Chapter 43
1 Voor muziekbegeleiding. Van de zonen van Kore; een leerdicht.
שָׁפְטֵ֤/נִישפט֤/נישָׁפְטֵ/נִישפט/ניsha.fe.Te./nivindicate/ meH8199H9030HVqv2ms+Sp1bs אֱלֹהִ֨ים\׀אלה֨ים\אֱלֹהִים\׀אלהים\'E.lo.HimO GodH0430G\H9015HNcmpa וְ/רִ֘יבָ֤/הו/ר֘יב֤/הוְ/רִיבָ/הו/ריב/הve./Ri.Va/hand/ conduct/ !H9002H7378H9012HC+Vqv2ms+Sh רִיבִ֗/יריב֗/ירִיבִ/יריב/יri.V/icase/ myH7379H9020HNcmsc+Sp1bs מִ/גּ֥וֹימ/ג֥וימִ/גּוֹימ/גויmi./Goyfrom/ a nationH9006H1471AHR+Ncmsa חָסִ֑ידחס֑ידחָסִידחסידcha.SidfaithfulH2623HAamsa מִרְמָ֖המרמ֖המִרְמָהמרמהmir.MahdeceitH4820HNcfsa וְ/עַוְלָ֣הו/עול֣הוְ/עַוְלָהו/עולהve./'av.Lahand/ injusticeH9002H5766BHC+Ncfsa תְפַלְּטֵֽ/נִי\׃תפלט/ני\תְפַלְּטֵֽ/נִי\׃תפלט/ני\te.fa.le.Te./niyou will deliver/ meH6403H9030\H9016HVpi2ms+Sp1bs 2 O God, wij hebben het met eigen oren gehoord, Onze vaderen hebben het ons verteld, Wat Gij gedaan hebt in hun dagen, Met eigen hand in vroeger tijd.
אֱלֹהֵ֣יאלה֣יאֱלֹהֵיאלהי'e.lo.Hei[are] [the] God ofH0430GHNcmpc מָֽעוּזִּ/י֮מעוז/י֮מָֽעוּזִּ/ימעוז/יma.'u.Z/irefuge/ myH4581H9020HNcmsc+Sp1bs לָ/מָ֪הל/מ֪הלָ/מָהל/מהla./Mah<to>/ why?H9005H4100HR+Pi זְנַ֫חְתָּ֥/נִיזנ֫חת֥/ניזְנַחְתָּ/נִיזנחת/ניze.Nach.Ta./nihave you rejected/ meH2186AH9030HVqp2ms+Sp1bs קֹדֵ֥רקד֥רקֹדֵרקדרko.DermourningH6937HVqrmsa אֶתְהַלֵּ֗ךְאתהל֗ךאֶתְהַלֵּךְאתהלך'et.ha.Lekhdo I go aboutH1980GHVti1cs בְּ/לַ֣חַץב/ל֣חץבְּ/לַחַץב/לחץbe./La.chatzin/ [the] oppression ofH9003H3906HR+Ncmsc אוֹיֵֽב\׃אויב\אוֹיֵֽב\׃אויב\'o.Yevan enemyH0341\H9016HVqrmsa 3 Naties hebt Gij uitgeroeid om hèn te planten, Volkeren geveld, om hèn te doen groeien.
אוֹרְ/ךָ֣אור/ך֣אוֹרְ/ךָאור/ך'or./Khalight/ yourH0216H9021HNcfsc+Sp2ms וַ֭/אֲמִתְּ/ךָו֭/אמת/ךוַ/אֲמִתְּ/ךָו/אמת/ךVa./'a.mi.te./khaand/ truth/ yourH9002H0571HH9021HC+Ncfsc+Sp2ms הֵ֣מָּהה֣מההֵמָּההמהHe.mahtheyH1992HPp3mp יַנְח֑וּ/נִיינח֑ו/נייַנְחוּ/נִיינחו/ניyan.Chu./nimay they lead/ meH5148H9030HVhi3mp+Sp1bs יְבִיא֥וּ/נִייביא֥ו/נייְבִיאוּ/נִייביאו/ניye.vi.'U./nimay they bring/ meH0935PH9030HVhi3mp+Sp1bs קָ֝דְשְׁ/ךָ֗ק֝דש/ך֗קָדְשְׁ/ךָקדש/ךkod.she./chaholiness/ yourH6944GH9021HNcmsc+Sp2ms מִשְׁכְּנוֹתֶֽי/ךָ\׃משכנותי/ך\מִשְׁכְּנוֹתֶֽי/ךָ\׃משכנותי/ך\mish.ke.no.Tei./khadwelling place<s>/ yourH4908H9021\H9016HNcfpc+Sp2ms 4 Neen, niet met hun zwaard namen zij bezit van het Land, Niet hun arm bracht hun zege: Maar het was uw rechterhand en uw arm En het licht van uw aanschijn, omdat Gij ze lief hadt.
