Chapter 113
1 Halleluja! Toen Israël uit Egypte trok, Jakobs huis uit een volk van barbaren,
הַ֥לְלוּה֥ללוהַלְלוּהללוHa.lupraiseH1984BHVpv2mp הַ֭לְלוּה֭ללוהַלְלוּהללוHa.lupraiseH1984BHVpv2mp עַבְדֵ֣יעבד֣יעַבְדֵיעבדי'av.DeiO servants ofH5650HNcmpc יְהוָ֑היהו֑היְהוָהיהוהYah.wehYahwehH3068GHNpt הַֽ֝לְלוּה֝ללוהַֽלְלוּהללוHa.lupraiseH1984BHVpv2mp שֵׁ֥םש֥םשֵׁםשםshem[the] name ofH8034HNcmsc 2 Werd Juda zijn heiligdom, En Israël zijn rijk.
יְהִ֤ייה֤ייְהִייהיye.Himay it beH1961HVqj3ms שֵׁ֣םש֣םשֵׁםשםshem[the] name ofH8034HNcmsc יְהוָ֣היהו֣היְהוָהיהוהYah.wehYahwehH3068GHNpt מְבֹרָ֑ךְמבר֑ךמְבֹרָךְמברךme.vo.RakhblessedH1288HVPsmsa מֵֽ֝/עַתָּ֗המ֝/עת֗המֵֽ/עַתָּהמ/עתהme./'a.Tahfrom/ nowH9006H6258HR+D עוֹלָֽם\׃עולם\עוֹלָֽם\׃עולם\o.LamperpetuityH5769G\H9016HNcmsa 3 De zee zag het, en sloeg op de vlucht, De Jordaan deinsde terug;
מִ/מִּזְרַח\־מ/מזרח\מִ/מִּזְרַח\־מ/מזרח\mi./miz.rach-from/ [the] rising ofH9006H4217H\H9014HR+Ncmsc שֶׁ֥מֶשׁש֥מששֶׁמֶשׁשמשShe.mesh[the] sunH8121HNcbsa מְבוֹא֑/וֹמבוא֑/ומְבוֹא/וֹמבוא/וme.vo.'/Osetting/ itsH3996H9023HNcmsc+Sp3ms מְ֝הֻלָּ֗למ֝הל֗למְהֻלָּלמהללme.hu.Lal[is] to be praisedH1984BHVPsmsa שֵׁ֣םש֣םשֵׁםשםshem[the] name ofH8034HNcmsc 4 Als rammen sprongen de bergen weg, Als lammeren de heuvels.
רָ֖םר֖םרָםרםram[is] exaltedH7311AHVqrmsa גּוֹיִ֥ם\׀גוי֥ם\גּוֹיִם\׀גוים\go.YimnationsH1471A\H9015HNcmpa יְהוָ֑היהו֑היְהוָהיהוהYah.wehYahwehH3068GHNpt עַ֖לע֖לעַלעל'al[is] aboveH5921AHR הַ/שָּׁמַ֣יִםה/שמ֣יםהַ/שָּׁמַיִםה/שמיםha./sha.Ma.yimthe/ heavensH9009H8064HTd+Ncmpa כְּבוֹדֽ/וֹ\׃כבוד/ו\כְּבוֹדֽ/וֹ\׃כבוד/ו\ke.vo.D/oglory/ hisH3519H9023\H9016HNcmsc+Sp3ms 5 Zee, wat was er, dat gij gingt vluchten, Jordaan, dat gij achteruit zijt geweken;
מִ֭ימ֭ימִימיmiwho?H4310HPi כַּ/יהוָ֣הכ/יהו֣הכַּ/יהוָהכ/יהוהka./Yah.weh[is] like/ YahwehH9004H3068GHR+Npt אֱלֹהֵ֑י/נוּאלה֑י/נואֱלֹהֵי/נוּאלהי/נו'e.lo.Hei./nuGod/ ourH0430GH9025HNcmpc+Sp1bp הַֽ/מַּגְבִּיהִ֥יה/מגביה֥יהַֽ/מַּגְבִּיהִיה/מגביהיha./mag.bi.Hiwho/ is making highH9009H1361HTd+Vhrmsc 6 Bergen, dat gij wegsprongt als rammen, Gij heuvels als lammeren?
