Chapter 5
1 Toen kwamen alle stammen van Israël tot David te Hebron; en zij spraken, zeggende: Zie, wij, uw gebeente en uw vlees zijn wij.12
וַ/יָּבֹ֜אוּו/יב֜אווַ/יָּבֹאוּו/יבאוva/i.ya.Vo.'uand/ they cameH9001H0935GHc+Vqw3mp שִׁבְטֵ֧ישבט֧ישִׁבְטֵישבטיshiv.Tei[the] tribes ofH7626HHNcmpc יִשְׂרָאֵ֛לישרא֛ליִשְׂרָאֵלישראלYis.ra.'ElIsraelH3478HNpl דָּוִ֖דדו֖דדָּוִדדודda.VidDavidH1732HNpm חֶבְר֑וֹנָ/החבר֑ונ/החֶבְרוֹנָ/החברונ/הchev.Ro.na/hHebron/ towardsH2275AH9011HNpl+Sd וַ/יֹּאמְר֣וּו/יאמר֣ווַ/יֹּאמְרוּו/יאמרוva/i.yo.me.Ruand/ they saidH9001H0559Hc+Vqw3mp לֵ/אמֹ֔רל/אמ֔רלֵ/אמֹרל/אמרle./Mor<to>/ sayingH9005H0559HR+Vqcc הִנְ/נ֛וּהנ/נ֛והִנְ/נוּהנ/נוhi./Nuhere [are]/ weH2005H9045HTj+Sp1bp עַצְמְ/ךָ֥עצמ/ך֥עַצְמְ/ךָעצמ/ך'atz.me./Kha[are] bone/ yourH6106GH9021HNcfsc+Sp2ms וּֽ/בְשָׂרְ/ךָ֖ו/בשר/ך֖וּֽ/בְשָׂרְ/ךָו/בשר/ךu./ve.sa.re./Khaand/ flesh/ yourH9002H1320H9021HC+Ncmsc+Sp2ms אֲנָֽחְנוּ\׃אנחנו\אֲנָֽחְנוּ\׃אנחנו\'a.Na.che.nuweH0587\H9016HPp1bp - stammen van Israël Versta, gezanten van alle stammen. Zie vs.3.
- gebeente en uw vlees zijn wij Wij zijn van enen bloede, beiden gesproten uit den patriarch Jakob, en dienvolgens broeders. Zodanigen had God geboden tot koning te kiezen, Deu 17:15. Aangaande de manier van spreken, zie Gen 29:14.
2 Daartoe ook te voren, toen Saul koning over ons was, waart gij Israël uitvoerende en inbrengende; ook heeft de Heere tot u gezegd: Gij zult Mijn volk Israël weiden, en gij zult tot een voorganger zijn over Israël.12345
אֶתְמ֣וֹלאתמ֣ולאֶתְמוֹלאתמול'et.MolyesterdayH0865HNcmsa שִׁלְשׁ֗וֹםשלש֗וםשִׁלְשׁוֹםשלשוםshil.Shomthree days agoH8032HNcmsa בִּ/הְי֨וֹתב/הי֨ותבִּ/הְיוֹתב/היותbi/h.Yotwhen/ wasH9003H1961HR+Vqcc שָׁא֥וּלשא֥ולשָׁאוּלשאולsha.'UlSaulH7586GHNpm מֶ֙לֶךְ֙מ֙לך֙מֶלֶךְמלךMe.lekhkingH4428GHNcmsa עָלֵ֔י/נוּעל֔י/נועָלֵי/נוּעלי/נו'a.Lei./nuover/ usH5921AH9035HRd+Sp1bp אַתָּ֗האת֗האַתָּהאתה'a.TahyouH0859AHPp2ms הָיִ֛יתָהי֛יתהָיִיתָהייתha.yi.tahyou wereH1961HVqp2ms הַ/מּוֹצִ֥יאה/מוצ֥יאהַ/מּוֹצִיאה/מוציאha./mo.tzi'the/ [one who] led outH9009H3318HHTd+Vhrmsa וְ/הַ/מֵּבִ֖יאו/ה/מב֖יאוְ/הַ/מֵּבִיאו/ה/מביאve./ha./me.vi'and/ the/ [one who] broughtH9002H9009H0935PHC+Td+Vhrmsa יִשְׂרָאֵ֑לישרא֑ליִשְׂרָאֵלישראלYis.ra.'ElIsraelH3478HNpl וַ/יֹּ֨אמֶרו/י֨אמרוַ/יֹּאמֶרו/יאמרva/i.Yo.merand/ he saidH9001H0559Hc+Vqw3ms יְהוָ֜היהו֜היְהוָהיהוהYah.wehYahwehH3068GHNpt לְ/ךָ֗ל/ך֗לְ/ךָל/ךle./Khato <the>/ youH9005H9031HRd+Sp2ms אַתָּ֨האת֨האַתָּהאתה'a.TahyouH0859AHPp2ms תִרְעֶ֤התרע֤התִרְעֶהתרעהtir.'Ehyou will shepherdH7462BHVqi2ms עַמִּ/י֙עמ/י֙עַמִּ/יעמ/י'a.M/ipeople/ myH5971AH9020HNcmsc+Sp1bs יִשְׂרָאֵ֔לישרא֔ליִשְׂרָאֵלישראלYis.ra.'ElIsraelH3478HNpl וְ/אַתָּ֛הו/את֛הוְ/אַתָּהו/אתהve./'a.Tahand/ youH9002H0859AHC+Pp2ms תִּהְיֶ֥התהי֥התִּהְיֶהתהיהtih.Yehyou will becomeH1961HVqi2ms לְ/נָגִ֖ידל/נג֖ידלְ/נָגִידל/נגידle./na.Gid<into>/ rulerH9005H5057HR+Ncmsa יִשְׂרָאֵֽל\׃ישראל\יִשְׂרָאֵֽל\׃ישראל\Yis.ra.'ElIsraelH3478\H9016HNpl - te voren, Hebreeuws, gisteren, ook eergisteren
- uitvoerende en inbrengende; Dat is, die het krijgsvolk aan en van den vijand voerde, overal voorging, en beleid van zaken had, en overzulks, als een ervaren heer, tot het koninkrijk bekwaam is. Zie 1Sa 18:5, 1Sa 18:16, en vergelijk Num 27:17.
- gezegd Ten tijde uwer zalving door Samuel, beschreven 1Sa 16:11-13. Alhoewel deze woorden daar niet staan.
- weiden, Dat is, regeren met al zulke zorg, genegenheid en getrouwheid, als een goed herder, [waarop gij u verstaat] zijn schapen leidt, weidt, regeert, bezorgt en beschermt. Zie Psa 78:70-71, en onder, 2Sa 7:7.
- voorganger zijn over Israël Of, leidsman, hertog. Zie onder, 2Sa 6:21.
