reltext

Chapter 14

1 Dengene nu, die zwak is in het geloof, neemt aan, maar niet tot twistige samensprekingen.1234

Original Greek

ΤὸνTonThe [one]G3588T-ASM
δὲdenowG1161CONJ
ἀσθενοῦνταasthenountabeing weakG0770GV-PAP-ASM
τῇtēain theG3588T-DSF
πίστειpisteifaithG4102GN-DSF
προσλαμβάνεσθεproslambanesthedo receiveG4355V-PMM-2P
μὴmēnotG3361PRT-N
εἰςeisforG1519PREP
διακρίσειςdiakriseispassing judgmentG1253N-APF
διαλογισμῶν.dialogismōnon reasonings.G1261N-GPM
  1. die zwak is in het geloof, Dat is, die het stuk van de afdoening der ceremoniën des Ouden Testaments nog niet recht verstaat uit zwakheid; gelijk vele Joden waren toen ter tijd, die tot de Christelijke religie bekeerd waren, welke, omdat de ceremoniën van God zelf ingesteld waren en zij in dezelve waren opgebracht, toen nog niet wel konden geloven dat zij nagelaten mochten of behoorden te worden, en daarom zich ergerden als de gelovigen uit de heidenen die niet onderhielden. Hij spreekt dan hier niet van degenen, die uit hardnekkigheid staande hielden en leerden dat de onderhouding der ceremoniën ter zaligheid nog noodzakelijk was, tegen welken hij handelt in den brief aan de Galaten.
  2. neemt aan, Namelijk als een broeder, met alle vriendelijkheid, verdragende in hem zijne zwakheid. Zie Phm 1:12 , Phm 1:17 .
  3. tot twistige Grieks, twistingen der samensprekingen; of twijfelingen der gedachten; namelijk dat gij hem daartoe niet brengt.
  4. samensprekingen Of, overleggingen, disputeringen; dat is, dat gij niet te zeer en te heftig hierover met hem disputeert, twist en hem verwart, en tot meerdere twijfeling brengt; of, dat hij met u ten gevalle doe tegen zijne conscientie.

2 De een gelooft wel, dat men alles eten mag, maar die zwak is, eet moeskruiden.1234

Original Greek

ὃςhosOneG3739R-NSM
μὲνmenindeedG3303PRT
πιστεύειpisteueibelievesG4100V-PAI-3S
φαγεῖνphageinto eatG5315V-AAN
πάντα,pantaall things,G3956A-APN
ὁhothe [one]G3588T-NSM
δὲdehoweverG1161CONJ
ἀσθενῶνasthenōnbeing weakG0770GV-PAP-NSM
λάχαναlachanavegetablesG3001N-APN
ἐσθίει.esthieieats.G2068V-PAI-3S
  1. De een gelooft wel, Namelijk die de Christelijke vrijheid recht verstaat.
  2. alles eten mag, Dat is, allerlei eetbare spijs, zonder onderscheid van reine of onreine, hetwelk in het Oude Testament was; Lev 11:4 ; Deu 14:7 .
  3. die zwak is, Namelijk in het geloof, vs.1.
  4. eet moeskruiden Namelijk liever dan dat hij hier de wet niet zou houden; dat is, laat hem genoegen met een slechte spijs, die in de wet toegelaten was, en onthoudt hem van het vlees van zwijnen, hazen, konijnen en andere in de wet verboden; Lev 11:5 , enz.

3 Die daar eet, verachte hem niet, die niet eet; en die niet eet, oordele hem niet, die daar eet; want God heeft hem aangenomen.12345

Original Greek

ὁhoThe [one]G3588T-NSM
ἐσθίωνesthiōneatingG2068V-PAP-NSM
τὸνtonthe [one]G3588T-ASM
μὴmēnotG3361PRT-N
ἐσθίονταesthiontaeatingG2068V-PAP-ASM
μὴmēnotG3361PRT-N
ἐξουθενείτω,exoutheneitōhe should despise,G1848V-PAM-3S
καὶkaiandG2532CONJ
ὁhothe [one]G3588T-NSM
δὲdenowG1161CONJ
μὴmēnotG3361PRT-N
ἐσθίωνesthiōneatingG2068V-PAP-NSM
τὸνtonhimG3588T-ASM
ἐσθίονταesthiontaeatingG2068V-PAP-ASM
μὴmēnotG3361PRT-N
κρινέτω·krinetōhe should judge;G2919V-PAM-3S
ὁho<the>G3588T-NSM
θεὸςtheosGodG2316N-NSM-T
γὰρgarforG1063CONJ
αὐτὸνautonhimG0846P-ASM
προσελάβετο.proselabetohas received.G4355V-2AMI-3S
  1. Die daar eet, Dat is, die gelooft dat men allerlei spijs mag eten, en zulks ook doet.
  2. verachte hem niet, Grieks, houde hem niet als niets. Zie van dit woord Mar 9:12 ; Luk 23:11 .
  3. die niet eet; en Namelijk allerlei spijs, omdat hij meent dat zulks niet geoorloofd is.
  4. oordele hem niet, Dat is, veroordeel, namelijk dat hij daaraan zou zondigen; of dat hij daarom een ongodsdienstig mens of een verachter van de wet zou zijn.
  5. hem aangenomen Dat is, zowel den een als den ander tot het geloof gebracht en tot een van zijne kinderen in de gemeenschap zijner kerk aangenomen; en behoort daarom van de mensen niet veracht of veroordeeld te worden.

