reltext

Chapter 127

1 Een lied Hammaaloth, van Salomo. Zo de Heere het huis niet bouwt, te vergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan; zo de Heere de stad niet bewaart, te vergeefs waakt de wachter.123

Original Hebrew

אִם\־אם\אִם\־אם\'im-ifH0518J\H9014HTc
יְהוָ֤ה\׀יהו֤ה\יְהוָה\׀יהוה\Yah.wehYahwehH3068G\H9015HNpt
לֹא\־לא\לֹא\־לא\lo'-notH3808\H9014HTn
יִבְנֶ֬היבנ֬היִבְנֶהיבנהyiv.Nehhe will buildH1129HVqi3ms
בַ֗יִתב֗יתבַיִתביתVa.yita houseH1004BHNcmsa
שָׁ֤וְא\׀ש֤וא\שָׁוְא\׀שוא\shav'vanityH7723H\H9015HNcmsa
עָמְל֣וּעמל֣ועָמְלוּעמלו'a.me.Luthey have toiledH5998HVqp3cp
בוֹנָ֣י/ובונ֣י/ובוֹנָי/ובוני/וvo.Na/vbuilders/ itsH1129H9033HVqrmpc+Sp3ms
בּ֑/וֹב֑/ובּ/וֹב/וb/oin/ itH9003H9033HR+Sp3ms
אִם\־אם\אִם\־אם\'im-ifH0518J\H9014HTc
יְהוָ֥היהו֥היְהוָהיהוהYah.wehYahwehH3068GHNpt
לֹֽא\־לא\לֹֽא\־לא\lo'-notH3808\H9014HTn
יִשְׁמָר\־ישמר\יִשְׁמָר\־ישמר\yish.mor-he will watch overH8104H\H9014HVqi3ms
עִ֝֗ירע֝֗ירעִירעיר'Ira cityH5892BHNcfsa
שָׁ֤וְא\׀ש֤וא\שָׁוְא\׀שוא\shav'vanityH7723H\H9015HNcmsa
שָׁקַ֬דשק֬דשָׁקַדשקדsha.Kadhe has kept awakeH8245HVqp3ms
שׁוֹמֵֽר\׃שומר\שׁוֹמֵֽר\׃שומר\sho.Mer[the] watchmanH8104H\H9016HVqrmsa
  1. lied Hamaälòth, Zie Psa 120:1 .
  2. van Sálomo Dat is, gedicht van Salomo. Anders: voor Salomo; dat is, gedicht van David tot onderwijzing van zijn zoon Salomo. Alzo ook Psa 72:1 .
  3. het huis Versta hier, door het bouwen en bewaren van het huis en der stad, niet alleen het stoffelijke gebouw, maar ook den staat en het gouvernement zo in het bijzonder als in het algemeen over koninkrijken, landen en steden, kerken en gemeenten.

