reltext

Chapter 32

1 Jakob toog ook zijns weegs; en de engelen Gods ontmoetten hem.1

DutSVVA word tags

JakobH3290
weegsH1870
engelenH4397
GodsH430
ontmoettenH6293H8799

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. engelen Om Jakob van Gods tegenwoordigheid en bijstand te meer te verzekeren.

2 En Jakob zeide, met dat hij hen zag: Dit is een heirleger Gods! en hij noemde den naam derzelver plaats Mahanaim.1

DutSVVA word tags

JakobH3290
datH834
heirlegerH4264
GodsH430
naamH8034
derzelverH1931
plaatsH4725
MahanaimH4266

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Mahanáïm. Dat is, twee heirlegers, of een dubbel heirleger, hetzij dat de engelen zich verdeeld hebben in twee legers, om Jakob tussen beide te laten passeren, of omdat er een leger was, bestaande uit engelen, en een ander, bestaande uit Jakobs huisgezin. Te dezer plaatse is naderhand een stad geweest, die Mahanaïm heette, Jos 13:26, en Jos 21:38.

3 En Jakob zond boden uit voor zijn aangezicht tot Ezau, zijn broeder, naar het land Seir, de landstreek van Edom.123

DutSVVA word tags

JakobH3290
bodenH4397
aangezichtH6440
totH413
EzauH6215
broederH251
landH776
SeirH8165
landstreekH7704
EdomH123

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. voor zijn Dat is, vóór zijn aankomst, of eer hij daar komen zou, te weten, om den weg te bereiden tot de gunst zijns broeders. Dergelijke manier van spreken hebben wij Mal 3:1; Mat 11:10; Luk 9:52; en Luk 10:1.
  2. Seïr, Zie boven, Gen 14:6.
  3. van Edom Het landschap Idumea, aan het zuidelijke einde van Judea palende, hebbende zijn naam van Ezau, die ook Edom genoemd wordt, boven, Gen 25:30, en nu woonde in dit land, onder, Gen 36:8, hebbende de vroegere inwoners, te weten de Horieten, daaruit verdreven, Deu 2:12-22.

4 En hij gebood hun, zeggende: Zo zult gij zeggen tot mijn heer, tot Ezau: Zo zegt Jakob, uw knecht: Ik heb als vreemdeling gewoond bij Laban, en heb er tot nu toe vertoefd;1

DutSVVA word tags

hunH853
zeggendeH559H8800
zeggenH559H8799
heerH113
EzauH6215
JakobH3290
knechtH5650
gewoondH1481H8804
LabanH3837
vertoefdH309H8799

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. mijn heer, Hoewel Jakob door het recht der eerstgeboorte een heer was van Ezau, boven, Gen 27:29, nochtans noemt hij zich aldus met behoud van zijn recht, om te beter in zijn gunst en vriendschap door deze vernedering te geraken; te meer, omdat hij nog niet terstond op de bezitting van zijn recht, hetwelk zag op den toekomstigen tijd, gesteld was. Zo deed ook David jegens Saul, 1Sa 24:7, 1Sa 24:9, en 1Sa 26.

5 En ik heb ossen en ezelen, schapen en knechten en maagden; en ik heb gezonden om mijn heer aan te zeggen, opdat ik genade vinde in uw ogen.12

DutSVVA word tags

ossenH7794
ezelenH2543
schapenH6629
knechtenH5650
maagdenH8198
gezondenH7971H8799
heerH113
genadeH2580
ogenH5869

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. aan te Te weten, van mijn aankomst en gelegenheid.
  2. opdat ik Zie boven, Gen 18:3. Hij verzoekt vriendschap, eensdeels om vergetenheid van alle voorgaande onmin; anderdeels om met vrede door het land te mogen trekken.

6 En de boden kwamen weder tot Jakob, zeggende: Wij zijn gekomen tot uw broeder, tot Ezau; en ook trekt hij u tegemoet, en vierhonderd mannen met hem.1

DutSVVA word tags

bodenH4397
totH413
JakobH3290
zeggendeH559H8800
gekomenH935H8804
totH413
broederH251
totH413
EzauH6215
tegemoetH7125H8800
vierhonderdH3967
mannenH376

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. vierhonderd Zonder twijfel gewapend, gelijk af te nemen is uit vs.8, 11.