4 Wie zijt gij, die eens anderen huisknecht oordeelt? Hij staat, of hij valt zijn eigen heer; doch hij zal vastgesteld worden, want God is machtig hem vast te stellen.12345678

Original Greek

σὺsuYou yourselfG4771P-2NS
τίςtiswhoG5101I-NSM
εἶeiareG1510V-PAI-2S
ὁhowhoG3588T-NSM
κρίνωνkrinōnis judgingG2919V-PAP-NSM
ἀλλότριονallotrionanother’sG0245A-ASM
οἰκέτην;oiketēnservant?G3610N-ASM
τῷtōTo theG3588T-DSM
ἰδίῳidiōownG2398A-DSM
κυρίῳkuriōmasterG2962HN-DSM
στήκειstēkeihe standsG4739V-PAI-3S
ἢēorG2228CONJ
πίπτει.pipteifalls.G4098V-PAI-3S
σταθήσεταιstathēsetaiHe will be upheldG2476V-FPI-3S
δέ,dehowever,G1161CONJ
δυνατεῖdunateiable isG1414V-PAI-3S
γὰρgarforG1063CONJ
ἐστινestinisG1510V-PAI-3S
ὁhotheG3588T-NSM
κύριοςkuriosLordG2962GN-NSM-T
στῆσαιstēsaito upholdG2476V-AAN
αὐτόν.autonhim.G0846P-ASM
  1. Wie zijt gij, Hij bestraft beiden, de zwakken en de sterken, dat zij elkander verachtten en veroordeelden.
  2. eens anderen huisknecht Dat is, uwen broeder, die niet uw maar Gods dienstknecht is. Waarmede hij toont dat zulk veroordelen strijdt, zelfs tegen het recht der natuur, naar hetwelk niemand eens anders dienstknecht, over wien hij geen recht heeft, mag veroordelen.
  3. oordeelt? Dat is, veroordeelt, vs.3.
  4. Hij staat, Dat is, zo hij wel doet.
  5. valt Dat is, zo hij zondigt.
  6. zijn eigen heer; Namelijk wien hij toekomt, en die alleen recht heeft om hem te oordelen; wanneer die hem dan niet veroordeelt, zo behoort hem zijn mededienstknecht niet te veroordelen.
  7. vastgesteld worden, Dat is, in het geloof meer en meer toenemen en bevestigd worden.
  8. machtig hem vast te stellen Dat is, heeft niet alleen den wil, want Hij heeft hem aangenomen, vs.3, maar ook de macht om hem te versterken in het geloof, zodat gij niet veel met hem daarover behoeft te twisten.

5 De een acht wel den enen dag boven den anderen dag; maar de ander acht al de dagen gelijk. Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd.1234567

Original Greek

ὃςhosOneG3739R-NSM
μὲνmenindeedG3303PRT
γὰρgarforG1063CONJ
κρίνειkrineijudgesG2919V-PAI-3S
ἡμέρανhēmerana dayG2250N-ASF
παρ᾽par᾽[to be] aboveG3844PREP
ἡμέραν,hēmeran[another] day,G2250N-ASF
ὃςhosone [other]G3739R-NSM
δὲdehoweverG1161CONJ
κρίνειkrineijudgesG2919V-PAI-3S
πᾶσανpasaneveryG3956A-ASF
ἡμέραν·hēmeranday [alike];G2250N-ASF
ἕκαστοςhekastosEachG1538A-NSM
ἐνeninG1722PREP
τῷtōtheG3588T-DSM
ἰδίῳidiōownG2398A-DSM
νοῒnoimindG3563N-DSM
πληροφορείσθω.plērophoreisthōshould be fully assured.G4135V-PPM-3S
  1. De een Namelijk de gelovige Jood, die de Christelijke vrijheid nog niet recht verstaat.
  2. acht wel den enen dag boven den anderen dag; Grieks, oordeelt; dat is meent, dat de feestdagen des Ouden Testaments nog moeten onderhouden worden, en dat overzulks de ene dag heiliger is dan de andere.
  3. de ander Namelijk de gelovige heiden, die de Christelijke vrijheid verstaat.
  4. acht al de dagen gelijk Grieks, allen dag, of een iegelijken dag; dat is, houdt dat het onderscheid der dagen nu ophoudt, en dat wij nu aan de feestdagen des Ouden Testaments niet verbonden zijn.
  5. Een iegelijk zij Namelijk hetzij dat hij eet of niet eet, de dagen onderscheidt of niet onderscheidt.
  6. in zijn eigen gemoed Of in zijn eigen verstand.
  7. ten volle verzekerd Namelijk dat hij, zulks doende, niet zondigt en niet voorheeft God te vertoornen, en wetens tegen zijnen wil te doen; en dat hij dienvolgens ook naarstiglijk onderzoeke, welk van beiden den Heere behaagt.

