reltext

Chapter 131

1 Een bedevaartslied. Blijf David gedenken, o Jahweh, En alle moeite, die hij zich troostte,

Original Hebrew

יְהוָ֤ה\׀יהו֤ה\יְהוָה\׀יהוה\Yah.wehO YahwehH3068G\H9015HNpt
לֹא\־לא\לֹא\־לא\lo'-notH3808\H9014HTn
גָבַ֣הּגב֣הגָבַהּגבהga.Vahit has been loftyH1361HVqp3ms
לִ֭בִּ/יל֭ב/ילִבִּ/ילב/יLi.b/iheart/ myH3820AH9020HNcmsc+Sp1bs
וְ/לֹא\־ו/לא\וְ/לֹא\־ו/לא\ve./lo'-and/ notH9002H3808\H9014HC+Tn
רָמ֣וּרמ֣ורָמוּרמוra.Muthey have been upliftedH7311AHVqp3cp
עֵינַ֑/יעינ֑/יעֵינַ/יעינ/י'ei.Na/ieyes/ myH5869AH9020HNcfdc+Sp1bs
וְ/לֹֽא\־ו/לא\וְ/לֹֽא\־ו/לא\ve./lo'-and/ notH9002H3808\H9014HC+Tn
הִלַּ֓כְתִּי\׀הל֓כתי\הִלַּכְתִּי\׀הלכתי\hi.Lakh.tiI have walkedH1980L\H9015HVpp1cs
בִּ/גְדֹל֖וֹתב/גדל֖ותבִּ/גְדֹלוֹתב/גדלותbi/g.do.Lotin/ [things too] greatH9003H1419AHR+Aafpa
וּ/בְ/נִפְלָא֣וֹתו/ב/נפלא֣ותוּ/בְ/נִפְלָאוֹתו/ב/נפלאותu./ve./nif.la.'otand/ in/ [things too] difficultH9002H9003H6381HC+R+VNrfpa
מִמֶּֽ/נִּי\׃ממ/ני\מִמֶּֽ/נִּי\׃ממ/ני\mi.Me./nifor/ meH4480AH9030\H9016HR+Sp1bs

2 Omdat hij Jahweh had gezworen, Jakobs Sterke had beloofd:

Original Hebrew

אִם\־אם\אִם\־אם\'im-ifH0518I\H9014HTc
לֹ֤אל֤אלֹאלאlo'notH3808HTn
שִׁוִּ֨יתִי\׀שו֨יתי\שִׁוִּיתִי\׀שויתי\shi.Vi.tiI have made stillH7737A\H9015HVpp1cs
וְ/דוֹמַ֗מְתִּיו/דומ֗מתיוְ/דוֹמַמְתִּיו/דוממתיve./do.Mam.tiand/ I have made quietH9002H1826HHC+Vpp1cs
נַ֫פְשִׁ֥/ינ֫פש֥/ינַפְשִׁ/ינפש/יnaf.Sh/iself/ myH5315GH9020HNcfsc+Sp1bs
כְּ֭/גָמֻלכ֭/גמלכְּ/גָמֻלכ/גמלKe./ga.mullike/ a weaned [child]H9004H1580HR+Vqsmsa
עֲלֵ֣יעל֣יעֲלֵיעלי'a.LeionH5921AHR
אִמּ֑/וֹאמ֑/ואִמּ/וֹאמ/ו'i.M/omother/ hisH0517H9023HNcfsc+Sp3ms
כַּ/גָּמֻ֖לכ/גמ֖לכַּ/גָּמֻלכ/גמלka./ga.Mul[is] like the/ weaned [child]H9004H1580HRd+Vqsmsa
עָלַ֣/יעל֣/יעָלַ/יעל/י'a.La/ion/ meH5921AH9030HR+Sp1bs
נַפְשִֽׁ/י\׃נפש/י\נַפְשִֽׁ/י\׃נפש/י\naf.Sh/isoul/ myH5315GH9020\H9016HNcfsc+Sp1bs

3 Ik zal mijn woontent niet ingaan, Mijn legerstede niet beklimmen,

Original Hebrew

יַחֵ֣ליח֣ליַחֵליחלya.ChelhopeH3176HHVpv2ms
יִ֭שְׂרָאֵלי֭שראליִשְׂרָאֵלישראלYis.ra.'elO IsraelH3478HNpl
אֶל\־אל\אֶל\־אל\'el-toH0413\H9014HR
יְהוָ֑היהו֑היְהוָהיהוהYah.wehYahwehH3068GHNpt
מֵֽ֝/עַתָּ֗המ֝/עת֗המֵֽ/עַתָּהמ/עתהme./'a.Tahfrom/ nowH9006H6258HR+D
וְ/עַד\־ו/עד\וְ/עַד\־ו/עד\ve./'ad-and/ untilH9002H5704\H9014HC+R
עוֹלָֽם\׃עולם\עוֹלָֽם\׃עולם\o.LamperpetuityH5769G\H9016HNcmsa

4 Mijn ogen geen slaap gunnen, Mijn wimpers geen sluimer:

5 Voordat ik een plaats heb gevonden voor Jahweh, Voor Jakobs Sterke een woning!

6 Zie, wij hoorden, dat zij in Efráta was, Wij vonden haar weer in de velden van Jáar;

7 Laat ons naar zijn Woning gaan, En ons voor zijn voetbank werpen!

8 Jahweh, trek op naar uw rustplaats, Gij zelf en de ark uwer glorie!

9 Mogen uw priesters met gerechtigheid worden bekleed, En uw vromen een jubellied zingen!

10 Om wille van David, uw dienaar, Wijs het gebed van uw gezalfde niet af!

11 En Jahweh heeft aan David gezworen, Een trouwe Belofte, waarvan Hij niet afwijkt: Van de vrucht van uw schoot Zet Ik er een op uw troon!

12 En zo uw zonen mijn verbond onderhouden, En de vermaningen, die Ik hun gaf, Dan zullen ook hùn zonen voor eeuwig Op uw troon blijven zitten!

13 Want Jahweh heeft Sion verkoren, En Zich tot woning begeerd!

14 "Hij is mijn rustplaats voor eeuwig; Hier wil Ik wonen, want hèm heb Ik verkoren!

15 Zijn mondkost zal Ik ruimschoots zegenen, Zijn armen verzadigen met brood;

16 Zijn priesters zal Ik met heil bekleden. Zijn vromen zullen een jubellied zingen!

17 Hier zal Ik David een Hoorn doen ontspruiten, Een lamp ontsteken voor mijn Gezalfde;

18 Zijn vijanden zal Ik met schande bedekken, Mijn kroon zal schitteren op zijn hoofd!"