3 Alzo kwamen alle oudsten van Israël tot den koning te Hebron; en de koning David maakte een verbond met hen te Hebron, voor het aangezicht des Heeren; en zij zalfden David tot koning over Israël.1234
וַ֠/יָּבֹאוּו֠/יבאווַ/יָּבֹאוּו/יבאוVa/i.ya.vo.'uand/ they cameH9001H0935GHc+Vqw3mp זִקְנֵ֨יזקנ֨יזִקְנֵיזקניzik.Nei[the] elders ofH2205GHAampc יִשְׂרָאֵ֤לישרא֤ליִשְׂרָאֵלישראלYis.ra.'ElIsraelH3478HNpl הַ/מֶּ֙לֶךְ֙ה/מ֙לך֙הַ/מֶּלֶךְה/מלךha./Me.lekhthe/ kingH9009H4428GHTd+Ncmsa חֶבְר֔וֹנָ/החבר֔ונ/החֶבְרוֹנָ/החברונ/הchev.Ro.na/hHebron/ towardsH2275AH9011HNpl+Sd וַ/יִּכְרֹ֣תו/יכר֣תוַ/יִּכְרֹתו/יכרתva/i.yikh.Rotand/ he madeH9001H3772HHc+Vqw3ms לָ/הֶם֩ל/הם֩לָ/הֶםל/הםla./Hemto <the>/ themH9005H9038HRd+Sp3mp הַ/מֶּ֨לֶךְה/מ֨לךהַ/מֶּלֶךְה/מלךha./Me.lekhthe/ kingH9009H4428GHTd+Ncmsa דָּוִ֥דדו֥דדָּוִדדודda.VidDavidH1732HNpm בְּרִ֛יתבר֛יתבְּרִיתבריתbe.Rita covenantH1285HNcfsa בְּ/חֶבְר֖וֹןב/חבר֖וןבְּ/חֶבְרוֹןב/חברוןbe./chev.Ronat/ HebronH9003H2275AHR+Npl לִ/פְנֵ֣יל/פנ֣ילִ/פְנֵיל/פניli/f.Nei<to>/ beforeH9005H6440GHR+Ncmpc יְהוָ֑היהו֑היְהוָהיהוהYah.wehYahwehH3068GHNpt וַ/יִּמְשְׁח֧וּו/ימשח֧ווַ/יִּמְשְׁחוּו/ימשחוva/i.yim.she.Chuand/ they anointedH9001H4886Hc+Vqw3mp דָּוִ֛דדו֛דדָּוִדדודda.VidDavidH1732HNpm לְ/מֶ֖לֶךְל/מ֖לךלְ/מֶלֶךְל/מלךle./Me.lekhto/ kingH9005H4428GHR+Ncmsa - oudsten van Israël Zie Exo 3:16, en vergelijk Lev 4:15, en Lev 9:1.
- een verbond Waardoor zij wederzijds bij ede tot hun schuldige plichten werden verbonden.
- aangezicht des HEEREN; Dat is, in bijwezen des priesters met den efod bekleed, of, in een statelijke vergadering en rijksdag, met aanroeping van des Heeren naam. Vergelijk Jdg 11:11.
- zalfden David tot koning over Israël Dit was Davids derde zalving. Zie boven, 2Sa 2:4.
4 Dertig jaar was David oud, als hij koning werd; veertig jaren heeft hij geregeerd.12
שְׁלֹשִׁ֥יםשלש֥יםשְׁלֹשִׁיםשלשיםshe.lo.ShimthirtyH7970HNcmpa שָׁנָ֛השנ֛השָׁנָהשנהsha.Nahyear[s]H8141HNcfsa דָּוִ֖דדו֖דדָּוִדדודda.VidDavidH1732HNpm בְּ/מָלְכ֑/וֹב/מלכ֑/ובְּ/מָלְכ/וֹב/מלכ/וbe./ma.le.Kh/owhen/ became king/ heH9003H4427AH9043HR+Vqcc+Sp3ms אַרְבָּעִ֥יםארבע֥יםאַרְבָּעִיםארבעים'ar.ba.'ImfortyH0705HNcmpa שָׁנָ֖השנ֖השָׁנָהשנהsha.Nahyear[s]H8141HNcfsa מָלָֽךְ\׃מלך\מָלָֽךְ\׃מלך\ma.Lakhhe reignedH4427A\H9016HVqp3ms - oud Hebreeuws, een zoon van dertig jaar
- veertig jaren En zes maanden, gelijk uit vs.5 blijkt. Van zulk een gebruik van een rond getal, zie Jdg 11:26. Anderen verstaan zes maanden onder de veertig jaren. Doch vs.5 en 1Ki 2:11 [alwaar dezelfde jaren van Davids regering te Hebron alleen gesteld worden, zonder de zes maanden] schijnen mede te brengen dat de zes maanden zijner regering te Hebron overschieten.
5 Te Hebron regeerde hij over Juda zeven jaren en zes maanden; en te Jeruzalem regeerde hij drie en dertig jaren over gans Israël en Juda.
בְּ/חֶבְרוֹן֙ב/חברון֙בְּ/חֶבְרוֹןב/חברוןbe./chev.rOnin/ HebronH9003H2275AHR+Npm מָלַ֣ךְמל֣ךמָלַךְמלךma.Lakhhe reignedH4427AHVqp3ms יְהוּדָ֔היהוד֔היְהוּדָהיהודהye.hu.DahJudahH3063GHNpl שֶׁ֥בַעש֥בעשֶׁבַעשבעShe.va'sevenH7651HNcbsa שָׁנִ֖יםשנ֖יםשָׁנִיםשניםsha.NimyearsH8141HNcmpa וְ/שִׁשָּׁ֣הו/שש֣הוְ/שִׁשָּׁהו/ששהve./shi.Shahand/ sixH9002H8337HC+Ncbsa חֳדָשִׁ֑יםחדש֑יםחֳדָשִׁיםחדשיםcho.da.ShimmonthsH2320GHNcmpa וּ/בִ/ירוּשָׁלִַ֣םו/ב/ירושל֣םוּ/בִ/ירוּשָׁלִַםו/ב/ירושלםu./vi./ru.sha.Limand/ in/ JerusalemH9002H9003H3389HC+R+Npl מָלַ֗ךְמל֗ךמָלַךְמלךma.Lakhhe reignedH4427AHVqp3ms שְׁלֹשִׁ֤יםשלש֤יםשְׁלֹשִׁיםשלשיםshe.lo.ShimthirtyH7970HNcmpa וְ/שָׁלֹשׁ֙ו/שלש֙וְ/שָׁלֹשׁו/שלשve./sha.Loshand/ threeH9002H7969HC+Ncbsa שָׁנָ֔השנ֔השָׁנָהשנהsha.Nahyear[s]H8141HNcfsa יִשְׂרָאֵ֖לישרא֖ליִשְׂרָאֵלישראלYis.ra.'ElIsraelH3478HNpl וִ/יהוּדָֽה\׃ו/יהודה\וִ/יהוּדָֽה\׃ו/יהודה\vi./hu.Dahand/ JudahH9002H3063G\H9016HC+Npl 6 En de koning toog met zijn mannen naar Jeruzalem, tegen de Jebusieten, die in dat land woonden. En zij spraken tot David, zeggende: Gij zult hier niet inkomen, maar de blinden en kreupelen zullen u afdrijven; dat is te zeggen: David zal hier niet inkomen.12345