6 Die den dag waarneemt, die neemt hem waar den Heere; en die den dag niet waarneemt, die neemt hem niet waar den Heere. Die daar eet, die eet zulks den Heere, want hij dankt God; en die niet eet, die eet zulks den Heere niet, en hij dankt God.12345

Original Greek

ὁhoThe [one]G3588T-NSM
φρονῶνphronōnregardingG5426V-PAP-NSM
τὴνtēntheG3588T-ASF
ἡμέρανhēmerandayG2250N-ASF
κυρίῳkuriōto [the] LordG2962GN-DSM-T
φρονεῖphroneiregards [it]G5426V-PAI-3S
καὶkaiandG2532CONJ
ὁhothe [one]G3588T-NSM
μὴmēnotG3361PRT-N
φρονῶνphronōnregardingG5426V-PAP-NSM
τὴνtēntheG3588T-ASF
ἡμέρανhēmerandayG2250N-ASF
κυρίῳkuriōto [the] LordG2962GN-DSM-T
οὐounotG3756PRT-N
φρονεῖ·phroneiregards [it];G5426V-PAI-3S
καὶkaiAndG2532CONJ
ὁhothe [one]G3588T-NSM
ἐσθίωνesthiōneatingG2068V-PAP-NSM
κυρίῳkuriōto [the] LordG2962GN-DSM-T
ἐσθίει,esthieieats,G2068V-PAI-3S
εὐχαριστεῖeucharisteihe gives thanksG2168V-PAI-3S
γὰρgarforG1063CONJ
τῷtō<the>G3588T-DSM
θεῷ·theōto God;G2316N-DSM-T
καὶkaiandG2532CONJ
ὁhothe [one]G3588T-NSM
μὴmēnotG3361PRT-N
ἐσθίωνesthiōneatingG2068V-PAP-NSM
κυρίῳkuriōto [the] LordG2962GN-DSM-T
οὐκouknotG3756PRT-N
ἐσθίει,esthieihe eats,G2068V-PAI-3S
καὶkaiandG2532CONJ
εὐχαριστεῖeucharisteihe gives thanksG2168V-PAI-3S
τῷtō<the>G3588T-DSM
θεῷ.theōto God.G2316N-DSM-T
  1. den dag waarneemt, Dat is, de feestdagen des Ouden Testaments, welke de zwakken uit de Joden meenden, ook in het Nieuwe Testament te moeten onderhouden worden.
  2. den Heere; en die Dat is, heeft anders niets voor, dan daarmede den Heere dienst en ere te bewijzen. Zodat zij beiden, de zwakken en sterken enerlei doel en oogmerk voorhebben, en daarom elkander niet moeten veroordelen.
  3. Die daar eet, Namelijk allerlei spijs, en gelooft dat zulks geoorloofd is, vs.2.
  4. hij dankt God; en die niet eet, Namelijk de sterke voor deze vrijheid en voor de spijs, die hij met goede conscientie nuttigt.
  5. hij dankt God Namelijk de zwakke, hoewel hij meent sommige spijzen verboden te zijn, dat evenwel God hem verleent, waarmede hij met goede conscientie kan gevoed worden; 1Ti 4:5 .

7 Want niemand van ons leeft zichzelven, en niemand sterft zichzelven.123

Original Greek

οὐδεὶςoudeisNo [one]G3762A-NSM
γὰρgarforG1063CONJ
ἡμῶνhēmōnof usG3165P-1GP
ἑαυτῷhe'autōto himselfG1438F-3DSM
ζῇzēalivesG2198V-PAI-3S
καὶkaiandG2532CONJ
οὐδεὶςoudeisno [one]G3762A-NSM
ἑαυτῷhe'autōto himselfG1438F-3DSM
ἀποθνῄσκει.apothnēskeidies.G0599V-PAI-3S
  1. van ons Namelijk gelovigen Christenen, hetzij sterken of zwakken.
  2. leeft zichzelven, Dat is, moet zijn leven aanstellen niet naar zijn eigen lust of voordeel; of gelijk hij wil, alzo hij zijn zelfs eigen niet is, maar onder een ander, namelijk den Heere staat; naar wiens bevel en tot wiens dienst hij zijn leven moet richten.
  3. sterft zichzelven Namelijk gelijk of het met zijn dood ten enenmale met hem uit ware.

8 Want hetzij dat wij leven, wij leven den Heere; hetzij dat wij sterven, wij sterven den Heere. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren.123

Original Greek

ἐάνeanIfG1437COND
τεtebothG5037CONJ
γὰρgarforG1063CONJ
ζῶμεν,zōmenwe shall live,G2198V-PAS-1P
τῷtōto theG3588T-DSM
κυρίῳkuriōLordG2962GN-DSM-T
ζῶμεν,zōmenwe live,G2198V-PAI-1P
ἐάνeanifG1437COND
τεtealsoG5037CONJ
ἀποθνῄσκωμεν,apothnēskōmenwe shall die,G0599V-PAS-1P
τῷtōto theG3588T-DSM
κυρίῳkuriōLordG2962GN-DSM-T
ἀποθνῄσκομεν.apothnēskomenwe die.G0599V-PAI-1P
ἐάνeanIfG1437COND
τεtebothG5037CONJ
οὖνounthereforeG3767CONJ
ζῶμεν,zōmenwe shall live,G2198V-PAS-1P
ἐάνeanifG1437COND
τεtealsoG5037CONJ
ἀποθνῄσκωμεν,apothnēskōmenwe shall die,G0599V-PAS-1P
τοῦtoutheG3588T-GSM
κυρίουkuriouLord’sG2962GN-GSM-T
ἐσμέν.esmenwe are.G1510V-PAI-1P
  1. wij leven den Heere; Dat is, wij staan onder het gebied des Heeren Jezus Christus, als Zijn eigen dienstknechten zijnde, door Zijn bloed gekocht, en moeten overzulks ons leven tot Zijn dienst en eer besteden.
  2. wij sterven den Heere Dat is, wij moeten bereid zijn, om ten dienste en ere onzes Heeren ons leven af te leggen, als het Hem belieft, en zullen na onzen dood van ons doen rekenschap geven.
  3. wij zijn des Heeren Dat is, wij zijn Christus' eigendom en dienstknechten, die onder Hem staan en naar Zijn bevel leven en sterven moeten.

