reltext

Chapter 4

1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth. [04:2] Als ik roep, verhoor mij, o God mijner gerechtigheid! In benauwdheid hebt Gij mij ruimte gemaakt; wees mij genadig, en hoor mijn gebed.1234

DutSVVA word tags

psalmH4210
DavidH1732
opperzangmeesterH5329H8764
NeginothH5058
verhoorH6030H8798
GodH430
gerechtigheidH6664
benauwdheidH6862
gemaaktH7337H8689
genadigH2603H8798
gebedH8605

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. opperzangmeester Dat is, die den opperzangmeester gegeven werd, om dien in het huis des Heeren te doen spelen en zingen. Het Hebr. woord overwinnaar, en voorts aandrijver, voortdrijver, die anderen, onder zijn opzicht gesteld zijnde, in kloekheid overwint of teboven gaat, en het werk aandrijft totdat het als overwonnen en ten einde gebracht is; en vervolgens in zake van gezang, een meester, opziener, voorganger van de zangers en speellieden. Verg. Psa 13:1 , en zie 2Ch 2:2 , 2Ch 2:18 , 2Ch 34:12-13 ; Ezr 3:8-9 . Aangaande deze ordinantie in de muziek van den godsdienst, zie 1Ch 6:31 , enz., en 1Ch 15:16-17 , enz., en 1Ch 16:4-5 , 1Ch 16:7 , en 1Ch 25:1-2 , enz.
  2. neginòth Of, in, met Neginoth. Hierdoor verstaan sommigen het snarenspel, of de instumenten van muziek, waarop met vingers gegrepen, geslagen of gespeeld werd, gelijk bij ons zijn luiten, harpen, cithers, vedelen, clavecimbalen, enz. Anderen houden het voor zekeren toon van de muziek.
  3. roep, Te weten, tot U, gelijk Psa 1:4 , dat is, vuriglijk bid. Zie Job 36:13 ; alzo dikwijls.
  4. gerechtigheid Dat is, die mijn rechtvaardige zaak voorstaat.

2 [04:3] Gij, mannen, hoe lang zal mijn eer tot schande zijn? Hoe lang zult gij de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? Sela.1234

DutSVVA word tags

mannenH1121H376
schandeH3639
ijdelheidH7385
beminnenH157H8799
leugenH3577
SelaH5542

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Gij mannen, Hebr. mans zonen, of mans kinderen, Alzo worden de grote of aanzienlijke lieden en heren genoemd, gelijk de gemene, onaanzienlijke lieden kinderen, of zonen der mensen, in tegenstelling genoemd worden; Psa 49:3 , Psa 62:10 ; Pro 8:4 . Verg. ook Isa 2:9 .
  2. eer tot Dat mij God door Samuël tot een koning heeft doen zalven.
  3. leugen Om mij met valse beschuldiging te bezwaren, of, u daarop verlaten, waarmede gij bedrogen zult uitkomen, dat toch feilen en u bedriegen zal. In zulk een zin kan het Hebreeuwse woord ook bekwamelijk worden genomen, uit vergelijking van 2Ki 4:16 ; Job 40:28 ; Psa 89:36 ; Isa 58:11 . Verg. voorts Psa 7:15 , en Psa 60:13 .
  4. Sela Zie van dit woord Psa 3:3 .

3 [04:4] Weet toch, dat de Heere Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; de Heere zal horen, als ik tot Hem roep.12

DutSVVA word tags

HeereH3068
gunstgenootH2623
afgezonderdH6395H8689
HeereH3068
totH413

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. gunstgenoot Te weten, mij, dien God onverdiende goedertierenheid, gunst en weldadigheid bewijst, welke ik genietende en gevoelende, ook van harte genegen ben anderen gunst en we`ldadigheid te bewijzen, zelfs mijnen haters, naar den aard en plicht der kinderen Gods. Zie Mat 5:44-45 ; 1Jo 4:11 , en voorts van het Hebr. woord zie 2Ch 6:41 .
  2. heeft afgezonderd; Te weten, tot het koninkrijk. Het Hebr. woord heeft betekenis van wonderlijk handelen en ook afzonderen. Waarom sommigen het overzetten: wonderlijk afgezonderd. Zie Exo 9:4 , en Exo 11:7 , en Exo 33:16 ; idem Psa 17:7 , enz.

4 [04:5] Zijt beroerd, en zondigt niet; spreekt in ulieder hart op uw leger, en zijt stil. Sela.123

DutSVVA word tags

beroerdH7264H8798
zondigtH2398H8799
nietH408
spreektH559H8798
hartH3824
legerH4904
SelaH5542

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Zijt beroerd, Alsof hij zeide: Zo gij u vertoornt of onstelt, òf over mijne verkiezing tot het koninkrijk, òf dat de zaken in het land kwalijk gaan, vergrijpt u daarom niet tegen mij, maar bekeert u en verzoent u met God; of, zijt beroerd; te weten door vrees van Gods zwaren toorn, dien gij op u laadt, en vaart niet voort in het zondigen.
  2. spreekt Dat is, denkt, overpeinst bij uzelven, [verg. Psa 14:1 , en Psa 35:25 ; Mat 24:48 ; Rom 10:6 , Rev 18:7 ] , overwegende uw doen, oordelende uzelven.
  3. zijt stil Laat af van mij te vervolgen.

5 [04:6] Offert offeranden der gerechtigheid, en vertrouwt op den Heere.1

DutSVVA word tags

offerandenH2077
gerechtigheidH6664
vertrouwtH982H8798
HeereH3068

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. offeranden Dat is, wettelijke offeranden, vergezelschapt met een oprecht geloof en bekering des harten. Alzo onder Psa 51:21 .

6 [04:7] Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere!1234

DutSVVA word tags

VelenH7227
zeggenH559H8802
goedeH2896
overH5921
lichtH216
aanschijnsH6440
HeereH3068

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Wie Of, och of iemand ons het goede deed zien? een manier van wensen. Zie Deu 5:29 , alsof zij zeiden: Hoe zullen wij nog eens uit deze onrusten en kwellingen geraken? Of: och mochten wij een vruchtbaar en vredelijk jaar hebben!
  2. zien? Dat is, doen genieten. Zie Job 7:7 .
  3. Verhef Gij Alsof de profeet zeide: Ik daarentegen zeg: Alles zal wel zijn, als maar Gij, o God, enz.
  4. licht Zie Num 6:25-26 .

7 [04:8] Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn.12

DutSVVA word tags

vreugdeH8057
hartH3820
gegevenH5414H8804
tijdH6256
korenH1715
mostH8492

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.

  1. Gij hebt O God.
  2. vreugde Geestelijke vreugde, door het licht uws aanschijns, die groter is dan de hunne placht te zijn over een overvloedigen oogst. Verg. Son 1:2 , Son 1:4 , en zie de aantekening bij Hos 9:1 .

8 [04:9] Ik zal in vrede te zamen nederliggen en slapen; want Gij, o Heere! alleen zult mij doen zeker wonen.

DutSVVA word tags

vredeH7965
zamenH3162
nederliggenH7901H8799
wantH3588
HeereH3068
alleenH910
zekerH983

No sourced original-language text for this passage yet — showing DutSVVA's own word tags instead.