וַ/יֵּ֨לֶךְו/י֨לךוַ/יֵּלֶךְו/ילךva/i.Ye.lekhand/ he wentH9001H1980GHc+Vqw3ms הַ/מֶּ֤לֶךְה/מ֤לךהַ/מֶּלֶךְה/מלךha./Me.lekhthe/ kingH9009H4428GHTd+Ncmsa וַֽ/אֲנָשָׁי/ו֙ו/אנשי/ו֙וַֽ/אֲנָשָׁי/וו/אנשי/וva./'a.na.Sha/vand/ men/ hisH9002H0582H9023HC+Ncmpc+Sp3ms יְר֣וּשָׁלִַ֔םיר֣ושל֔םיְרוּשָׁלִַםירושלםye.Ru.sha.LimJerusalemH3389HNpl הַ/יְבֻסִ֖יה/יבס֖יהַ/יְבֻסִיה/יבסיha/y.vu.Sithe/ Jebusite[s]H9009H2983GHTd+Ngmsa יוֹשֵׁ֣ביוש֣ביוֹשֵׁביושבyo.Shev[the] inhabitant[s] ofH3427HVqrmsc הָ/אָ֑רֶץה/א֑רץהָ/אָרֶץה/ארץha./'A.retzthe/ landH9009H0776GHTd+Ncfsa וַ/יֹּ֨אמֶרו/י֨אמרוַ/יֹּאמֶרו/יאמרva/i.Yo.merand/ it saidH9001H0559Hc+Vqw3ms לְ/דָוִ֤דל/דו֤דלְ/דָוִדל/דודle./da.Vidto/ DavidH9005H1732HR+Npm לֵ/אמֹר֙ל/אמר֙לֵ/אמֹרל/אמרle./Mor<to>/ sayingH9005H0559HR+Vqcc תָב֣וֹאתב֣ואתָבוֹאתבואta.Vo'you will comeH0935GHVqi2ms הֵ֔נָּהה֔נההֵנָּההנהHe.nahhereH2008HD הֱסִֽירְ/ךָ֗הסיר/ך֗הֱסִֽירְ/ךָהסיר/ךhe.si.re./Khahe will turn aside/ youH5493IH9031HVhp3ms+Sp2ms הַ/עִוְרִ֤יםה/עור֤יםהַ/עִוְרִיםה/עוריםha./'iv.Rimthe/ blind [people]H9009H5787HTd+Aampa וְ/הַ/פִּסְחִים֙ו/ה/פסחים֙וְ/הַ/פִּסְחִיםו/ה/פסחיםve./ha./pis.Chimand/ the/ lame [people]H9002H9009H6455HC+Td+Aampa לֵ/אמֹ֔רל/אמ֔רלֵ/אמֹרל/אמרle./Mor<to>/ sayingH9005H0559HR+Vqcc יָב֥וֹאיב֥ואיָבוֹאיבואya.Vo'he will comeH0935GHVqi3ms דָוִ֖דדו֖דדָוִדדודda.VidDavidH1732HNpm - toog Zonder twijfel door Gods raad en met toestemming der gezanten en oudsten van Israël, die bij hem geweest waren, vs.3.
- mannen Dat is, krijgslieden, gelijk in de voorgaande hoofstukken dikwijls.
- Jeruzalem, Tevoren genoemd Jebus, Jdg 19:10, en Salem, Gen 14:18; Psa 76:2-3, zijnde de plaats, die van God verkoren was om aldaar zijn naam te zetten en den stoel des koninkrijks van gans Israël op te richten, toebehorende Juda [Davids stam] en Benjamin.
- Jebusieten, Die tot dezen tijd toe Jeruzalem hadden ingenomen, of immers het meeste en sterkste deel, te weten, het slot. Zie Jdg 1:8, en Jdg 19:12.
- blinden en kreupelen zullen u afdrijven; Dien zij, [naar sommiger gevoelen] tot Davids spijt en spot de vesting in bewaring hadden gegeven, willende daarmede tonen dat de plaats van zichzelve zo vast en sterk was, dat ook kreupelen en blinden die tegen David zouden kunnen beschermen. Anders, tenzij dat gij die blinden en kreupelen wegneemt, of wegdoet; waardoor enigen verstaan der Jebusieten afgodische beelden, die zij, als patronen en beschermers, het slot toevertrouwden, noemende die blinden en kreupelen naar Davids en der Israëlieten gevoelen, maar menen dat zij wel anders zouden bevinden. Anderen verstaan door de blinden en kreupelen de soldaten van David, die zij zo verwijtelijk schelden, alsof zij zeiden: Het moesten andere krijgslieden doen dan uw volk.
7 Maar David nam den burg Sion in; dezelve is de stad Davids.1
וַ/יִּלְכֹּ֣דו/ילכ֣דוַ/יִּלְכֹּדו/ילכדva/i.yil.Kodand/ he capturedH9001H3920Hc+Vqw3ms דָּוִ֔דדו֔דדָּוִדדודda.VidDavidH1732HNpm אֵ֖תא֖תאֵתאת'et<obj.>H0853HTo מְצֻדַ֣תמצד֣תמְצֻדַתמצדתme.tzu.Dat[the] stronghold ofH4686BHNcfsc צִיּ֑וֹןצי֑וןצִיּוֹןציוןtzi.YonZionH6726HNpl הִ֖יאה֖יאהִיאהיאhi'itH1931HPp3fs עִ֥ירע֥ירעִירעיר'ir[is] [the] city ofH5892BHNcfsc - de stad Davids Zie vs.9, en 1Ki 2:10.
8 Want David zeide ten zelfden dage: Al wie de Jebusieten slaat, en geraakt aan die watergoot, en die kreupelen, en die blinden, die van Davids ziel gehaat zijn, die zal tot een hoofd en tot een overste zijn; daarom zegt men: Een blinde en kreupele zal in het huis niet komen.123456
וַ/יֹּ֨אמֶרו/י֨אמרוַ/יֹּאמֶרו/יאמרva/i.Yo.merand/ he saidH9001H0559Hc+Vqw3ms דָּוִ֜דדו֜דדָּוִדדודda.VidDavidH1732HNpm בַּ/יּ֣וֹםב/י֣וםבַּ/יּוֹםב/יוםba/i.Yomon the/ dayH9003H3117GHRd+Ncmsa הַ/ה֗וּאה/ה֗ואהַ/הוּאה/הואha./Hu'<the>/ thatH9009H1931HTd+Pp3ms מַכֵּ֤המכ֤המַכֵּהמכהma.Keh[one who] strikesH5221HVhrmsc יְבֻסִי֙יבסי֙יְבֻסִייבסיye.vu.Si<of> a JebusiteH2983GHNgmsa וְ/יִגַּ֣עו/יג֣עוְ/יִגַּעו/יגעve./yi.Ga'and/ let him approachH9002H5060HC+Vqu3ms בַּ/צִּנּ֔וֹרב/צנ֔ורבַּ/צִּנּוֹרב/צנורba./tzi.Norby the/ water tunnelH9003H6794HRd+Ncmsa הַ/פִּסְחִים֙ה/פסחים֙הַ/פִּסְחִיםה/פסחיםha./pis.Chimthe/ lame [people]H9009H6455HTd+Aampa הַ֣/עִוְרִ֔יםה֣/עור֔יםהַ/עִוְרִיםה/עוריםha./'iv.Rimthe/ blind [people]H9009H5787HTd+Aampa שְׂנֻאֵ֖ישנא֖ישְׂנֻאֵישנאיse.nov[who are] hatedH8130HVqsmpc נֶ֣פֶשׁנ֣פשנֶפֶשׁנפשNe.feshof [the] self ofH5315GHNcfsc דָּוִ֑דדו֑דדָּוִדדודda.VidDavidH1732HNpm כֵּן֙כן֙כֵּןכןken-foreH3651CHD יֹֽאמְר֔וּיאמר֔ויֹֽאמְרוּיאמרוyo.me.Rupeople sayH0559HVqi3mp עִוֵּ֣רעו֣רעִוֵּרעור'i.Vera blind [person]H5787HAamsa וּ/פִסֵּ֔חַו/פס֔חוּ/פִסֵּחַו/פסחu./fi.Se.achand/ a lame [person]H9002H6455HC+Aamsa לֹ֥אל֥אלֹאלאlo'notH3808HTn יָב֖וֹאיב֖ואיָבוֹאיבואya.Vo'he will goH0935GHVqi3ms - slaat, Versta, die de eerste en voorste zal zijn in het slaan der Jebusieten. Zie 1Ch 11:6.