9 Want daartoe is Christus ook gestorven, en opgestaan, en weder levend geworden, opdat Hij beiden over doden en levenden heersen zou.12

Original Greek

εἰςeisUntoG1519PREP
τοῦτοtoutothisG3778D-ASN
γὰρgarforG1063CONJ
ΧριστὸςChristosChristG5547N-NSM-T
καὶkaiandG2532CONJ
ἀπέθανενapethanendiedG0599V-2AAI-3S
καὶkaiandG2532CONJ
ἀνέστηanestērose upG0450V-2AAI-3S
καὶkaiandG2532CONJ
ἔζησεν,ezēsenlived again,G2198V-AAI-3S
ἵναinathatG2443CONJ
καὶkaibothG2532CONJ
νεκρῶνnekrōnover [the] deadG3498A-GPM
καὶkaiandG2532CONJ
ζώντωνzōntōnlivingG2198V-PAP-GPM
κυριεύσῃ.kurieusēHe may rule.G2961V-AAS-3S
  1. Want daartoe is Christus ook gestorven, Hier bewijst hij dat Christus onze Heere is, en dat hij dit recht van heerschappij door Zijn dood en opstanding over ons verkregen heeft; 1Co 6:20 ;; 1Pe 1:18 .
  2. doden en levenden heersen zou Dat is, over alle gelovigen, zowel, die nog leven als die in den Heere gestorven zijn, en die wederom van Hem zullen opgewekt worden.

10 Maar gij, wat oordeelt gij uw broeder? Of ook gij, wat veracht gij uw broeder? Want wij zullen allen voor den rechterstoel van Christus gesteld worden.1234567

Original Greek

σὺsuYou yourselfG4771P-2NS
δὲdehoweverG1161CONJ
τίtiwhyG5101I-ASN
κρίνειςkrineisjudge youG2919V-PAI-2S
τὸνtontheG3588T-ASM
ἀδελφόνadelphonbrotherG0080N-ASM
σου;souor you?G4771P-2GS
ἢēorG2228CONJ
καὶkaialsoG2532CONJ
σὺsuyou yourselfG4771P-2NS
τίtiwhyG5101I-ASN
ἐξουθενεῖςexoutheneisdo despiseG1848V-PAI-2S
τὸνtontheG3588T-ASM
ἀδελφόνadelphonbrotherG0080N-ASM
σου;souof you?G4771P-2GS
πάντεςpantesAllG3956A-NPM
γὰρgarforG1063CONJ
παραστησόμεθαparastēsomethawe will stand beforeG3936V-FDI-1P
τῷtōtheG3588T-DSN
βήματιbēmatijudgment seatG0968N-DSN
τοῦtou<the>G3588T-GSM
θεοῦ.theouof God.G2316N-GSM-T
  1. gij, Namelijk zwakke.
  2. oordeelt gij Dat is, veroordeelt, vs.3.
  3. uw broeder? Dat is, de gelovige Christenen, die de Christelijke vrijheid verstaan en gebruiken.
  4. gij, Namelijk sterke in het geloof.
  5. veracht gij Zie vs.3.
  6. uw broeder? Namelijk die de Christelijke vrijheid nog niet verstaat, noch durft gebruiken, om dezer zwakheid wil.
  7. voor den rechterstoel Dat is, voor het oordeel Gods, hetwelk Christus als Rechter houden zal, 2Co 5:10 , wien het alleen ook toekomt over de conscientiën te oordelen; en dien wij rekenschap moeten geven van al ons doen en laten, vs.12.

11 Want er is geschreven: Ik leef, zegt de Heere; voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God belijden.123456

Original Greek

γέγραπταιgegraptaiIt has been writtenG1125V-RPI-3S
γάρ·garfor:G1063CONJ
ζῶzōLiveG2198V-PAI-1S
ἐγώ,egōI myself,G1473P-1NS
λέγειlegeisaysG3004GV-PAI-3S
κύριος,kurios[the] Lord,G2962GN-NSM-T
ὅτιhotithatG3754GCONJ
ἐμοὶemoito Me myselfG1473P-1DS
κάμψειkampseiwill bowG2578V-FAI-3S
πᾶνpaneveryG3956A-NSN
γόνυ,gonuknee,G1119N-NSN
καὶkaiandG2532CONJ
πᾶσαpasaeveryG3956A-NSF
γλῶσσαglōssatongueG1100N-NSF
ἐξομολογήσεταιexomologēsetaiwill confessG1843V-FMI-3S
τῷtō<the>G3588T-DSM
θεῷ.¶theōto God.G2316N-DSM-T
  1. Ik leef, Dat is, zo waarachtiglijk als Ik leef; ene manier van eedzweren, die de Heere dikwijls gebruikt, Num 14:21 , Num 14:28 ; Isa 49:18 ; Jer 22:24 ; Eze 5:11 , en Eze 14:16 , Eze 14:18 , en Eze 20:3 .
  2. zegt de Heere; Hetgeen van Jehova, den waren God, bij den profeet gezegd is, wordt hier Christus toegeëigend, om te tonen dat Hij ook de waarachtige God is.
  3. voor Mij zal Namelijk Christus, den Zoon Gods en Zaligmaker. Zie Eph 1:20 , Eph 1:22 ; Phi 2:10 .
  4. knie zich buigen, Dat is, eerbied en gehoorzaamheid als hunnen Heere betonen; zie Phi 2:10 .
  5. alle tong zal God Dat is, de gelovigen uit alle natiën, zowel sterken als zwakken, zullen met hunne tongen en monden mij belijden de ware God en hun Heere en rechter te zijn; Rom 10:9-10 .
  6. belijden Of, loven, danken.

