reltext

Chapter 69

1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Schoschannim. [069:2] Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel.123

DutSVVA word tags

DavidH1732
opperzangmeesterH5329H8764
SchoschannimH7799
GodH430
waterenH4325
gekomenH935H8804
zielH5315

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. opperzangmeester, Zie Psa 4:1 .
  2. schòschannim Zie Psa 45:1 .
  3. wateren Dat is, overgrote gevaren dreigen mij het leven te benemen; zie 2Sa 22:17 , alzo vs.3, 15,16.

2 [069:3] Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij.123

DutSVVA word tags

gezonkenH2883H8804
grondelozeH4688
modderH3121
staanH4613
gekomenH935H8804
dieptenH4615
waterenH4325
vloedH7641
overstroomtH7857H8804

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. grondeloze Hebr. modder der grondeloosheid, of diepte.
  2. waar Hebr. en daar is [om zo te spreken] gene standing; dat is, geen vastigheid, grond; ik zink er al dieper en dieper in.
  3. overstroomt Dat is, dreigt mij weg te rukken. Hier wordt gebruikt het woord Schibboleth, waarvan Jdg 12:6 ; alzo onder, vs.16.

3 [069:4] Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God.

DutSVVA word tags

vermoeidH3021H8804
keelH1627
ontstokenH2787H8738
ogenH5869
bezwekenH3615H8804
hopendeH3176H8764
GodH430

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

4 [069:5] Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.1234

DutSVVA word tags

oorzaakH2600
harenH8185
hoofdsH7218
vernielenH6789H8688
oorzakenH8267
gewordenH6105H8804
wedergevenH7725H8686

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. zonder Hebr. tevergeefs, omniet.
  2. vernielen, Hebr. die mij vernielen; dat is, zoeken te vernielen, uit te roeien, neder te smijten, die daarmede steeds bezig zijn, het schort aan hen niet, wil hij zeggen. Verg. Psa 56:2 .
  3. valse Hebr. [om] leugen, valsheid.
  4. wat ik David wil zeggen dat hij, onschuldig zijnde, nochtans als een schuldige of misdadiger wordt behandeld. Dit moet ook op Christus geduid worden, die niet zijn eigen, maar onze zonden heeft gedragen; Isa 53:4-8 ; 1Pe 2:24 , en 1Pe 3:18 . Sommigen duiden het op den Heere Christus in dezen in, dat Hij het onrecht heeft moeten lijden, omdat Hij gezegd had dat Hij Gods Zoon was, daar Hij in der waarheid Gods eigen en eeuwige Zoon was, eenswezens met den Vader en geen geroofde godheid hebbende; zie Joh 19:7 , en Phi 2:6 .

5 [069:6] O God! Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen.1

DutSVVA word tags

GodH430
dwaasheidH200
schuldenH819
verborgenH3582H8738

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. dwaasheid, Of ik schuldig ben aan de zonden en boze stukken, die zij mij ten laste leggen; het ongelijk, dat zij mij aandoen, is U bekend. Alzo Job 16:18 . Aarde bedek mijn bloed niet; te weten, indien ik het mocht vergoten hebben. Verg. Psa 38:6 .

6 [069:7] Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, Heere der heirscharen, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israëls!1

DutSVVA word tags

wordenH954H8799
verwachtenH6960H8802
HeereH136
HeereH3069
heirscharenH6635
GodH430
IsraëlsH3478

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Laat hen De vromen [wil hij zeggen], die het met mij houden en een goede uitkomst mijner zaken, volgens uw woord, verwachten en beschaamd zouden uitkomen, zo Gij mij verliet; nu is mijne zaak niet alleen hunne zaak, maar ook uwe zaak, dewijl ik en zij ons tezamen aan U en uw woord houden, daarom, enz.

7 [069:8] Want om Uwentwil draag ik versmaadheid; schande heeft mijn aangezicht bedekt.

DutSVVA word tags

versmaadheidH2781
schandeH3639
aangezichtH6440

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

8 [069:9] Ik ben mijn broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen.1

DutSVVA word tags

broederenH251
gewordenH2114H8716
onbekendH5237
moedersH517
kinderenH1121

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Ik ben Dat is, niemand wil mij kennen, zelfs ook niet mijn naaste vrienden. Verg. Job 19:13-16 , en vs.9, Psa 27:10 met de aantekeningen.