- watergoot, Of, kanaal, buis, waterleiding, sluis; dat is, binnen de vesting, waar deze watergoot, mitsgaders de lammen en blinden lagen, of waar de afgoden opgericht waren.
- gehaat zijn, Vanwege de bespotting der Jebusieten, boven, vs.6. Of versta, der Jebusieten, afgoden, die Davids ziel haatte. Anders, [want de kreupelen en blinden zijn van Davids ziel gehaat], dat is, David heeft geen lam en blind volk lief, maar kloeke krijgslieden.
- zal tot een hoofd en tot een overste zijn Deze woorden zijn tot aanvulling van Davids redenen hier ingevoegd uit 1Ch 11:6. Sommigen verstaan het dat men het alzo hier kan nemen, dat de belofte van beloning verzwegen kan zijn, als in het eedzweren en anderszins wel gebruikelijk is.
- daarom zegt men Dat is, tot gedachtenis van deze aanmerkelijke geschiedenis is dit spreekwoord gebleven.
- Een blinde en kreupele zal in het huis niet komen Of, daar is een blinde en lamme; [dat is, daar zijn blinden en lammen] hij zal er niet binnen komen. Om zo te bespotten een zorgeloze, of degenen, die op ijdele en nietige hulp trots zijnde en roemende, zich bedrogen vinden, gelijk de Jebusieten in hun roem op de blinden en kreupelen tegen David. Sommigen menen dat men te dien tijde tot ene gedachtenis besloten heeft, geen blinden en lammen binnen den burg Zion meer te laten komen. Eenigen menen de zin te zijn, dat het kloeke krijgslieden moeten zijn, die een vaste plaats zullen innemen.
9 Alzo woonde David in den burg en noemde dien Davids stad. En David bouwde rondom van Millo af en binnenwaarts.12
וַ/יֵּ֤שֶׁבו/י֤שבוַ/יֵּשֶׁבו/ישבva/i.Ye.shevand/ he dweltH9001H3427Hc+Vqw3ms דָּוִד֙דוד֙דָּוִדדודda.VidDavidH1732HNpm בַּ/מְּצֻדָ֔הב/מצד֔הבַּ/מְּצֻדָהב/מצדהba./me.tzu.Dahin the/ strongholdH9003H4686BHRd+Ncfsa וַ/יִּקְרָא\־ו/יקרא\וַ/יִּקְרָא\־ו/יקרא\va/i.yik.ra'-and/ he calledH9001H7121H\H9014Hc+Vqw3ms לָ֖/הּל֖/הלָ/הּל/הla/h<to> <the>/ itH9005H9034HRd+Sp3fs עִ֣ירע֣ירעִירעיר'ir[the] city ofH5892BHNcfsc דָּוִ֑דדו֑דדָּוִדדודda.VidDavidH1732HNpm וַ/יִּ֤בֶןו/י֤בןוַ/יִּבֶןו/יבןva/i.Yi.venand/ he builtH9001H1129Hc+Vqw3ms דָּוִד֙דוד֙דָּוִדדודda.VidDavidH1732HNpm סָבִ֔יבסב֔יבסָבִיבסביבsa.Vivround aboutH5439GHNcbsa הַ/מִּלּ֖וֹאה/מל֖ואהַ/מִּלּוֹאה/מלואha./mi.Lo'the/ MilloH9009H4407HTd+Ncmsa וָ/בָֽיְתָ/ה\׃ו/בית/ה\וָ/בָֽיְתָ/ה\׃ו/בית/ה\va./Va.ye.ta/hand/ [the] inside/ towardsH9002H1004OH9011\H9016HC+Ncmsa+Sd - bouwde En Joab bouwde de rest, 1Ch 11:8.
- Millo af en binnenwaarts Van Millo, zie 1Ki 9:15, en Jdg 9:6.
10 David nu ging geduriglijk voort, en werd groot; want de Heere, de God der heirscharen, was met hem.123
וַ/יֵּ֥לֶךְו/י֥לךוַ/יֵּלֶךְו/ילךva/i.Ye.lekhand/ he wentH9001H1980LHc+Vqw3ms דָּוִ֖דדו֖דדָּוִדדודda.VidDavidH1732HNpm הָל֣וֹךְהל֣וךהָלוֹךְהלוךha.LokhgoingH1980LHVqaa וְ/גָד֑וֹלו/גד֑ולוְ/גָדוֹלו/גדולve./ga.Doland/ becoming greatH9002H1431HC+Vqaa וַ/יהוָ֛הו/יהו֛הוַ/יהוָהו/יהוהva./Yah.wehand/ YahwehH9002H3068GHC+Npt אֱלֹהֵ֥יאלה֥יאֱלֹהֵיאלהי'e.lo.Hei[the] God ofH0430GHNcmpc צְבָא֖וֹתצבא֖ותצְבָאוֹתצבאותtze.va.'othostsH6635BHNcfpa - ging geduriglijk voort, Hebreeuws, ging gaande en groot wordende; dat is, werd van tijd tot tijd hoe langer hoe machtiger.
- heirscharen, Zie 1Ki 18:15.
- was met hem Zie Gen 21:22, en Gen 26:24; Num 14:9.
11 En Hiram, de koning van Tyrus, zond boden tot David, en cederenhout, en timmerlieden, en metselaars; en zij bouwden David een huis.1234
וַ֠/יִּשְׁלַחו֠/ישלחוַ/יִּשְׁלַחו/ישלחVa/i.yish.lachand/ he sentH9001H7971GHc+Vqw3ms חִירָ֨םחיר֨םחִירָםחירםchi.RamHiramH2438GHNpm מֶֽלֶךְ\־מלך\מֶֽלֶךְ\־מלך\Me.lekh-[the] king ofH4428G\H9014HNcmsc צֹ֥רצ֥רצֹרצרtzorTyreH6865HNpl מַלְאָכִים֮מלאכים֮מַלְאָכִיםמלאכיםmal.'a.KhimmessengersH4397GHNcmpa דָּוִד֒דוד֒דָּוִדדודda.VidDavidH1732HNpm וַ/עֲצֵ֣יו/עצ֣יוַ/עֲצֵיו/עציva./'a.Tzeiand/ trees ofH9002H6086HHC+Ncmpc אֲרָזִ֔יםארז֔יםאֲרָזִיםארזים'a.ra.ZimcedarsH0730HNcmpa וְ/חָרָשֵׁ֣יו/חרש֣יוְ/חָרָשֵׁיו/חרשיve./cha.ra.Sheiand/ craftsmen ofH9002H2796HC+Ncmpc עֵ֔ץע֔ץעֵץעץ'EtzwoodH6086KHNcmsa וְ/חָֽרָשֵׁ֖יו/חרש֖יוְ/חָֽרָשֵׁיו/חרשיve./cha.ra.Sheiand/ craftsmen ofH9002H2796HC+Ncmpc אֶ֣בֶןא֣בןאֶבֶןאבן'E.ven[the] stone ofH0068GHNcfsc קִ֑ירק֑ירקִירקירKira wallH7023HNcmsa וַ/יִּבְנֽוּ\־ו/יבנו\וַ/יִּבְנֽוּ\־ו/יבנו\va/i.yiv.nu-and/ they builtH9001H1129\H9014Hc+Vqw3mp בַ֖יִתב֖יתבַיִתביתVa.yita houseH1004BHNcmsa - Hiram, Hebreeuws, Chiram
- Tyrus, Hebreeuws, Tsor. Een zeer vermaarde, machtige, koninklijke koopstad, gelegen aan en in de zee bij de westelijke grenzen van den stam Aser. Zie ook Jos 19:29.