12 Zo dan een iegelijk van ons zal voor zichzelven Gode rekenschap geven.1234

Original Greek

ἌραAraSoG0686CONJ
οὖνounthenG3767CONJ
ἕκαστοςhekastoseachG1538A-NSM
ἡμῶνhēmōnof usG3165P-1GP
περὶpericoncerningG4012PREP
ἑαυτοῦhe'autouhis ownG1438F-3GSM
λόγονlogonaccountG3056N-ASM
δώσειdōseiwill giveG1325V-FAI-3S
τῷtō<the>G3588T-DSM
θεῷ.theōto God.G2316N-DSM-T
  1. een iegelijk Wie hij ook zij, groot of klein; zwak of sterk.
  2. voor zichzelven Dat is, van zijn eigen doen en laten, en niet van eens anders doen.
  3. Gode Dat is, den Heere Christus, die waarachtig God is en Gods gericht houden zal.
  4. rekenschap geven Namelijk hoe wij ons gedragen hebben in dit leven. Zie Mat 25:2 ; 2Co 5:10 .

13 Laat ons dan elkander niet meer oordelen; maar oordeelt dit liever, namelijk, dat gij den broeder geen aanstoot of ergernis geeft.123456

Original Greek

μηκέτιmēketiNo longerG3371ADV-N
οὖνounthereforeG3767CONJ
ἀλλήλουςallēlousone anotherG0240C-APM
κρίνωμεν,krinōmenshall we judge,G2919V-PAS-1P
ἀλλὰallabutG0235CONJ
τοῦτοtoutothisG3778D-ASN
κρίνατεkrinatedo determineG2919V-AAM-2P
μᾶλλον,mallonrather,G3123HADV
τὸto<the>G3588T-ASN
μὴmēnotG3361PRT-N
τιθέναιtithenaito putG5087V-PAN
πρόσκομμαproskomma[any] stumbling blockG4348N-ASN
τῷtō<the>G3588T-DSM
ἀδελφῷadelphōbefore [your] brotherG0080N-DSM
ἢēorG2228CONJ
σκάνδαλον.¶skandalonsnare.G4625N-ASN
  1. oordelen; Dat is, veroordelen, vs.4, 10, namelijk dewijl het oordeel den Heere Christus toekomt.
  2. oordeelt dit liever, Dat is, acht en bekent dat dit het beste en betamelijkste is.
  3. gij Namelijk sterke.
  4. den broeder Namelijk die nog zwak is.
  5. aanstoot Namelijk dat gij door uw ontijdig gebruik der Christelijke vrijheid, of lichtvaardig veroordelen, niet worde vervreemd van den Christelijken godsdienst. Zie 1Co 8:9 .
  6. geeft Grieks, stelt, of legt.

14 Ik weet en ben verzekerd in den Heere Jezus, dat geen ding onrein is in zichzelven; dan die acht iets onrein te zijn, dien is het onrein.1234567

Original Greek

ΟἶδαOidaI knowG6063V-RAI-1S
καὶkaiandG2532CONJ
πέπεισμαιpepeismaiI have been persuadedG3982V-RPI-1S
ἐνenin [the]G1722PREP
κυρίῳkuriōLordG2962GN-DSM-T
ἸησοῦIēsouJesusG2424GN-DSM-P
ὅτιhotithatG3754GCONJ
οὐδὲνoudennothing [is]G3762A-NSN
κοινὸνkoinonuncleanG2839GA-NSN
δι᾽di᾽throughG1223PREP
ἑαυτοῦ,he'autouitself,G1438F-3GSM
εἰeionlyG1487HCOND
μὴmēexceptG3361PRT-N
τῷtōby the [one]G3588T-DSM
λογιζομένῳlogizomenōreckoningG3049V-PNP-DSM
τιtianythingG5100X-ASN
κοινὸνkoinonuncleanG2839GA-NSN
εἶναι,einaito be,G1511V-PAN
ἐκείνῳekeinōto that oneG1565D-DSM
κοινόν·koinonunclean [it is];G2839GA-NSN
  1. Ik weet en ben verzekerd Dat is, hoewel ik wel weet.
  2. in den Heere Jezus, Dat is, voor den Heere Christus. Zie Act 10:15 .
  3. geen ding Dat is, gene spijs.
  4. onrein is Grieks, gemeen is. Zie Act 10:14 , namelijk, nu in het Nieuwe Testament na de komst van Christus.
  5. in zichzelven; Of, door zichzelven; dat is, uit zijn eigen natuur; Gen 1:31 , en Gen 9:2-3 . Hij spreekt van eetbare spijzen; hoewel dan daarna enige derzelve ten aanzien van het gebod Gods voor een tijd onrein zijn geweest; zo zijn zij nu alle voor rein te houden, overmits die schaduwen nu ophouden; Col 2:16 ; 1Ti 4:3-4 .
  6. die acht iets onrein te zijn, Dat is, die nog niet gelooft dat het onderscheid der spijs nu ophoudt, maar meent dat dit verbod Gods nog moet achtervolgd worden. Want de middelmatige zaken zijn ons zodanig, gelijk wij dezelve achten, wanneer zij zonder ergernis kunnen gedaan of gelaten worden.
  7. die is het onrein Dat is, die mag tegen zijn gevoelen zulke spijs niet eten; want daarmede zou hij doen hetgeen hijzelf zonde houdt te wezen.