9 [069:10] Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen.1

DutSVVA word tags

ijverH7068
huisH1004
verteerdH398H8804
smaadhedenH2781
gevallenH5307H8804

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. van uw Dat is, tot, of voor uw huis. Dit wordt geduld op onzen Heere Christus; Joh 2:17 , en Rom 15:3 .

10 [069:11] En ik heb geweend in het vasten mijner ziel; maar het is mij geworden tot allerlei smaad.12

DutSVVA word tags

geweendH1058H8799
vastenH6685
zielH5315
smaadH2781

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. in het Of, met. De zin is: Als ik mijne ziel, of persoon, met vasten pijnigde of kwelde. Verg. Psa 35:13 .
  2. allerlei Hebr. smaadheden.

11 [069:12] En ik heb een zak tot mijn kleed aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden.12

DutSVVA word tags

kleedH3830
aangedaanH5414H8799
spreekwoordH4912

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. zak tot Zie Gen 37:34 .
  2. aangedaan; Hebr. gegeven.

12 [069:13] Die in de poort zitten, klappen van mij; en ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken.123

DutSVVA word tags

poortH8179
klappenH7878H8799
snarenspelH5058
drankH7941
drinkenH8354H8802

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. zitten, Waar men het gericht houdt en het volk bijeenkomt. Zie Gen 22:17 .
  2. snarenspel Of, speellieden. Zie Job 30:9 , met de aantekeningen.
  3. sterken Hebr. Schechar. Zie Lev 10:10 . Dat is, der dronkaards. Hij wil zeggen dat zij in hun dronken gelagen spotliederen voor hem zongen en speelden.

13 [069:14] Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o Heere; er is een tijd des welbehagens, o God! door de grootheid Uwer goedertierenheid; verhoor mij door de getrouwheid Uws heils.1234

DutSVVA word tags

gebedH8605
HeereH3068
tijdH6256
welbehagensH7522
GodH430
grootheidH7230
goedertierenheidH2617
verhoorH6030H8798
getrouwheidH571
heilsH3468

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. mij aangaande, Alsof hij zeide: Ik weet in al deze mijne zwarigheden geen andere toevlucht dan tot U.
  2. tijd Besloten in uw wijzen en zeer genadigen raad, waarin Gij de tijden en minuten hebt geordineerd, wanneer Gij metterdaad wilt en zult bewijzen welke gunst Gij uwen kinderen toedraagt. Anders, [in] den tijd des welbehagens verhoor mij, o God, naar, enz. Verg. Isa 49:8 ; 2Co 6:2 .
  3. grootheid Of, veelheid.
  4. getrouwheid Dat is, heilzame trouw, die vereist dat Gij naar uwe beloften mij hoort en helpt.

14 [069:15] Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten der wateren.1

DutSVVA word tags

slijkH2916
verzinkenH2883H8799
dieptenH4615
waterenH4325

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. slijk, Verg. Psa 40:3 , en Job 30:19 .

15 [069:16] Laat de watervloed mij niet overstromen, en laat de diepte mij niet verslinden; en laat den put zijn mond over mij niet toesluiten.

DutSVVA word tags

watervloedH4325H7641
overstromenH7857H8799
diepteH4688
verslindenH1104H8799
putH875
mondH6310
toesluitenH332H8799

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

16 [069:17] Verhoor mij, o Heere, want Uw goedertierenheid is goed; zie mij aan naar de grootheid Uwer barmhartigheden.12

DutSVVA word tags

VerhoorH6030H8798
HeereH3068
goedertierenheidH2617
goedH2896
grootheidH7230
barmhartighedenH7356

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. goed; Dat is, lieflijk, nuttig, troostelijk. Verg. Psa 63:4 .
  2. grootheid Of, veelheid.

17 [069:18] En verberg Uw aangezicht niet van Uw knecht, want mij is bange; haast U, verhoor mij.