וְ/אָב֤וֹאָה\׀ו/אב֤ואה\וְ/אָבוֹאָה\׀ו/אבואה\ve./'a.Vo.'ahand/ I will goH9002H0935G\H9015HC+Vqc1cs מִזְבַּ֬חמזב֬חמִזְבַּחמזבחmiz.Bach[the] altar ofH4196HNcmsc אֱלֹהִ֗יםאלה֗יםאֱלֹהִיםאלהים'E.lo.HimGodH0430GHNcmpa אֵל֮אל֮אֵלאל'el[the] God ofH0410GHNcmsc שִׂמְחַ֪תשמח֪תשִׂמְחַתשמחתsim.Chat[the] joy ofH8057HNcfsc גִּ֫ילִ֥/יג֫יל֥/יגִּילִ/יגיל/יgi.L/irejoicing/ myH1524AH9020HNcmsc+Sp1bs וְ/אוֹדְ/ךָ֥ו/אוד/ך֥וְ/אוֹדְ/ךָו/אוד/ךve./'od./Khaand/ I will give thanks to/ youH9002H3034H9031HC+Vhu1cs+Sp2ms בְ/כִנּ֗וֹרב/כנ֗ורבְ/כִנּוֹרב/כנורve./khi.Norwith/ a harpH9003H3658HR+Ncmsc אֱלֹהִ֥יםאלה֥יםאֱלֹהִיםאלהים'E.lo.HimO GodH0430GHNcmpa 5 Gij waart het, mijn Koning en God, Die Jakob de zege verleende;
תִּשְׁתּ֬וֹחֲחִ֨י\׀תשת֬וחח֨י\תִּשְׁתּוֹחֲחִי\׀תשתוחחי\tish.To.cha.Chiare you bowed downH7817\H9015HVti2fs נַפְשִׁ/י֮נפש/י֮נַפְשִׁ/ינפש/יnaf.Sh/iO soul/ myH5315GH9020HNcfsc+Sp1bs תֶּהֱמִ֪יתהמ֪יתֶּהֱמִיתהמיte.he.Miare you in turmoilH1993HVqi2fs עָ֫לָ֥/יע֫ל֥/יעָלָ/יעל/י'a.La/ion/ meH5921AH9030HR+Sp1bs הוֹחִ֣ילִיהוח֣יליהוֹחִילִיהוחיליho.Chi.liwaitH3176HHVhv2fs לֵֽ֭/אלֹהִיםל֭/אלהיםלֵֽ/אלֹהִיםל/אלהיםLe./lo.himfor/ GodH9005H0430GHR+Ncmpa ע֣וֹדע֣ודעוֹדעודodagainH5750HAcmsa אוֹדֶ֑/נּוּאוד֑/נואוֹדֶ/נּוּאוד/נו'o.De./nuI will give thanks to/ himH3034H9033HVhi1cs+Sp3ms יְשׁוּעֹ֥תישוע֥תיְשׁוּעֹתישועתye.shu.'Ot[the] salvation<s> ofH3444HNcfpc פָּ֝נַ֗/יפ֝נ֗/יפָּנַ/יפנ/יpa.Na/iface/ myH6440LH9020HNcmpc+Sp1bs 6 Met úw hulp sloegen wij onze vijanden neer, Door úw Naam trapten wij onze haters tegen de grond;
7 Neen, ik heb niet vertrouwd op mijn boog, En mijn zwaard kon de zege niet schenken.
8 Maar Gij hebt ons van onze verdrukkers verlost, En onze haters te schande gemaakt;
9 In God mochten we steeds blijven roemen, En uw Naam in eeuwigheid prijzen!
10 Maar nú hebt Gij ons verstoten, ons te schande gemaakt, En trekt niet meer met onze heirscharen op;
11 Gij laat ons vluchten voor onze verdrukkers, En onze haters roven ons leeg!
12 Gij levert ons als slachtvee uit, En verstrooit ons onder de naties;
13 Verkoopt uw volk voor een spotprijs, En geeft het bijna voor niet!
14 Gij maakt ons tot smaad onzer buren, Tot spot en hoon voor die ons omringen;
15 Gij laat de heidenen over ons schimpen, De volkeren meewarig het hoofd over ons schudden.
16 Mijn schande staat mij altijd voor ogen, En de schaamte bedekt mijn gelaat,
17 Om de praatjes van schimper en spotter, Om de blik van vijand en hater.
18 En dit alles trof ons, ofschoon wij U niet hebben vergeten, En uw Verbond niet hebben verbroken.
19 Ons hart is niet afvallig geworden, Onze schreden dwaalden niet af van uw pad;
20 Toch hebt Gij ons naar het oord der jakhalzen verwezen, En ons met de schaduw des doods overdekt.
21 Of, hadden wij de Naam van onzen God soms vergeten, Onze handen naar vreemde goden geheven:
22 Zou God het misschien niet hebben geweten, Hij, die de hartsgeheimen doorgrondt? Neen, om Uwentwil blijft men ons wurgen, En worden wij als slachtvee behandeld!
23 Sta op dan; waarom zoudt Gij slapen, o Heer! Ontwaak; blijf ons niet altijd verstoten!
24 Waarom zoudt Gij uw aanschijn verbergen, Onze nood en ellende vergeten?
25 Want onze ziel ligt gebukt in het stof, En ons lichaam kleeft vast aan de grond.
26 Sta op, ons te hulp! Red ons om wille van uw genade!