
gemaaktH6213H8804
knevelbaardH8222
beschorenH6213H8804
nochH3808
klederenH899
gewassenH3526H8765
koningH4428
weggegaanH3212H8800
datH834
vredeH7965
wederkwamH935H8804

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. zoon, Dat is, kindskind. Want Mefiboseth was Jonathans zoon, boven, 2Sa 9:3, 2Sa 9:6, enz.
  2. voeten Hebreeuws, had zijn voeten niet gemaakt noch zijn knevelbaard gemaakt; dat is, [gelijk dit woord dikwijls elders genomen wordt] toegemaakt, bereid, toegeschikt. Vergelijk inzonderheid Deu 21:12. Dit waren alle tekenen van grote droefheid en rouw, die Mefiboseth had over Davids ongeluk, die hem zoveel goeds gedaan had. Vergelijk boven, 2Sa 12:20.
  3. weggegaan, Van Jeruzalem, vluchtende voor Absalom.

25 En het geschiedde, als hij te Jeruzalem den koning tegemoet kwam, dat de koning tot hem zeide: Waarom zijt gij niet met mij getogen, Mefiboseth?1

DutSVVA word tags

geschieddeH1961H8799
JeruzalemH3389
koningH4428
tegemoetH7125H8800
koningH4428
WaaromH4100
nietH3808
getogenH1980H8804
MefibosethH4648

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Jeruzalem Nadat de koning binnen Jeruzalem gekomen was. Het schijnt dat hij onderweg geen gelegenheid gehad heeft, of zich ontzien heeft den koning aan te spreken. Anders, als Jeruzalem [dat is, de inwoners van Jeruzalem] den koning tegemoet kwam, waaronder zich Mefiboseth mede gevoegd heeft, om den koning aan de Jordaan te ontmoeten.

26 En hij zeide: Mijn heer koning, mijn knecht heeft mij bedrogen; want uw knecht zeide: Ik zal mij een ezel zadelen, en daarop rijden, en tot den koning trekken, want uw knecht is kreupel.1

DutSVVA word tags

heerH113
koningH4428
knechtH5650
bedrogenH7411H8765
wantH3588
knechtH5650
ezelH2543
zadelenH2280H8799
daaropH5921
koningH4428
trekkenH3212H8799
wantH3588
knechtH5650
kreupelH6455

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. mijn knecht Ziba.

27 Daartoe heeft hij uw knecht bij mijn heer den koning valselijk aangedragen; doch mijn heer de koning is als een engel Gods; doe dan, wat goed is in uw ogen.12

DutSVVA word tags

knechtH5650
bijH413
heerH113
koningH4428
aangedragenH7270H8762
heerH113
koningH4428
engelH4397
GodsH430
goedH2896
ogenH5869

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. valselijk aangedragen; Zie boven, 2Sa 16:3.
  2. engel Gods; Gelijk boven, 2Sa 14:17.

28 Want al mijns vaders huis is niet geweest, dan maar lieden des doods voor mijn heer den koning; nochtans hebt gij uw knecht gezet onder degenen, die aan uw tafel eten; wat heb ik dan meer voor gerechtigheid, en meer te roepen aan den koning?1234

DutSVVA word tags

WantH3588
vadersH1
huisH1004
nietH3808
geweestH1961H8804
maarH518
liedenH582
doodsH4194
heerH113
koningH4428
knechtH5650
tafelH7979
meerH5750
gerechtigheidH6666
meerH5750
aanH413
koningH4428

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. vaders huis Dat is, van mijn grootvader Saul.
  2. maar lieden des doods Dat is, die allen den dood verdiend hadden. Vergelijk Gen 20:3; 2Sa 12:5.
  3. tafel eten; Zie boven, 2Sa 9:7, 2Sa 9:10, 2Sa 9:13.
  4. roepen aan den koning? Te klagen over het onrecht, dat mij mijn knecht gedaan heeft.

29 Toen zeide de koning tot hem: Waarom spreekt gij meer van uw zaken? Ik heb gezegd: Gij en Ziba, deelt het land.1

DutSVVA word tags

koningH4428
WaaromH4100
meerH5750
zakenH1697
gezegdH559H8804
GijH859
ZibaH6717
landH7704

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. heb gezegd Te weten, toen mij voorkwam dat Ziba u ongelijk had gedaan; of ik zeg; dat is, verordineer en beveel. Zoveel had Ziba met zijn praktijken bij dezen, anderszins zeer wijzen koning, uitgericht, dat hij een verering bekomt, inplaats dat hij vanwege zijn schandelijke ontrouw aan Mefiboseth bewezen, en leugentaal, waarmede hij den koning had bedrogen, verdiend had gestraft te worden.

30 En Mefiboseth zeide tot den koning: Hij neme het ook gans weg, naardien mijn heer de koning met vrede in zijn huis is gekomen.1

DutSVVA word tags

MefibosethH4648
totH413
koningH4428
gansH3605
naardienH310H834
heerH113
koningH4428
vredeH7965
huisH1004
gekomenH935H8804

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. naardien Alsof hij zeide: Het is mij genoeg, dat het gemeen wel gaat. Aan mijn particulier is weinig gelegen; of, die schade zal ik door overdenking van het algemene welvaren geduldiglijk opnemen.