7 Toen vreesde Jakob zeer, en hem was bange; en hij verdeelde het volk, dat met hem was, en de schapen, en de runderen, en de kemels, in twee heiren;1

DutSVVA word tags

vreesdeH3372H8799
JakobH3290
zeerH3966
verdeeldeH2673H8799
volkH5971
datH834
metH854
schapenH6629
runderenH1241
kemelsH1581
tweeH8147
heirenH4264

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Toen vreesde Uit menselijke zwakheid; te weten, omdat de bode geen andere tijding van Ezau bracht, dan dat hij hem met 400 mannen tegemoet kwam, zonder enig ander bescheid.

8 Want hij zeide: Indiën Ezau op het ene heir komt, en slaat het, zo zal het overgeblevene heir ontkomen.1

DutSVVA word tags

IndiënH518
EzauH6215
eneH259
heirH4264
overgebleveneH7604H8737
heirH4264
ontkomenH6413

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. ontkomen Hebr. zal zijn tot ontkoming, of behoud.

9 Voorts zeide Jakob: O, God mijns vaders Abrahams, en God mijns vaders Izaks, o Heere! Die tot mij gezegd hebt: Keer weder tot uw land, en tot uw maagschap, en Ik zal wel bij u doen!12

DutSVVA word tags

JakobH3290
GodH430
vadersH1
AbrahamsH85
GodH430
vadersH1
IzaksH3327
HeereH3068
totH413
landH776
maagschapH4138

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. O, God mijns Jakob benauwd zijnde, roept het heirleger der engelen, hetwelk hij gezien had, niet aan, maar alleen den waren God.
  2. vaders Abrahams, Dat is, grootvaders.

10 Ik ben geringer dan al deze weldadigheden, en dan al deze trouw, die Gij aan Uw knecht gedaan hebt; want ik ben met mijn staf over deze Jordaan gegaan, en nu ben ik tot twee heiren geworden!1234

DutSVVA word tags

geringerH6994H8804
weldadighedenH2617
trouwH571
dieH834
knechtH5650
wantH3588
stafH4731
overH5674
dezeH2088
JordaanH3383
tweeH8147
heirenH4264
gewordenH1961H8804

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Ik ben geringer Dat is, ik ben geenszins waardig het goede, wat Gij mij vroeger gedaan hebt, ook niet datgene wat ik nu begeer, maar steun alleen op uw genade, en niet op mijn waardigheid of verdiensten.
  2. trouw, die Hebr. waarheid. Zie boven, Gen 24:27.
  3. staf over Versta, een wandelstaf; hiermede geeft Jakob zijn armoede te kennen.
  4. Jordaan Zie boven, Gen 13:10.

11 Ruk mij toch uit mijns broeders hand, uit Ezau’s hand; want ik vreze hem, dat hij niet misschien kome, en mij sla, de moeder met de zonen!1

DutSVVA word tags

tochH4994
broedersH251
handH3027
Ezau’sH6215
handH3027
wantH3588
vrezeH3373
hemH853
misschienH6435
moederH517
zonenH1121

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. met de zonen Of, op de zonen. Een manier van spreken, die levendig uitdrukt hetgeen moeders doen, die de kinderen, in nood zijnde, met haar eigen lichaam en leven zoeken te beschermen, en alzo door de tirannen en met de kinderen tezamen worden omgebracht. Zie Hos 10:14.

12 Gij hebt immers gezegd: Ik zal gewisselijk bij u weldoen, en Ik zal uw zaad stellen als het zand der zee, dat vanwege de menigte niet geteld kan worden!1

DutSVVA word tags

GijH589
gezegdH559H8804
gewisselijkH3190H8687
weldoenH3190H8686
zaadH2233
stellenH7760H8804
zandH2344
datH834
vanwegeH4480
menigteH7230
nietH3808

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. gewisselijk Hebr. ik zal weldoende weldoen.

