reltext

Chapter 47

1 Een lied; een psalm van de zonen van Kore.

2 Groot is Jahweh, hoog geprezen In de stad van onzen God!

3 Lieflijk verheft zich zijn heilige berg, Voor heel de aarde een vreugde. De Sionsberg is de Spits van het Noorden, De stad van een machtigen Koning;

4 God woont in haar burchten, En toont zich een veilige schuts.

5 Want zie, de koningen hadden zich met elkander verbonden, En rukten gezamenlijk aan;

6 Maar toen ze haar zagen, stonden ze stom van ontzetting, En stoven verschrokken uiteen.

7 Vreselijke angst greep hen aan, En wee als een barende vrouw:

8 Ineens als een storm uit het oosten, Die de Tarsjisj-schepen vernielt.

9 Wat we vroeger hadden gehoord, Hebben we nu ook gezien: Jahweh der heirscharen woont in de stad, Onze God woont in de stad, en laat haar eeuwig bestaan!

10 Wij gedenken uw goedheid, o God, Binnen uw tempel.

11 Uw lof, o God, reikt als uw Naam Tot aan de grenzen der aarde. Vol gerechtigheid is uw rechterhand,

12 Sions berg is er over verheugd; En Juda’s dochteren juichen van vreugde, O Jahweh, om uw gericht.

13 Trekt rond de Sion, loopt er omheen: Telt zijn torens,

14 Let op zijn wallen Ziet naar zijn burchten; Om aan een volgend geslacht te vertellen,

15 Dat God hier woont, Dat onze God ons leidt Voor eeuwig en immer!