DutSVVA word tags

verbergH5641H8686
aangezichtH6440
knechtH5650
verhoorH6030H8798

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

18 [069:19] Nader tot mijn ziel, bevrijd ze; verlos mij om mijner vijanden wil.1

DutSVVA word tags

zielH5315
bevrijdH1350H8798
vijandenH341H8802

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. om mijner Omdat zij zo wreed, bitter en omverzoenlijk zijn, of, opdat zij geen roem over mijnen ondergang dragen, tot oneer van uw heiligen naam.

19 [069:20] Gij weet mijn versmaadheid, en mijn schaamte, en mijn schande; al mijn benauwers zijn voor U.12

DutSVVA word tags

versmaadheidH2781
schaamteH1322
schandeH3639
benauwersH6887H8802

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. mijn versmaadheid Die ik van mijne vijanden moet lijden zonder mijne schuld. Verg. vs.6.
  2. voor U Zijn U bekend, voor uwe ogen niet verborgen.

20 [069:21] De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik ben zeer zwak; en ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden.

DutSVVA word tags

versmaadheidH2781
hartH3820
gebrokenH7665H8804
gewachtH6960H8762
medelijdenH5110H8800
vertroostersH5162H8764
gevondenH4672H8804

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

21 [069:22] Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.1

DutSVVA word tags

spijsH1267
gegevenH5414H8799
dorstH6772
edikH2558
gegevenH8248H8686

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. gal Of, venijn, vergiftig kruid; iets dat bovenmate bitter en zeer schadelijk was. Zie Deu 29:18 , en Deu 32:32 ; Lam 3:19 ; Hos 10:4 ; Amo 6:12 . Door het water daarvan wordt bittere ellende beduid; Jer 8:14 , en Jer 9:15 , en Jer 23:15 .

22 [069:23] Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik.12

DutSVVA word tags

tafelH7979
aangezichtH6440
strikH6341
vergeldingH7965
valstrikH4170

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. tafel Dat is, spijs, drank en wat tot des mensen onderhoud en verkwikking zou dienen; waarmede de goddelozen dikwijls tot hun verderf verstrikt en gevangen worden. Zie Rom 11:9 , en verg. 2Co 2:15-16 . Deze en de volgende gebeden en wensingen zijn profetieën van lichamelijke en geestelijke, tijdelijke en eeuwige straffen, die den verstokten vijanden Gods, van zijne kerk, en bijzonderlijk van onzen Heere Jezus Christus, zouden overkomen.
  2. volle Hebr. vergelding; dat is, tot Gods volle wederwraak, van hetgeen zij in vs.23 gezegd worden gedaan te hebben. Anders: hetgeen tot vrede, of welstand zou dienen, [worde, of zij hun] tot een val.

23 [069:24] Laat hun ogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hun lenden gedurig waggelen.1

DutSVVA word tags

ogenH5869
lendenH4975
gedurigH8548
waggelenH4571H8685

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. lenden Dat zij onsterkt en krachteloos zijn.

24 [069:25] Stort over hen Uw gramschap uit; en de hittigheid Uws toorns grijpe hen aan.1

DutSVVA word tags

gramschapH2195
hittigheidH2740
toornsH639

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. grijpe Dat zij uwen toorn gevoelen.

25 [069:26] Hun paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner.1

DutSVVA word tags

paleisH2918
verwoestH8074H8737
tentenH168
inwonerH3427H8802

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. paleis Of, burg, kasteel, slot, heerlijke magnifieke bouwwerken.

26 [069:27] Want zij vervolgen, dien Gij geslagen hebt; en maken een praat van de smart Uwer verwonden.123

DutSVVA word tags

vervolgenH7291H8804
smartH4341
verwondenH2491

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. geslagen Dat is, dien Gij vaderlijk kastijdt en beproeft, dien zoeken zij voorts op het lijf te vallen en te vernielen. Verg. wijders [onze Heere Christus aangaande] Isa 53:4-5 ; Mat 26:31 .
  2. zij maken Dat is, zij schimpen en spotten er mede.
  3. uwer Dat is, die Gij om uwentwil, om uws naams wil, laat lijden. Verg. onder vs.34, en aangaande de manier van spreken Psa 37:22 .