הַֽ/מַּשְׁפִּילִ֥יה/משפיל֥יהַֽ/מַּשְׁפִּילִיה/משפיליha./mash.pi.Liwho/ is making lowH9009H8213HTd+Vhrmsc לִ/רְא֑וֹתל/רא֑ותלִ/רְאוֹתל/ראותli/r.'otto/ lookH9005H7200GHR+Vqcc בַּ/שָּׁמַ֥יִםב/שמ֥יםבַּ/שָּׁמַיִםב/שמיםba./sha.Ma.yimon the/ heavensH9003H8064HRd+Ncmpa 7 Voor den Heer kromp de aarde ineen, Voor het aangezicht van Jakobs God;
מְקִֽימִ֣ימקימ֣ימְקִֽימִימקימיme.ki.Mi[he is] raisingH6965HHVhrmsa מֵ/עָפָ֣רמ/עפ֣רמֵ/עָפָרמ/עפרme./'a.Farfrom/ [the] dustH9006H6083HR+Ncmsa דָּ֑לד֑לדָּלדלDal[the] poorH1800HAamsa מֵֽ֝/אַשְׁפֹּ֗תמ֝/אשפ֗תמֵֽ/אַשְׁפֹּתמ/אשפתme./'ash.Potfrom/ [the] ash heapH9006H0830HHR+Ncmsa יָרִ֥יםיר֥יםיָרִיםיריםya.Rimhe lifts upH7311AHVhi3ms אֶבְיֽוֹן\׃אביון\אֶבְיֽוֹן\׃אביון\'ev.Yon[the] needyH0034\H9016HAamsa 8 Die de rots in een vijver herschiep, De klip in een borrelende bron!
לְ/הוֹשִׁיבִ֥יל/הושיב֥ילְ/הוֹשִׁיבִיל/הושיביle./ho.shi.Vito/ make [him] sitH9005H3427HR+Vhcc נְדִיבִ֑יםנדיב֑יםנְדִיבִיםנדיביםne.di.Vimnoble [people]H5081HHAampa נְדִיבֵ֥ינדיב֥ינְדִיבֵינדיביne.di.Vei[the] noble [people] ofH5081HHAampc 9 Niet ons, o Jahweh, niet ons, Maar uw Naam geef eer om uw goedheid en trouw!
מֽוֹשִׁיבִ֨י\׀מושיב֨י\מֽוֹשִׁיבִי\׀מושיבי\mo.shi.Vi[he is] causes to dwellH3427\H9015HVhrmsc עֲקֶ֬רֶתעק֬רתעֲקֶרֶתעקרת'a.Ke.ret[the] barren [woman] ofH6135HAafsc הַ/בַּ֗יִתה/ב֗יתהַ/בַּיִתה/ביתha./Ba.yitthe/ houseH9009H1004BHTd+Ncmsa הַ/בָּנִ֥יםה/בנ֥יםהַ/בָּנִיםה/בניםha./ba.Nimthe/ childrenH9009H1121AHTd+Ncmpa שְׂמֵחָ֗השמח֗השְׂמֵחָהשמחהse.me.ChahjoyfulH8056HAafsa הַֽלְלוּ\־הללו\הַֽלְלוּ\־הללו\ha.lu-praiseH1984B\H9014HVpv2mp 10 Waarom zouden de heidenen zeggen: "Waar is toch hun God?"
11 De God van òns is in de hemel, En Hij doet wat Hij wil;
12 Doch hùn goden zijn maar zilver en goud, Door mensenhanden gemaakt.
13 Ze hebben een mond, maar kunnen niet spreken; Ogen, maar kunnen niet zien;
14 Oren, maar kunnen niet horen; Een neus, maar kunnen niet ruiken.
15 Hun handen kunnen niet tasten, Hun voeten niet gaan; Ze geven geen geluid met hun keel, En hebben geen adem in hun mond.
16 Aan hen worden gelijk, die ze maken, En allen, die er op hopen!
17 Maar Israël blijft op Jahweh vertrouwen: Hij is hun hulp en hun schild;
18 Het huis van Aäron blijft op Jahweh vertrouwen: Hij is hun hulp en hun schild;
19 Die Jahweh vrezen, blijven op Jahweh vertrouwen: Hij is hun hulp en hun schild!
20 En Jahweh zal ons gedenken, Ons zijn zegen verlenen: Het huis van Israël zegenen, Het huis van Aäron zegenen,
21 Die Jahweh vrezen zegenen, Kleinen en groten;
22 En Jahweh zal u blijven zegenen, U en uw kinderen!
23 Weest dan gezegend door Jahweh, Die hemel en aarde heeft gemaakt:
24 De hemel blijft de hemel van Jahweh, Maar de aarde gaf Hij aan de kinderen der mensen.
25 De doden zullen Jahweh niet prijzen, Niemand, die in het oord van Stilte is gedaald:
26 Maar wij, wij zullen Jahweh loven, Van nu af tot in eeuwigheid!