31 Barzillai, de Gileadiet, kwam ook af van Rogelim; en hij toog met den koning over de Jordaan, om hem over de Jordaan te geleiden.12

DutSVVA word tags

BarzillaiH1271
GileadietH1569
RogelimH7274
koningH4428
JordaanH3383
JordaanH3383
geleidenH7971H8763

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Barzillai, Zie boven, 2Sa 17:27, en 1Ki 2:7.
  2. kwam ook af Eer de koning over de Jordaan toog.

32 Barzillai nu was zeer oud, een man van tachtig jaren; en hij had den koning onderhouden, toen hij te Mahanaim zijn verblijf had; want hij was een zeer groot man.12

DutSVVA word tags

BarzillaiH1271
zeerH3966
tachtigH8084
jarenH8141
koningH4428
onderhoudenH3557H8773
MahanaimH4266
wantH3588
zeerH3966
grootH1419
manH376

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. man van tachtig jaren; Hebreeuws, een zoon
  2. groot man Van vermogen of middelen; gelijk 1Sa 25:2.

33 En de koning zeide tot Barzillai: Trekt gij met mij over, en ik zal u bij mij te Jeruzalem onderhouden.

DutSVVA word tags

koningH4428
totH413
BarzillaiH1271
TrektH5674
gijH859
metH854
JeruzalemH3389
onderhoudenH3557H8773

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

34 Maar Barzillai zeide tot den koning: Hoe veel zullen de dagen der jaren mijns levens zijn, dat ik met den koning zou optrekken naar Jeruzalem?1

DutSVVA word tags

BarzillaiH1271
totH413
koningH4428
veelH4100
dagenH3117
jarenH8141
levensH2416
koningH4428
optrekkenH5927H8799
JeruzalemH3389

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Hoe veel Alsof hij zeide: Ik heb toch maar weinig tijds te leven, waartoe dan de moeite?

35 Ik ben heden tachtig jaren oud; zou ik kunnen onderscheiden tussen goed en kwaad? Zou uw knecht kunnen smaken, wat ik eet en wat ik drink? Zoude ik meer kunnen horen naar de stem der zangers en zangeressen? En waarom zou uw knecht mijn heer den koning verder tot een last zijn?12

DutSVVA word tags

hedenH3117
tachtigH8084
jarenH8141
onderscheidenH3045H8799
tussenH996
goedH2896
kwaadH7451
knechtH5650
watH834
watH834
meerH5750
stemH6963
zangersH7891H8802
zangeressenH7891H8802
waaromH4100
knechtH5650
mijnH413
heerH113
koningH4428
verderH5750
lastH4853

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. tachtig jaren oud; Hebreeuws, een zoon van tachtig jaar
  2. zou ik kunnen onderscheiden Hij wil zeggen dat hij te oud is om in zulks alles vermaak te nemen, dat het hem beter paste bij zijn graf te zijn en tot zijn sterfdag zich te bereiden.

36 Uw knecht zal maar een weinig met den koning over de Jordaan gaan; waarom toch zou mij de koning zulk een vergelding doen?1

DutSVVA word tags

knechtH5650
weinigH4592
koningH4428
JordaanH3383
waaromH4100
koningH4428
zulkH2063
vergeldingH1578

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. zulk een vergelding doen? Voor een kleine weldaad zo grote vergelding.

37 Laat toch uw knecht wederkeren, dat ik sterve in mijn stad, bij het graf mijns vaders en mijner moeder; maar zie, daar is uw knecht Chimham, laat dien met mijn heer den koning overtrekken, en doe hem, wat goed is in uw ogen.1

DutSVVA word tags

tochH4994
knechtH5650
wederkerenH7725H8799
stadH5892
grafH6913
vadersH1
moederH517
knechtH5650
ChimhamH3643
heerH113
koningH4428
overtrekkenH5674H8799
watH834
goedH2896
ogenH5869

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Chimham, Onder, vs.40, genoemd Chimham, een van Barzillai's zonen, gelijk afgenomen wordt uit 1Ki 2:7.

38 Toen zeide de koning: Chimham zal met mij overtrekken, en ik zal hem doen, wat goed is in uw ogen; ja, alles, wat gij op mij begeren zult, zal ik u doen.12

DutSVVA word tags

koningH4428
ChimhamH3643
metH854
overtrekkenH5674H8799
goedH2896
ogenH5869
allesH3605
watH834

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. uw ogen; Dat u aangenaam en welgevallig zal mogen zijn.
  2. begeren zult, Hebreeuws, verkiezen zult; te weten, om van mij te begeren, of wat u believen, behagen zal, wat u lief en aangenaam zal zijn. Zie boven, 2Sa 15:15.