13 En hij vernachtte aldaar dienzelfden nacht; en hij nam van hetgeen, dat hem in zijn hand kwam, een geschenk voor Ezau zijn broeder;1

DutSVVA word tags

vernachtteH3885H8799
aldaarH8033
dienzelfdenH1931
nachtH3915
handH3027
geschenkH4503
EzauH6215
broederH251

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. hij nam Dat is, hij nam in de haast uit al zijn vee tot een verering voor zijn broeder; daar eensdeels de nacht, anderdeels de vrees voor het aanstaande perijkel hem niet toelieten een grote keus te doen. Anders, van hetgeen wat in zijn vermogen gekomen was; dat is, wat hij verworven had en vermocht.

14 Tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen;

DutSVVA word tags

TweehonderdH3967
geitenH5795
twintigH6242
bokkenH8495
tweehonderdH3967
ooienH7353
twintigH6242
rammenH352

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

15 Dertig zogende kemelinnen met haar veulens, veertig koeien en tien varren, twintig ezelinnen en tien jonge ezels.12

DutSVVA word tags

DertigH7970
zogendeH3243H8688
kemelinnenH1581
veulensH1121
veertigH705
koeienH6510
tienH6235
varrenH6499
twintigH6242
ezelinnenH860
tienH6235
ezelsH5895

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. veulens, Hebr. zonen.
  2. tien jonge Of, ezelveulens.

16 En hij gaf die in de hand zijner knechten, elke kudde bijzonder; en hij zeide tot zijn knechten: Gaat gijlieden door, voor mijn aangezicht, en stelt ruimte tussen kudde en tussen kudde.123

DutSVVA word tags

handH3027
knechtenH5650
elkeH5739
kuddeH5739
bijzonderH909
totH413
knechtenH5650
aangezichtH6440
ruimteH7305
tussenH996
kuddeH5739
tussenH996
kuddeH5739

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. gaf die Een zeer treffelijk geschenk van zoveel honderd beesten, grote en kleine, van bijzondere soorten, die hedendaags een grote som gelds bedragen zouden.
  2. elke kudde Hebr. kudde kudde voor zich alleen. Zie deze manier van spreken boven, Gen 7:2.
  3. ruimte Hebr. eigenl. ademing, en ook ruimte, omdat de ruimte adem geeft. Dit diende daartoe, opdat zijn giften, elk in het bijzonder door zijn broeder bezichtigd zijnde, te aanzienlijker mochten wezen, en zijn gemoed allengskens verzachten; zie onder, vs.20.

17 En hij gebood de eerste, zeggende: Wanneer Ezau, mijn broeder, u ontmoeten zal, en u vragen, zeggende: Wiens zijt gij? en waarheen gaat gij? en wiens zijn deze voor uw aangezicht?12

DutSVVA word tags

eersteH7223
zeggendeH559H8800
WanneerH3588
EzauH6215
broederH251
zeggendeH559H8800
WiensH4310
gijH589
waarheenH575
wiensH4310
dezeH428
aangezichtH6440

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. den eersten, Te weten, den knecht, die de eerste of voorste kudde leidde; en zo vervolgens, van den eerste, tweede, derde, enz.
  2. voor uw Dat is, die gij voor u heen drijft, of die voor u heen gaan.

18 Zo zult gij zeggen: Dat is een geschenk van uw knecht Jakob, gezonden tot mijn heer, tot Ezau, en zie, hij zelf is ook achter ons!1

DutSVVA word tags

zeggenH559H8804
geschenkH4503
knechtH5650
JakobH3290
gezondenH7971H8803
heerH113
EzauH6215
achterH310

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. hijzelf Dit zegt hij, opdat zijn broeder niet zou denken dat hij vreesde voor zijn ogen te komen, of door een anderen weg hem zocht te ontgaan.

19 En hij gebood ook den tweede, ook den derde, ook allen, die de kudden nagingen, zeggende: Naar ditzelfde woord zult gij spreken tot Ezau, als gij hem vinden zult.1

DutSVVA word tags

tweedeH8145
derdeH7992
allenH3605
kuddenH5739
zeggendeH559H8800
ditzelfdeH2088
woordH1697
sprekenH1696H8762
totH413
EzauH6215
hemH853

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Naar ditzelfde Dat is, achtervolgens hetgeen ik tevoren gezegd heb.