27 [069:28] Doe misdaad tot hun misdaad, en laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid.12

DutSVVA word tags

misdaadH5771
misdaadH5771
gerechtigheidH6666

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Doe Hebr. geef, stel; dat is, laat hen vallen van de ene zonde in de andere, geef hen over in een verkeerden zin, enz. Zie Rom 1:24 , Rom 1:28 , en Rom 11:8 ; 1Th 2:16 , en 2Th 2:11 ; idem Mat 23:22 . Sommigen verstaan door misdaad, de straf der misdaad; alsof hij zeide: Doe straf tot hunne straf.
  2. gerechtigheid Dat zij voor U niet worden gerechtvaardigd en vrijgesproken van hunne zonden. Zie Rom 10:3 ; Phi 3:9 ; Joh 12:39-40 , maar, niet gelovende, in hunne zonde sterven; Joh 8:24 .

28 [069:29] Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden.12

DutSVVA word tags

boekH5612
levensH2416
rechtvaardigenH6662

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. uitgedelgd Dat is, [gelijk de volgende woorden verklaren] doe blijken dat zij niet behoren tot het getal uwer uitverkorenen en bij U daaronder niet zijn aangeschreven, hoewel zij bij zichzelven en andere mensen voor uw volk worden gehouden en daaronder gerekend, maar snijd Gij hen af, enz. Alzo worden Job 39:20
  2. des levens Of, der levenden.

29 [069:30] Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek.

DutSVVA word tags

ellendigH6041
heilH3444
GodH430
vertrekH7682H8762

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

30 [069:31] Ik zal Gods Naam prijzen met gezang, en Hem met dankzegging grootmaken.

DutSVVA word tags

GodsH430
NaamH8034
prijzenH1984H8762
gezangH7892
dankzeggingH8426
grootmakenH1431H8762

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

31 [069:32] En het zal den Heere aangenamer zijn dan een os, of een gehoornde var, die de klauwen verdeelt.123

DutSVVA word tags

HeereH3068
gehoorndeH7160H8688
verdeeltH6536H8688

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. aangenamer Hebr. beter; dat is, bevalliger.
  2. os Dat is, offeranden van beesten. Zie Psa 40:7 , en Psa 50:13-15 .
  3. klauwen] Zie Lev 11:3 .

32 [069:33] De zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en gij, die God zoekt, ulieder hart zal leven.1

DutSVVA word tags

zachtmoedigenH6035
hebbendeH7200H8804
verblijdenH8055H8799
GodH430
hartH3824

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. zachtmoedigen, Zie Psa 10:17 , en Psa 22:27 .

33 [069:34] Want de Heere hoort de nooddruftigen, en Hij veracht Zijn gevangenen niet.1

DutSVVA word tags

HeereH3068
nooddruftigenH34
verachtH959H8804
gevangenenH615

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. gevangenen Hebr. gebondenen; dat is, zijn getrouwe knechten, die Hij om zijns naams wil laat lijden. Verg. Eph 3:1 , en boven vs.27.

34 [069:35] Dat Hem prijzen de hemel en de aarde, de zeeën, en al wat daarin wriemelt.1

DutSVVA word tags

prijzenH1984H8762
hemelH8064
aardeH776
zeeënH3220
wriemeltH7430H8802

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. wremelt Zie Gen 1:21 .

35 [069:36] Want God zal Sion verlossen, en de steden van Juda bouwen; en aldaar zullen zij wonen, en haar erfelijk bezitten;123

DutSVVA word tags

GodH430
SionH6726
verlossenH3467H8686
stedenH5892
JudaH3063
bezittenH3423H8804

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Sion Dat is, zijne kerk. Zie Psa 2:6 .
  2. zij wonen, Te weten, de zachtmoedigen, die God zoeken, zijne knechten en liefhebbers, vs.33, en in vs.37.
  3. het Te weten, Zion, en zo in vs.37.

36 [069:37] En het zaad Zijner knechten zal haar beërven; en de liefhebbers Zijns Naams zullen daarin wonen.1

DutSVVA word tags

zaadH2233
knechtenH5650
beërvenH5157H8799
liefhebbersH157H8802
NaamsH8034

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. zaad Dat is, de nakomelinGen. Zie Psa 22:31 .