15 Maar indien uw broeder om der spijze wil bedroefd wordt, zo wandelt gij niet meer naar liefde. Verderf dien niet met uw spijze, voor welken Christus gestorven is.1234567

Original Greek

εἰeiIfG1487GCOND
γὰρgarforG1063CONJ
διὰdiaon account ofG1223PREP
βρῶμαbrōmafoodG1033N-ASN
ὁhotheG3588T-NSM
ἀδελφόςadelphosbrotherG0080N-NSM
σουsouof youG4771P-2GS
λυπεῖται,lupeitaiis grieved,G3076V-PPI-3S
οὐκέτιouketino longerG3756PRT-N + G2089
κατὰkataaccording toG2596PREP
ἀγάπηνagapēnloveG0026N-ASF
περιπατεῖς.peripateisare you walking.G4043V-PAI-2S
μὴmēNotG3361PRT-N
τῷtōwith theG3588T-DSN
βρώματίbrōmatifoodG1033N-DSN
σουsouof youG4771P-2GS
ἐκεῖνονekeinonthat oneG1565D-ASM
ἀπόλλυεapolluedo destroyG0622V-PAM-2S
ὑπὲρhuperforG5228PREP
οὗhouwhomG3739R-GSM
ΧριστὸςChristosChristG5547N-NSM-T
ἀπέθανεν.apethanendied.G0599V-2AAI-3S
  1. uw broeder Dat is, de zwakke medegelovige.
  2. om der spijze wil Dat is, omdat hij ziet dat gij spijs eet, die hij houdt van God den Christenen verboden te zijn.
  3. bedroefd wordt, Namelijk als hij ziet dat gij, die sterk zijt, spijs eet, die in het Oude Testament verboden was, menende dat gij daaraan u bezondigt tegen God; hetwelk de godzaligen bedroeft. Of, ziende dat gij daarmede hen als veracht en veroordeelt.
  4. naar liefde Want die bedroeft of ergert niemand, maar zoekt de zwakken tegemoet te gaan, toe te geven en in het geloof te sterken; 1Co 13:4 , enz.
  5. Verderf dien niet Namelijk zoveel in u is; hem daarmede vervremende van den Christelijken godsdienst. Of, zo hij uw voorbeeld volgt tegen zijne conscientie, dezelve daarmede kwetsende, waardoor zijn geloof in gevaar gebracht wordt.
  6. met uw spijze, Dat is, etende voor hem spijs, die hij meent nog verboden te zijn.
  7. voor welken Christus gestorven is Namelijk om hem te behouden, die gij, zoveel in u is, verderft, hetwelk een gruwelijke zonde is, die ook tegen Christus gedaan wordt; 1Co 8:12 . Anderszins moet men al degenen, die het geloof van Christus belijden, naar het oordeel der liefde, houden voor zodanig, die van Christus door zijn dood verlost zijn. Want dat degenen, die waarlijk door den dood van Christus eens verlost zijn, niet zullen verloren gaan, wordt geleerd Mat 24:24 ; Joh 10:28 ; 1Pe 1:5 .

16 Dat dan uw goed niet gelasterd worde.12

Original Greek

μὴmēNotG3361PRT-N
βλασφημείσθωblasphēmeisthōshould be denigratedG0987V-PPM-3S
οὖνounthereforeG3767CONJ
ὑμῶνhumōnyourG4771P-2GP
τὸto<the>G3588T-NSN
ἀγαθόν.agathongood.G0018A-NSN
  1. uw goed niet Dat is, uwe Christelijke vrijheid en het gebruik derzelve.
  2. gelasterd worde Zo van de zwakke Christenen als van degenen, die buiten zijn, als zij zullen zien dat de Christenen om zulke geringe zaken met elkander twisten.

17 Want het Koninkrijk Gods is niet spijs en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door den Heiligen Geest.12345

Original Greek

οὐouNotG3756PRT-N
γάρgarforG1063CONJ
ἐστινestinisG1510V-PAI-3S
ἡhētheG3588T-NSF
βασιλείαbasileiakingdomG0932N-NSF
τοῦtou<the>G3588T-GSM
θεοῦtheouof GodG2316N-GSM-T
βρῶσιςbrōsiseatingG1035N-NSF
καὶkaiandG2532CONJ
πόσιςposisdrinkingG4213N-NSF
ἀλλὰallabutG0235CONJ
δικαιοσύνηdikaiosunērighteousnessG1343N-NSF
καὶkaiandG2532CONJ
εἰρήνηeirēnēpeaceG1515N-NSF
καὶkaiandG2532CONJ
χαρὰcharajoyG5479N-NSF
ἐνenin [the]G1722PREP
πνεύματιpneumatiSpiritG4151GN-DSN
ἁγίῳ·hagiōHoly;G0040GA-DSN
  1. het Koninkrijk Gods Dat is, het koninkrijk der heerlijkheid of der eeuwige zaligheid wordt niet verkregen door spijs eten of niet eten, en het rijk der genade of de ware godzaligheid wordt daardoor niet bevorderd. Zie 1Co 8:8 .
  2. rechtvaardigheid, Namelijk Gods of des geloofs, die tevoren beschreven is, Rom 4:5 . Waarmede de heiligheid des levens ook gevoegd moet zijn.
  3. vrede, Namelijk gerustheid in onze harten en conscientiën door de verzekering, dat wij en ons doen door het geloof Gode aangenaam zijn, Rom 5:1 , en ook uiterlijke vrede en enigheid onder de broeders.
  4. blijdschap, Dat is, een geestelijke vreugde in het hart, ontstaande uit de vaste hoop der zaligheid en uit aanmerking van den welstand der gemeente in vrede bloeiende.
  5. door den Heiligen Geest Grieks, in den Heiligen Geest; dat is, die van den Heiligen Geest gewrocht en ontstoken wordt, en een geestelijke, niet een wereldse blijdschap is.