39 Toen nu al het volk over de Jordaan gegaan was, en de koning ook was overgegaan, kuste de koning Barzillai, en zegende hem; alzo keerde hij weder naar zijn plaats.123

DutSVVA word tags

volkH5971
JordaanH3383
koningH4428
overgegaanH5674H8804
koningH4428
BarzillaiH1271
zegendeH1288H8762
plaatsH4725

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. overgegaan, Met de schouw; gelijk vs.18.
  2. kuste de koning Barzillai, Nemende van hem afscheid, met dankzegging en wensing alles goeds. Zie Gen 29:11.
  3. hij weder naar zijn plaats Barzillai keerde weder naar Rogelim.

40 En de koning toog voort naar Gilgal, en Chimham toog met hem voort; en al het volk van Juda had den koning overgevoerd , als ook een gedeelte van het volk Israëls.123

DutSVVA word tags

koningH4428
GilgalH1537
ChimhamH3643
toogH5674
volkH5971
JudaH3063
koningH4428
gedeelteH2677
volkH5971
IsraëlsH3478

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. had den koning overgevoerd, Of, geleidde den koning; en alzo in vs.41.
  2. een gedeelte Hebreeuws, de helft; hetwelk altemet voor een gedeelte genomen wordt.
  3. Israëls Dat is, der andere stammen.

41 En ziet, alle mannen van Israël kwamen tot den koning; en zij zeiden tot den koning: Waarom hebben u onze broeders, de mannen van Juda, gestolen, en hebben den koning en zijn huis over de Jordaan gevoerd, en alle mannen Davids met hem?123

DutSVVA word tags

zietH2009
alleH3605
mannenH376
IsraëlH3478
kwamenH935H8802
totH413
koningH4428
zeidenH559H8799
totH413
koningH4428
WaaromH4069
broedersH251
mannenH376
JudaH3063
gestolenH1589H8804
koningH4428
huisH1004
JordaanH3383
gevoerdH5674H8686
alleH3605
mannenH582
DavidsH1732

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. gestolen, Dat is, als steelsgewijze, zonder ons te ontbieden, alleen geleid.
  2. gevoerd, Of, gevoerd? Alle mannen Davids nu [waren] bij hem; te weten, bij den koning, die al zijn officieren en krijgslieden bij zich had.
  3. met hem? Dat is, Davids officieren en krijgslieden waren allen met David, en hielden het met die van Juda, die David zelf daartoe bewogen had, boven vs.11, 12, 14. Hierom spraken die van Juda te stouter.

42 Toen antwoordden alle mannen van Juda tegen de mannen van Israël: Omdat de koning ons na verwant is; en waarom zijt gij nu toornig over deze zaak? Hebben wij dan enigszins gegeten van des konings kost, of heeft hij ons een geschenk geschonken?1234

DutSVVA word tags

antwoorddenH6030H8799
alleH3605
mannenH376
JudaH3063
tegenH5921
mannenH376
IsraëlH3478
OmdatH3588
koningH4428
verwantH7138
toornigH2734H8804
overH5921
dezeH2088
zaakH1697
enigszinsH398H8800
gegetenH398H8804
koningsH4428
geschenkH5379
geschonkenH5375H8765

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. ons na verwant is; Hebreeuws, mij; te weten, den stam van Juda.
  2. Hebben wij dan Zij willen zeggen: Meent gij dat de koning ons daartoe gekocht heeft door goede beloften of geschenken?
  3. enigszins gegeten Hebreeuws, etende gegeten
  4. konings kost, Hebreeuws, van den koning.

43 En de mannen van Israël antwoordden den mannen van Juda, en zeiden: Wij hebben tien delen aan den koning, en ook aan David, wij, meer dan gij; waarom hebt gij ons dan gering geacht, dat ons woord niet het eerste geweest is, om onzen koning weder te halen? Maar het woord der mannen van Juda was harder dan het woord der mannen van Israël.12345

DutSVVA word tags

mannenH376
IsraëlH3478
antwoorddenH6030H8799
mannenH376
JudaH3063
zeidenH559H8799
tienH6235
delenH3027
koningH4428
DavidH1732
wijH589
waaromH4069
woordH1697
nietH3808
eersteH7223
koningH4428
woordH1697
mannenH376
JudaH3063
woordH1697
mannenH376
IsraëlH3478

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Wij hebben Hebreeuws, ik; te weten, Israël; en alzo in het volgende.
  2. tien delen Hebreeuws, handen. Dit zeggen zij omdat zij tien stammen waren, en overzulks tien stemmen hadden.
  3. koning, Dat is, aan den koning in het algemeen, of aan het koninkrijk, en ook aan dezen koning David, dien wij met onzen algemene stemmen gekozen hebben; 2Sa 5:1.
  4. ons woord Dat is, dat wij niet de voorstemming en den voortocht gehad hebben in deze zaak.
  5. harder Dat is, sterker, krachtiger, zulks dat die van Israël tegen hen niet konden opkomen, maar moesten aflaten.