2 Het is te vergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft.1234567

Original Hebrew

שָׁ֤וְאש֤ואשָׁוְאשואshav'vanityH7723HHNcmsa
לָ/כֶ֨ם\׀ל/כ֨ם\לָ/כֶם\׀ל/כם\la./Khem[belongs] to/ youH9005H9036\H9015HR+Sp2mp
מַשְׁכִּ֪ימֵימשכ֪ימימַשְׁכִּימֵימשכימיmash.Ki.mei[who] rise earlyH7925HVhrmpc
ק֡וּםק֡וםקוּםקוםkum<of> to riseH6965BHVqcc
מְאַֽחֲרֵי\־מאחרי\מְאַֽחֲרֵי\־מאחרי\me.'a.cha.rei-[who] delayH0309\H9014HVprmpc
שֶׁ֗בֶתש֗בתשֶׁבֶתשבתShe.vet<of> to sitH3427HVqcc
אֹ֭כְלֵיא֭כליאֹכְלֵיאכלי'O.khe.lei[who] eatH0398HVqrmpc
לֶ֣חֶםל֣חםלֶחֶםלחםLe.chem<of> [the] bread ofH3899HHNcmsc
הָ/עֲצָבִ֑יםה/עצב֑יםהָ/עֲצָבִיםה/עצביםha./'a.tza.Vim<the>/ laborsH9009H6089AHTd+Ncmpa
כֵּ֤ןכ֤ןכֵּןכןkenthusH3651CHD
יִתֵּ֖ןית֖ןיִתֵּןיתןyi.Tenhe givesH5414GHVqi3ms
לִֽ/ידִיד֣/וֹל/ידיד֣/ולִֽ/ידִיד/וֹל/ידיד/וli./di.D/oto/ beloved [one]/ hisH9005H3039AH9023HR+Aamsc+Sp3ms
שֵׁנָֽא\׃שנא\שֵׁנָֽא\׃שנא\she.Na'sleepH8142\H9016HNcfsa
  1. Het is tevergeefs Te weten, hetzij dat gij den zegen des Heeren hebt.
  2. vroeg opstaat, laat Te weten, om te arbeiden.
  3. opblijft, Hebr. zit; te weten om met arbeiden den kost te winnen.
  4. eet brood der smarten; Dat is, zuur brood, brood met veel zorg en moeite verkregen. Zie de aantekening 1Ki 22:27 . Anders, brood der bekommeringen.
  5. Hij het Te weten, God.
  6. zijn beminden Het schijnt dat David hier inzonderheid op Salomo ziet, die 2Sa 12:25 genoemd wordt Jedid Jah; dat is, beminde des Heeren.
  7. als in den Anders: geeft Hij zijnen beminden den slaap. Alsof hij zeide: Al het woelen en zorgen zal den mens niet helpen zo hem de HEERE niet zegent; maar dien Hij bemint en zegent, die zal genoeg hebben en met gerustheid gaan slapen, zichzelven en de zijnen, na gedanen arbeid, God den Heere bevelende.

3 Ziet, de kinderen zijn een erfdeel des Heeren; des buiks vrucht is een beloning.123

Original Hebrew

הִנֵּ֤ההנ֤ההִנֵּההנהhi.Nehhere!H2009HTj
נַחֲלַ֣תנחל֣תנַחֲלַתנחלתna.cha.Lat[the] inheritance ofH5159HNcfsc
יְהוָ֣היהו֣היְהוָהיהוהYah.wehYahwehH3068GHNpt
בָּנִ֑יםבנ֑יםבָּנִיםבניםba.Nim[is] sonsH1121AHNcmpa
שָׂ֝כָ֗רש֝כ֗רשָׂכָרשכרSa.Khar[is] a rewardH7939HNcmsa
פְּרִ֣יפר֣יפְּרִיפריpe.Ri[the] fruit ofH6529HNcmsc
הַ/בָּֽטֶן\׃ה/בטן\הַ/בָּֽטֶן\׃ה/בטן\ha./Ba.tenthe/ wombH9009H0990H\H9016HTd+Ncfsa
  1. een erfdeel des HEEREN; Dat is, een zegen van den Heere gegeven, gelijk Job 20:29 ; Psa 61:6 ; Isa 54:17 .
  2. des buiks vrucht Dat is, de kinderen.
  3. een beloning Te weten, van den Heere gegeven. Men geeft somtijds beloning, die men schuldig is voor gedanen dienst, gelijk Gen 30:28 ; Num 18:31 . Somtijds uit gratie of uit gunst, Rom 4:4 ; gelijk God zijnen dienaren geeft; Gen 15:1 ; Isa 62:11 .

