Chapter 113
1 Hallelujah! Looft, gij knechten des Heeren! looft den Naam des Heeren.
הַ֥לְלוּה֥ללוהַלְלוּהללוHa.lupraiseH1984BHVpv2mp הַ֭לְלוּה֭ללוהַלְלוּהללוHa.lupraiseH1984BHVpv2mp עַבְדֵ֣יעבד֣יעַבְדֵיעבדי'av.DeiO servants ofH5650HNcmpc יְהוָ֑היהו֑היְהוָהיהוהYah.wehYahwehH3068GHNpt הַֽ֝לְלוּה֝ללוהַֽלְלוּהללוHa.lupraiseH1984BHVpv2mp שֵׁ֥םש֥םשֵׁםשםshem[the] name ofH8034HNcmsc 2 De Naam des Heeren zij geprezen, van nu aan tot in der eeuwigheid.1
יְהִ֤ייה֤ייְהִייהיye.Himay it beH1961HVqj3ms שֵׁ֣םש֣םשֵׁםשםshem[the] name ofH8034HNcmsc יְהוָ֣היהו֣היְהוָהיהוהYah.wehYahwehH3068GHNpt מְבֹרָ֑ךְמבר֑ךמְבֹרָךְמברךme.vo.RakhblessedH1288HVPsmsa מֵֽ֝/עַתָּ֗המ֝/עת֗המֵֽ/עַתָּהמ/עתהme./'a.Tahfrom/ nowH9006H6258HR+D עוֹלָֽם\׃עולם\עוֹלָֽם\׃עולם\o.LamperpetuityH5769G\H9016HNcmsa - geprezen, Hebr. gezegend.
3 Van den opgang der zon af tot haar nedergang, zij de Naam des Heeren geloofd.1
מִ/מִּזְרַח\־מ/מזרח\מִ/מִּזְרַח\־מ/מזרח\mi./miz.rach-from/ [the] rising ofH9006H4217H\H9014HR+Ncmsc שֶׁ֥מֶשׁש֥מששֶׁמֶשׁשמשShe.mesh[the] sunH8121HNcbsa מְבוֹא֑/וֹמבוא֑/ומְבוֹא/וֹמבוא/וme.vo.'/Osetting/ itsH3996H9023HNcmsc+Sp3ms מְ֝הֻלָּ֗למ֝הל֗למְהֻלָּלמהללme.hu.Lal[is] to be praisedH1984BHVPsmsa שֵׁ֣םש֣םשֵׁםשםshem[the] name ofH8034HNcmsc - den opgang . . . haar nedergang Dat is, door de ganse wereld.
4 De Heere is hoog boven alle heidenen, boven de hemelen is Zijn heerlijkheid.1
רָ֖םר֖םרָםרםram[is] exaltedH7311AHVqrmsa גּוֹיִ֥ם\׀גוי֥ם\גּוֹיִם\׀גוים\go.YimnationsH1471A\H9015HNcmpa יְהוָ֑היהו֑היְהוָהיהוהYah.wehYahwehH3068GHNpt עַ֖לע֖לעַלעל'al[is] aboveH5921AHR הַ/שָּׁמַ֣יִםה/שמ֣יםהַ/שָּׁמַיִםה/שמיםha./sha.Ma.yimthe/ heavensH9009H8064HTd+Ncmpa כְּבוֹדֽ/וֹ\׃כבוד/ו\כְּבוֹדֽ/וֹ\׃כבוד/ו\ke.vo.D/oglory/ hisH3519H9023\H9016HNcmsc+Sp3ms - boven de hemelen Dat is, zij strekt zich verder uit dan de hemel en de aarde doen.
5 Wie is gelijk de Heere, onze God? Die zeer hoog woont.1
מִ֭ימ֭ימִימיmiwho?H4310HPi כַּ/יהוָ֣הכ/יהו֣הכַּ/יהוָהכ/יהוהka./Yah.weh[is] like/ YahwehH9004H3068GHR+Npt אֱלֹהֵ֑י/נוּאלה֑י/נואֱלֹהֵי/נוּאלהי/נו'e.lo.Hei./nuGod/ ourH0430GH9025HNcmpc+Sp1bp הַֽ/מַּגְבִּיהִ֥יה/מגביה֥יהַֽ/מַּגְבִּיהִיה/מגביהיha./mag.bi.Hiwho/ is making highH9009H1361HTd+Vhrmsc - Die zeer hoog woont Hebr. die zichzelven verheft met wonen.