18 Want die Christus in deze dingen dient, is Gode welbehagelijk, en aangenaam den mensen.1234

Original Greek

ὁhoThe [one]G3588T-NSM
γὰρgarforG1063CONJ
ἐνeninG1722PREP
τούτῳtoutōthis thingG3778D-DSN
δουλεύωνdouleuōnservingG1398V-PAP-NSM
τῷtō<the>G3588T-DSM
ΧριστῷChristōChristG5547N-DSM-T
εὐάρεστοςeuarestos[is] well-pleasingG2101A-NSM
τῷtō<the>G3588T-DSM
θεῷtheōto GodG2316N-DSM-T
καὶkaiandG2532CONJ
δόκιμοςdokimosapprovedG1384A-NSM
τοῖςtois<the>G3588T-DPM
ἀνθρώποις.¶anthrōpoisby men.G0444N-DPM
  1. in deze dingen Dat is, die zijne gerechtigheid door het geloof in Christus zoekt, naar ware heiligheid staat, en in zichzelven gevoelt den vrede en de blijdschap des Heiligen Geestes, en altijd naar vrede tracht.
  2. dient, Bewijst Christus de gehoorzaamheid en den godsdienst, die Hij van u eist.
  3. aangenaam Grieks, beproeft; dat is voor goed en godzalig bevonden en gehouden.
  4. den mensen Namelijk die recht oordelen.

19 Zo dan laat ons najagen, hetgeen tot den vrede, en hetgeen tot de stichting onder elkander dient.1234

Original Greek

ἌραAraSoG0686CONJ
οὖνounthenG3767CONJ
τὰtathe [things]G3588T-APN
τῆςtēs<the>G3588T-GSF
εἰρήνηςeirēnēsof peaceG1515N-GSF
διώκωμενdiōkōmenwe may pursueG1377V-PAS-1P
καὶkaiandG2532CONJ
τὰtathe [things]G3588T-APN
τῆςtēs<the>G3588T-GSF
οἰκοδομῆςoikodomēsfor edificationG3619N-GSF
τῆςtēs<the>G3588T-GSF
εἰςeisamongG1519PREP
ἀλλήλους.allēlouseach other.G0240C-APM
  1. najagen, Grieks, vervolgen; dat is, op alle manieren zoeken. Zie dergelijke Psa 34:15 .
  2. hetgeen tot den vrede, Dat is, laat ons alle middelen aanwenden om vrede onder de gelovigen te houden, en vlieden al wat dien zou kunnen verbreken of verhinderen.
  3. stichting Eene gelijkenis, genomen van het opbouwen van een huis of tempel; dat is, laat ons trachten naar hetgeen waardoor de kerk Gods, die het huis is des levenden Gods, 1Ti 3:15 , en Heb 3:6 mag opgebouwd en gesticht worden; Mat 16:18 ; 1Co 3:9 ; 2Co 13:10 ; Eph 4:12 ; 1Ti 1:4 .
  4. onder elkander dient Dat is, aan wederzijden, elk toebrengende, wat tot stichting der gemeente dienstig is, de zwakke met toenemen in de kennis der Christelijke vrijheid, en niet te veroordelen de andere; en de sterke in het aannemen van de zwakken, met vermijding van ergernis en van verachting der zwakken.

20 Verbreek het werk van God niet om der spijze wil. Alle dingen zijn wel rein; maar het is kwaad den mens, die met aanstoot eet.123456

Original Greek

μὴmēNotG3361PRT-N
ἕνεκενhenekenfor the sake ofG1752PREP
βρώματοςbrōmatosfoodG1033N-GSN
κατάλυεkataluedo destroyG2647V-PAM-2S
τὸtotheG3588T-ASN
ἔργονergonworkG2041N-ASN
τοῦtou<the>G3588T-GSM
θεοῦ.theouof God.G2316N-GSM-T
πάνταpantaAll thingsG3956A-NPN
μὲνmenindeed [are]G3303PRT
καθαρὰkatharacleanG2513A-NPN
ἀλλὰallabutG0235CONJ
κακὸνkakon[it is] evilG2556GA-ASN
τῷtōto theG3588T-DSM
ἀνθρώπῳanthrōpōmanG0444N-DSM
τῷtō<the>G3588T-DSM
διὰdiathroughG1223PREP
προσκόμματοςproskommatosa stumbling blockG4348N-GSN
ἐσθίοντι·esthiontieating;G2068V-PAP-DSM
  1. Verbreek Grieks, ontbind niet, of maak niet los; namelijk zoveel in u is, met ontijdig gebruik der Christelijke vrijheid, verachting en aanstoot; dit wordt gesteld tegen opbouwen of stichten.
  2. het werk van God niet Dat is, het geloof des zwakken broeders, hetwelk God heeft begonnen in hem tot zijne zaligheid te werken; want het is een grote zonde af te breken hetgeen God bouwt.
  3. om der spijze wil Dat is, om zulk ene geringe zaak, als daar is deze of die spijs te eten.
  4. Alle dingen zijn wel rein; Dat is, ik beken wel dat den Christenen nu geoorloofd is allerlei spijs te eten. Zie vs.14.
  5. kwaad den mens, Dat is, zondig en schadelijk.
  6. met aanstoot eet Namelijk der zwakken.

