reltext

Chapter 134

1 Halleluja! Looft Jahweh’s Naam, Looft Hem, dienaars van Jahweh:

Original Hebrew

הִנֵּ֤ה\׀הנ֤ה\הִנֵּה\׀הנה\hi.Nehhere!H2009\H9015HTj
בָּרֲכ֣וּברכ֣ובָּרֲכוּברכוba.ra.KhublessH1288HVpv2mp
אֶת\־את\אֶת\־את\'et-<obj.>H0853\H9014HTo
יְ֭הוָהי֭הוהיְהוָהיהוהYah.wehYahwehH3068GHNpt
כָּל\־כל\כָּל\־כל\kol-O allH3605\H9014HNcmsc
עַבְדֵ֣יעבד֣יעַבְדֵיעבדי'av.Dei[the] servants ofH5650HNcmpc
יְהוָ֑היהו֑היְהוָהיהוהYah.wehYahwehH3068GHNpt
הָ/עֹמְדִ֥יםה/עמד֥יםהָ/עֹמְדִיםה/עמדיםha./'o.me.Dimwho/ standH9009H5975GHTd+Vqrmpa
בְּ/בֵית\־ב/בית\בְּ/בֵית\־ב/בית\be./veit-in/ [the] house ofH9003H1004Q\H9014HR+Ncmsc
יְ֝הוָ֗הי֝הו֗היְהוָהיהוהYah.wehYahwehH3068GHNpt
בַּ/לֵּילֽוֹת\׃ב/לילות\בַּ/לֵּילֽוֹת\׃ב/לילות\ba./lei.Lotin the/ nightsH9003H3915\H9016HRd+Ncfpa

2 Gij, die in het huis van Jahweh staat, In de voorhoven van het huis van onzen God!

Original Hebrew

שְׂאֽוּ\־שאו\שְׂאֽוּ\־שאו\se.'u-lift upH5375O\H9014HVqv2mp
יְדֵ/כֶ֥םיד/כ֥םיְדֵ/כֶםיד/כםye.de./Khemhands/ yourH3027GH9026HNcbdc+Sp2mp
קֹ֑דֶשׁק֑דשקֹדֶשׁקדשKo.desh[the] sanctuaryH6944GHNcmsa
וּ֝/בָרֲכוּו֝/ברכווּ/בָרֲכוּו/ברכוU./va.ra.khuand/ blessH9002H1288HC+Vpv2mp
אֶת\־את\אֶת\־את\'et-<obj.>H0853\H9014HTo
יְהוָֽה\׃יהוה\יְהוָֽה\׃יהוה\Yah.wehYahwehH3068G\H9016HNpt

3 Looft Jahweh: want Jahweh is goed, Verheerlijkt zijn Naam: want die is zo lieflijk;

Original Hebrew

יְבָרֶכְ/ךָ֣יברכ/ך֣יְבָרֶכְ/ךָיברכ/ךye.va.rekh./Khamay he bless/ youH1288H9031HVpi3ms+Sp2ms
יְ֭הוָהי֭הוהיְהוָהיהוהYah.wehYahwehH3068GHNpt
מִ/צִּיּ֑וֹןמ/צי֑וןמִ/צִּיּוֹןמ/ציוןmi./tzi.Yonfrom/ ZionH9006H6726HR+Npl
עֹ֝שֵׂ֗הע֝ש֗העֹשֵׂהעשה'o.Sehmaker ofH6213HHVqrmsc
שָׁמַ֥יִםשמ֥יםשָׁמַיִםשמיםsha.Ma.yimheavenH8064HNcmpa
וָ/אָֽרֶץ\׃ו/ארץ\וָ/אָֽרֶץ\׃ו/ארץ\va./'A.retzand/ earthH9002H0776G\H9016HC+Ncfsa

4 Want Jahweh heeft Zich Jakob verkoren, En Israël tot zijn bezit!

5 Ja, ik weet het: Jahweh is groot, Onze Heer boven alle goden verheven;

6 Jahweh doet wat Hij wil In hemel en aarde, in zeeën en diepten.

7 Hij laat de wolken verrijzen Aan de kimmen der aarde; Smeedt de bliksem tot regen, Haalt de wind uit zijn schuren.

8 Hij was het, die Egypte’s eerstgeborenen sloeg, Van mensen en vee;

9 Die tekenen en wonderen deed in uw midden, Egypte, Tegen Farao en al die hem dienden;

10 Die talrijke volken versloeg, En machtige koningen doodde:

11 Sichon, den vorst der Amorieten, En Og, den koning van Basjan. Hij was het, die alle vorsten vernielde En alle koninkrijken van Kanaän;

12 En die hun land ten erfdeel gaf, Tot bezit aan Israël, zijn volk.

13 Uw Naam duurt eeuwig, o Jahweh, Uw roem, o Jahweh, van geslacht tot geslacht;

14 Want Jahweh schaft recht aan zijn volk, En ontfermt Zich over zijn dienaars.

15 Maar de goden der volken zijn zilver en goud, Door mensenhanden gemaakt:

16 Ze hebben een mond, maar kunnen niet spreken; Ogen, maar kunnen niet zien;

17 Oren, maar kunnen niet horen; Ze hebben geen adem in hun mond.

18 Aan hen worden gelijk, die ze maken, En allen, die er op hopen!

19 Huis van Israël, zegent dan Jahweh; Huis van Aäron, zegent dan Jahweh;

20 Huis van Levi, zegent dan Jahweh; Die Jahweh vrezen, zegent dan Jahweh;

21 Gezegend zij Jahweh uit Sion, Hij, die in Jerusalem woont!