6 Die zeer laag ziet, in den hemel en op de aarde.1
הַֽ/מַּשְׁפִּילִ֥יה/משפיל֥יהַֽ/מַּשְׁפִּילִיה/משפיליha./mash.pi.Liwho/ is making lowH9009H8213HTd+Vhrmsc לִ/רְא֑וֹתל/רא֑ותלִ/רְאוֹתל/ראותli/r.'otto/ lookH9005H7200GHR+Vqcc בַּ/שָּׁמַ֥יִםב/שמ֥יםבַּ/שָּׁמַיִםב/שמיםba./sha.Ma.yimon the/ heavensH9003H8064HRd+Ncmpa - Die zeer laag ziet, Hebr. die zich vernedert om te zien. Alsof hij zeide: Hoewel Hij zo groot en zo hoog gezeten is, zo verwaardigt Hij zich nochtans wel zijn oog te slaan op al de schepselen, en die te regeren door zijne voorzienigheid.
7 Die den geringe uit het stof opricht, en den nooddruftige uit den drek verhoogt;1
מְקִֽימִ֣ימקימ֣ימְקִֽימִימקימיme.ki.Mi[he is] raisingH6965HHVhrmsa מֵ/עָפָ֣רמ/עפ֣רמֵ/עָפָרמ/עפרme./'a.Farfrom/ [the] dustH9006H6083HR+Ncmsa דָּ֑לד֑לדָּלדלDal[the] poorH1800HAamsa מֵֽ֝/אַשְׁפֹּ֗תמ֝/אשפ֗תמֵֽ/אַשְׁפֹּתמ/אשפתme./'ash.Potfrom/ [the] ash heapH9006H0830HHR+Ncmsa יָרִ֥יםיר֥יםיָרִיםיריםya.Rimhe lifts upH7311AHVhi3ms אֶבְיֽוֹן\׃אביון\אֶבְיֽוֹן\׃אביון\'ev.Yon[the] needyH0034\H9016HAamsa - uit den drek verhoogt; Of, uit den misthoop; dat is, van een kleinen en nederige stta, gelijk 1Ki 16:2 . Uit den drek verheffen betekent hetzelfde, zo hier, gelijk 1Sa 2:8 ; Lam 4:5 . Zie de aantekening bij Psa 22:30 .
8 Om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen Zijns volks.
לְ/הוֹשִׁיבִ֥יל/הושיב֥ילְ/הוֹשִׁיבִיל/הושיביle./ho.shi.Vito/ make [him] sitH9005H3427HR+Vhcc נְדִיבִ֑יםנדיב֑יםנְדִיבִיםנדיביםne.di.Vimnoble [people]H5081HHAampa נְדִיבֵ֥ינדיב֥ינְדִיבֵינדיביne.di.Vei[the] noble [people] ofH5081HHAampc 9 Die de onvruchtbare doet wonen met een huisgezin, een blijde moeder van kinderen. Hallelujah!12
מֽוֹשִׁיבִ֨י\׀מושיב֨י\מֽוֹשִׁיבִי\׀מושיבי\mo.shi.Vi[he is] causes to dwellH3427\H9015HVhrmsc עֲקֶ֬רֶתעק֬רתעֲקֶרֶתעקרת'a.Ke.ret[the] barren [woman] ofH6135HAafsc הַ/בַּ֗יִתה/ב֗יתהַ/בַּיִתה/ביתha./Ba.yitthe/ houseH9009H1004BHTd+Ncmsa הַ/בָּנִ֥יםה/בנ֥יםהַ/בָּנִיםה/בניםha./ba.Nimthe/ childrenH9009H1121AHTd+Ncmpa שְׂמֵחָ֗השמח֗השְׂמֵחָהשמחהse.me.ChahjoyfulH8056HAafsa הַֽלְלוּ\־הללו\הַֽלְלוּ\־הללו\ha.lu-praiseH1984B\H9014HVpv2mp - Die de onvruchtbare Dat is, die de onvruchtbare vrouw een huisgezin geeft, waar zij tevoren in 't geheel geen gezin had.
- een blijde moeder Te weten, zich verblijvende doordien Hij haar kinderen verleent. Zie Psa 68:7 .