21 Het is goed geen vlees te eten, noch wijn te drinken, noch iets, waaraan uw broeder zich stoot, of geërgerd wordt, of waarin hij zwak is.123

Original Greek

καλὸνkalon[It is] goodG2570GA-NSN
τὸto<the>G3588T-NSN
μὴmēneitherG3361PRT-N
φαγεῖνphageinto eatG5315V-AAN
κρέαkreameatG2907N-APN
μηδὲmēdenorG3366CONJ-N
πιεῖνpieinto drinkG4095V-2AAN
οἶνονoinonwineG3631N-ASM
μηδὲmēdenor [anything]G3366CONJ-N
ἐνeninG1722PREP
ᾧhōwhichG3739R-DSN
ὁhotheG3588T-NSM
ἀδελφόςadelphosbrotherG0080N-NSM
σουsouof youG4771P-2GS
προσκόπτειproskopteistumblesG4350V-PAI-3S
ἢēorG2228CONJ
σκανδαλίζεταιskandalizetaiis led into sinG4624V-PPI-3S
ἢēorG2228CONJ
ἀσθενεῖastheneiis weakG0770GV-PAI-3S
  1. Het is goed geen vlees te eten, Dat is, dienstig tot stichting der zwakken in de gemeente.
  2. uw broeder zich Namelijk die nog zwak is in het geloof.
  3. stoot, of geërgerd wordt, Dat is, wanneer dat eten of drinken, enz., den zwakken aanstoot geeft. Zodat het onthouden van zulk eten of drinken goed is, om het vermijden van ergernis. Zie 1Co 8:13 .

22 Hebt gij geloof? hebt dat bij uzelven voor God. Zalig is hij, die zichzelven niet oordeelt in hetgeen hij voor goed houdt.12345

Original Greek

σὺsuYou yourselfG4771P-2NS
πίστινpistin[the] faithG4102GN-ASF
ἣνhēnthatG3739R-ASF
ἔχειςecheisyou haveG2192V-PAI-2S
κατὰkatatoG2596PREP
σεαυτὸνseautonyourselfG4771F-2ASM
ἔχεechedo keepG2192V-PAM-2S
ἐνώπιονenōpionbeforeG1799PREP
τοῦtou<the>G3588T-GSM
θεοῦ·theouGod;G2316N-GSM-T
μακάριοςmakariosBlessed [is]G3107A-NSM
ὁhothe [one]G3588T-NSM
μὴmēnotG3361PRT-N
κρίνωνkrinōnjudgingG2919V-PAP-NSM
ἑαυτὸνhe'autonhimselfG1438F-3ASM
ἐνeninG1722PREP
ᾧhōwhatG3739R-DSN
δοκιμάζει.dokimazeihe approves.G1381V-PAI-3S
  1. Hebt gij geloof? Namelijk waardoor gij weet en verzekerd zijt dat de Christenen de vrijheid hebben om allerlei spijs te eten. Zie vs.2, 14; 1Co 8:1 .
  2. hebt dat bij uzelven Namelijk in uw eigen conscientie zonder het te tonen met ergernis voor de zwakke broeders.
  3. voor God Namelijk die evenwel weet dat gij dat geloof hebt, al toont gij het in zulker voege niet. Of, heb het alzo, dat het gebruik van dien Gode moge behagen, dien wij rekenschap zullen geven, en dien wij niet mogen vertoornen.
  4. oordeelt Dat is, veroordeelt, namelijk de vrijheid zo misbruikende met ergernis, dat hij daarmede verdient van de broeders gestraft en van God geoordeeld te worden.
  5. in hetgeen hij voor goed houdt Dat is, hetgeen hij verstaat en acht geoorloofd te zijn, als het zonder ergernis geschiedt. Grieks, in hetgeen hij beproeft.

23 Maar die twijfelt, indien hij eet, is veroordeeld, omdat hij niet uit het geloof eet. En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde.1234

Original Greek

ὁhoThe [one]G3588T-NSM
δὲdehoweverG1161CONJ
διακρινόμενοςdiakrinomenosdoubtingG1252V-PMP-NSM
ἐὰνeanifG1437COND
φάγῃphagēhe shall eatG5315V-AAS-3S
κατακέκριται,katakekritaihas been condemned,G2632V-RPI-3S
ὅτιhotibecause [it is]G3754HCONJ
οὐκouknotG3756PRT-N
ἐκekofG1537PREP
πίστεως·pisteōsfaith;G4102GN-GSF
πᾶνpaneverythingG3956A-NSN
δὲdenowG1161CONJ
ὃhothat [is]G3739R-NSN
οὐκouknotG3756PRT-N
ἐκekofG1537PREP
πίστεωςpisteōsfaithG4102GN-GSF
ἁμαρτίαhamartiasinG0266N-NSF
ἐστίν.¶estinis.G1510V-PAI-3S
  1. die twijfelt, Dat is, die nog niet volkomen verzekerd is dat allerlei spijs nu rein en geoorloofd is.
  2. indien hij eet, Namelijk enige spijs in het Oude Testament verboden.
  3. is veroordeeld, Dat is, kwetst zijne conscientie en maakt zich schuldig aan de verdoemenis.
  4. uit het geloof niet is, Dat is, gedaan wordt zonder verzekerd te zijn dat het werk, hetwelk wij doen, Gode behaagt in Christus. Of, dat niet voortkomt uit een gelovig hart, zonder hetwelk noch onze werken, noch onze personen God kunnen behagen; Heb 11:6 .