reltext

Chapter 12

1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Scheminith. [012:2] Behoud, o Heere; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen.123456

DutSVVA word tags

psalmH4210
DavidH1732
opperzangmeesterH5329H8764
ScheminithH8067
HeereH3068
goedertiereneH2623
ontbreektH1584H8804
getrouwenH539H8803
gewordenH6461H8804
mensenkinderenH1121H120

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. opperzangmeester, Zie Psa 4:1 .
  2. scheminith Zie Psa 6:1 .
  3. Behoud, Of, verlos, te weten, ons, in dezen droevigen toestand.
  4. goedertierene Dat is, [gelijk wij zeggen] liefde en trouw is weg. Van het Het Hebr. woord, zie Psa 4:4 .
  5. getrouwen Het Hebr. woord waarachtig, of getrouw, gelovigen, 2Sa 20:19 ; Psa 31:24 , en ook, waarachtigheden, of getrouwheden, dat is, alle getrouwheid of trouw, gelijk Pro 14:5 , en Pro 20:6 ; Isa 26:2 ; beide zouden hier kunnen passen.
  6. mensenkinderen Of, Adamskinderen.

2 [012:3] Zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste, met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart.1234

DutSVVA word tags

sprekenH1696H8762
valsheidH7723
iederH376
naasteH7453
vleiendeH2513
lippenH8193
sprekenH1696H8762
dubbelH3820
hartH3820

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. valsheid Of, ijdelheid, onnuttigheid.
  2. een ieder Hebr. de man met zijnen naaste, of metgezel.
  3. vleiende Hebr. een lip van vleiing, of gladdigheden; dat is, die wel kan vleien. Alzo in het volgende vs.4.
  4. dubbel Hebr. hart en hart; dat is, hun hart denkt anders dan de mond spreekt. Verg. Deu 25:13-14 .

3 [012:4] De Heere snijde af alle vleiende lippen, de grootsprekende tong;1

DutSVVA word tags

HeereH3068
vleiendeH2513
lippenH8193
grootsprekendeH1696H8764H1419
tongH3956

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. snijde Of, zal afsnijden.

4 [012:5] Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn onze! Wie is heer over ons?1

DutSVVA word tags

zeggenH559H8804
tongH3956
lippenH8193
heerH113

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. onze wie: Hebr. met of bij ons; dat is, in onze macht.

5 [012:6] Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen, zal Ik nu opstaan, zegt de Heere; Ik zal in behoudenis zetten, dien hij aanblaast.1

DutSVVA word tags

verwoestingH7701
ellendigenH6041
kermenH603
nooddruftigenH34
opstaanH6965H8799
HeereH3068
behoudenisH3468
aanblaastH6315H8686

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. aanblaast Dat is, dien de goddeloze meent zonder moeite, als met een geblaas, te verstuiven, [te weten, den vrome] dien zal Ik tegen des goddelozen dank, in vaste behoudenis stellen. Zie Psa 10:5 . Anders, dien hij [de goddeloze] strikken legt.

6 [012:7] De redenen des Heeren zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal.123456

DutSVVA word tags

redenenH565
HeerenH3068
reineH2889
redenenH565
zilverH3701
gelouterdH6884H8803
aardenH776
smeltkroesH5948
gezuiverdH2212H8794
zevenmaalH7659

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. redenen Zo allen in het algemeen, als zijn genadige beloften in het bijzonder, waarop de profeet in het volgende vs.8 gaat.
  2. reine Zonder enige fout, besmetting, bedrog, of valsheid; gelijk gelouterd zilver zonder schuim. Verg. Psa 19:10 .
  3. zilver, Dat is, gelijk zilver, dat, enz.
  4. gelouterd Gefineerd, gekeurd, door smelting in een aarden smeltkroes, of smeltoven, fornuis, ter aarde, of in de aarde, gelijk sommigen. Verg. Psa 18:31 , en Psa 119:140 ; Pro 30:5 .
  5. gezuiverd Eigenlijk, gesmolten en alzo gezuiverd en van alle onreinheid en schuim geklaard.
  6. zevenmaal Dat is, menigmaal, volkomenlijk; zie Gen 4:15 , en 1Sa 2:5 ; Pro 24:16 , en Pro 26:25 .

7 [012:8] Gij, Heere, zult hen bewaren; Gij zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid.123

DutSVVA word tags

HeereH3068
bewarenH8104H8799
behoedenH5341H8799
geslachtH1755
eeuwigheidH5769

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. zult hen bewaren; Versta, de vromen en onschuldigen, tegen de praktijken der goddelozen, die om hen gaan als briesende leeuwen.
  2. zult hen behoeden Hebr. zult hem behoeden; dat is, elkeen van hen.
  3. geslacht, Dat is, voor deze boze mensen, die in deze tijd tezamen leven, gelijk Deu 1:35 , verg. Mat 11:16 met Luk 7:31 , en Mat 12:42 met Luk 11:31 . Het Hebr. woord Dor heeft de betekenis van duren, een durenden of langen tijd wonen of blijven, [zie Psa 84:11 ] en wordt voorts genomen voor eens mensen leeftijd op aarde, Ecc 1:4 , en wijders voor een menigte van mensen, die op een tijd of tezamen leven, zo bozen, gelijk hier elders, als vromen, onder Psa 14:5 , en Psa 73:15 , enz.

8 [012:9] De goddelozen draven rondom, wanneer de snoodsten van des mensenkinderen verhoogd worden.123

DutSVVA word tags

goddelozenH7563
rondomH5439
snoodstenH2149
mensenkinderenH1121H120

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. rondom, De profeet wil zeggen, als goddelozen [die de snoodste zijn onder de mensen] tot staten en ambten worden voorgetrokken en aan de regering komen, dan wordt het overal vol van goddelozen, die zeer stout, bitter en wrevelig zijn tegen de vromen, verg. Pro 28:12 , Pro 28:28 , en Pro 29:16 .
  2. wanneer Of, dewijl.
  3. snoodsten Hebr. de snoodheid, of nietwaardigheid; dat is, de allersnoodste, veilste, het schuim van mensen, gelijk zwelgers en slempers zijn, Deut. 21:20; Pro 23:21 , gesteld tegen degenen, of hetgeen kostelijk en dierbaar is, Jer 15:19 . Zie wijders Job 35:13 .