20 En gij zult ook zeggen: Zie, uw knecht Jakob is achter ons! Want hij zeide: Ik zal zijn aangezicht verzoenen met dit geschenk, dat voor mijn aangezicht gaat, en daarna zal ik zijn aangezicht zien; misschien zal hij mijn aangezicht aannemen.123

DutSVVA word tags

zeggenH559H8804
knechtH5650
JakobH3290
achterH310
WantH3588
aangezichtH6440
verzoenenH3722H8762
geschenkH4503
aangezichtH6440
daarnaH310H3651
aangezichtH6440
misschienH194
aangezichtH6440
aannemenH5375H8799

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. hij zeide Te weten, bij zichzelven; dat is, hij dacht. Zie boven, Gen 20:11.
  2. Ik zal zijn Dat is, ik zal zijn toorn, dien men in het aangezicht gewoonlijk ziet, stillen; zie Pro 21:14.
  3. zal hij mijn Deze manier van spreken, te goede genomen zijnde, betekent iemand gunstig zijn, en goed doen uit vriendelijke en redelijke aanmerking van het goede wat in hem is. Het wordt gezegd van God, wanneer Hij uit enkele genade het goede, dat van hem alleen gekomen is, vriendelijk aanziet; boven, Gen 19:21; en van de mensen, wanneer zij om enige billijke reden hun naasten gunstig zijn; gelijk hier en 1Sa 25:35; 2Ki 3:14.

21 Alzo ging dat geschenk heen voor zijn aangezicht; doch hij zelf vernachtte dienzelfden nacht in het leger.

DutSVVA word tags

geschenkH4503
voorH5921
aangezichtH6440
vernachtteH3885H8804
dienzelfdenH1931
nachtH3915
legerH4264

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

22 En hij stond op in dienzelfden nacht, en hij nam zijn twee vrouwen, en zijn twee dienstmaagden, en zijn elf kinderen, en hij toog over het veer van de Jabbok.12

DutSVVA word tags

dienzelfdenH1931
nachtH3915
tweeH8147
vrouwenH802
tweeH8147
dienstmaagdenH8198
kinderenH3206
veerH4569
JabbokH2999

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. het veer Anders, de ondiepte, wadden.
  2. Jabbok Dit is de naam van een beek of rivier, spruitende bij Rabba, de hoofdstad der Ammonieten, en zich stortende in de Jordaan, beneden de Galilese zee; zie Num 21:24; Deu 2:37, en Deu 3:16; Jos 12:2; Jdg 11:13.

23 En hij nam ze, en deed hen over die beek trekken; en hij deed overtrekken hetgeen hij had.

DutSVVA word tags

deedH5674
beekH5158
trekkenH5674H8686
overtrekkenH5674H8686
hetgeenH834

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

24 Doch Jakob bleef alleen over; en een man worstelde met hem, totdat de dageraad opging.1

DutSVVA word tags

JakobH3290
bleefH3498
alleenH909
manH376
worsteldeH79H8735
totdatH5704
dageraadH7837

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. het gewricht Anders, hol, pan.

25 En toen Hij zag, dat Hij hem niet overmocht, roerde Hij het gewricht zijner heup aan, zodat het gewricht van Jakobs heup verwrongen werd, als Hij met hem worstelde.1

DutSVVA word tags

nietH3808
overmochtH3201H8804
heupH3409
gewrichtH3709
JakobsH3290
heupH3409
worsteldeH79H8736

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. En toen Dit is menselijker wijze gesproken. De Heere, zich voegende naar de menselijke zwakheid, laat zich overwinnen, om Jakob te verzekeren van een goede uitkomst uit het aanstaande perijkel; maar Hij kwetst hem ook, om hem zijn eigen zwakheid te leren gevoelen.

26 En Hij zeide: Laat Mij gaan, want de dageraad is opgegaan. Maar hij zeide: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.1

DutSVVA word tags

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Ik zal U Omdat hij nu gevoelde dat hij niet met een mens had te doen, maar met een meerderen; daarom begeerde hij door hem gezegend te zijn.

27 En Hij zeide tot hem: Hoe is uw naam? En hij zeide: Jakob.1

DutSVVA word tags

totH413
naamH8034
JakobH3290

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Hoe is Dit vraagt God niet, omdat de naam van Jakob hem onbekend was, maar om aanleiding te hebben zijn naam te veranderen tot een eeuwige gedachtenis aan dezen kamp.