- timmerlieden, Hebreeuws, meesters, of, kunstenaars van hout
- metselaars; Hebreeuws, kunstenaars, of meesters van steen des wands, of wandsteen.
12 En David merkte, dat de Heere hem tot een koning over Israël bevestigd had, en dat Hij zijn koninkrijk verheven had, om Zijns volks Israëls wil.12
וַ/יֵּ֣דַעו/י֣דעוַ/יֵּדַעו/ידעva/i.Ye.da'and/ he knewH9001H3045Hc+Vqw3ms דָּוִ֔דדו֔דדָּוִדדודda.VidDavidH1732HNpm הֱכִינ֧/וֹהכינ֧/והֱכִינ/וֹהכינ/וhe.khi.N/ohe had appointed/ himH3559HH9033HVhp3ms+Sp3ms יְהוָ֛היהו֛היְהוָהיהוהYah.wehYahwehH3068GHNpt לְ/מֶ֖לֶךְל/מ֖לךלְ/מֶלֶךְל/מלךle./Me.lekhto/ kingH9005H4428GHR+Ncmsa יִשְׂרָאֵ֑לישרא֑ליִשְׂרָאֵלישראלYis.ra.'ElIsraelH3478HNpl נִשֵּׂ֣אנש֣אנִשֵּׂאנשאni.Se'he had exaltedH5375LHVpp3ms מַמְלַכְתּ֔/וֹממלכת֔/ומַמְלַכְתּ/וֹממלכת/וmam.lakh.T/okingdom/ hisH4467H9023HNcfsc+Sp3ms בַּ/עֲב֖וּרב/עב֖ורבַּ/עֲבוּרב/עבורba./'a.Vurfor/sake ofH9003H5668HR+Ncmsc עַמּ֥/וֹעמ֥/ועַמּ/וֹעמ/וa.M/opeople/ hisH5971AH9023HNcmsc+Sp3ms - bevestigd had, Dat is, hij werd door bevinding van Gods genadigen zegen en bijstand, zo in het geestelijke als lichamelijke hoe langer hoe meer versterkt en verzekerd van zijn beroep tot het koninkrijk over Israël.
- om Zijns volks Israëls wil Dat is, ten beste van zijn kerk.
13 En David nam meer bijwijven, en vrouwen van Jeruzalem, nadat hij van Hebron gekomen was; en David werden meer zonen en dochteren geboren.1
וַ/יִּקַּח֩ו/יקח֩וַ/יִּקַּחו/יקחva/i.yi.Kachand/ he tookH9001H3947GHc+Vqw3ms דָּוִ֨דדו֨דדָּוִדדודda.VidDavidH1732HNpm ע֜וֹדע֜ודעוֹדעודodagainH5750HAcmsa פִּֽלַגְשִׁ֤יםפלגש֤יםפִּֽלַגְשִׁיםפלגשיםpi.lag.ShimconcubinesH6370HNcmpa וְ/נָשִׁים֙ו/נשים֙וְ/נָשִׁיםו/נשיםve./na.Shimand/ wivesH9002H0802HHC+Ncmpa מִ/יר֣וּשָׁלִַ֔םמ/יר֣ושל֔םמִ/ירוּשָׁלִַםמ/ירושלםmi./Ru.sha.Limfrom/ JerusalemH9006H3389HR+Npl אַחֲרֵ֖יאחר֖יאַחֲרֵיאחרי'a.cha.ReiafterH0310AHAcmpc בֹּא֣/וֹבא֣/ובֹּא/וֹבא/וbo.'/Ocame/ heH0935GH9043HVqcc+Sp3ms מֵ/חֶבְר֑וֹןמ/חבר֑וןמֵ/חֶבְרוֹןמ/חברוןme./chev.Ronfrom/ HebronH9006H2275AHR+Npl וַ/יִּוָּ֥לְדּוּו/יו֥לדווַ/יִּוָּלְדּוּו/יולדוva/i.yi.Val.duand/ they were bornH9001H3205Hc+VNw3mp ע֛וֹדע֛ודעוֹדעודodagainH5750HAcmsa לְ/דָוִ֖דל/דו֖דלְ/דָוִדל/דודle./da.Vidto/ DavidH9005H1732HR+Npm בָּנִ֥יםבנ֥יםבָּנִיםבניםba.NimsonsH1121AHNcmpa וּ/בָנֽוֹת\׃ו/בנות\וּ/בָנֽוֹת\׃ו/בנות\u./va.Notand/ daughtersH9002H1323G\H9016HC+Ncfpa - bijwijven, Zie van bijwijven, Gen 22:24.
14 En dit zijn de namen dergenen, die hem te Jeruzalem geboren zijn: Schammua, en Schobab, en Nathan, en Salomo.12
וְ/אֵ֗לֶּהו/א֗להוְ/אֵלֶּהו/אלהve./'E.lehand/ theseH9002H0428HC+Tm שְׁמ֛וֹתשמ֛ותשְׁמוֹתשמותshe.Mot[are] [the] names ofH8034HNcfpc הַ/יִּלֹּדִ֥יםה/ילד֥יםהַ/יִּלֹּדִיםה/ילדיםhai./yi.lo.Dimthe/ [ones] bornH9009H3209HTd+Aampa ל֖/וֹל֖/ול/וֹל/וl/oto <the>/ himH9005H9033HRd+Sp3ms בִּ/ירוּשָׁלִָ֑םב/ירושל֑םבִּ/ירוּשָׁלִָםב/ירושלםbi./ru.sha.Limin/ JerusalemH9003H3389HR+Npl שַׁמּ֣וּעַשמ֣ועשַׁמּוּעַשמועsha.Mu.a'ShammuaH8051HHNpm וְ/שׁוֹבָ֔בו/שוב֔בוְ/שׁוֹבָבו/שובבve./sho.Vavand/ ShobabH9002H7727GHC+Npm וְ/נָתָ֖ןו/נת֖ןוְ/נָתָןו/נתןve./na.Tanand/ NathanH9002H5416GHC+Npm וּ/שְׁלֹמֹֽה\׃ו/שלמה\וּ/שְׁלֹמֹֽה\׃ו/שלמה\u./she.lo.Mohand/ SolomonH9002H8010\H9016HC+Npm - Schammua, Ook genoemd Schima, 1Ch 3:5.
- Sálomo Hebreeuws, Schelomoh.