4 Gelijk de pijlen zijn in de hand eens helds, zodanig zijn de zonen der jeugd.12

Original Hebrew

כְּ/חִצִּ֥יםכ/חצ֥יםכְּ/חִצִּיםכ/חציםke./chi.Tzimlike/ arrowsH9004H2671HR+Ncmpa
בְּ/יַד\־ב/יד\בְּ/יַד\־ב/יד\be./yad-in/ [the] hand ofH9003H3027G\H9014HR+Ncbsc
גִּבּ֑וֹרגב֑ורגִּבּוֹרגבורgi.Bora warriorH1368HNcmsa
כֵּ֝֗ןכ֝֗ןכֵּןכןKensoH3651CHD
בְּנֵ֣יבנ֣יבְּנֵיבניbe.Nei[are] [the] sons ofH1121AHNcmpc
הַ/נְּעוּרִֽים\׃ה/נעורים\הַ/נְּעוּרִֽים\׃ה/נעורים\ha./ne.'u.Rim<the>/ youth<s>H9009H5271A\H9016HTd+Ncmpa
  1. Gelijk de pijlen De zin is: Gelijk een sterk man zijne pijlen op den vijand schietende, dezen kwetst en ombrengt; alzo zijn de kinderen, die wel opgevoed zijn hunne ouders een hulp en bijstand tegen de vijanden.
  2. de zonen der jeugd Te weten, die geteeld zijn wanneer de ouders in het beste van hun leven zijn. Want zulke kinderen zijn gemeenlijk van kloeker natuur dan anderen en zij komen de ouders spoedig in de hand. Aldus worden zonen des ouderdoms genoemd de kinderen, die in den ouderdom hunner ouders geboren worden; Gen 37:3 .

5 Welgelukzalig is de man, die zijn pijlkoker met dezelve gevuld heeft; zij zullen niet beschaamd worden, als zij met de vijanden spreken zullen in de poort.123

Original Hebrew

אַשְׁרֵ֤יאשר֤יאַשְׁרֵיאשרי'ash.Reihow blessed!H0835HNcmpc
הַ/גֶּ֗בֶרה/ג֗ברהַ/גֶּבֶרה/גברha./Ge.ver[is] the/ manH9009H1397HTd+Ncmsa
אֲשֶׁ֤ראש֤ראֲשֶׁראשר'a.SherwhoH0834AHTr
מִלֵּ֥אמל֥אמִלֵּאמלאmi.Le'he has filledH4390HVpp3ms
אֶת\־את\אֶת\־את\'et-<obj.>H0853\H9014HTo
אַשְׁפָּת֗/וֹאשפת֗/ואַשְׁפָּת/וֹאשפת/ו'ash.pa.T/oquiver/ hisH0827H9023HNcfsc+Sp3ms
מֵ֫/הֶ֥םמ֫/ה֥םמֵ/הֶםמ/הםme./Hemfrom/ themH9006H9038HR+Sp3mp
לֹֽא\־לא\לֹֽא\־לא\lo'-notH3808\H9014HTn
יֵבֹ֑שׁוּיב֑שויֵבֹשׁוּיבשוye.Vo.shuthey will be ashamedH0954HVqi3mp
כִּֽי\־כי\כִּֽי\־כי\ki-ifH3588A\H9014HTc
יְדַבְּר֖וּידבר֖ויְדַבְּרוּידברוye.da.be.Ruthey will speakH1696GHVpi3mp
אֶת\־את\אֶת\־את\'et-withH0854\H9014HR
אוֹיְבִ֣יםאויב֣יםאוֹיְבִיםאויבים'oy.VimenemiesH0341HVqrmpa
בַּ/שָּֽׁעַר\׃ב/שער\בַּ/שָּֽׁעַר\׃ב/שער\ba./Sha.'arin the/ gateH9003H8179G\H9016HRd+Ncmsa
  1. die zijn pijlkoker Die zijn huis vol van zulke kinderen heeft.
  2. zij zullen niet beschaamd Dat is, zij zullen uit vrees voor hunne wederpartijders hun rechtvaardige zaak niet behoeven onbeantwoord te laten, als zij voor den rechter verschijnen.
  3. spreken zullen in Dat is, te pleiten hebben voor het gericht, hetwelk in de stadspoorten pleegt te geschieden. Zie de aantekening bij Gen 34:20 .