28 Toen zeide Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israël; want gij hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overmocht.1234

DutSVVA word tags

naamH8034
voortaanH5750
nietH3808
JakobH3290
IsraëlH3478
wantH3588
gedragenH8280H8804
GodH430
mensenH582
overmochtH3201H8799

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. niet Jakob Niet is hier zoveel gezegd als niet alleen, of niet zoveel, zozeer, want hij wordt hierna ook wel Jakob genoemd; zie deze manier van spreken, 1Sa 8:7; Joh 7:16; 1Co 1:17; 1Jo 3:18.
  2. Israël Dat is, een vorst Gods, of die vorstelijke macht heeft met God, gelijk blijkt uit de volgende woorden. Dezen naam geeft God Jakob ten tweeden male, onder, Gen 35:10.
  3. met God Hebbende den strijd uitgestaan, dien hem God aandeed, en overwonnen.
  4. met de mensen, Te weten, eerst met Ezau, en daarna met Laban, en nu komt hij weder te strijden met Ezau.

29 En Jakob vraagde, en zeide: Geef toch Uw naam te kennen. En Hij zeide: Waarom is het, dat gij naar Mijn naam vraagt? En Hij zegende hem aldaar.12

DutSVVA word tags

JakobH3290
vraagdeH7592H8799
tochH4994
naamH8034
WaaromH4100
naamH8034
zegendeH1288H8762
hemH853
aldaarH8033

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Waarom is het, Dit is een ontkennende vraag, gelijk Jdg 13:17-18. Hij weigert hem zijn naam te openbaren, om hem te beter te verzekeren dat hij met geen mens geworsteld had.
  2. hij zegende Dit was het, wat Jakob begeerd had, vs.26, en hem nu ten volle verzekerde dat God hem verschenen was; zie het volgende vers vs.30.

30 En Jakob noemde den naam dier plaats Pniël: Want, zeide hij ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest.123

DutSVVA word tags

JakobH3290
naamH8034
plaatsH4725
PniëlH6439
WantH3588
GodH430
aangezichtH6440
totH413
aangezichtH6440
zielH5315
geweestH5337H8735

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Pniël Dat is, Gods aangezicht, of het aanzien van God; zie 1Ki 12:25; in het volgende vers vs.32. Pnuel.
  2. God gezien Niet in zijn goddelijk wezen, maar in zulk een gedaante, waardoor Hij zich klaarder aan mij geopenbaard heeft dan immer tevoren.
  3. mijn ziel Hij verwondert zich dat hij niet gestorven was, God gezien hebbende. Zie boven Gen 16:13, verg. Exo 20:19; Jdg 6:22-23, en Jdg 13:22.

31 En de zon rees hem op, als hij door Pniël gegaan was; en hij was hinkende aan zijn heup.

DutSVVA word tags

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

32 Daarom eten de kinderen Israëls de verrukte zenuw niet, die op het gewricht der heup is, tot op dezen dag, omdat Hij het gewricht van Jakobs heup aangeroerd had, aan de verrukte zenuw.123

DutSVVA word tags

kinderenH1121
IsraëlsH3478
verrukteH5384
zenuwH1517
nietH3808
dieH834
gewrichtH3709
heupH3409
dezenH2088
omdatH3588
gewrichtH3709
JakobsH3290
heupH3409
verrukteH5384
zenuwH1517

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Daarom eten Versta mede dat zij niet eten het vlees omtrent die zenuw. Niet uit bijgeloof of een mening van godsdienstigheid, maar tot een gedachtenis van dien wonderbaren kamp en victorie, aan Jakob en zijn nakomelingen vergund. Dit had zijn gebruik voor de komst van den Messias, maar kan daarna zonder superstitie niet gebruikt worden.
  2. de verrukte Of, verkrompen, verwrongen, dat is, die haar kracht verloren heeft, en verdoofd of verstuikt is, en haar plaats, als er uit verwrongen zijnde [om zo te spreken] vergeten heeft; de Joden noemen deze zenuw ook zo in de dieren, naar hetgeen hier Jakob wedervaren is. Anders, de geleende zenuw, omdat zij van de pan des heiligen beens tot aan de heup overgaat, als zijnde van het heilige been daaraan ontleend.
  3. aangeroerd Dat is, aanroerende gekwetst had.