15 En Ibchar, en Elischua en Nefeg, en Jafia,1
וְ/יִבְחָ֥רו/יבח֥רוְ/יִבְחָרו/יבחרve./yiv.Charand/ IbharH9002H2984HC+Npm וֶ/אֱלִישׁ֖וּעַו/אליש֖ועוֶ/אֱלִישׁוּעַו/אלישועve./'e.li.Shu.a'and/ ElishuaH9002H0474HC+Npm וְ/נֶ֥פֶגו/נ֥פגוְ/נֶפֶגו/נפגve./Ne.fegand/ NephegH9002H5298HHC+Npm וְ/יָפִֽיעַ\׃ו/יפיע\וְ/יָפִֽיעַ\׃ו/יפיע\ve./ya.Fi.a'and/ JaphiaH9002H3309I\H9016HC+Npm - Elischua Ook genoemd Elischama, 1Ch 3:6.
16 En Elischama, en Eljada, en Elifeleth.1
וֶ/אֱלִישָׁמָ֥עו/אלישמ֥עוֶ/אֱלִישָׁמָעו/אלישמעve./'e.li.sha.Ma'and/ ElishamaH9002H0476HHC+Npm וְ/אֶלְיָדָ֖עו/אליד֖עוְ/אֶלְיָדָעו/אלידעve./'el.ya.Da'and/ EliadaH9002H0450GHC+Npm וֶ/אֱלִיפָֽלֶט\׃\ \פו/אליפלט\\ \פוֶ/אֱלִיפָֽלֶט\׃\ \פו/אליפלט\\ \פve./'e.li.Fa.letand/ ElipheletH9002H0467G\H9016\ \H9017HC+Npm - Eljada, Ook genoemd Beëliada, 1Ch 14:7.
17 Als nu de Filistijnen hoorden, dat zij David ten koning over Israël gezalfd hadden, zo togen alle Filistijnen op om David te zoeken; en David, dat horende, toog af, naar den burg.12345
וַ/יִּשְׁמְע֣וּו/ישמע֣ווַ/יִּשְׁמְעוּו/ישמעוva/i.yish.me.'Uand/ they heardH9001H8085GHc+Vqw3mp פְלִשְׁתִּ֗יםפלשת֗יםפְלִשְׁתִּיםפלשתיםfe.lish.Tim[the] PhilistinesH6430GHNgmpa מָשְׁח֨וּמשח֨ומָשְׁחוּמשחוma.she.Chupeople had anointedH4886HVqp3cp דָּוִ֤דדו֤דדָּוִדדודda.VidDavidH1732HNpm לְ/מֶ֙לֶךְ֙ל/מ֙לך֙לְ/מֶלֶךְל/מלךle./Me.lekhto/ kingH9005H4428GHR+Ncmsa יִשְׂרָאֵ֔לישרא֔ליִשְׂרָאֵלישראלYis.ra.'ElIsraelH3478HNpl וַ/יַּעֲל֥וּו/יעל֥ווַ/יַּעֲלוּו/יעלוva/i.ya.'a.Luand/ they went upH9001H5927GHc+Vqw3mp פְּלִשְׁתִּ֖יםפלשת֖יםפְּלִשְׁתִּיםפלשתיםpe.lish.Tim[the] PhilistinesH6430GHNgmpa לְ/בַקֵּ֣שׁל/בק֣שלְ/בַקֵּשׁל/בקשle./va.Keshto/ seekH9005H1245HR+Vpcc דָּוִ֑דדו֑דדָּוִדדודda.VidDavidH1732HNpm וַ/יִּשְׁמַ֣עו/ישמ֣עוַ/יִּשְׁמַעו/ישמעva/i.yish.Ma'and/ he heardH9001H8085GHc+Vqw3ms דָּוִ֔דדו֔דדָּוִדדודda.VidDavidH1732HNpm וַ/יֵּ֖רֶדו/י֖רדוַ/יֵּרֶדו/ירדva/i.Ye.redand/ he went downH9001H3381Hc+Vqw3ms הַ/מְּצוּדָֽה\׃ה/מצודה\הַ/מְּצוּדָֽה\׃ה/מצודה\ha./me.tzu.Dahthe/ strongholdH9009H4686B\H9016HTd+Ncfsa - Als nu de Filistijnen hoorden, Vergelijk hiermede de wederhaling van deze geschiedenis, gedaan 1Ch 14:8, enz.
- zij David ten koning over Israël gezalfd hadden, Te weten, de Israëlieten.
- zoeken; Om hem, als een vreselijken vijand, intijds te overvallen en met gemener hand te slaan.
- toog af, Met zijn krijgsvolk.
- burg Om met zijn leger zich bij den burg te onthouden, totdat hij wat zeker mocht hebben besloten. Zie 1Ch 14:8.
18 En de Filistijnen kwamen en verspreidden zich in het dal Refaim.1
וּ/פְלִשְׁתִּ֖יםו/פלשת֖יםוּ/פְלִשְׁתִּיםו/פלשתיםu./fe.lish.Timand/ [the] PhilistinesH9002H6430GHC+Ngmpa בָּ֑אוּב֑אובָּאוּבאוBa.'uthey cameH0935GHVqp3cp וַ/יִּנָּטְשׁ֖וּו/ינטש֖ווַ/יִּנָּטְשׁוּו/ינטשוva/i.yi.na.te.Shuand/ they were spread outH9001H5203Hc+VNw3mp בְּ/עֵ֥מֶקב/ע֥מקבְּ/עֵמֶקב/עמקbe./'E.mekin/ [the] valley ofH9003H6010PHR+Ncmsc רְפָאִֽים\׃רפאים\רְפָאִֽים\׃רפאים\re.fa.'ImRephaimH7497G\H9016HNpm - Refaïm Of, der grenzen. Zie Gen 14:5. Dit dal lag in Juda, Jos 15:8. Of, aan de noordelijke grenzen van Juda, in Benjamin, ten westen van Jeruzalem.
19 Zo vraagde David den Heere, zeggende: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen? Zult Gij ze in mijn hand geven? En de Heere zeide tot David: Trek op, want Ik zal de Filistijnen zekerlijk in uw hand geven.12
וַ/יִּשְׁאַ֨לו/ישא֨לוַ/יִּשְׁאַלו/ישאלva/i.yish.'Aland/ he enquiredH9001H7592Hc+Vqw3ms דָּוִ֤דדו֤דדָּוִדדודda.VidDavidH1732HNpm בַּֽ/יהוָה֙ב/יהוה֙בַּֽ/יהוָהב/יהוהba./Yah.wehby/ YahwehH9003H3068GHR+Npt לֵ/אמֹ֔רל/אמ֔רלֵ/אמֹרל/אמרle./Mor<to>/ sayingH9005H0559HR+Vqcc הַ/אֶֽעֱלֶה֙ה/אעלה֙הַ/אֶֽעֱלֶהה/אעלהha./'e.'e.Leh¿/ will I go upH9008H5927GHTi+Vqi1cs פְּלִשְׁתִּ֔יםפלשת֔יםפְּלִשְׁתִּיםפלשתיםpe.lish.Tim[the] PhilistinesH6430GHNgmpa הֲ/תִתְּנֵ֖/םה/תתנ֖/םהֲ/תִתְּנֵ/םה/תתנ/םha./ti.te.Ne/m¿/ will you give/ themH9008H5414GH9038HTi+Vqi2ms+Sp3mp בְּ/יָדִ֑/יב/יד֑/יבְּ/יָדִ/יב/יד/יbe./ya.D/iin/ hand/ myH9003H3027HH9020HR+Ncbsc+Sp1bs וַ/יֹּ֨אמֶרו/י֨אמרוַ/יֹּאמֶרו/יאמרva/i.Yo.merand/ he saidH9001H0559Hc+Vqw3ms יְהוָ֤היהו֤היְהוָהיהוהYah.wehYahwehH3068GHNpt דָּוִד֙דוד֙דָּוִדדודda.VidDavidH1732HNpm עֲלֵ֔העל֔העֲלֵהעלה'a.Lehgo upH5927GHVqv2ms נָתֹ֥ןנת֥ןנָתֹןנתןna.Toncertainly <to give>H5414GHVqaa אֶתֵּ֛ןאת֛ןאֶתֵּןאתן'e.TenI will giveH5414GHVqi1cs הַ/פְּלִשְׁתִּ֖יםה/פלשת֖יםהַ/פְּלִשְׁתִּיםה/פלשתיםha./pe.lish.Timthe/ PhilistinesH9009H6430GHTd+Ngmpa - vraagde David den HEERE, Vergelijk 1Sa 23:9, en 1Sa 30:7, en 2Sa 2:1, enz.
- zekerlijk in uw hand geven Hebreeuws, gevende geven.
20 Toen kwam David te Baäl-perazim; en David sloeg hen aldaar, en zeide: De Heere heeft mijn vijanden voor mijn aangezicht gescheurd, als een scheur der wateren; daarom noemde hij den naam derzelve plaats, Baäl-perazim.123
וַ/יָּבֹ֨או/יב֨אוַ/יָּבֹאו/יבאva/i.ya.Vo'and/ he wentH9001H0935GHc+Vqw3ms דָוִ֥דדו֥דדָוִדדודda.VidDavidH1732HNpm פְּרָצִים֮פרצים֮פְּרָצִיםפרציםpe.ra.TzimPerazimH1188HNpl וַ/יַּכֵּ֣/םו/יכ֣/םוַ/יַּכֵּ/םו/יכ/םva/i.ya.Ke/mand/ he struck down/ themH9001H5221H9038Hc+Vhw3ms+Sp3mp שָׁ֣םש֣םשָׁםשםshamthereH8033GHD דָּוִד֒דוד֒דָּוִדדודda.VidDavidH1732HNpm וַ/יֹּ֕אמֶרו/י֕אמרוַ/יֹּאמֶרו/יאמרva/i.Yo.merand/ he saidH9001H0559Hc+Vqw3ms פָּרַ֨ץפר֨ץפָּרַץפרץpa.Ratzhe has burst throughH6555HVqp3ms יְהוָ֧היהו֧היְהוָהיהוהYah.wehYahwehH3068GHNpt אֹיְבַ֛/יאיב֛/יאֹיְבַ/יאיב/י'o.ye.Va/ienemies/ myH0341H9020HVqrmpc+Sp1bs לְ/פָנַ֖/יל/פנ֖/ילְ/פָנַ/יל/פנ/יle./fa.Na/i<to>/ before/ meH9005H6440GH9020HR+Ncmpc+Sp1bs כְּ/פֶ֣רֶץכ/פ֣רץכְּ/פֶרֶץכ/פרץke./Fe.retzlike/ a bursting out ofH9004H6556HR+Ncmsc מָ֑יִםמ֑יםמָיִםמיםMa.yimwaterH4325GHNcmpa כֵּ֗ןכ֗ןכֵּןכןKen-foreH3651CHD קָרָ֛אקר֛אקָרָאקראka.Ra'someone calledH7121HHVqp3ms שֵֽׁם\־שם\שֵֽׁם\־שם\shem-[the] name ofH8034\H9014HNcmsc הַ/מָּק֥וֹםה/מק֥וםהַ/מָּקוֹםה/מקוםha./ma.Komthe/ placeH9009H4725HTd+Ncmsa הַ/ה֖וּאה/ה֖ואהַ/הוּאה/הואha./Hu'<the>/ thatH9009H1931HTd+Pp3ms בַּ֥עַלב֥עלבַּעַלבעלBa.'alBaalH1188HNpl פְּרָצִֽים\׃פרצים\פְּרָצִֽים\׃פרצים\pe.ra.TzimPerazimH1188\H9016HNpl - Baäl-perázim Alzo naderhand van David genoemd, gelijk in het volgende verhaald wordt.
- De HEERE Of, de HEERE is door mijn vijanden heen doorgebroken, voor mijn aangezicht, gelijk een waterbreuk, of, inbreuk, doorbreking van wateren. De zin schijnt te wezen dat God door zijn macht en Davids dienst [ 1Ch 14:11 ] de Filistijnen had overvallen en nedergestort, gelijk wateren met macht en sterkelijk doorbreken, en alles overlopen en nedervellen; of, zo licht als water verloopt of, zo licht als water verloopt of gedeeld en verstrooid wordt, heeft God de Filistijnen van elkander verstrooid.
- Baäl-perázim Dat is, heer, of, meester, bezitter van scheuren, breuken, doorbrekingen; dat is, het plein, of effen der scheuren, de plaats der scheuren.
21 En zij lieten hun afgoden aldaar; en David en zijn mannen namen ze op.123
וַ/יַּעַזְבוּ\־ו/יעזבו\וַ/יַּעַזְבוּ\־ו/יעזבו\va/i.ya.'az.vu-and/ they abandonedH9001H5800A\H9014Hc+Vqw3mp שָׁ֖םש֖םשָׁםשםshamthereH8033GHD עֲצַבֵּי/הֶ֑םעצבי/ה֑םעֲצַבֵּי/הֶםעצבי/הם'a.tza.bei./Hemidols/ theirH6091H9028HNcmpc+Sp3mp וַ/יִּשָּׂאֵ֥/םו/ישא֥/םוַ/יִּשָּׂאֵ/םו/ישא/םva/i.yi.sa.'E/mand/ he carried off/ themH9001H5375HH9038Hc+Vqw3ms+Sp3mp דָּוִ֖דדו֖דדָּוִדדודda.VidDavidH1732HNpm - zij lieten De Filistijnen, die hun afgoden hadden medegenomen, menende door derzelver tegenwoordigheid zeker victorie te bekomen.
- afgoden aldaar; Het Hebreeuwse woord betekent smarten, wedommen, omdat dit de vruchten der afgoderij zijn. Zie 1Sa 31:9.
- namen ze op Om die, volgens Davids bevel, en Gods gebod [ Deu 7:25] ] met vuur te verbranden, gelijk uitdrukkelijk staat 1Ch 14:12. Anders, verbrandde ze, lieten ze opgaan [in het vuur].
22 Daarna togen de Filistijnen weder op; en zij verspreidden zich in het dal Refaim.12
וַ/יֹּסִ֥פוּו/יס֥פווַ/יֹּסִפוּו/יספוva/i.yo.Si.fuand/ they repeatedH9001H3254GHc+Vhw3mp ע֛וֹדע֛ודעוֹדעודodagainH5750HAcmsa פְּלִשְׁתִּ֖יםפלשת֖יםפְּלִשְׁתִּיםפלשתיםpe.lish.Tim[the] PhilistinesH6430GHNgmpa לַֽ/עֲל֑וֹתל/על֑ותלַֽ/עֲלוֹתל/עלותla./'a.Lotto/ go upH9005H5927GHR+Vqcc וַ/יִּנָּֽטְשׁ֖וּו/ינטש֖ווַ/יִּנָּֽטְשׁוּו/ינטשוva/i.yi.na.te.Shuand/ they were spread outH9001H5203Hc+VNw3mp בְּ/עֵ֥מֶקב/ע֥מקבְּ/עֵמֶקב/עמקbe./'E.mekin/ [the] valley ofH9003H6010PHR+Ncmsc רְפָאִֽים\׃רפאים\רְפָאִֽים\׃רפאים\re.fa.'ImRephaimH7497G\H9016HNpm - weder op; Hebreeuws, deden toe, of, voeren voort weder, of, nogmaals op te trekken
- Refaïm Gelijk tevoren. Zie boven, vs.18.
23 En David vraagde den Heere, Dewelke zeide: Gij zult niet optrekken; maar trek om tot achter hen, dat gij aan hen komt van tegenover de moerbezienbomen;1
וַ/יִּשְׁאַ֤לו/ישא֤לוַ/יִּשְׁאַלו/ישאלva/i.yish.'Aland/ he enquiredH9001H7592Hc+Vqw3ms דָּוִד֙דוד֙דָּוִדדודda.VidDavidH1732HNpm בַּֽ/יהוָ֔הב/יהו֔הבַּֽ/יהוָהב/יהוהba./Yah.wehby/ YahwehH9003H3068GHR+Npt וַ/יֹּ֖אמֶרו/י֖אמרוַ/יֹּאמֶרו/יאמרva/i.Yo.merand/ he saidH9001H0559Hc+Vqw3ms לֹ֣אל֣אלֹאלאlo'notH3808HTn תַעֲלֶ֑התעל֑התַעֲלֶהתעלהta.'a.Lehyou must go upH5927GHVqi2ms הָסֵב֙הסב֙הָסֵבהסבha.Sevgo aroundH5437HHVhv2ms אַ֣חֲרֵי/הֶ֔םא֣חרי/ה֔םאַחֲרֵי/הֶםאחרי/הם'a.cha.rei./Hembehind/ themH0310AH9038HAcmpc+Sp3mp וּ/בָ֥אתָו/ב֥אתוּ/בָאתָו/באתu./Va.taand/ you will goH9001H0935GHc+Vqq2ms לָ/הֶ֖םל/ה֖םלָ/הֶםל/הםla./Hemto <the>/ themH9005H9038HRd+Sp3mp מִ/מּ֥וּלמ/מ֥ולמִ/מּוּלמ/מולmi./Mulfrom/ in front ofH9006H4136HR+Ncmsc בְּכָאִֽים\׃בכאים\בְּכָאִֽים\׃בכאים\be.kha.'Im[the] balsam treesH1057\H9016HNcmpa - vraagde den HEERE, Zie boven, vs.19.
24 En het geschiede, als gij hoort het geruis van een gang in de toppen der moerbezienbomen, dan rep u; want alsdan is de Heere voor uw aangezicht uitgegaan, om het heirleger der Filistijnen te slaan.123
וִ֠/יהִיו֠/יהיוִ/יהִיו/יהיVi./hiand/ let it beH9002H1961HC+Vqj3ms כְּֽ/שָׁמְעֲ/ךָ֞כ/שמע/ך֞כְּֽ/שָׁמְעֲ/ךָכ/שמע/ךke./sha.me.'a./khajust as/ hearing/ youH9004H8085GH9041HR+Vqcc+Sp2ms ק֧וֹלק֧ולקוֹלקולKola sound ofH6963HHNcmsc צְעָדָ֛הצעד֛הצְעָדָהצעדהtze.'a.DahmarchingH6807AHNcfsa בְּ/רָאשֵׁ֥יב/ראש֥יבְּ/רָאשֵׁיב/ראשיbe./ra.Sheiin/ [the] tops ofH9003H7218IHR+Ncmpc הַ/בְּכָאִ֖יםה/בכא֖יםהַ/בְּכָאִיםה/בכאיםha./be.kha.'Imthe/ balsam treesH9009H1057HTd+Ncmpa תֶּחֱרָ֑ץתחר֑ץתֶּחֱרָץתחרץte.che.Ratzyou will act decisivelyH2782HVqi2ms יָצָ֤איצ֤איָצָאיצאya.Tza'he has gone outH3318GHVqp3ms יְהוָה֙יהוה֙יְהוָהיהוהYah.wehYahwehH3068GHNpt לְ/פָנֶ֔י/ךָל/פנ֔י/ךלְ/פָנֶי/ךָל/פני/ךle./fa.Nei./kha<to>/ before/ youH9005H6440GH9021HR+Ncmpc+Sp2ms לְ/הַכּ֖וֹתל/הכ֖ותלְ/הַכּוֹתל/הכותle./ha.Kotto/ strikeH9005H5221HR+Vhcc בְּ/מַחֲנֵ֥הב/מחנ֥הבְּ/מַחֲנֵהב/מחנהbe./ma.cha.Neh<in>/ [the] camp ofH9003H4264HR+Ncfsc פְלִשְׁתִּֽים\׃פלשתים\פְלִשְׁתִּֽים\׃פלשתים\fe.lish.Tim[the] PhilistinesH6430G\H9016HNgmpa - geruis van een gang Dat is [gelijk sommigen verstaan], een gedruis als van marcheren, waardoor de tegenwoordigheid der heilige engelen kan worden verstaan.
- rep u; Dat is, maak u op met het krijgsvolk, om de Filistijnen aan te vallen.
- uitgegaan, Zie Jdg 4:14.
25 En David deed alzo, gelijk als de Heere hem geboden had; en hij sloeg de Filistijnen van Geba af, totdat gij komt te Gezer.12
וַ/יַּ֤עַשׂו/י֤עשוַ/יַּעַשׂו/יעשva/i.Ya.'asand/ he didH9001H6213AHc+Vqw3ms דָּוִד֙דוד֙דָּוִדדודda.VidDavidH1732HNpm כַּ/אֲשֶׁ֥רכ/אש֥רכַּ/אֲשֶׁרכ/אשרka./'a.Sherjust/ asH9004H0834DHR+Tr צִוָּ֖/הוּצו֖/הוצִוָּ/הוּצו/הוtzi.Va./huhe had commanded/ himH6680H9033HVpp3ms+Sp3ms יְהוָ֑היהו֑היְהוָהיהוהYah.wehYahwehH3068GHNpt וַ/יַּךְ֙ו/יך֙וַ/יַּךְו/יךva/i.yaKhand/ he struck downH9001H5221Hc+Vhw3ms פְּלִשְׁתִּ֔יםפלשת֔יםפְּלִשְׁתִּיםפלשתיםpe.lish.Tim[the] PhilistinesH6430GHNgmpa מִ/גֶּ֖בַעמ/ג֖בעמִ/גֶּבַעמ/גבעmi./Ge.va'from/ GebaH9006H1387IHR+Npl בֹּאֲ/ךָ֥בא/ך֥בֹּאֲ/ךָבא/ךbo.'a./Khacoming/ youH0935IH9041HVqcc+Sp2ms - Geba Anders doorgaans genoemd Gibea, gelegen in Benjamin. Zie Jdg 19:13, en Jdg 20:10; 1Ch 14:16 staat Gibeon
- te Gezer Gelegen in Efraïm, in het westen naar de zee toe. Zie Jos 16:10.